Napoleon

Chapter 7

Chapter 73,838 wordsPublic domain

Het krachtige protest, waarmede Bonaparte tegen deze behandeling opkwam, baatte hem niets. Hij had in zijn veldtochtsplannen met de waardigheid der representanten niet de minste rekening gehouden; hij had hun bevoegdheid tot oordeelen over militaire aangelegenheden niet erkend, geen acht geslagen op hun persoonlijke belangen, bij veel van die volstrekt niet onbaatzuchtige representanten een zaak van groot gewicht en hij was dus in zekeren zin hun persoonlijke vijand geworden. Toen een ernstig onderzoek zijner papieren tot niets leidde en hij zich omtrent die bevolen reis naar Genua volkomen had kunnen verantwoorden, waren de representanten wel verplicht den man voorloopig weder los te laten, "dien zij na de terechtstelling van den samenzweerder Robespierre als maatregel van algemeene veiligheid hadden doen gevangen nemen, maar die, zijn locale en militaire kennis in aanmerking genomen, voor de Republiek van nut kon wezen."

Na dit bijna veertiendaagsch verblijf in den kerker had Bonaparte blijkbaar spoedig het vertrouwen herwonnen, want half September reeds werd hij door Saliceti, die bij zijn gevangenneming een vreemde rol had gespeeld, belast met de voorbereiding eener nieuwe expeditie naar Corsica, dat nog altijd in Engelsche handen was. Van deze gelegenheid maakte hij terstond gebruik om Jozef te belasten met de goed betaalde functie van inspecteur over de hospitalen te Toulon.

De expeditie zelve mislukte echter geheel, want tegen de Engelsche marine waren de onervaren Fransche zeeofficieren met hun dappere, doch tuchtelooze schepelingen niet opgewassen. Half Maart 1795 kwam het bevel de landingstroepen weder te ontschepen en Napoleon had dus een half jaar tevergeefs rusteloos gearbeid. Na een kortstondig verblijf te Marseille bij zijn moeder, vertrok hij naar Parijs. Door een wijziging in de indeeling der legers, die o.a. aan twintig divisie- en acht en vijftig brigade-generaals de nonactiviteit had gebracht, was ook hij van zijn commando ontheven en "zijn verdienste en zijn deugdelijke kennis in aanmerking genomen," als brigadegeneraal ingedeeld bij het leger in de Vendée, een regeling, waartegen de toen zes en twintig jarige opperofficier in redelijkheid niets kon aanvoeren, want hij bleef als chef gehandhaafd en werd niet gesteld onder de bevelen van een ander.

Veel haast om zijn bestemming te bereiken maakte hij intusschen niet; hij nam Junot benevens den kapitein der artillerie Marmont als adjudanten mede, bleef zelfs eenige dagen te Châtillon bij den vader van Marmont logeeren, gaf Louis, dien hij weder tot zich had genomen, tegelijkertijd nog dagelijks les in wiskunde met het plan hem op de militaire school van Châlons te plaatsen, als hij geen brevet van luitenant der artillerie voor hem machtig kon worden. Eindelijk te Parijs gekomen, vond hij de toestanden hier geheel gewijzigd.

Enkele dagen te voren was een opstand uitgebroken in de hoofdstad onder de uiterste Jacobijnen, de zittingzaal der Conventie was men binnengestormd, bloed had gevloeid en een nieuwe periode van ellende en doodsangst had gedreigd, maar ten slotte hadden de gematigden en het goedgezinde deel der burgerij de zege behaald en de rust was hersteld. Het gevolg hiervan was geweest, dat eene heftige vervolging was begonnen tegen al wat met Robespierre en de Jacobijnen in betrekking had gestaan; generaal Menou was benoemd tot commandant der gewapende macht te Parijs, terwijl het beheer over de legerzaken o.a. aan een oud-girondijn, den kapitein der artillerie Aubry was opgedragen; bovendien waren de invloedrijke kennissen van Bonaparte als Saliceti, Barras, Ricord en Fréron òf verbannen òf onder toezicht gesteld. Weldra zou hij nogmaals ondervinden hoe gevaarlijk zijn vroegere vertrouwelijkheid met de Jacobijnsche partijhoofden was geweest; reeds enkele dagen later ontving hij bericht, dat hij bij het leger in de Vendée was ingedeeld, niet als generaal der artillerie, doch als commandant eener brigade infanterie.

Wat was dat! Hij de volbloed-artillerist, met zijn vooroordeel tegen de officieren van andere wapens, geplaatst bij de infanterie, gedegradeerd dus! Dit was te veel! Hij liep naar Aubry, vorderde zijn vroeger commando terug, doch ontving een weigerend antwoord. "Hij was nog veel te jong voor zulk een positie," zei Aubry, jaloersch op het succes van zijn wapenbroeder. "Op het slagveld gaat die jeugd snel voorbij en van het slagveld kom ik, gaf Bonaparte den ander, die nog nooit kruitdamp had geroken, ten antwoord; zijn protest hielp hem niet, het besluit bleef gehandhaafd. Om den schijn te redden zond Bonaparte zijn paarden en bagage vooruit naar Nantes, maar meldde zich tevens ziek en bleef te Parijs. Ziek was hij werkelijk in den zomer van 1795, zielsziek, al was daarvan in zijn brieven aan Jozef "zijn eenigen vriend," zooals hij hem toen steeds betitelde, niet zooveel te bespeuren. Met een ouden, diep in de oogen gedrukten hoed op, gedoken in de later zoo vermaard geworden grijze jas, met scheef geloopen vuile laarzen aan, met bloote slecht verzorgde handen en het lange haar in twee tressen oreilles de chien langs de ooren afhangende, een echt beeld van armoede en verwaarloozing, sloop hij langs de straten.

Zijn moedeloosheid vooral betreffende zijn toekomst als officier bleek duidelijk uit een brief aan Jozef, aan wien hij schreef: "Aan het leven hecht ik zeer weinig; zonder bezorgdheid sla ik het gade; ik verkeer voortdurend in den zielstoestand van den soldaat aan den vooravond van een veldslag. Innig overtuigd, dat wanneer de dood om ons heen waart om aan alles eensklaps een einde te maken, bekommerd zijn een dwaasheid is, doet alles mij het noodlot trotseeren. Houdt die toestand aan, dan zal het slot wezen, dat ik voor een naderend rijtuig niet eens meer uit den weg ga."

Een enkele maal vertoonde hij zich bij de familie Permon en bij zijn ouden schoolmakker de Bourrienne, maar in zijn droefgeestigen toestand bracht zulk een bezoek geen verbetering. In die dagen rees weder de gedachte bij hem op, om dienst te gaan nemen in Turkije bij de artillerie van den Grooten Heer, die zijn leger wilde organiseeren en om officieren had verzocht; dan zou hij niet bij de toen nog zoo geminachte infanterie [7] behoeven te dienen, want hij zou er als generaal van de artillerie heengaan en wilde Jozef tevens meenemen, die, geschrapt van de lijst voor oorlogscommissaris, naar Marseille en daarop met vrouw en schoonzuster naar Genua was gegaan.

Ook liep hij met huwelijksplannen rond; als hij eens in het huwelijk trad met Désirée Clary, de schoonzuster van Jozef, "dien gelukkigen schelm," zooals hij zijn broer had genoemd, toen hij van diens verbintenis met Julie had vernomen.

Jozef en Julie hadden zulk een huwelijk niet ongaarne gezien, doch, hoewel Désirée Napoleon wel genegen was, schreef zij hem naar zijn zin te weinig en langzamerhand verflauwden zijn attenties voor haar.

Niettegenstaande deze voor Napoleon zoo treurigen toestand verloor hij zijn familie niet uit het oog en bleef niet minder werkzaam voor hen, wanneer dit noodig was. Lucien had niet alleen zijn baantje weder verloren, maar was door zijn vijanden uit wraakzucht, voor 't geen hij indertijd te Saint-Maximin had uitgericht, te Aix gevangen gezet en liep als zooveel anderen, dus groot gevaar voor zijn leven.

Nauwelijks had Bonaparte hiervan bericht ontvangen, of hij rustte niet voordat hij van het Comité van algemeene veiligheid een bevel tot zijn invrijheidstelling had gekregen; hij zond hem zelfs geld, zocht een baantje voor hem en liet hem ten slotte bij zich te Parijs komen. Ook voor Jozef was hij werkzaam, en toen de kans op oorlogscommissaris was verkeken, poogde Napoleon voor hem een consulaat te krijgen in een der havens van Italië, maar broerlief was bijster kieskeurig. Van zulk een post op Chio b. v. was hij niet gediend. Consul op een eiland! Wat was dat nu voor hem, zoo'n knap, zoo'n groot man, die op Corsica reeds zooveel hooge betrekkingen had bekleed. Iets beters moest Napoleon voor hem, het hoofd van het geslacht, dus zien machtig te worden en nogmaals toog Bonaparte aan den arbeid.

Voor Louis, zijn troetelkind had hij op de militaire school inmiddels een plaats gekregen en met schier vaderlijken trots volgde hij zijn vorderingen en geraakte over, "dien besten, braven, vlijtigen, goedhartigen" jongen in zijn brieven niet uitgepraat.

Dan was Jérôme er nog. Die knaap was nu bijna elf jaar en had door den loop der omstandigheden maar zeer weinig onderwijs genoten, doch hij verlangde naar Parijs! Broer "Napolione" moest daar een kostschool voor hem zoeken, maar voorloopig kon hiervan echter niets komen, want de kostscholen waren gesloten. Aldus aanhoudend vervuld met de zorg voor zijn familie, doolde de zwaarmoedige jonge man in die zomerdagen door Parijs, tot Aubry half Augustus werd vervangen door Doulcet de Pontécoulant.

Door het lid der Conventie Boissy d' Anglas op Bonaparte gewezen als op "een generaal die van het leger van Italië kwam en blijkbaar met kennis van zaken daarover sprak," verzocht Pontécoulant "dien jonkman met zijn doodsbleek, vervallen gelaat, gebogen rug en ziekelijk uiterlijk" bij hem te komen op het bureau van Oorlog en plaatste hem bij de afdeeling, belast met het ontwerpen der veldtochtsplannen en met het toezicht op de operaties te land en ter zee. Deze gelegenheid om weder aan het werk te komen, greep Bonaparte gretig aan; in de volgende weken ontwierp hij het plan van aanval op de Oostenrijkers, dat hij weinige maanden later geroepen zou worden zelf uit te voeren en waardoor zijn naam in een goudglans zou schitteren voor de oogen van gansch Europa, tevens verzocht hij de Pontécoulant hem weder te plaatsen in het actieve leger bij de artillerie.

De officieren aan de bureaux van oorlog, jaloersch op hun jongen krijgsmakker, die het reeds zoover had gebracht, staken echter een spaak in 't wiel. Letourneur, de Pontécoulants opvolger, te voren chef van het personeel bij oorlog, 45 jaar oud en eerst kapitein, was Bonaparte, die een domoor en betweter zoo vinnig en ongezouten op zijn plaats kon zetten, volstrekt niet genegen en weigerde aan zijn verzoek te voldoen. Daarop nam Bonaparte zijn ontslag van het bureau en begon nogmaals werk te maken van een detacheering bij het leger van den Sultan. Ook het Comité de Salut Public had daar wel ooren naar; daarin zaten mannen, die zijn verdiensten erkenden o. a. Jean Debry. "Eerst behoort het Comité dien opperofficier te beloonen voor de door hem bewezen diensten en hem dus te bevorderen; dan kan er later beslist worden als hij bij zijn verzoek mocht blijven," zei hij o. a. bij de beraadslaging over dit punt. [8]

Gesteund door Barras en Fréron begonnen Bonaparte's kansen dus zeer mooi te staan. Het geld voor de expeditie was reeds gevonden. Zelf schreef hij aan Jozef "dat het besluit reeds zou zijn geteekend en de datum van het vertrek vastgesteld als er te Parijs bij de partij der reactie niet zooveel gisting heerschte." Binnen enkele dagen zou echter alles wel zijn afgeloopen schreef hij verder. Dat die partij de zege zou wegdragen duchtte hij niet. "De genius der vrijheid verlaat haar verdedigers niet," schreef hij.

Onbezorgd begon hij de toekomst weder in te zien; zijn gansche wijsbegeerte, waaruit het fatalisme blijkt, dat hij zich toen tot levensleer en levensregel had gekozen was vervat in zijn: "In 't verschiet zie ik alleen liefelijke beelden; zelfs al ware zulks het geval niet, is het toch zaak te leven bij den dag. Een man van moed rekent niet met de toekomst."

Tien dagen later, op 5 October 1795, 13 Vendémiaire zou in die toekomst, in zijn gansche bestaan, zijn denken en zijn handelen een volslagen omkeer worden gebracht.

HOOFDSTUK IV.

13 Vendémiaire. Joséphine.

Nadat de constitutie van het jaar III met een Directoire van vijf leden als uitvoerende macht den 22en Augustus 1795 was aangenomen, moesten de leden van het wetgevend lichaam worden gekozen. Reeds vleiden zich de royalisten en de emigrés, die in de laatste maanden bij duizenden in het land teruggekeerd of uit hun schuilhoeken te voorschijn gekomen waren, dat zij bij die verkiezingen verreweg de meerderheid zouden hebben, waardoor hun kansen bij een tegenomwenteling dus aanmerkelijk moesten vermeerderen, toen een decreet der Conventie besliste, dat de Raad van Vijfhonderd voor twee derden zou bestaan uit haar vroegere leden. Waren dit dezelfde mannen, die den 10en Augustus 1792 tot den val van het koningschap hun steun hadden verleend en later over Lodewijk XVI het doodvonnis hadden uitgesproken? Zeker het waren deze volbloed republikeinen, maar tevens de mannen, die drie jaar lang tegenover gansch Europa pal hadden gestaan en door bijna ongeloofelijke bewijzen van volharding en energie Frankrijk van de vreemde overheersching hadden gered.

De royalisten, de emigrés en de rijke burgerij te Parijs zagen in dit decreet een terugkeer naar den tijd van la Terreur en de heerschappij der guillotine. In de meeste verkiezingssectiën te Parijs werd het dus verworpen, in de departementen echter met overgroote meerderheid aangenomen. Niettemin besloten de royalisten, van ouds wetende, dat hetgeen in de hoofdstad geschiedde, in de departementen meestal navolging vond, een poging te doen om weder op het kussen te komen. Te Parijs lag slechts een bezetting van enkele duizenden soldaten, zij hadden de sectiën en wel 40.000 aanhangers achter zich; de kansen stonden dus mooi. In de sectiën Lepelletier, Luxembourg, le Temple enz., waar de rijken de meerderheid vormden, werd den 12en Vendémiaire (4 October) openlijk verzet tegen de Conventie afgekondigd; wapens werden rondgedeeld en onder de burgerij het gerucht verspreid, dat de regeering terug wilde naar de dagen van het schrikbewind.

In dezen uitersten nood was voor de Conventie krachtig ingrijpen een eerste vereischte; generaal Menou, commandant van de troepenmacht in Parijs, die de opstand niet vermocht te dempen, ja het verzet der royalisten door zijn slap optreden nog had versterkt, werd gevangen genomen; Barras kwam in zijn plaats, maar als leider van soldaten volkomen ongeschikt, nam hij o.a. op raad van Carnot, Bonaparte als tweede bevelhebber. "De degen eenmaal getrokken, zou niet meer worden opgestoken voor de orde was hersteld," had Napoleon aan Barras gezegd, toen hij het commando aannam. En hij hield woord.

Toen in den laten namiddag van den 13en Vendémiaire de opstandelingen van verschillende zijden oprukten, werden ze zoo krachtig door de troepen van de Conventie ontvangen, dat het verzet werd gebroken; aan het beleid van Bonaparte dankte de Conventie haar behoud, want hij, niet Barras, was de ziel der verdediging geweest.

De Conventie toonde zich niet ondankbaar, tien dagen later benoemde ze hem tot divisiegeneraal bij de artillerie, nog tien dagen later tot opperbevelhebber van het leger in het binnenland. Barras was lid geworden van het Directoire.

Uit was het ineens met de plannen om naar Turkije te gaan. In drie weken tijd had Bonaparte een standpunt bereikt, zoo hoog, dat de invloed der bureaux van Oorlog hem niet meer kon schaden; weder "kon hij dienen en nuttig zijn." Een zee van werk wachtte hem, want alleen de reorganisatie der nationale garde--honderd en vier bataljons--was een reuzentaak; hier tegen zag hij niet op. De legermacht te Parijs bracht hij samen in één kamp. De oud-militairen, die hem den 13en Vendémiaire vrijwillig hun hulp hadden aangeboden vereenigde hij tot een korps; voor het Directoire en de beide Raden schiep hij een lijfwacht en bracht aldus binnen enkele maanden in en om de hoofdstad een macht bijeen, groot genoeg om het gepeupel in bedwang te houden, dat honger leed, de waarde van het papieren geld met den dag zag verminderen en dus weinig aanmoediging noodig had om tot oproer over te slaan. Die militaire macht diende tevens om de Jacobijnen ontzag in te boezemen, die zich hadden vereenigd onder den naam van de Club van 't Panthéon en opnieuw den kop begonnen op te steken.

Ook op zijn moreele leven deed deze reusachtige omkeer in zijn lot terstond zijn invloed gevoelen. Hij leefde letterlijk geheel op; het armoedige vertrekje in een klein logement, dat hem zoolang tot woning had gediend, verwisselde hij met een ruim hotel op den boulevard, hij schafte zich paard en rijtuig aan, huurde een loge in de comedie en liet zich een nieuwe uniform maken, stellig geen weelde, want de tegenwoordige was tot op den draad versleten. Tevens begon hij voor zijn moeder te zorgen, zond haar eenige duizenden baar geld en assignaten en herhaalde die zendingen geregeld iedere maand. "Mama is van alles overvloedig voorzien; ik heb haar zestig duizend francs doen toekomen" kon hij in Januari 1796 aan Jozef melden. Ondanks al zijn werk bleef hij ook voortdurend vervuld met het lot en de belangen van zijn broers. Louis heeft hij terstond een luitenantsbrevet doen geven en hem opgenomen in zijn staf. Lucien, die armoede geleden en gevangen gezeten had, bezorgde hij een betrekking als Commissaris van Oorlog bij het leger van het Noorden.

Veel eer legde hij hiermee echter niet in, want Lucien vond het leven te Parijs, waar hij nu op kosten van broer Napoleon mocht rondscharrelen, zoo heerlijk, dat hij eerst in Februari 1796 afreisde naar Gorinchem. Reeds in die dagen bleek, dat de man voor geregelden, gezetten arbeid alle lust en geschiktheid ontbrak; op de tribune disputeeren met de Jacobijnen en royalisten ging hem beter af, maar tucht en plichtsgevoel waren hem onbekend.

Eindelijk werd de toekomst van Jozef, zijn boezemvriend, den broeder "wiens afwezigheid hij dagelijks sterker gevoelde" een voorwerp van zijn zorg. Jozef verveelde zich te Genua en wilde consul worden; ook wilde hij deelnemen aan de uitrusting van twee kaperschepen. "Kom naar Parijs; hier staan tafel en bed, paard en rijtuig tot je beschikking. Ik mis je bijzijn in zoo hoog mate" schreef Napoleon hem. Ook Jérôme vergat hij niet, maar plaatste hem te Parijs voor zijn rekening op een kostschool. Naar waarheid mocht hij dus aan Jozef schrijven, dat hij niet meer kon doen, dan hij voor allen deed, want na zijn naaste familie kwamen de neefjes en verdere bloedverwanten als oom Fesch, Ramolino en anderen aan de beurt.

Of de op deze wijze door hem bevoordeelden hem erkentelijk waren? Wel neen! Volgens de Corsicaansche begrippen deed hij hiermede slechts zijn plicht tegenover den clan. Het geluk had hem gediend; nu had hij ook te zorgen, dat zijn gansche geslacht hierin deelde. Of de leden hiervan eenige geschiktheid bezaten voor de betrekkingen, waartoe ze door dit begrip van nepotisme werden geroepen, werd niet gevraagd. Had Bonaparte, keizer geworden, aan het verlangen van den clan en in de eerste plaats van zijn moeder voldaan, dan had hij niet alleen Corsica maar gansch Frankrijk aan zijn bloedverwanten ten prooi gegeven om het naar hartelust te exploiteeren en voor eigen voordeel te gebruiken, doch aan dezen drang heeft hij echter niet toegegeven; hij heeft Frankrijk tegen dezen inval behoed en hierdoor alleen reeds den dank der natie verdiend, maar de Corsicanen hebben hem deze tekortkoming tegenover hen nooit vergeven.

Dit vooropgesteld, zal men zich eenig begrip kunnen vormen van de toornige verbazing in den ganschen clan, toen de tijding kwam, dat Napoleon den 9en Maart 1796, zonder eenig lid der familie hierin te kennen, was gehuwd met een dame uit de Parijsche groote wereld, met de weduwe van den in 1794 onthoofden burggraaf de Beauharnais, een vrouw, die reeds twee groote kinderen had, die, al werd het tegendeel beweerd, geen fortuin bezat en op wier zedelijk gedrag heel wat viel af te dingen. Moeder Laetitia was verontwaardigd, dat haar toestemming niet was gevraagd; de zusters werden terstond in hooge mate afgunstig op een schoonzuster, die burggravin was, die heel andere manieren had dan zij en die haar met haar mooie, rijke toiletten stellig zou overschaduwen; en de broers, doch vooral Lucien, die haar te Parijs een paar maal had gezien en haar een "oude vrouw" noemde, begonnen terstond tegenover haar voet te geven aan een vijandige gezindheid, welke haar oorsprong vond in minachting en jaloezie, die slechts zelden uitkwam door een daad, doch die Joséphine niettemin bijna tot aan haar dood heeft vervolgd. Door het huwelijk met hun broer, had zij hen volgens Corsicaansche begrippen, in hun rechten op diens fortuin te kort gedaan; dit kon haar niet worden vergeven.

Hoe Bonaparte tot zulk een vrijwel onberaden echtverbintenis was gekomen?

Als zooveel andere mannen van zijn leeftijd had hij vroeger reeds trouwplannen gekoesterd; we zagen, hoe hij Désirée Clary het hof had gemaakt, maar tot een huwelijk was het niet gekomen. Zijn verblijf te Parijs na Mei 1795 had in zijn denken en doen een geduchte verandering gebracht. Een brief van 7 Juli van dat jaar aan Jozef, voor wien hij geen geheimen had, getuigt van den diepen indruk door die oplevende, genotzoekende groote stad teweeggebracht op hem, den grasgroenen provinciaal, die tot nog toe meer bij een bivakvuur dan naast een salonhaard gezeten had en armoedig en gestreng republikeinsch was opgevoed.

"Weelde, genotzucht en kunst herleven verbazend snel," schreef hij. "Een Louis d'or geldt hier 750 francs in papier. Gisteren werd Phèdre opgevoerd ten bate eener voormalige actrice; driedubbele prijzen werden gevraagd, toch was de zaal stampvol. Equipages, mooie toiletten bij de vleet, alsof ze nooit waren weg geweest. Al wat afleiding en genot kan verschaffen is hier bijeen. In de comedie, op de wandelingen, in de bibliotheken, overal ziet men vrouwen. Dit is de eenige plaats ter wereld, waar deze verdienen het roer in handen te hebben. De mannen zijn dan ook op haar verzot, denken alleen aan haar, leven alleen voor en door haar. Zes maanden hier en een vrouw weet precies wat men haar verschuldigd, hoe groot haar macht is."

In September had hij de kleine, bescheiden Désirée nog niet vergeten en verzocht hij Jozef zelfs, hem een beslissend antwoord te zenden op zijn vraag of zij hem genegen was. Dit antwoord liet zich wachten. De 13en Vendémiaire bracht den halfvergeten veroveraar van Toulon met één ruk op den voorgrond. Al de salons stonden eensklaps wagenwijd voor hem open en bij de beeldschoone mevrouw Tallien, de zeer intieme vriendin van Barras, maakte hij voor de eerste maal wat nader kennis met Joséphine de Beauharnais. Tot nu toe had hij haar slechts uit de verte gezien. Verblindend, overweldigend was de indruk, door haar, de dame uit de groote wereld, op zijn hart en zijn zinnen gemaakt en het duurde niet lang of hij verzocht haar een bezoek te mogen brengen. De omvang zijner dagelijksche bezigheden schijnt hem echter belet te hebben die bezoeken dikwijls te herhalen, want den 28en October schreef zij hem:

"Gij komt niet meer bij een vriendin, die u zeer genegen is; hebt gij haar vergeten? Dit is niet lief van u, want zij bemint u.--Kom morgen bij mij dejeuneeren; ik moet eens met u praten over uw belangen. Bonsoir mijn vriend. Ik omhels u.

Weduwe Beauharnais."

Bonaparte kwam; weldra bestond tusschen beiden een intieme verhouding, in die dagen volstrekt niets vreemds in die kringen. Joséphine had toen reeds een veel bewogen leven achter zich. Geboren op Martinique, creoolsche van afkomst, was mejuffrouw Tascher de la Pagerie op zestienjarigen leeftijd gehuwd met de Beauharnais.

In 1779 had deze haar meegenomen naar Parijs, haar bedrogen en verlaten, al bestond daarvoor geen enkele reden en zich eerst in de dagen der revolutie met haar verzoend. Aan het hof was zij nooit toegelaten. Een korte poos, toen de generaal voorzitter was van de Constituante en daarna opperbevelhebber van het Rijnleger, was zij te Parijs gelukkig geweest, had ze een salon gehad en gasten ontvangen.