Napoleon

Chapter 8

Chapter 83,731 wordsPublic domain

Het schrikbewind had aan al dit fraais met één slag een einde gemaakt; de Beauharnais was gevangen genomen en onthoofd; zij zelve in den kerker geworpen. Hier had zij kennis gemaakt met Thérèse de Fontenay, een dame, die den afgevaardigde Tallien in haar netten had gevangen, die dezen gewetenloozen republikein haar hand had beloofd, als hij haar de vrijheid wist terug te bezorgen. Zij had Joséphine's bevrijding eveneens bewerkt.

Dus als door een wonder ontkomen aan den dood op het schavot, zoo goed als geruïneerd, zonder vooruitzichten, was Joséphine met haar twee kinderen, gesteund door enkele vriendinnen en door enkele heeren, met wie zij in de gevangenis had kennis gemaakt, een leven begonnen, dat haar goeden naam schade deed. Door geld te leenen en rechts en links schulden te maken, vond zij de middelen om tijdelijk een eigen staat te voeren, rijtuig te houden en in de rue Chantereine, aan 't einde der stad, een klein hotel te huren, dat weinig meer dan een drietal bruikbare kamers en een stal bevatte. Met zijn sofa's en in alle hoeken verspreide mahonie- en citroenhouten tafeltjes met marmeren bladen en verguld koperen versiersels, maakte 't geheel voor een leek toch eenige vertooning. Een paar groote glazen kasten met verzilverd eetservies,--van echt zilver waren slechts een dozijn lepels en vorken voorhanden--werkten hiertoe mede.

Ook in Joséphine's linnenkast heerschte geen weelde. Wel zestien japonnen benevens eenige shawls, doch bijster weinig ondergoed--b.v. slechts zes rokken--was er in te vinden. Aan het uiterlijk was blijkbaar alles opgeofferd.

Van die vergulde armoede had Bonaparte, op dit gebied zelf volstrekt niet verwend, bij zijn eerste bezoek echter niets bespeurd; hij had slechts oogen gehad voor de dame, die hem ontving, die een stem had als muziek, de mooiste kleine handjes en voetjes, welke hij nog ooit had gezien en wier fluweelzachte oogen met lange, gebogen wimpers, guitig uitdagend wipneusje en glimlachend lief mondje met een licht gepoederde blonde pruik,--de mode dier dagen--een allervriendelijkst geheel vormden.

Dat haar tanden toen reeds veel hadden geleden, dat poeder en blanketsel reeds te hulp waren geroepen om de eerste sporen van verval te verbergen, zag hij niet; dat Hortense, het veertienjarige dochtertje, bij madame Campan op kostschool, haar "engelachtig moedertje" de hoogst enkele maal, dat deze haar kwam bezoeken, om die reden alleen onder de kin een zoentje mocht geven, wist hij niet; hij zag slechts háár. Désirée Clary was vergeten; aan mevrouw Permon, die weduwe geworden en daarop zonder succes door hem ten huwelijk was gevraagd, dacht hij niet meer; dat Joséphine zes jaar ouder was dan hij, wilde hij niet weten; dat Ségur, de Caulaincourt en andere heeren van "het oude hof" bijzonder vertrouwelijk met haar omgingen, doch zich nooit met hun vrouw bij haar vertoonden, zag hij niet en evenmin deerde het den verliefden man, dat zij Tallien en Barras onder haar allerintiemste kennissen telde. De liefde, die zoo dikwijls spot met vormen en zedelijkheid, ja met alles, had zijn jong zuidelijk bloed aan 't gisten gebracht. Van nu af zou ondanks alles, jaren lang slechts één vrouw ter wereld voor hem bestaan, zijn Joséphine.

"Ze waren "doodelijk" van elkander," schreef een tijdgenoot, die het weten kòn. Doch wist hij het wel?--Op Bonaparte was dat "doodelijk" in den ruimsten zin des woords toepasselijk; alleen in haar nabijheid voelde hij zich gelukkig. Bij haar was het effect, door zijn onstuimigen blinden hartstocht op haar creoolsche natuur aanvankelijk teweeggebracht, weldra sterk verminderd en door verzadiging gevolgd. Toen hij haar in 't begin van 1796 ten huwelijk vroeg, was zijn persoon haar zelfs tamelijk onverschillig geworden. Toch nam zij zijn aanzoek aan, zoogenaamd omdat zij haar kinderen, om wie zij zich echter nooit veel had bekreund, hierdoor een tweeden vader schonk, maar feitelijk omdat haar geldmiddelen zoo goed als uitgeput waren, haar jeugd haar verliet, de kans op beter dus zeer gering voor haar werd en mevrouw Tallien en Barras haar verzekerden, dat hij weldra in Italië opperbevelhebber zou worden en zij, mocht hij komen te vallen, in elk geval pensioen kreeg, en eindelijk omdat zij, evenals bijna al de vrouwen uit dien tijd, bijgeloovig was en haar indertijd op Martinique door een oude negerin was voorspeld, dat zij nog eenmaal een kroon dragen zou. Beviel het huwelijk haar niet, dan was echtscheiding bovendien altijd een eenvoudig middel om een band te verbreken, waaraan de geestelijke wijding toch ontbrak. Zij nam dus zijn aanzoek aan. Den 8en Maart 1796 werd een contract geteekend, waarbij o.a. alle gemeenschap van goederen tusschen beiden was uitgesloten; Joséphine bleef voogdes over haar kinderen en Bonaparte bracht, zooals de notaris Raguideau terecht opmerkte, niets mede ten huwelijk dan "mantel en degen."

Met Barras, Tallien, Lemarrois, een adjudant van Bonaparte en Calmelet, Joséphine's zaakwaarnemer als eenige getuigen, werd de echtverbintenis den 9en zonder eenig uiterlijk vertoon gesloten. Twee dagen later reeds was Bonaparte als opperbevelhebber op weg naar het leger van Italië. Barras had goed gezien; het Directoire had den jeugdigen generaal het veldtochtsplan ter uitvoering gegeven, dat deze het jaar te voren bij het departement van Oorlog zelf had ontworpen en dat Scherer als het werk van een gek had verklaard en als te dolzinnig en te vermetel niet had aangedurfd. Joséphine bleef achter in het hotel van de rue Chantereine, deed voorloopig geen afstand van haar vroegeren naam en bleef dus "de weduwe Beauharnais" bracht ook in haar levenswijze, haar pretjes en haar gewoonten geen verandering en gunde zich vaak niet eens den tijd om de van liefde en hartstocht gloeiende epistels te lezen, die haar man, al had hij 't nog zoo druk, bijna dagelijks met iederen koerier toezond. Eén uit velen vinde hier een plaats:

"Als ik op 't punt sta mijn bestaan te verwenschen, breng ik de hand naar mijn hart; daar rust je portret. Ik bekijk het en de liefde is voor mij het volmaakte geluk; alles lacht mij toe behalve de tijd, dien ik doorbreng buiten het bijzijn van mijn hartsvriendin."

Met die beeltenis voor zich deed hij iederen avond zijn gebed; toen het glas er van brak, was hij de wanhoop nabij.

HOOFDSTUK V.

De Veldtocht in Italië. 1796.

Niet zonder grond hadden de hem vijandig gezinde Parijsche blaadjes bij zijn vertrek den draak gestoken met zijn nieuw commando, want het leger van nog geen veertig duizend man, dat hij te Nizza gekomen, met het front naar het Noorden tusschen de Var en de Apennijnen vond staan, geleek meer op een bende in lompen gehulde uitgehongerde landslieden met stukken boomschors tot schoeisel, dan op een geregelden soldatentroep. De paarden waren tot geraamten afgevallen; soldij was in maanden niet uitbetaald; vivres waren in even zooveel tijd niet verstrekt. Van roof en plundering werd geleefd. Kort na zijn komst schreef hij dus terecht aan het Directoire: "De soldaat zonder voedsel komt tot uitbarstingen van woede, die iemand doen blozen mensch te heeten. De inname van Ceva en Mondovi kan in de behoefte voorzien en ik zal vreeswekkende voorbeelden stellen. Tot orde en krijgstucht zal ik die struikroovers dwingen, of ik leg het bevel er over neder."

Een leger van vijftigduizend man had hij gevraagd; geen enkelen soldaat had men hem toegezonden; zoo schraal was zijn krijgskas voorzien, dat hij de generaals bij zijn komst ieder slechts tachtig francs in goud kon ter hand stellen in mindering op hun achterstallig tractement. Hij zelf door de grenadiers vóór zijn komst spottend "Generaal Vendémiaire" genoemd, genoot niet het minste vertrouwen; bijna niemand kende hem. Toch aarzelde hij geen seconde.

Nog geen uur was hij in zijn hoofdkwartier of hij had de sterktestaten ter hand genomen, den kolonel Berthier, een werkkracht bij uitnemendheid, tot zijn chef van den staf benoemd en zich op de hoogte gesteld van den toestand.

Als divisie-generaals had hij Massena, een Italiaan, ongeletterd maar schrander, vindingrijk in 't gevaar en ongelooflijk taai en volhardend, den reusachtigen Augereau, een Parijzenaar uit de voorsteden, vroeger onderofficier-schermmeester, dapper als staal en zeer gezien bij den troep, voorts Laharpe, een Zwitser van den goeden stempel en Serurier, een voormalig majoor van het koninklijke leger, Steingel een Elzasser van geboorte en volgens Napoleon een uitmuntende voorhoede-generaal. Het vertrouwen te winnen zijner onderbevelhebbers en de liefde zijner krijgers was voor hem thans een eerste vereischte; hij wist dat hem hiertoe slechts één middel ten dienste stond, den vijand aan te grijpen en te verslaan. Terstond gaf hij hiertoe bevelen. Te Albenga sprak hij de officieren toe, deed een beroep op hun moed en plichtsgevoel en wees hun op het land aan de overzijde van de Apennijnen, waar ze ruimschoots zouden beloond worden voor hetgeen ze tot nu toe hadden ontbeerd.

Reeds kort na aankomst te Nizza had hij zijn soldaten gezegd; "Gij hebt reeds genoeg ellende doorstaan; ik zal er een einde aan maken," en wijzende in de richting Piëmont, "daar zullen we brood, magazijnen, kleederen, artillerie, paarden en geld voor belooning ontvangen. Weg met alle hindernissen tusschen ons en den vijand; met de bajonet moet ge hem altijd op 't lijf vallen."

Door deze kernachtige woorden won hij het vertrouwen zijner soldaten en had hij bij hen het pleit reeds gewonnen. De uitbetaling van een deel der achterstallige soldij deed de rest.

Reeds den 5en April stond hij bij Albenga, tachtig kilometer ten oosten van Nizza; in dien zelfden tijd hadden de Sardiniërs, ongeveer vijf en twintig duizend man sterk, onder Colli bij Ceva in 't gebergte, een sterkte ingenomen op den rechter vleugel van Beaulieu. Deze was met een circa tweemaal zoo sterke macht door Lombardije gemarcheerd naar Genua om hier gemeenschap te zoeken met de Engelsche vloot en op te treden tegen de Franschen aan de Var. Een deel zijner macht stond bij Dego, ten noorden van de Alpen, zijn centrum onder d'Argenteau hield bij Montenotte de hoogste toppen bezet; zijn linkervleugel, evenals de andere afdeelingen front makende naar het westen, was Genua gepasseerd en tusschen de bergen en de zee opgesteld. Viel Bonaparte, die oprukte in de richting van deze stad, hem nu aan, dan kon d'Argenteau, rekende hij, uit het gebergte komende, de Franschen bij Savona in de linkerflank vallen en in zee werpen.

Den 11en April stiet Beaulieu inderdaad op Laharpe, die de Fransche voorhoede commandeerde, en wierp hem terug, doch in den daarop volgenden nacht gaf Bonaparte, door het onverzettelijk standhouden van den kolonel Rampon bij Montenotte hierin ridderlijk gesteund, uitvoering aan het plan, dat hij had ontworpen. Terwijl hij zijn voorposten tegenover Beaulieu liet staan, zond hij de divisie Laharpe, door Augereau als reserve gevolgd, naar Montenotte, Massena langs een omweg door 't gebergte in d'Argenteau's rug, greep hem aan, sloeg hem met zwaar verlies terug naar Dego, en bereikte het dal van de Bormida nog denzelfden dag; hier stond hij nu midden tusschen de bondgenooten in, links van hem de Sardiniërs, die de bergpassen van Millesimo bezet hielden en Turijn dekten, rechts slechts enkele in het gebergte verspreide, zwakke Oostenrijksche afdeelingen, en vóór hem Dego. Zijn vermetel plan was met succes bekroond en het centrum zijner tegenpartij doorgebroken.

De drie volgende dagen vochten Bonaparte's bandieten als helden. "De zege of de dood!" hebben zij in hun vanen geschreven; den 15en April volgt de beslissing. Half vernietigd vlucht het Oostenrijksche leger naar Milaan; de Sardiniërs hebben de passen van Millesimo verloren en gaan op Ceva en Mondovi terug. Italië staat voor Bonaparte open. Zijn soldaten hebben het volste vertrouwen in hem gekregen; één blik uit zijn adelaarsoog is voldoende om hem blindelings te doen gehoorzamen; zijn generaals hebben hem leeren kennen, vol aandacht en bewondering luisteren zij reeds naar zijn korte, zaakkundige bevelen.

Eén rustdag slechts, eerlijk verdiend, dan vangt de marsch aan naar Ceva, de Sardiniërs achterna. Als de toppen van de Monte Zemoto zijn bereikt kunnen de krijgers de heerlijke vlakten van Piëmont en Lombardije aanschouwen; de Tanaro, de Stura en de Po, hun wateren stuwende naar de Adriatische Zee, liggen aan hun voet; de met sneeuw en ijs gepantserde Alpenreuzen vormen den achtergrond.

De grens van "Het beloofde land," zooals hun chef het had geheeten, is bereikt!

"Hannibal trok vóór eeuwen de Alpen over; wij trekken er om heen," riep hij zelf bewogen uit. Acht dagen later is Cherasco bereikt. Victor Amadeus, den koning van Sardinië, sloeg de schrik om 't hart; ondanks de vertoogen van den Oostenrijkschen en den Britschen gezant sloot hij den 28en April een wapenstilstand. Bonaparte kreeg hierdoor de beschikking over de rijke magazijnen van Ceva, werd meester over de wegen door Piëmont, zag den afstand tusschen Parijs en de oevers van de Po aanmerkelijk verkort en kreeg de zekerheid, dat hij geen vijand in zijn rug achterliet. Als een handig staatsman had hij hiertoe bij den koning de kans laten doorschemeren op vergrooting van grondgebied in Lombardije, zoodra Oostenrijk zou zijn bedwongen.

Reeds voelde hij zich zeer sterk. Aan het Directoire, dat een wapenstilstand moest bekrachtigen, schreef hij: "In het stellen der vredesvoorwaarden zijt gij geheel vrij; de voornaamste vestingen zijn in mijn handen."

Ook aan Joséphine schreef hij weder. Junot, die een deel der veroverde zegeteekenen naar Parijs brengen zou, had den brief bij zich. "Kom spoedig. Talm je, dan vindt ge mij ziek. Al die vermoeienissen en je afwezigheid zijn te veel op eens."--'t Was waar; de koorts verteerde hem; een hardnekkige hoest kwelde hem dag en nacht.--"Maar je komt, niet waar? Je zult hier bij mij wezen, in mijn armen, aan mijn hart. Kom, o, kom!"

Maar Joséphine kwam niet. Zij vond het veel te prettig om aan den arm van Junot gevierd te worden als de echtgenoote van den beroemden burger-generaal en zoowel met dien knappen huzarenofficier als met den kolonel Joachim Murat, die op last van Bonaparte eveneens tropeeën was komen dragen naar het Directoire, te coquetteeren. Napoleons hartstochtelijke brieven lieten haar koud; slechts nu en dan beantwoordde zij die met een kattebelletje. Zelfs de beleefde vertoogen van Jozef, door Bonaparte met vertrouwelijke dépêches uit Genua naar Parijs gezonden, baatten niet; eerst wendde mevrouw ziekte voor, daarna een begin van zwangerschap.

"Wat een grappige vent toch, die Bonaparte," mompelde zij bij de ontvangst van zijn hierop gevolgd schrijven met liefdevolle verontschuldigingen over zijn grenzenloos verlangen naar haar.

Inmiddels zette de generaal, in stilte zielsongelukkig zijn zegetocht door Lombardije voort, trok bij Piacenza in plaats van bij Valence, zooals de vijand verwacht had, de Po over, dwong den hertog van Parma den 9en Mei tot een wapenstilstand en het betalen van een paar millioen francs oorlogsschatting en greep Beaulieu, die naar de Adda was geweken, den daarop volgenden dag bij Lodi aan. Hier bestormde hij aan de spits zijner grenadiers de eenige hierover de Adda voerende brug, verwierf zich door dit bijna ongeëvenaarde heldenfeit bij zijn krijgers den eerenaam van le petit Caporal en trok vijf dagen later door de juichende, opgewonden bevolking omgeven, het te zijner eere versierde Milaan binnen. In zeventien dagen tijd had hij Lombardije veroverd. Hij was letterlijk de afgod zijner soldaten geworden en zelfs die enkele oudere generaals als Serurier en Kilmaine, die in stilte tegen hem oppositie voerden, hadden eerbied gekregen voor de overweldigende kracht der feiten, voor de macht van zijn wil. In weerwil van dit succes had het weinig gescheeld, of het ministerie van oorlog had door een onhandigen zet alles weer bedorven.

Den 14en Mei had Bonaparte te Lodi bericht ontvangen, dat, zoodra het Alpenleger Italië was binnengerukt, hij het commando met Kellerman zou moeten deelen. Deze zou dan ten noorden van de Po, hij zelf tegenover Rome en Napels optreden.

"Dan leg ik het opperbevel neder," antwoordde hij terstond. "Ik heb den veldtocht gevoerd zonder iemand raad te vragen. Had ik mij naar de inzichten van een ander moeten voegen, dan was er niets van terecht gekomen... Ieder heeft zijn eigen wijze van oorlog voeren. Generaal Kellerman heeft meer ervaring dan ik, en zal het beter doen dan ik. Samen brengen wij niets goeds voor den dag. Trouwens acht ik één slechten generaal beter dan twee goede. Evenals regeeren is oorlog voeren een quaestie van tact. In afwachting van nadere bevelen ruk ik naar de Mincio."

Carnot liet zich dit gezegd zijn en trok de order in. Hierop had Bonaparte inmiddels niet eens gewacht, want, zooals hij in zijn proclamatie van den 20en aan de troepen had gezegd: "Veel was er wel reeds gedaan doch nog lang niet genoeg. Van Lombardije mocht geen Capua worden gemaakt. Geforceerde marschen moesten nog afgelegd, nieuwe lauweren geplukt en Rome gestraft worden, omdat het Fransche gezanten lafhartig had laten vermoorden."

De bevolking kon echter gerust zijn, had hij hierop doen volgen. Tegen haar voerde de Republiek geen oorlog; integendeel. Maar het Romeinsche volk, dat zooveel eeuwen lang in slavenketenen had gezucht, moest wakker geschud.--Reeds den 19en waren de bevelen tot den afmarsch naar de Mincio dus gegeven, achter welke rivier Beaulieu zijn macht tusschen Peschiera en Mantua in verschillende detachementen had opgesteld. Eerst werd nog te Milaan, daarna te Pavia een opstand onderdrukt, door het landvolk onder leiding van eenige fanatieke geestelijken begonnen,--om een voorbeeld te stellen gaf Bonaparte laatstgenoemde stad drie uur lang ter plundering over aan zijn soldaten,--en den 30en Mei stonden de twee partijen bij Borghetto weder tegenover elkander en hieuwen de nieuwgevormde Fransche escadrons, door Murat zelf aangevoerd, zoo krachtig in op de Oostenrijksche cavalerie, dat deze moest wijken.

Om de veiligheid van zijn eigen persoon had Bonaparte zich tot heden weinig bekreund; dit veranderde echter, nu hij, bij het einde van dit gevecht in een gehucht afgestegen, den vijand bijna in handen was gevallen en zich alleen door een snelle vlucht had kunnen redden. Onder toezicht van zijn vriend de Bessières, een even bedaard als onverschrokken cavalerie-officier, werd een escadron Guides gevormd, de kern van de later opgerichte Escadrons van Dienst. Van dezen uitgelezen ruitertroep, dien Napoleon slechts zelden uit de hand gaf, telde iedere man minstens tien jaar dienst.

Beaulieu's zwakke positie achter de Mincio bij Borghetto door midden brekende, wendde Bonaparte zich daarop naar Peschiera, dat op Venetiaansch grondgebied aan het Gardameer was gelegen, om hier met Beaulieu's achterhoede op haar terugtocht naar Tyrol af te rekenen en hem zelf het ontkomen in die richting te beletten. De grijze, reeds ruim zeventigjarige generaal wachtte hem echter niet af, doch liet bezetting achter in de sterke vesting Mantua, gelegen op een eiland in de Mincio, en zocht door een nachtmarsch achter de Etsch een goed heenkomen. Den 1en Juni kon Bonaparte dus uit zijn hoofdkwartier Peschiera schrijven "dat de vijand geheel uit Boven-Italië was verdreven, en dat zijn eigen voorposten stonden op de bergen van Duitschland." Dank zij de marschvaardigheid zijner infanterie, die enkele malen acht en veertig kilometers afstand achtereen had afgelegd, had hij dit succes binnen acht dagen na zijn vertrek van de Adda behaald.

Versterkt door detachementen van het leger der Alpen gaf hij zijn macht thans een andere indeeling; Massena kreeg met 18000 man last de noordelijke toegangen aan weerszijden van het Gardameer af te sluiten met drie reserves, een in een kamp tusschen dit meer en de Etsch, een bij Verona en een bij Peschiera. Dan konden de Oostenrijkers gerust nogmaals komen opdagen. Serurier zou met 5000 man Mantua insluiten; een korps van ruim het dubbele dezer sterkte, waaronder de divisie Augereau behield Bonaparte zelf bij zich bij Roverbello, terwijl circa 9000 man in Lombardije's vestingen garnizoen hielden, o. a. te Milaan, welks citadel nog in 's vijands handen was.

Den 3en Juni had Massena Verona, dat aan Venetië behoorde, bezet en had Bonaparte zijn hoofddoel, het bezetten van de Etschlinie bereikt. Achter deze ondoorwaadbare rivier met haar veelal steile oevers en met Verona en Legnano er voor, kon hij de loop der dingen afwachten; hier was hij meester over Boven-Italië, kon over Venetië, dat een zeer dubbelzinnige rol begon te spelen, een wakend oog houden en nu ook het zielsverlangen van het Directoire bevredigen en Rome dus een les geven, die het zou heugen.

De koning van Napels, ook het dreigende gevaar inziende, haastte zich een wapenstilstand te sluiten, die Bonaparte zeer van pas kwam, want het Oostenrijksche leger werd hierdoor terstond met bijna 3000 Napolitaansche ruiters verzwakt. De marsch van de divisie Augereau naar de legatiën werd dus niet gestoord; den 19en Juni werd Bologna bezet. Ferrara door den kardinaal-legaat verdedigd, werd door Bonaparte zelf genomen, en reeds den 23en Juni was alle verzet gebroken, en was paus Pius VI verheugd, dat hij een wapenstilstand mocht sluiten, mits hij een gezant naar Parijs zond om te onderhandelen over een definitieven vrede. De voorwaarden, hem gesteld, waren echter niet malsch.--Hij zou nu ondervinden, dat men over de Fransche Republiek niet straffeloos den banvloek uitsprak, den kruistocht tegen haar predikte en haar gezanten binnen Rome's muren liet vermoorden. De legatiën Bologna en Ferrara bleven in Fransche handen; Ancona kreeg Fransch garnizoen; een en twintig millioen oorlogskosten moesten betaald, eindelijk moest, evenals in Parma was geschied, een schat van kunstwerken en kostbare schilderijen aan het museum van Parijs worden afgestaan.

Weinig had het gescheeld of te Livorno, waar de Engelschen zoo goed als heer en meester waren en van hier hun leger op Corsica voordurend van alles voorzagen, waren een groot aantal rijk beladen Engelsche koopvaarders bijna tegelijkertijd in Bonaparte's handen gevallen. Ook hier legde hij garnizoen en zijn landgenoot Gentili, bijgestaan door duizenden Corsicanen, verdreef in October d.a.v. al de roodrokken van het eiland. Te Florence bij den groothertog van Toscane, die hem verzocht zijn gast te wezen, ontving hij bericht, dat de citadel van Milaan zich op 29 Juni had overgegeven. Het hier buitgemaakte belegeringsgeschut kon hem nu tegenover Mantua goede diensten bewijzen.

Ondanks al zijn overwinningen, ondanks al de hulde hem gebracht, was Bonaparte in die dagen als mensch diep ongelukkig. Hij miste zijn vrouw. Wel had hij Jozef naar Parijs gezonden om haar afreis naar Milaan te bespoedigen, maar Jozef had ook zijn eigen belangen en die van Corsica in het oog te houden; voorts kende hij den toestand, was Joséphine niet genegen en gevoelde weinig lust, ook al uit vrees voor oneenigheid, als tusschenpersoon dienst te doen. De brieven van zijn broer liet hij dus grootendeels onbeantwoord en vond het raadzamer op Joséphine onderhands invloed te laten uitoefenen door het Directoire. In de brieven aan leden van dit college had Bonaparte kortaf te kennen gegeven, dat hij ziek was en dat, wanneer men hem zijn vrouw niet zond, hij zijn ontslag nam en terugkeerde naar Parijs.