Part 4
Dit gevaar lijkt me bekoorlijk en toch ongewenscht. Bekoorlijk, wijl ik met vurigen drang gaarne de dompende en dommelende, valsche verontwaardiging over menschelijke zonde, en 't schel gejuich over braafheid, edelhartige naastenliefde, enz., verschalk. En ook bekoorlijk, omdat den geheel uit het leven geduwden duivel, de roode majesteit van weleer, weer gracieuselijk de gelegenheid wordt geboden ons zieleluik op een kier te zetten, opdat onze eigene zonden, gedachtenslechtheid en gesmoorde begeerten weer eens onverbloemd-menschelijk uit de diepte mogen doorschijnen, nabij preekstoel of vergaderings-katheder. Maar toch, ongewenscht, omdat een eigene innerlijke waarheid niet noodig heeft schuw terug te sluipen naar een duister hol van het onbewuste. Want ik zélf vind in Napoleon soms de verachtelijkste hartstochten, driften en neigingen aanwezig, instincten van verbijsterende en duister-bloedende dierlijkheid. Ik zelf vind hem soms gegrepen door een huiveringwekkenden grootheidswaanzin, zoo zwart en onpeilbaar als een avondzee, aan alle kanten wijd-verloren, de wereld overdruischend. Soms is hij de kranke morser met menschenbloed, van een afzichtelijke zelfzuchtigheid, in een koortsachtige persoons-begoocheling zijn eigen brein, zijn soldaten, generaals en zijn armzielig volk, tot den moord aanjagend. Ik zie hem vaak als den zwarten en roodvlammenden visionnair, die te midden van een wereldonweer van slagveld-kanonnen, zijn eigen brandende en schroeiende wroeging wil stillen, onder het donderend geweld van al meer gevechten en massa-moorden, zooals de deliriumlijder smacht naar het gloeivocht, dat hem den dood in het sidderende lichaam jaagt. Telkens en telkens leeft een wild ontroerd verzet in me op, als ik lees,--en de waarheid van het feit voor eigen ziel voèl,--hoe hij met zijn overrompelende zinnelijkheid, de vrouw als vrouw, _tegen wil en begeerte_, aan zijn driften onderwierp, en haar daarna wegtrapt of blijft koesteren, van verre, met kirrende woordjes of verteederen met geschenken. Ik voel een, soms tot hevige walging stijgenden weerzin, als ik hem met al zijn gestolen schatten en millioenen zie manoeuvreeren, en hij verlokkend het goud laat blinken onder de gretige oogen van zijn vechters en aanvoerders. En als ge ziet, welk een woeste schittering van cocardes, pluimen, galon, ornaat, uniform, hij brengt aan Frankrijk, en welk een parvenuachtige monarchale praal, terwijl de bleeke tronies van Danton, Robespièrre, en het duivelsmasker van Marat, nog ópschimmen tegen de muren der huizen, en het bloed der revolutie nog den Parijschen grond niet gansch en al doorsieperd heeft, dan beseft ge der volkeren hoon voor dit keizerlijk spel, dat zijn juweelen troon op een lijkenbodem plantte.
En toch is het dit persoonlijke in haat en afschuw, dat we voor de psychologische indringing in zijn wezen, uit te schakelen hebben. Want ik schreef het in den aanvang, ik wil dit leven voor mij zelf verkláren. Nu moogt gij u dus op ontstellende conclusies voorbereiden.
* * * * *
Wat Napoleon deed, het vreeselijke, het gruwbare, was voor hém niet vreeselijk en niet gruwbaar, al zal hij ook wel eens keelbeknellende wroeging hebben gevoeld in tijden van wilszwakte, door uitputting en vermoeienis. Is het gruwelijke dan niet altijd iets vreeselijks, onverschillig wie dat gruwelijke bedrijft? Neen, dat is volstrekt niet onverschillig.
Wij nemen aan dat ieder mensch de krachten en zwakheden, de lichamelijke, geestelijke en psychische, bij zijn geboorte in kiem meekrijgt, en dat deze door het onverplaatsbare lot en den wereldloop zich ontwikkelen en uitplooien. We stellen vast, dat, gelijk ieder ander mensch, Napoleon het noodlot van zijn gansche wezen tot in de kleinste schakeeringen in al zijn groeivormen heeft moeten doormaken en ondergaan. De levens-instincten van Bonaparte waren, naar alle richtingen uit, bepaald; natuur en maatschappij zouden hem de voedings-stoffen ter ontwikkeling dezer brengen. Zijn physieke en psychische persoonlijkheid is een eenheid. Zijn geheugen, zijn combinatie-vermogen en wilsvorming, zijn groepeeringsmacht, zijn geweldige imaginatie.... ze zetelen alle in dit brein, deze hersens. Juist nú moeten we voor onze eigene subjectieve natuur waken. Laten we ons nu geen oogenblik met begripsleer over goed en kwaad, met doel-leer en doel-beginselen tegenover een zoo titanisch en grillig-saamgesteld voortbrengsel van het menschelijke leven, plaatsen. Dit geweldige intellect is beschouwing en daad tegelijk, en de theorie is even diep in hem als de praktijk concreet en krachtig. Als hij zich in vechtpositie stelt tegenover de door hem opgejaagde, in angstige woeling gebrachte gemeenschap, dan is het om zijn eigen ideaal van gemeenschaps-geluk te bereiken.
In een vermoeide en uitgeputte samenleving is hij kracht-hersteller geweest, voor een poos. En zijn geweldsmiddelen werden toegepast als streelingen voor zijn souvereinen wil. De buigende en juichende massa, die de glorie zoo heet begeert, bracht hem zèlf tot souverein bewustzijn van dezen heerscherswil.
Neen, Napoleon kùnt ge psychologisch niet naderen met moraal en ethisch pathos. Wie duwt er de aardas op zij? Wie onzer verlangt een zonnebaan te verleggen? Wie houdt den tuimelgang der vallende meteoren tegen? In Napoleon vierden de wilde cosmische scheppingskrachten der natuur een demonisch geboortefeest. Op dit menschenschepsel zouden de meest ontembare, de meest matelooze eerzuchtdroomen ingedreven en de allergrilligste levensheerschzucht beproefd worden. De Caesar-waanzin zou dit ontzaggelijke brein omlichten in koortsige glanzingen. Hij, de avonturier, van de laagte uit, zou tegen den hemel aangeschopt worden als imperator en wereldheerscher. Hij zou koningen, geboren vorsten, in eerbied en vrees voor zich zien staan als gestraften voor een rechter, uit wiens mond ze bevend hun lots-bestemming zullen te aanhooren hebben.
* * * * *
Van heel, heel jong al is hij oud, schuw, peinzer, vechter, held, dwingeland, bevelvoerder. Maar ook cijferaar.... en droomer. Deze dubbele macht van wiskunstig denker, rekenaar, getal-formuleerder, en van verbeeldingswezen, vergroot angstiglijk zijn geheele wezen. Alles in hem lijkt getal, berekening, manoeuvre,.... en al deze wiskundige scherpte, steile nuchterheid, en heel die realiteitszin is in dienst van.... een werelddroom. Ziehier al de primaire psychologische verklaring van zijn dubbel-bestaan. Een vlijmscherp verstand, een ondoorgrondelijke, vurige wil en een ontstellend-grootsche verbeelding, tezaam werkend in één scheppend brein. Hier is wortel, stam en tak van het ontembaar-energische arbeids-genie, dat hunkert naar verzadiging van zijn inspiraties en naar daad-werkelijkheid van al zijn stoute visioenen. Zijn brandende, toch koel-ontledende, toch heerlijk-beheerschte geest omvat de heele wereld, is vertrouwd met de zichtbare en onzichtbare dingen. Gij hebt er geen flauwe voorstelling van, hoe ontzettend ónwerkelijk deze werkelijkheidsman van kanonnen en leger-aanvoerderij, van atlassen en vorsten-conferentie, van slagveld-tragiek, administratie en land-bestudeering, eigenlijk leeft in zijn veldheeren-tent. Hij droomt al de tragedies en comedies der wereld dóór, gelijk de grooten als Shakespeare die bedachten.
De vlijmscherpte van zijn nuchtere waarneming misleidt officieren, generaals, maarschalken zoo goed als vorsten. De praktijk van zijn concreet bedrijf houdt den droomer, den romantischen visioenen-uitlever van zijn wereldrijk-concepties, donker verborgen. Maar juist die is Napoleon, de schepper van realiteiten met diepe, mysterieuse goudtonen en bloed-schijn, de kunstenaar die werelden bevolkt met schepselen van zijn wil en verbeelding.
Tijd en toestand hebben dit sterke wezen tot een duizelingwekkende machtshoogte òpgestooten. Maar deze waren slechts geleiders. Want alléen zulk een ontstellend koen en demonisch wrochter, met zooveel suggestieve betoovering, zooveel hoogere list, zooveel moed en wilsbeheersching, kon gebeuren en uur zóó aan zich onderwerpen. De mateloosheid van zijn wereldrijk-droom spande de wijdte van een hemel. Juist in de ontembare drift zijner weergalooze daden, openbaart zich het meest mysterieuse van Napoleon's natuur, voor ons het klaarst en doorzichtigst, wijl zoo hartstochtelijk verwant aan de koorts van den kunstenaars-werkwil. Ziehier een tweede verklaring van dit leven. Napoleon werkte zijn levensdroomen uit als een groot kunstenaar romans, tragedies, als een groot schilder zijn composities en voorstellingen. Als de scheppende kunstenaar eenmaal zijn droom, zijn visie heeft doorleefd, staat hij met een demonische onbewogenheid tegenover de lotgevallen van zijn eigen schepselen. Met welk een duivelsch vermogen schept Sophocles niet den bloedigen en schrikkelijken ondergang van Oedipus? En Shakespeare geeft tot de laatste stuiptrekking zijn Macbeth de maat zijner waanzinnige angsten. Napoleon werkte met deze zelfde heilige, demonisch-geobjectiveerde bezetenheid en scheppingsdrift. Zeker, hij zag menschen, soldaten, verminkte lijken en slagvelden.... Maar van zijn hoogere scheppingsnatuur uit kón hem dat niet deren. Napoleon werkte met de gansche lèvende menschheid als stof, ter bevrediging en volvoering van zijn onverzadigbaren, grootschen verbeeldingsdrang. Hij werkte als een bezetene, die de middelen waarmee hij arbeidt overziet, en ze slechts onbewust meetelt als technisch materiaal. Daaruit juist is geboren zijn demonisch zich ongenaakbaar maken voor lagere, bewuste invloeden en menschelijke overwegingen. Hij mòest zijn concepties uitwerken. Rembrandt deed het met den toover der kleuren, Shakespeare met het goddelijke woord.... hij zou het moeten doen met de menschen en de hartstochten zèlve, die tot een glorie van nog nimmer geziene daden de wereld kwamen beschijnen. Voelt ge nu, het was de scheppingsdorst, de hoogere bezetenheid van den geweldigen kunstenaar, die eerst bevrediging voelt en rust in de volbrenging, de uitstooting, bij Napoleon: dè daad. Inwaartsch werken zijn visioenen en bestoken, als een goud vuur, zijn gedachten en verbeeldingen. De wereld ziet slechts legermanoeuvres, stoute bewegingen en hoort slechts het kanonnen-gebulder. En in den nacht onder de sterren, op het slagveld, leeft Napoleon, in geweldig gesmoorde ontroering zijn droomen die hij tot werkelijkheden ziet aangroeien.
Eerst veel later werd ook hij aangeknaagd door een soort van beangstigende wroeging, toen hij bemerkte dat hij de wereld, zijn materie, niet meer technisch beheerschte. Maar, in zijn glorie-opgang,.. wat was hem met zijn werelddroom en wereldrijk-visioen voor oogen, leugen, bedrog, list, diplomatie, slagveld en bajonetten-moord? Hij rende zélf midden in het vuur, op de plaatsen waar het gevecht in moordende en alles wegmaaiende hevigheid was losgebarsten, woedend, duivelsch en genadeloos. Wat gaf hij dus om eigen leven? Wat _hij_ waagde, moest iedereen wagen. Hij zou wel laten zien, hoe ontzaglijk en grandioos het einddoel bleek! Zijn wil werd een soort van natuur-wil. Zijn hartstocht tot de grootsche daad, een soort van cosmische storm, die niemand aansprakelijk kon stellen voor vernieling en levensvernietiging. Was hij nu persoonlijk zoo een wreed-monsterlijk mensch, dat hij het gekreun der gewonden niet telde, het gejammer niet hoorde? Gelooft ge dat, dan hebt ge inderdaad den Mephisto van Lanfrey, den roover-avonturier, misdadiger van Taine, den waanzinnigen, verblinden egoïst en zelfgenieter, die alles aan de glorie van zijn Ik offert.--Maar dat is tegelijkertijd niéts verstaan van de epische drift die dezen oorlogsvoerder als leider en schepper van een leger beheerschte, en waaraan hij zelve lijdelijk onderworpen was, als een kunstenaar aan zijn ingevingen. Alles werd onbelangrijk voor hèm, naast de volbrenging van zijn taak. Wat hem dwarsboomde en zijn scheppingswil tergde móest uit den weg.
In dit mateloos individualisme herkent ge de elementen van de misdaad. Zeker. Maar daarmee heb ik de bevestiging van mijn beschouwen, dat Napoleon niet mag worden bezien als een wezen dat ook _anders_ had kunnen doen dan hij deed.
De demonische verkoeling van zijn menschelijk levensgevoel, en het ongebreidelde uitleven van zijn heerschersinstincten, geven hem een ijzingwekkende kracht, die als aangewend middel abnormaal, afgrijselijk en gruwbaar voor _onze_ gevoelens en _onze_ menschbeschouwing, _hem zelve_ toeleek de eenige te zijn, welke hij móest gebruiken.
Voelt ge nu juist niet, in dit, naar het donker-misdadige, dreigende noodlotsleven, den diep-tragischen gang en ontwikkeling? Eérst de ontzaglijke avonturiersgeest, die, door de werkelijkheid geholpen, een romantischen verbeeldingsroes vermag te doorleven als geen enkel zijner groote tijdgenooten. Hij leeft verdeeld en in het verdeelde toch als een eenheid. Hij is republikeinsch en fel-democratisch en tegelijkertijd despotisch alleen-heerscher. Zijn physische veel-ikkigheid, als bij ieder schepper, doet hem iederen ziels-staat op zich zelf zeer zuiver en ongekrenkt doorleven. Voor vrijheid en onbelemmerde menschen-rechten streed hij al met Paoli, tegen Frankrijk. En toch is de kern van zijn natuur gericht op overheersching, neerdrukking, en belemmering van anderer individueel uitgroeien, wijl hij zich bewust wordt, dat hij alleen de mensch-kudden zal kunnen leiden naar hun geluk.
Hier juist begint de verblinde, schitterende waan, door het onbewogen cosmische leven zélf als een vuur-wil binnen de wanden dezer hersens ingeschroefd.
Ik ben er voor mij diep van overtuigd dat de psychologisch-doordringende historie der toekomst dezen schrikkelijken, maar gigantischen en tegelijk goedaardigen en zielshartelijken man, al naar het kantelend inzicht wil, beul en held, zélf als een wreed en onpeilbaar smartelijk slachtoffer zal zien, van een scheppingsfatum der natuur, met dezelfde onbewuste rampzaligheid en tegelijk prachtige grootschheid innerlijk en uiterlijk gevormd, voorbereid en geschapen als de kraters die in aardbevingen losbarstend, steden en menschen vernielen onder hun vuurasch en vulkanische uitwerpselen. Men zal, eenmaal onwrikbaar in hem ziend, de openbaring van een door niets te stuiten cosmische levenswerking, zijn persoonlijke nagedachtenis niet meer vervloeken, om al de onheilen die hij over de menschen bracht. En als het kan slechts de grootschheid van een mensch die vermocht te leven met de ontembaarheid van een natuurverschijnsel, in hem eerbiedigen en bewonderen.
Wie vloekt een cycloon, een aardbeving, een stormzee? Napoleon was tot de geringste plooi zijner daden voorbeschikt, en niets ter wereld zou bij machte geweest zijn er de kleinste wijziging in te hebben kunnen aanbrengen. Want dan zou alles om en rond hem, van individu tot menschheid, ook ánders hebben kunnen zijn. En dat is de as van het noodzakelijk geschieden uit haar onwijzigbare baan willen wegzwikken. Ik besef volkomen, hoezeer ik met deze beschouwing het gansche vraagstuk der physische en psychische causaliteit binnen den kring der historische feiten trek.--En ik verklaar mij dan ook te allen tijde bereid, het wijsgeerig-psychologische deel dezer karakter-ontleding afzonderlijk te willen verdedigen tot in de uiterste conclusies. Juist, omdat ik hier, de causaliteit, heerschende over stoffelijk en z.g. anorganisch natuur-bestaan, vergelijk met de causaliteit, even onwrikbaar en noodwendig heerschend over den menschelijken geest, de wilsvorming en zijn psyche, en dus schijnbaar speelsch van de stoffelijke naar de geestelijke oorzakelijkheidsleer ben overgestapt, voeg ik er dit bij.--Bij Napoleon's persoonlijkheid leek mij de toepassing der psychische causaliteits-leer juist zoo treffend als bij geen ander groot man. Juist wijl zoo klaar kan worden aangetoond dat de indeterministen door hun vrijmaking van den menschelijken wil, weer zoo angstiglijk-zot het „toeval” in het levensgebeuren binnensmokkelen.--Al gaat dit dan ook met een hoog beroep op Kant's _intelligibele_ wilsleer, die hoofdzakelijk uitgedacht, uitgevonden lijkt om het Ik _aansprakelijk_ te kunnen stellen voor zijn handelingen. Maar Napoleon behoeft hier zelfs niet den grimmigen grijns van Schopenhauer te vreezen.
Ik wil u nog enkele staaltjes geven van zijn veel-ikkigheid en de tegenstrijdigheid, die zoo buitengewoon zuiver de mengeling van zijn betooverende grootheid en onmenschelijkheid soms, bevestigen en, getoetst aan deze grondontleding van zijn karakter en onwijzigbaren aanleg, mede verklaren.
KARAKTERTEGENSTRIJDIGHEDEN.
Karakter-tegenstrijdigheden van Napoleon zou ik u nog laten beoordeelen; karakter-botsingen welke soms nog treffender een zoo groote persoonlijkheid in zijn samengesteld wezen verklaren dan het overeenstemming van grondeigenschappen kan doen. Voor scherpzienden en ziels-indringers soms zóó treffend, dat zij alle geschiedkundige uitpluizerijen van verhaal-feitjes en opzichtige gebeurtenissen overbodig maken.
Te Auxonne,--in zijn valen armoe-tijd van behoeftig maar pijnlijk-trotsch luitenantje--woelde er een onrustige uitingsdrang door Napoleon's geest. Hij bepeinst alles in vlagen van woeste verhevenheid of van wreed-koele en bijtende nuchterheid, al naar het gevalt in zijn onstuimig brein.--Hij bepeinst.... de Liefde.... Een kanonnen-man die de pijlspitsjes van het knusse liefdegodje betast.... Hij schrijft: _Dialogue sur l'amour_. Zijn slotsom is, alle vervoering en ontroering nekkend: „Je crois l'amour nuisible à la société, au bonheur individuel des hommes. Enfin, je crois que l'amour fait plus de mal que de bien.”--
Spinoza had, op zoovele diepere gronden van fijne gewaarwordings-ontleding omtrent de schadelijkheid der liefde, dezelfde gevolgtrekking gemaakt. Ziehier Amor bekneld tusschen een wijsgeer en een soldaat. Is het te verwonderen dat 't gekrenkte godje later op wraak zint en Napoleon's hart tracht te bekittelen met zijn puntige spitsjes wanneer er slechts even gelegenheid voor is? Want Amor schuwt slagveld noch lijken, meineed noch huwelijkstrouw.
Ge meent allicht dat Napoleon met deze uitspraak en vernietigende slotsom voor minnenden, een zuur liefde-mensch geweest is, die het menschelijke tortelduiven-spel met speeksellooze tong voorbijging, als een kuische blauwkous, zeer verbolgen, de schaamtelooze paring der redelooze dieren?--Geheimzinnige weerstreving van een onontkoombare werkelijkheid. Deze stroeve en bitse veroordeelaar der liefde, was zèlf een hevig-hartstochtelijk minnaar en een verrukkelijke uitwerper van brandende minnetaal.--Ik neem slechts enkele zinnen uit zijn brief van: le 29 Messidor, Marmisolo, 9 heures du soir, 17 Juillet 1796.
„Je reçois ta lettre, mon adorable amie; elle a rempli mon coeur de joie.... Depuis que je t'ai quittée, j'ai toujours été triste. Mon bonheur est d'être près de toi. Sans cesse je repasse dans ma mémoire tes baisers, tes larmes, ton aimable jalousie; et les charmes de l'incomparable Joséphine allument sans cesse une flamme vive et brûlante dans mon coeur et dans mes sens”....
Of dit gedeelte er uit.
„Ah! je t'en prie, laisse-moi voir quelques uns de tes défauts; sois moins belle, moins gracieuse, moins tendre, moins bonne, surtout; surtout ne sois jamais jalouse, ne pleure jamais; tes larmes m'otent la raison, brûlent mon sang. Crois bien qu'il n'est plus en mon pouvoir d'avoir une seule pensée qui ne soit pas à toi, et une idée qui ne te soit pas soumise.”
„Repose-toi bien. Rétablis vite ta santé. Viens me rejoindre; et, au moins, qu'avant de mourir, nous puissions dire: Nous fûmes tant de jours heureux!!!--Milles de baisers, et même à Fortuné en dépit de sa méchanceté.” (Pag. 5 _Lettres de Napoléon à Joséphine._)
Is het niet verbijsterend? Met brandend bloed geschreven, ieder woord, iedere zinsval, en zoo aan allen kant doorgolfd van menschelijken hartstocht en zoo overal aangestoken van minnaarsvuur dat ge er de heete pijn van smachtend begeeren en verlangen in ziet rondkruipen. Ge vraagt u af: zijn dat woorden van den man door wien de liefde als schadelijk voor ieder persoonlijk geluk en voor het maatschappelijk leven, koel werd afgewezen, omdat ze veel meer kwaad dan goed sticht in ons bestaan? Zoo wreekte zich vijf jaar later Amor op den koelen smaler van zijn pijlengif. De oningewijden zullen veronderstellen, dat Bonaparte slechts in een vlaag van verteedering zoo schreef. Hoe zot! Zoo hoog bleef zijn minnevuur òp- en uitlaaien tegenover Joséphine of tegenover een andere aangebedene; gaf hij zijn taal, aangeblazen door een adem van zinnen-hitte, jaloesie en vervoerende vurigheid, even onstuimig in zijn overgave als in zijn afkeer. Hoe gek klinkt tegenover de zielsvaart dezer minnebrieven, de beschouwing van Emerson,--van hooggeestelijken kant half bedoeld als beschuldiging--dat Napoleon in alles altijd geweest was een toonbeeld van bijna listige bedachtzaamheid, een toonbeeld ook van burgerlijk gezond verstand. Ik heet deze kenschetsing koelweg belachelijk, rauw belachelijk. Ook in zijn gevoelsbrieven, in zijn hart-uitstortingen is Napoleon geweest een geweldig ontroerd vervoerings-schepsel, een zich zelf verterend verbeeldings-mensch, die mateloos zijn geluksdroom uitspant en alle begoochelingen en droeve schijngestalten ervan na-rent tot hij tegen zijn eigen schaduw opbotst. En toch kon hij van een koudmakende, koelbloedige bedachtzaamheid zijn, als hij de woeste levens-begeerlijkheid van zijn avontuurlijk romantisch karakter voor een wijle bedwong, en er de felle fonkelingen van smoorde, allen om nòg grootscher, nog stouthartiger gebeuren te lokken en te verwerkelijken. Romantisch bleef hij zelfs in zijn keizerlijke vertrekken, als hij, in het grauwende schemeruur Joséphine en haar bijgeloovige hofdames, de beklemde harten bespookte met verhalen van griezel-geschiedenissen en met een soort scheppend treurspel-vermogen deze verzon, in een dampkring van realiteit dompelde en uitwerkte met gebaren, stem-wisseling en gelaatsbewegingen van een tooneelspeler.
Zij, die het persoonlijke leven van Napoleon bestudeerd hebben, kunnen weten welk een aanbiddelijke liefdes-vleierij en teederheid er leefde in het slotzinnetje van zijn brief aan Joséphine:.... „et _même_ à Fortuné en dépit de sa méchanceté.”
Fortuné was het troetelhondje van mevrouw Bonaparte. Napoleon verafschuwde dit schichtige, bijtende en keffende mormeltje, verwend als een ziek zuigelingetje. Zonder de geringste spot-beklemtoning neemt hij zelfs dit vertroeteld schoot-gunstelingetje op in de overvloeiende genegenheid voor zijn geliefde.
Is dat niet een aanbiddelijk-innig en fijn trekje in dezen „bloedvergieter?”--Hij was lomp en barsch en onbeminlijk tegenover vrouwen? Nooit waagde een man stoutmoediger, diepzinniger en tegelijk vleiender scherts dan Napoleon, toen hij tot de vrouw van den sterrenkundige Lalande zei: „Partager une nuit entre une jolie femme et un beau ciel me parâit être le bonheur sur la terre.”
Versta mij wel, hoogdravende en gelijkvloers-levende lezers, ik verafschuw iedere persoons-karakteristiek die de guitige voorvalletjes en het prikkelende woord tot grondslag van verhaal heeft. Ze is meestal waardeloos en geestelijk leeg. Maar indien ge kwinkslag en pittig woord slechts als vercieringsmotief gebruikt en het uitwendige ook een uitwendige plaats geeft, dan kan u de anecdote geen opdringerig deel der ziels-ontleding worden.