Napoleon

Chapter 9

Chapter 93,856 wordsPublic domain

In gezelschap van Jozef, Junot, haar schoothondje, en zekeren luitenant Charles, een zéér intiemen kennis van haar, begon Joséphine, tranen met tuiten schreiende en zoo diep bedroefd, alsof zij van de wereld moest scheiden, ten slotte de lange reis naar Milaan, waar het prachtige hotel Serbelloni den 9en Juli zijn gastvrije deuren voor haar opende. Haar man vond ze hier echter niet, hij was te Verona druk bezig met het nemen van maatregelen tegenover een nieuw leger van ongeveer 70.000 man, dat onder den ouden doch energieken en vermetelen veldmaarschalk Würmser in Tyrol werd samengetrokken.

Tevergeefs smeekte hij haar te Verona bij hem te komen.--"Ik heb je noodig; ik ben dood af en voel me ziek," schreef hij, doch zij bleef waar zij was. Toen liet hij alles in den steek, rende naar Milaan, bleef hier twee dagen met haar alleen, overstelpte haar met liefkoozingen, had haar koelheid tegenover hem volslagen vergeten en vertrok weder even snel als hij was gekomen.--Zwaar werk wachtte hem. Mantua was nog niet genomen, een coup de main er tegen was mislukt.--"Zulke ondernemingen hangen louter af van 't toeval, van 't blaffen van een hond, van 't snateren van een gans," schreef hij den 12en Juli aan het Directoire.

Zes dagen later werden de loopgraven onder zijn persoonlijke leiding geopend. Naar Verona teruggekeerd, hield hij Würmsers bewegingen scherp in het oog. "Wee hem, die thans slecht rekent," had hij gezegd.

Den 29en begon Würmsers plan van aanval zich te teekenen. Terwijl de generaal Quosdanovich naderde langs den westelijken oever van het Gardameer en Brescia bezette, terwijl een detachement van slechts 5000 man ter misleiding van Bonaparte door het dal van de Brenta zich naar het zuiden bewoog, greep Würmser Massena's voorhoede bij la Corona omvattend aan en sloeg haar onder zware verliezen terug.

Bonaparte zag den toestand zeer donker in en was ongerust en zenuwachtig; aan Augereau schreef hij, dat de gemeenschap met Milaan en Verona nu was afgesneden en dat hij dus maatregelen moest nemen voor den terugtocht; aan Serurier gaf hij order het beleg van Mantua op te breken, de affuiten te verbranden, het buskruit in 't water te werpen, alle staatseigendommen ijlings naar Milaan te zenden en dan zijn rug te komen dekken; tevens deed hij, wat hij tot heden nog nooit had gedaan, hij raadpleegde zijn onderbevelhebbers. Allen stemden voorzichtigheidshalve voor den terugtocht; Augereau alleen niet. "Hij had nog een troep puike grenadiers; zonder gevecht gingen die niet aan den haal," zei de Parijzenaar, die alleen te rade ging met zijn moed. Met die woorden was bij Bonaparte het oogenblik van onzekerheid en aarzeling reeds weder voorbij. Augereau had gelijk, hij zou niet teruggaan. In de eerste dagen van Augustus volgden nu een reeks van bloedige gevechten bij Salo, Lonato enz. aan de zuidzijde van het Gardameer. Würmser is intusschen Mantua gaan ontzetten, vindt daar de sporen van Seruriers overhaasten aftocht, rukt daarna naar het noorden om zijn bij Lonato geslagen divisiën te hulp te komen en grijpt den 5en Augustus Bonaparte bij Castiglione aan. Nu doen Augereau's grenadiers de woorden van hun chef eer aan en krijgt Würmser van Augereau en Massena, die voor zijn front staan en van Serurier, die hem in zijn rug aantast een zoo geduchte klap, dat hij ijlings naar Tyrol aftrekt. Bonaparte kon zijn vroegere stellingen weder innemen.

Dit was het slot van den zoogenaamden vijfdaagschen veldtocht; dank zij de taaiheid en het volhardingsvermogen van zijn infanterie en het genie van zijn chef had het kleine Fransche leger gezegepraald over een macht van bijna de dubbele sterkte. Terstond werd Mantua weder ingesloten. Te Milaan en in de legatiën Bologna en Ferrara ging over dit ongeloofelijke succes een juichtoon op.

Te Venetië, te Rome en te Napels, waar men intusschen den verrader gespeeld en Oostenrijk gesteund had, zat men daarentegen in zak en asch. Bonaparte was voor dit maal echter nog genadig en nam op de verraders geen wraak. Ernstiger zaken dan deze vorderden zijn aandacht. Zoodra de generaal Moreau in Duitschland den Donau zou hebben overschreden, wilde hij Würmser achterna. Dat deze nog bijna 40 000 man had overgehouden, bevredigde hem niet; eerst wanneer hij voor goed met hem had afgerekend, zou hij de handen vrij hebben tegenover Venetië en Rome.

September was 't echter reeds geworden, voordat Moreau zijn tegenpartij, aartshertog Karel, ver genoeg had teruggedrongen, den Donau overgegaan en naar München op marsch was. Intusschen ontwierp Bonaparte een nieuw veldtochtsplan, schonk zijn soldaten rust en mocht zich eenige dagen verheugen in 't bijzijn van zijn vrouw.

Eindelijk, eindelijk was Joséphine gezwicht voor den hartstochtelijken toon zijner brieven, waarin hij aandrong op haar komst in zijn hoofdkwartier, en had zij het hotel Serbelloni, waar zij zich het leven zeer aangenaam maakte, verlaten. Feitelijk verveelden haar de forsche bewijzen van liefde, die hij haar telkens en telkens weder schonk, de jonge luitenants te Milaan en vooral den reeds genoemden adjudant Charles vond zij veel aardiger dan haar bleeken, broodmageren door koortsen gekwelden echtvriend, die haar in zijn brieven vol ijverzucht nu eens met monster, tiran en wreedaard betitelde en dan weder op de knieën vergiffenis vroeg, omdat hij een paar voor haar bestemde epistels had geopend. "Nimmer, nimmer zou dit weder gebeuren," beloofde hij.

Dat bezoek was echter een korte vreugde, want vooral de Oostenrijksche cavalerie begon weder zeer roerig te worden; Bonaparte zond zijn vrouw dus terug naar Milaan, een reis die onder deze omstandigheden volstrekt niet van gevaar was ontbloot, terwijl de hierbij doorgestane angst en ellende voor haar slechts ten deele werden vergoed, door den schat van cadeaux in geld, cameeën, parelen en andere kostbaarheden, haar op dezen tocht door generaals, de gemeentebesturen en--niet te vergeten--de leveranciers van het leger geschonken. Volbloed creoolsche, even bar verkwistend als onnadenkend, begreep zij niet, dat zij door het aannemen van zulke rijke voorwerpen en van geld vooral, den goeden naam van Bonaparte schade deed. Hebzuchtig was zij volstrekt niet; het geld wierp zij weg met volle handen; door al haar winkeliers, in de eerste plaats door de modewinkels, werd zij schandelijk afgezet, ja, bestolen. Voortdurend zat zij diep in schulden, en in de volgende jaren werd het niet beter, maar ze bezat graag mooie dingen; wat men haar gaf nam zij dus aan, en toen Bonaparte hierachter kwam en haar dwong eenige dier geschenken terug te geven, zorgde zij wel, dat hij later nooit meer een stuk te zien kreeg of het heette gekocht; en personen, die haar hierbij hielpen liegen, telde zij in haar omgeving genoeg.

Terwijl zij dus terugkeerde naar het hotel Serbelloni en in gezelschap van "dien aartsgrappigen clown," dien luitenant Charles, de handige tusschenpersoon bij alle transacties met schuldeischers en leveranciers, de verveling trachtte te verdrijven, was Bonaparte Italiaansch Tyrol binnengedrongen om Würmser op te zoeken en te vernietigen, doch had, rekening houdende met de mogelijkheid, dat deze middelerwijl een poging zou doen om de Etsch van de oostzijde te naderen en Mantua te ontzetten, Peschiera, Verona en Legnano bezet gehouden. In de eerste dagen van September kwam het nu in de nauwe bergpassen en op de kale rotsen van Roveredo tot een verwoed gevecht, dat met den aftocht der zwaar gehavende Oostenrijkers eindigde.

Den 5en te Trente, de hoofdstad van Tyrol gekomen, vernam Bonaparte, dat hij Würmser zelf niet tegenover zich had gehad, doch dat deze, meer oostelijk uithalende, door het dal van de Brenta naar 't zuiden was gemarcheerd, met de Etsch of Mantua tot doel. Feitelijk stond Bonaparte nu in den rug zijner tegenpartij en op diens hoofdverbindingslijn met Tyrol.

Würmser volgen, afsnijden en aangrijpen is terstond zijn plan! Den 8en haalt hij hem in bij Bassano en geeft hem een klap zoo geducht, dat Würmser nog slechts zijn heil kan zoeken binnen dezelfde veste, die hij zou gaan ontzetten. Hij mocht nog van geluk spreken, want was de positie aan de Etsch bij Legnano en de brug aldaar door de Franschen bezet gebleven, [9] dan was hij door Massena en Augereau tegen deze rivier gedrongen en verplicht geweest in het open veld te capituleeren. Wederom was het de bijna ongeloofelijke marschsnelheid zijner infanterie geweest, die Bonaparte dit geweldige resultaat had doen verwerven. In 1805 zeiden zijn soldaten, dat hij een nieuwe manier van oorlogvoeren had uitgevonden, niet meer met de bajonet doch met de beenen. Vooral op dit deel van den veldtocht in Italië was dit geheel van toepassing.

Van zijn prachtige, talrijke cavalerie had Würmser bijna geen nut gehad; thans kon hij de paarden er van doen slachten en inzouten om zijn soldaten aan den kost te helpen.

Bonaparte keerde terug naar Milaan.--"Nooit nog hadden wij zulk een aanhoudend en groot succes; Italië, Frioul en Tyrol zijn geheel voor de Republiek gewonnen.--Binnen enkele dagen zien wij elkander weder. Voor al mijn werk en al mijn zwoegen zal dit de liefelijkste belooning zijn. Duizend vurige en dol verliefde zoentjes," [10] had hij Joséphine te voren geschreven; doch zij antwoordde niet; in zijn brief van den 17en met zijn teekenend: "Je bent even leelijk als lichtzinnig; dat je je armen man, die je liefheeft, bedriegt, is laag van je," verried duidelijk genoeg, dat hij aan haar trouw begon te twijfelen. De maand November zou hem in dit opzicht nòg smartelijker indrukken brengen.

Weder was het Directoire uitbundig in zijn lof. "Tegenover het vaderland had het leger zich opnieuw verdienstelijk gemaakt!" schreef het; maar lof is gemakkelijk geschonken, woorden zijn geen daden. Juist deze eischte Bonaparte; hij had soldaten noodig, nogmaals soldaten; sinds Maart had hij 10,000 man versterking gekregen, maar het vuur des vijands en de moeraskoortsen in Lombardije's lage landen hadden er ook duizenden weggerukt; de hospitalen lagen vol zieken; geen 30,000 man kon hij meer onder de wapenen brengen en zulks nog wel terwijl er in Tyrol een nieuw onweder broeide. Pius VI, hierdoor stoutmoedig geworden, was reeds begonnen geen schatting meer te betalen, Napels stak weder het hoofd op en zelfs Genua deed van zich hooren. "Zoolang uw generaal niet de spil is, waarom alles draait, marcheeren de zaken hier slecht. Van eerzuchtige plannen kan men mij licht beschuldigen, maar ik ben beu van al die eer. Ik ben ziek; nauwelijks kan ik mij in den zadel houden; moed alleen bezit ik nog; voor den post, dien ik bekleed, is dit niet genoeg. Reeds telt men het aantal hoofden bij ons. Ons prestige verdwijnt. Soldaten eisch ik dus, of Italië is verloren," schreef hij aan Carnot. Ook beklaagde hij zich, dat men de onderhandelingen met Rome niet had opgedragen aan hem. Geen geld, geen vrede, zou dan het parool zijn geweest. Thans kon hij opnieuw beginnen. Ook met Napels, dat Rome steunde en met Genua moest worden afgerekend. Had Frankrijk geen soldaten, dan moest met Sardinië een of- en defensief verbond gesloten en hulp gevraagd worden van daar. Ontving hij verlof Lombardije en Modena onafhankelijk te verklaren, dan had hij terstond aanhangers genoeg en behoefde hij niet meer te zorgen voor zijn rug.

Met deze wenken hield men te Parijs toch rekening. Hij kreeg de handen vrij tegenover den paus, maar soldaten waren er nu eenmaal niet.

Toen de veldmaarschalk Alvinzi in de eerste dagen van November, een zijner onderbevelhebbers oostelijk om het Gardameer zendende en zelf langs de Piave marcheerende, als een onweerswolk uit Frioul en Tyrol kwam opzetten, had Bonaparte dus slechts een geringe macht tot zijn beschikking, voor een deel nog wel bestaande uit koortslijders, die hoe krachteloos en anemisch ook, hun ontslag uit het hospitaal hadden gevraagd, zoodra ze wisten, dat het er weder spannen zou.

Tot overmaat van ramp verlieten twee regimenten der divisie Vaubois, die de passen naar Tyrol moesten bewaken, na een scherp gevecht hun post, zoodat hij zich verplicht zag een voorbeeld te stellen. Het door hem zelf geleide gevecht bij Caldiero (12 November) bleef onbeslist, uit het oosten zag hij Alvinzi steeds meer op Verona aandringen. Zijn toestand werd hachelijk.

Zelfs zijn krijgers begonnen dit in te zien. Zou Verona, zou de positie aan de Etsch dus verlaten moeten worden? De bezetting meende, dat dit het geval was, toen ze na een dag van volslagen werkeloosheid in den laten avond van den 14en bevel ontving zich marschvaardig te maken, terwijl slechts 3000 man onder Kilmaine zouden achter blijven. Eerst gaat het aan op Verona zelf; hier de brug over. Dus terug? Naar Bergamo, naar Milaan zelfs? Neen, niet terug! Reeds heeft het genie van den veldheer een nieuw plan ontworpen. Alvinzi slag leveren in de vlakte kan hij niet; hiervoor is zijn leger te zwak, maar hem aangrijpen in zijn linkerflank langs twee dijken, die geen frontuitbreiding gedoogen op een terrein dus, waar alleen heldenmoed en doodsverachting de zege kunnen brengen, ja, dat kan hij wèl. Stroomafwaarts marcheert hij dus naar Ronco, passeert hier een in stilte geslagen pontonbrug en als de morgen van den 15en November aanbreekt, staat hij in den driehoek tusschen de Etsch en haar linkerzijriviertje de Alpon. Drie dijken voeren naar het noordoosten, verder is alles moeras.

Eensklaps begrijpen de grenadiers hun chef; hier is nog kans op de zege. Langs den linkerdijk begint Massena voort te rukken; waagt Alvinzi het Verona nog dichter te naderen dan wordt hij door hem in de flank gevallen. Den middelsten dijk volgt Augereau.

Maar bij Arcola moet hij de door Croaten bezette brug over de Alpon passeeren; een Oostenrijksche divisie, die op weg is naar de Etsch en de brug reeds achter den rug heeft, grijpt hij aan en drijft hij ten deele in het moeras; maar aan een gelijktijdige vermeestering van den overgang valt niet te denken; daarvoor is het vuur van den anderen oever te hevig. De generaals Lannes en Verdier worden gekwetst. Met een vaandel in de vuist rent Augereau zelf de brug op en plant het dundoek in 't dek, maar ook deze heldendaad baat niet. In die hel waagt zich niemand meer. Het gevecht bij de brug staat.

Uit de verte,--hij bevindt zich bij Ronco--ziet Bonaparte, dat zijn plan zal mislukken; reeds begint Alvinzi, om niet te worden afgesneden, in de richting van de Brenta terug te gaan. Zal hij hem tot staan brengen, dan moet die brug genomen. Het lot van Italië staat op 't spel.

Hij galoppeert naar 't hoofd der stormcolonne, springt uit den zadel en grijpt een vaandel--"Ben jelui nog de overwinnaars van Lodi? Volgt je generaal!"--Dan rent hij naar de brug. Allen hem na. Lannes ontvangt zijn derde wonde dien dag. Muiron, Bonaparte's adjudant, zijn chef met zijn lichaam willende dekken, valt dood voor zijn voeten. Gansche rijen grenadiers kleuren het brugdek met hun bloed. Bijna is de overzijde bereikt, doch een nieuw salvo des vijands kraakt. De stormcolonne wankelt en snelt terug.

Door zijn mannen medegesleurd, bereikt Bonaparte het uitgangspunt weder; door een nastormende vijandelijke afdeeling wordt hij van den dijk af, 't moeras ingedrongen, slechts met moeite gered en op een paard gezet. Zoo bereikt hij Ronco weder.

Maar zijn voorbeeld heeft aanstekelijk gewerkt en drie dagen lang wordt nu bij Arcola en op de aangrenzende terreinen van weerszijden met voorbeeldelooze hardnekkigheid gestreden, tot Alvinzi's soldaten het moede worden, den kamp opgeven en door een krijgslist van Bonaparte, die zijn gardes onder luid trompetgeschal op hen afzendt, ten slotte in verwarring op de vlucht slaan. Ook Alvinzi's toeleg om Mantua te ontzetten is dus mislukt.

Toch gaf hij den moed niet op. Denzelfden dag (17 November) dat hij de stelling bij Arcola had losgelaten, had zijn onderbevelhebber Davidovich de Franschen onder Vaubois bij Rivoli teruggeworpen; hierdoor aangemoedigd, besloot hij nogmaals op Verona los te gaan, maar Davidovichs traagheid van beweging en onvoldoende krijgsmanskunst verhinderden een goede samenwerking; een uitval, door Würmser uit Mantua ondernomen, mislukte, en den 24en November besloot Alvinzi voor goed tot den aftocht naar het oosten.

Terstond nam Bonaparte zijn vroegere stellingen weder in. Serurier kwam weder voor Mantua; Rivoli, Verona, Legnano en Brescia kregen weder Fransche bezetting. Er trad een rustpauze in. Het Directoire bepaalde, dat de door Bonaparte en Augereau veroverde vaandels als belooning aan hen ten geschenke zouden worden gegeven.

HOOFDSTUK VI.

Bij Rivoli, op Mombello. De Vrede.

"Ik hoop weldra in je armen te wezen. Ik heb je razend lief. Alles gaat goed. Würmser is onder Mantua verslagen. Aan 't geluk van je echtgenoot ontbreekt alleen Joséphine's liefde," had Bonaparte den 24en November uit Verona aan zijn vrouw geschreven. Drie dagen later te Milaan gekomen vond hij het paleis... verlaten. Mevrouw was in stilte even naar Genua overgewipt. Zijn brief aan haar van dienzelfden datum verried zijn harteleed.

"Als ik naar huis kom, ga jij heen; je Napoleon is je onverschillig geworden. Aan het gevaar gewoon, ken ik het middel tegen het verdriet en de rampen des levens. Mijn droefheid is nameloos groot. Tot den 29en blijf ik hier. Derangeer je niet; maak maar volop pret; je man is diep ongelukkig."

Van niet minder grievend zieleleed getuigde zijn volgend schrijven, toen de koerier uit Genua taal noch teeken van haar medegebracht had.

"Jou alleen beminnen, je gelukkig maken, alles laten wat je hinderen kan, is mijn lot, mijn levensdoel. Dat de natuur mij de middelen onthield om je te boeien, is mijn schuld; maar van Joséphine's zijde verdien ik toch eenige achting, eenige egards, want ik heb je lief als een dwaas. Zoodra vaststaat, dat zij mij niet meer beminnen kan, sluit ik mijn bitter leed op in mijzelf; dan zal ik mij tevreden stellen met haar nuttig te wezen."

Zijn geschrijf baatte niet. Mevrouw had het in die dagen veel te druk met luitenant Charles, "die aardige jongen." De gansche armee wist, dat zij met dien snuiter zeer was ingenomen en dat, in het hotel Serbelloni dit kereltje als heer en meester optrad, zoodra de ander dit had verlaten. Alleen Bonaparte wist dit niet. Eenmaal hieromtrent ingelicht, zond hij dien "vrijer" weg uit het leger; hij zou geknoeid hebben met leveranciers, heette het. Joséphine zorgde voor zijn toekomst. Volkomen bewust van haar macht, kostte het haar bij terugkeer te Milaan weinig moeite haar echtgenoot van haar onschuld te overtuigen en de echtgenoot, voor wien gansch Italië in 't stof lag, geloofde al wat zij hem op de mouw spelde, nam haar in zijn grenzelooze liefde weder op in zijn hart en droeg zwijgend zijn leed.

Nog voordat hij door de gevechten bij Arcola een beslissing had verkregen, was een zekere partij te Parijs er in geslaagd, hem bij het Directoire verdacht te maken. Die jeugdige generaal had wel groote overwinningen behaald, scheepsladingen vol kostbare zaken naar de musea te Parijs gezonden, millioenen en nogmaals millioenen francs in de schatkist gestort, zich in één woord zeer verdienstelijk gemaakt tegenover het vaderland, maar welk doel beoogde hij hierbij voor zich zelf? Was hij niet eerzuchtig, streefde hij niet naar hooger? Was hij met zijn absoluut energiek karakter niet een gevaar voor den staat?--Toen men hem een veldtochtsplan had voorgelegd, dat niet door hem zelf was ontworpen, had hij zijn ontslag verzocht; onder den naam van een wapenstilstand had hij aan regeerende vorsten als oppermachtig gebieder de keus gelaten tusschen oorlog en vrede; toen de onderhandelingen met den paus niet waren overgelaten aan hem, had hij zich hierover gekrenkt getoond; zonder voorkennis of machtiging van het Directoire had hij aan Moreau in Duitschland een millioen francs gezonden, zoogenaamd, omdat die generaal hem de Oostenrijkers in Tyrol dan zooveel te krachtiger van het lijf zou kunnen houden; hij was om kort te gaan, een man gebleken, die liefst zelf deed, wat hij meende zelf tot een goed einde te kunnen brengen. Was hij wel te vertrouwen? Zou hij misschien hertog van Milaan willen worden? Dit moest onderzocht. Generaal Clarke van het departement van oorlog kreeg dus last om toegerust met een voorstel tot het sluiten van een voor Oostenrijk zeer gunstigen wapenstilstand naar Weenen te gaan, doch de reis te nemen over Italië, Bonaparte omtrent dit plan te hooren en--op diens houding en gedragingen nauwkeurig acht te geven en hierover te rapporteeren aan het Directoire. Toen Clarke Bonaparte ontmoette, was het drama van Arcola reeds afgespeeld; van een verdrag met Oostenrijk wilde de veldheer niets weten. Ook in het geheime gedeelte zijner opdracht slaagde Clarke niet, want door 't geen hij dagelijks zag en hoorde, was hij weldra zoo totaal ingepakt, dat hij letterlijk een volbloed Bonapartist werd en het Directoire over Bonaparte's optreden van hem niets dan lof te lezen kreeg.

Kenschetsend is Clarke's oordeel over hem: "Hier is niemand, die in hem niet ziet een man van genie.--Groot is zijn macht over de figuren, die het republikeinsche leger vormen.--Zijn blik is zeker; zijn besluiten zet hij door met volle kracht. Zijn koelbloedigheid in de heftigste gevechten is even opvallend als de buitengewone snelheid, waarmede hij zijn plannen verandert, wanneer onvoorziene omstandigheden dit gebieden."--Wel zag hij, dat Bonaparte zijn mannen weinig spaarde en hard, ongeduldig, heerschzuchtig was; doch houding, blik en wijze van spreken verrieden in hem tevens den man, tot bevelen geboren; een ieder voelde dit; een ieder onderwierp zich. Zijn krijgsmakkers uit die dagen roemden zijn luchtigen, levendigen toon, waar het geen dienstzaken betrof, zijn scherts en zijn goedmoedigheid, in één woord de eigenaardige toovermacht, welke van hem uitging.

Inmiddels was de winter ingetreden; wegen en bergpassen lagen diep onder de sneeuw; voor een korte poos was aan de vijandelijkheden dus een einde gekomen. Van dit tijdperk van verademing maakte Bonaparte gebruik om een flinke opruiming te houden onder "de dieven," zooals hij in 't algemeen het personeel betitelde, dat met de zorg voor het onderhoud des legers was belast. Door zijn onverpoosde zorgen was dit laatste thans goed gevoed, goed gekleed en gewapend. 't Was weer een lust soldaat te zijn; zeiden de manschappen. De officieren deelden in die tijdelijke weelde; enkelen begonnen reeds een spaarpot te maken; maar tusschen die mannen van het zwaard, die den overvloed van het heden meestal met hun bloed hadden betaald, bewogen zich tal van niet-strijders, de administrateurs en leveranciers, door elkander genomen, een zoodje schelmen, die zich verrijkten ten koste van den troep, brutaal hun rijkdom toonden en met het gestolen goed de gunsten kochten der Italiaansche actrices. Tegenover dat gespuis trad hij zonder genade op. Zelf leefde hij dood eenvoudig in zijn hoofdkwartier, dat Joséphine om den schijn te bewaren, weder tijdelijk met hem was komen deelen. Als bij intuïtie wetende, dat hem weinig tijd zou worden gelaten en dat Alvinzi weldra weder aanvallend zou optreden, zorgde hij inmiddels dat de goede verstandhouding met Sardinië en Parma niet werd verbroken; met Toskane sloot hij een verdrag, waarbij hij tegen vergoeding van een paar millioen francs het garnizoen uit Florence terugnam; hij legde troepen in Bergamo, quasi om die stad met haar Venetiaansch garnizoen te beschermen tegen een coup de main der Oostenrijkers en maakte toebereidselen om het verlangen der republikeinen te bevredigen en den paus te tuchtigen voor zijn trouweloosheid en zijn heulen met den vijand.

Reeds had hij hieraan een begin van uitvoering gegeven en bevond hij zich hiertoe te Bologna, toen de tijding, dat Alvinzi zijn voorposten allerwegen had aangegrepen (10 Januari 1797), hem spoorslags deed terugkeeren naar Verona, waarom ook Joséphine weder naar Milaan vertrok.