Part 5
Doe ook zoo met dit keizerlijke woord van Napoleon, in zwierige beminnelijkheid geworpen naar de gestalte eener schoone vrouw, als een zoetgeurende bloem van toespelingen-verwachtende minnaars-welsprekendheid. Léon Bloy zou er allicht slechts een onpeilbare symbolische diepzinnigheid in willen eerbiedigen, om achter het waarneembaar-gebeurende en zinnen-vurige, den onzichtbaren drang van zulk een stout gezegde, voor ons te kunnen heffen tot de hoogte van een godsdienstig embleem, geboren in de schoonheids-ontroering welke nachtelijke oneindigheid en gracie van een vrouwgedaante in hem wekten. En zelfs met een huivering kan dit gewaarworden ons ondergaan lijken, omdat de vrouw, de verleidster van het naar God-geschapene, hier in haar aanbiddelijke verleidelijkheid, wordt betrokken in cosmisch-almachtig gevoel voor het grenzeloos duister heelal met zijn verre translichten. Maar zoo is alle zichtbaar geschieden te verinnerlijken door de onverklaarbare werkingen van een onderbewust instinct tot een mysterie, waartegenover de grootste zielsspeurder machteloos en dwergelijk staat.
* * * * *
Een andere tegenstrijdigheid.
Het is alom bekend dat Napoleon valsch speelde. Hij kon niet tegen verliezen, anders, zielkundiger beschouwd, niet tegen de vernedering van het niet-winnen. Ik besef dat ge onmiddellijk klaar staat met de veroordeeling, gelijk een ongeduldige donderslag nauw het vlietende vuur van den bliksemschicht afwacht. Dwingelandij, grove heerschzucht, waanzinnige trots! Ik heet deze termen, schimpend woordgedoe, waarmee de diepste gronden van zulk een spelwin-drang verklaard noch geraakt worden. Alweer, en zeer nadrukkelijk, om het anecdotisch bekend _feitje_, om het uiterlijk geschiedkundig gebeuren is het ons nimmer te doen. De inwendige, de diepst innerlijke geschiedenis van de menschenziel Napoleon beroert en boeit ons _alleen_, het zoeken naar den geestelijk-psychischen oorsprong van al zijn handelingen, gedachten en daden. Dit onderzoek is psychologisch en intuïtief het allermoeilijkste en ingewikkeldste dat er te doen is. Het wordt niet gedragen op de hooggolvende en uitbruisende zinnen eener bovennatuurlijkheids-lyriek, waarin bombast en opgeschroefdheid met kletterend en kolkend woordlawaai opschuimen tot een z.g. godsdienstig gevoels-ontroeren; dein-golvingen in wier gebroken glanzen zich het goddelijke, absolute, onkenbare en eeuwige, begeeren te spiegelen ter beangstigende glorie hunner onmeetbaarheid en onvatbaarheid. Zulk onderzoek wordt ook niet opgevroolijkt door het verbluffende kaatsspel met _menschelijke_ begrips- en gevoelsbepalingen van het _bovenmenschelijke_, met hoog- en bontgetooide en wild-aangelichte woorden vol schrikkelijken waan van levenswijsheid, die zelfs de uiterste intellectueele spanning niet over de bevattings-grens van ons hoogst opgevoerd wereld-beschouwen en onze diepst-dichterlijke onbewustheid vermag heen te dringen. Omdat hiervoor dogmatisch-begrensde en geheel subjectieve gemoeds- en levens-gesteldheden worden geëischt, als van een uitsluitend katholiek voeler en denker gelijk Léon Bloy of van een slaaf der milieu-theorie gelijk Taine. En meer nog omdat juist de geestelijke oorsprong van Napoleon's daden en gedachten er door wordt verward, ze uit hun ziels-oorzakelijkheid losgescheurd lijken met wilde wondende rukken en een krenken der fijnste en teederste psychische roerselen van dat innerlijke en inwendige. En of het nu gebeurt met ontroerde en ontroering schenkende hevigheid, smeekend of gezwollen, soms schreeuwerig en duister, half in een wereldvloek en in een godsdienstige prophetie, als bij Léon Bloy, of het geschiedt, geheel tegengesteld, insnijdend en koel-intellectueel met bijna hardvochtige nuchterheid en onbewogene strengheid, als bij Taine, beide manieren van ziels-ontleden en ziels-verklaren dompelen klamme nevels om de figuur die slechts psychologisch en dramatisch op te bouwen is uit de innerlijke noodwendigheid van al het wereldgebeuren, het onzichtbare geschieden waaraan al het historisch waarneembare gebeuren onderworpen wordt.
Het kan mij in dit verband, geen zier schelen of men op zichzelf een valsch speler een verschrikkelijk schepsel vindt, noch op welke wijze de moraal onzer samenleving hem vonnist en radbraakt. Het kan me ook niet schelen of een begaafd geloovige met een bovenzinlijke zending Napoleon's triomfeerenden en weer vernederden ommegang rond de wereld bezwaart. Het valsch spelen als innerlijke mogelijkheid in zulk een schepsel, de beweegredenen wil ik doorgronden, wijl deze het individu in zijn werkingen niet veroordeelen, maar verklaren. Napoleon's valsch spel, als een gebrek aan wilsbeheersching, gaat dwars in tegen twee grondeigenschappen van zijn natuur. Het valschspelen berust meestal op lage hebzucht, op _stoffelijk_ begeeren van voordeel. Lagere hebzucht nu was Napoleon volkomen vreemd en als veldheer lieten hem de verlies- en winkansen, eenmaal door een _onverbiddelijk_ lot te beslissen, het hoogste en koudste flegma behouden. Vooral als hij het lot tegen zich voelde in den krijg, bleef hij van een bewonderenswaardige rust en innerlijke waardigheid. Deze vergeestelijkte wilswerking van een geweldig krijgsman meent men stellig te zullen ontmoeten bij dingen van zoo oneindig minder beteekenis als schaak- of kaartspel. En zie, het omgekeerde vindt plaats. Davout zegt: „qu'aux échecs même, il savait rentrer en possession de ses deux fous. Il n'aimait pas que l'on en fit la remarque trop sérieusement; il en riait le premier, mais il était évidemment fâché qu'on y mit trop d'importance; et au fait, ne jouant jamais d'argent, il y avait plus à en plaisanter qu'a se fâcher.”
Wel afdoend, meenen we. Zelfs speelde hij vroeger valsch als het om geld ging, maar de winst gaf hij na het spel onmiddellijk weer. Alles dus om grove en kitteloorige bevrediging van brandende eerzucht?
Ik geloof er niets van.
Het begrip: valsch spel, verliest zijn psychologische waarde als het valsche geen bewust stoffelijk voordeel brengt. Ik voel de oplossing in dit simpele mededeelende zinnetje van Davout: „il en riait le premier.” Het was een door hem zelf lachwekkend gevondene, toch smartelijke poging het lot op zijn beurt te willen verschalken en mores leeren. Het was de heerscher in hem die een spel speelde met het lot, en niet meer met het spel zèlf. Hij, de man met het machtige inzicht, het diepste besef en de geweldigste visie op der dingen verloop, kon de bot-tegenwerkende domheden van het onpersoonlijke lot en de lompe groepeeringen zijner gunsten niet verdragen, die met boertige onverschilligheid en een vadsig gemak, de rijkste kansen en de sterkste machtsmiddelen zoo maar, een ieder in handen gaven. Waarom, door een grillige en domme opeenhooping, b.v. alle troeven daar, terwijl hij hier ze noodig had?--Moet Fortuna zich in een kaas opsluiten, als ze de heele open waereld tot woon kan kiezen? Het zonder strijd en hooger inzicht in handen krijgen der winkansen, tegelijk machtsmiddelen, moest een scheppenden en door alles heendringenden geest als Napoleon voor een bepaalden tijd ergeren. Daarom, met een fijnen illusie-lach om den mooien mond, en een bestraffend heerschers-behagen in het tartende hart, wil hij de kansen van het lot kantelen, in hun zelf zich zien verwarren en zet hij een tegengang van menschenmacht tegen fatummacht. Hij wint schijnbaar en lacht fijntjes, wijl hij de ontwrichtende logiek van dit spel met het spel zoo klaar beseft. En zoo verklaar ik deze instinctmatige valschheid, in vollen omvang als een psychische weerslag van een geboren heerscher op de dommekracht van het dwarsboomende lot, om althans in schijn, zijn wonderbaarlijk gebrek aan schifting en onderscheiding voor enkele oogenblikken te niet te doen.
Het is geen valsch spel, alleen weerzin van een heerschend intellect om zich te onderwerpen aan de klemmende causaliteit, werkend zonder eerbied voor eenig distinctief. Ik heb, voor ik deze beschouwing gaf, lang over dit probleem nagedacht en het betast, omgekanteld en weer rechtgezet, met den fijnsten speurzin waarover ik beschik, en voor mij zelf voel ik er de diepe zielswerkelijkheid van. Niemand gaf mij een verklaring of een geestelijke ontleding der daad.
Men bevestigde of verhaalde deze onteerende episode. Maar de psychologische doorschouwing en iets reins in de voorstelling dezer feiten bleef ver. Ik begrijp zeer wel dat men ook mijn inzicht met spitsvondige en prikkelende spotternijtjes, muggen-zwermerig kan omgonzen, en dat ironische snakerij, bruut en op den man af, succes zou hebben met deze paraphraseering.. „ach, leuter nou niet zoo Sherlock Holmesachtig speur-psychologisch.... een valsch speler is een valsch speler, en of hij nu Napoleon heet of Jan Bierkaai.... 't blijft één pot nat. Maak van de nul geen diepzinnig of raadselachtig cijferpoortje, onder welks boog alle mysteries het groote onbekende inglippen.”
Het zou me niet raken. Ik min de polemische dartelheid van een fijn en stekelig vernuft, als er althans gevoelsdiepte onder leeft. En een schepsel met zulk ondergrondsch begrijpen zal ook den ernst van 't geval beseffen.
Zoo kan ik mij de mogelijkheid zeer goed voorstellen dat b.v. een levensgeschiedenis van Napoleon, geschreven door Constant.... premier valet de chambre de l'empereur sur la vie privée,.... oneindig meer leesliefhebbers zal lokken dan b. v. het boek van Léon Bloy, _L'âme de Napoléon_, waarvan ik reeds in een vorig hoofdstuk melding maakte.
De burgerlijke belangstelling en de burgerlijke geest is happig op tastbaarheden, op episodiek die niet al te hoog boven het tulen plooimutsje van de keukenmeid, of het neepje van de romantische werkster zweeft. Deze ondiepe dribbelaars op het pad der onthullende voorzienigheid hebben dan de volle macht der keurende critiek, al worden de feiten ook van een verwarrende ingewikkeldheid. Tegen het waarnemingsvermogen en het intellect van een „premier valet de chambre” is een ieder opgewassen, en het is verrukkelijk de alledaagsche intimiteiten van een groot man in loslippige kneuterigheid te hooren bekletskousen. De kleine feitjes-geschiedenis, de vulgaire tentoonstellerij van menschelijkheidjes, de peuterige opsomming van uitwendig gebeuren, wint het dan vér van de zielsontleding en de innerlijke karakter-synthese. De groote geestelijke speurder en ziener, zelf beheerscht door een ondoorgrondelijke begeerte tot de ziel van een geweldig wezen in te dringen dat vaak onbegrepen en eenzaam te midden van het wereldsch gerucht bleef, legt het dan nederig af tegen de gezellige kakeltjes en praatjes van een palfrenier der wereldwijsheid. Er zijn memoires-lezers, die uitsluitend de standjes en de vinnige ruzietjes achterna loopen. Anderen die slechts bekoord worden door de erotische kir-stemmen, en weer anderen wier onverwoestelijke en klamme nieuwsgierigheid zich onverzadigbaar een embonpoint doet eten aan onthullende feitjes. De een is ziener, de ander historisch knaagdier. De historische ziener is kunstenaar en dichter, en herschept u een werkelijkheid van vergankelijke dingen, en penceelt den dauw van het gebeuren weer over de realiteit van het verleden. Hij wasemt atmospheer om ons heen opdat ge ademen kunt, breed en rustig, verslindend of hartstochtelijk. Ik breng, ter bevestiging van een voorkeur der dichterlijke historie-vertolking bóven een droog-feitelijke, u het woord van een zeer onpartijdig schouwer, het woord van den grooten socialist, theoreticus en geleerde, Karl Kautsky. Dichterlijke beschrijvingen, verklaart hij, zijn van onschatbare waarde voor de kennis van de maatschappelijke toestanden onder welke ze zijn ontstaan.
En verder: „Dichterlijke scheppingen zijn voor de kennis van hun tijd vaak _van veel meer_ belang dan de _getrouwste_ geschiedkundige _beschrijvingen_. Want de laatste vermelden alleen het persoonlijke, opvallende, ongewone, dat uit een historisch oogpunt het vergankelijkst is. De kunstenaars daarentegen geven ons een inzicht in het dagelijksch leven en werken der groote menigte, dat onafgebroken en blijvend inwerkt en op de maatschappij den meest duurzamen invloed uitoefent. _Daarom b.v. hebben wij in de romans van Balzac_ een der belangrijkste _geschiedkundige_ bronnen over het maatschappelijk leven van Frankrijk.”
Ziehier het oordeel van een groot geleerde, door wien de ontzaggelijke waarde der romanscheppingen ook als geschiedkundige producten volkomen erkend en beseft wordt. De uiterst gescherpte intellectualiteit en de critische fijnzinnigheid van dezen beroemden theoreticus, is voldoende waarborg tegen mogelijke verwijten van zielkundige sentimentaliteit.
Inderdaad, de hoogste, geestelijke ziening schenkt ons eerst de dichtersvisie op het wereld-gebeuren.
DE TRAGIEK VAN NAPOLEON.
Als wij de gedetermineerde levenswetten en dus een oorzakelijkheid voor al het bestaande aannemen, dan moeten wij ook de historische causaliteit erkennen. Spreken wij van een geschiedkundige oorzakelijkheid, waaruit het onverbiddelijke van al 't gebeuren blijkt, dan is er, steil bezien, geen plaats voor een term: tragiek. Juist het gevoelsbegrip: tragiek, heeft een geheel menschelijken oorsprong; is een woord van geheel menschelijken klank, en in zijn diepsten aard, vreemd aan de noodwendigheid van het gebeuren zelve.
Bedeesd-geestige menschen zouden hier rustiglijk de opmerking tusschen kunnen schakelen, dat de oorzakelijkheid zelve _in_ ons een oordeel over haar eigen wetten laat geboren worden en groeien, en ons dus toestaat de dingen anders--b.v. tragisch--te bezien dan zij ze afwikkelt. De oorzakelijkheid zelve brengt dus _in_ ons een geestelijk vermogen om haar wetten en ineengrijpingen critisch en schiftend te bezien.
Toch zou dit een benauwend kring-redeneeren worden, waarbij het verstand in een duizelingsdraai kans heeft zich zelf te verliezen.
* * * * *
Iets dat niet anders kán zijn dan het is, valt niet meer tragisch te noemen. Ik hoorde eens een kinderloozen landman hevig mopperen dat het lot hem geen kroost had toebedeeld, terwijl hij er naar snakte. Zijn handen hadden een menschenleven lang in 't vruchtbare zaad van groenten, vruchten, gerst en tarwe gewoeld. En zijn armen hadden dag aan dag de versch-omploegde aarde met zaden bestrooid.... En hij had de goud-zomersche dagen zien blinken en bloeien van nieuwgeboren gewas; hij had de geuren van ontluiking en de geuren van verwelking gesnoven op zijn hemel-wijde akkers.... en nooit had het leven zijn vrouw de menschelijke vrucht gebracht. Het was een vroom en nederig man.... en toch kón hij niet berusten.--De vurige determinist zal evenmin in volle begrips-zuiverheid de oorzakelijkheidsleer eerbiedigen als ze zijn individueel-opgebouwde gedachten omsmakt en zijn innerlijke verlangens en aandoeningen schendt. Iets is er in ons--de hooge moralisten noemen 't een werking van het bovenzinlijke bewustzijn--dat zich onstuimiglijk verzet tegen levensvernietiging en ondergang, al mogen ondergang en vernietiging slechts menschelijke opvattingen zijn van een cosmisch-noodwendig verloop der dingen, en dus al weer vreemd aan vertakkingen der levensbeginselen zelve. Wat komt, in zijn groei wordt, vergaat, verdwijnt ook weer. In onze jubelende menschelijkheid spreken wij symbolisch van bloei, in onze tragische bezinning van verwelking en ontbinding. Het cosmische levensproces heeft zijn eeuwige onbewogenheid. Het is alles onverbiddelijk, noodzakelijk en onveranderbaar. Wij menschen echter, willen ons telkens weer met ónze persoonlijk-levend-gehouden begeerten en voorstellingen tusschen de causaliteit van het geschieden plaatsen, de afwikkeling van het ons persoonlijk-tragisch treffende tegenhouden, van het ons gelukkig-stemmende bespoedigen of bestendigen. Kunnen we ons nu uit de saamschakeling van subjectief verlangen en objectief gebeuren zoo koel met onze waarneming heffen, dat we, om zoo te zeggen, onze eigene ziel smoren, dan ervaren we ontgoochelend, dat de noodzakelijkheid, in haar onverbiddelijk en onbegrensd zich-zelf-zijn, ons menschjes, mét onze menschelijke droomen en verlangens, verbeeldingen en illusies, van minuut tot minuut, van uur tot uur, van dag tot dag, wegdringt, achteruitstoot of meesleurt, uitschakelt of iets van ons afscheurt, op een wijze en precies zooveel als er noodig blijkt om haar gebeuren te volbrengen. Wij meenen, in lieflijken waan, dat de dingen op eenerlei manier deelnemen aan onze innerlijke realiteit van verlangens en geestelijk bestaan, terwijl juist andersom, wij slechts deelnemen aan den algemeenen, eeuwigen, ononderbroken gang van het noodzakelijke en onafwendbare.
De groote en verbijsterende drang naar het bovenzinlijke leven heeft echter tegen deze noodwendigheidsleer van het gebeuren, het schuldigheidsbesef, het verantwoordelijkheids-beginsel, de zonde, de zaligheid geplaatst, heeft de individueel-vrije wil opgeworpen en zoo heftig-religieus als levens-principe doorgevoerd, dat zelfs de vurigste deterministen, in hun eigen bestaan er telkens weer de verschijnselen naar beoordeelen. En dus ook als de niet-deterministen spreken van smart, vreugde, blijdschap, ellende, terwijl het begrip hen toch zegt dat de dingen altijd, door de noodwendigheid zijn gemaakt, alleronverbiddelijkst tot wat ze moesten worden en geen enkel schepsel het allergeringste deel van zijn daden- en gedachten-individualiteit, buiten deze nood- en oorzakelijke levenswerkingen vermag te wijzigen naar „beter” inzicht van anderen noch „zichzelf.”
* * * * *
Bij de beoordeeling van Napoleon's leven ondergaan we deze verschrikkelijke en verlammende tegenstrijdigheid van het verzet in ons tegen het onafwendbaar gebeuren. En we staan verplet voor zulk een.... tragiek, waar toch niets anders geschiedt dan.... het noodzakelijke.
We overzien Napoleon's onaanzienlijk komen.... zijn bloei.... de ongehoorde stijging van zijn loopbaan.... zijn val.... weggetrapt.... in de eenzaamheid van waereld en buiten menschen gestooten.... d'adem bewaakt als was hij gevaarlijk misdadiger.
Wij, droeve menschen, zijn zoo gewend door onze innerlijke voorbarigheid en geluks-gretigheid vooruit te beschikken over kantelingen en afwikkelingen van lot en gebeuren, dat we de oorzakelijkheid hoonen die ónze verlangen-werkelijkheid voorbijsnelt, den rug toedraait of door midden scheurt.
Onze menschelijkheid verzette zich tegen de onteerende vernederingen hem in zijn ongeluk aangedaan... de oorzakelijkheid, die door hare totaal-werking op lot en leven der menschheid, alle gebeuren van een onbereikbaar hoog punt uit overziet, gaat ons klagen en schelden voorbij met de onbewogenheid van een sphinxen-gelaat, waarop het eeuwige levensraadsel is versteend in onoplosbaarheid.
Als de noodzakelijkheid haar gelaat eens ging vertoonen,... we zouden zelfs geen demonischen „glimlach” meer zien, die vreeselijk-zachte tarting, zacht gelachen naar al de zoekers van bestaans-oplossingen.
* * * * *
Het zal dus niet meer zonderling klinken als men verklaart diep meelij met den mensch Napoleon te hebben ondergaan. Dat sentiment kan men alleen ondergaan als men zijn leven wezenlijk heeft ingeleefd. 't Eischt losmaking van nationale gevoelens, maatschappelijke inzichten, van beginselen die vervloeken. Het eischt een objectieve zielsindringing. En achter dit bolwerk van karakter-wetenschap, zult ge toch hevig ontroeren, indien ge de tragische feiten, zuiver-menschelijk doorleeft. Den ijzeren heerscher zult ge zien sidderen voor het onverbiddelijke, zien verzachten tot weemoedige door de tragiek van het gebeuren.
Let wel, ik schrijf geen geschiedenis van Napoleon. Ik verlang slechts het innerlijke begrip van dit samengestelde karakter te gronden, anders niet. Toch zal ik, om het diep meegevoel met dezen „geweldenaar” te verklaren, een groep historische feiten onder een bepaald licht u moeten doen zien.
* * * * *
Ik ben er ernstig van overtuigd dat bij de beoordeeling der Napoleon-psyche de meeste rechters en richters zich laten meesleuren, door--overigens zeer begrijpelijke--aandoeningen van antipathie tegen de enorme figuur, den tooneelspeler-mensch, en zich, _door dezen weerzin_, afhouden van de objectieve kennis, welke zij van al zijn daden, woorden en handelingen, zich zelf kunnen verschaffen, al eischt de saamvatting der feiten een zeer behoedzame, ineenstrengelenden synthetischen geest die, onafhankelijk van anderer indrukken, voor eigen karakter conclusiën stelt. Men moet Napoleon objectief in zijn wezen bestudeeren, gelijk een dramaticus het doet, als hij zich, bij het scheppen van een groote geschiedkundige figuur, op zijn innigst en diepst vereend met zulk een schepsel. Hij stoort zich dan niet aan religie, maatschappij-leer, ethische beginselen. Hij bouwt de figuur op uit de volle en onbegrensde menschelijkheid en daaromheen schept hij de realiteits-sfeer.
Als ge meent dat ik met objectief-psychologisch indringen in zulk een figuur, wetenschappelijke nuchterheid verlang, dan ontbreekt u het besef van mijn bedoelen, of, wat even zeer mooglijk is, ik drukte dit nog gebrekkig uit.
Objectieve studie van een figuur beduidt geen liefdeloos beelden van zulk een wezen. In deze studie bewees ik reeds al het verschriklijke van de Napoleon-figuur te willen zien. Ik heb van zijn wezenlijke en niet fantastisch-toebedeelde gebreken geen enkel vermoffeld noch geloochend. Ze slechts in een ander organisch verband gebracht met zijn innerlijk. Ik erken, dát was mij een ziele-zorg en.... een psychologisch vagevuur. Het gewijde brood was steen-oudbakken geworden. De priesters toonden hun kreupele been en lieten hem ongezegend staan. De historici schreeuwden wild door elkander.... de een plengde met wijn.... de ander met azijn. Ten slotte wordt men zelf priester, geschiedkundige, moralist.... en men objectiveert. En zoo doen wij ook met de bezwaren, opgeworpen tegen het meelij-gevoel voor een „beul” als Napoleon.
Ik voorspel het een iegelijk.... diepe ontroering zal u bevangen als gij de geschiedenis van zijn menschelijk lijden op Sint Helena met de ziel mééleeft en als ge in vollen omvang leert zien welke ontzettende smarten hij manmoedig en met een grandioze beheersching verdroeg.... en hoe hij, juist door de wilsbeheersching, zich een sfeer van tragiek schiep onder de wereld-veroveraars, ongeëvenaard groot-menschelijk. Of hij anderen nu ontzaglijk liet lijden door zijn alles-tartende eerzucht en „zwijnachtigheid,” zijn ontuchtige driften, zijn zinlijk-woeste uitvallen, heeft met zijn eigen ondergang niets te maken. En evenmin of hij zich vóór zijn val allerlei weelde en onmenschelijke eigengerechtigdheden kon veroorloven. En toch wordt zoo vaak zijn eigen tragiek in mindering gebracht van al het leed dat hij anderen veroorzaakte. Een wreed en wondend beginsel van een koppelaars-moraal. Dus zèlf door zondige naturen uitgedacht.
Ik hoorde eens in gezelschap een zeer hoogstaand man, die den tyran in Napoleon verachtte, met scherpen spot en accenten van onhoffelijke drift, een zeer lieve vrouw be-ironiseeren, omdat zij „meelij” had uitgesproken voor Bonaparte's ondergang. Hij haalde allerlei staaltjes van zijn krankzinnige macht-posities aan, vóór Napoleon's val en telkens sarcastisch besloot hij: „wel 'n manneke om meelij mee te hebben hè?” In zijn naijverige verontwaardiging vergat hij, dat zóó het psychologisch probleem geheel valsch gesteld werd. En toch was het geen oneerlijkheid in dezen man, dien ik als een hart van goud ken en als een groot psycholoog waardeer. En evenmin overgevoeligheid van de vrouw, die in onbeperkte gemoedszuiverheid zich gaf. De man kende n.l. het wezenlijke hevige lijden van Napoleon niet, en de weerzin tegen zijn gansche menschelijkheid belette hem de opeengehoopte stof objectief en ziels-zuiver te doorwerken. En zoo gaat het met de meeste beoordeelaars.
* * * * *