Napoleon

Chapter 6

Chapter 63,709 wordsPublic domain

Door de levée en masse riep het Comité het gansche volk onder de wapenen tegenover den buitenlandschen vijand; alle mannen tusschen 18 en 40 jaar werden opgeroepen en voor het einde van het jaar beschikte men reeds over een leger van 650.000 man; Carnot, lid van het Comité leidde de operaties. Het gebrek aan geoefendheid moest vergoed worden door het aantal en de geestdrift der troepen, terwijl steeds aanvallend moest worden opgetreden; een hevig kanonvuur en dan onder het zingen van de Marseillaise, of het "Ça ira" er met de bajonet op in. Commissarissen bij het leger zorgden voor strenge tucht, zonden generaals, die nederlagen leden, op naar Parijs, waar ze werden geguillotineerd (de Beauharnais en Custine o. a.) Er moest overwonnen worden en er werd overwonnen, al was het ten koste van vele slachtoffers.

Einde 1793 was Frankrijk bijna geheel van vijanden gezuiverd. Voor een inval behoefde de Republiek niet meer te vreezen.

Tegenover den vijand in het binnenland trad de beruchte wet der suspects met volle kracht in werking. De gevangenissen vulden zich met leden uit de gegoede burgerij en den handelsstand; alle vreemdelingen, alle aanhangers van een constitutioneel koningschap, of van een gematigde republiek, werden--voorloopig heette het--in hechtenis genomen.

Over het geheele land werden afgevaardigden van het Centrale Comité verspreid met uitgebreide macht. Over de steden in opstand werd de banvloek uitgesproken, te Lyon de bevolking door de afgevaardigden Collot d'Herbois en Couthon voor een gedeelte over de kling gejaagd; te Toulon gebeurde ongeveer hetzelfde onder Fréron en Barras, "den roofvogel der revolutie;" in Nantes maakte zich Carrier berucht.

In Parijs stond op de Place de la Concorde de guillotine bijna niet stil. Den 16en October viel het hoofd van Maria Antoinette, nadat haar reeds geruimen tijd te voren haar kinderen waren ontnomen en na een verhoor, dat in bijzonderheden afschuwwekkend is. Den 31en d. a. v. zag men een en twintig der in Juni gevangen genomen Girondijnen, onder het zingen der Marseillaise, het schavot beklimmen; den 6en December deelde hetzelfde lot de hertog van Orleans, een beginselloos man, veracht door de koningin, door den koning verdacht te streven naar het oppergezag, door het volk niet vertrouwd, al had hij ook zijn naam verwisseld voor dien van Philippe Egalité.

In de jaartelling en in den godsdienst werd nu ook een volslagen omkeer gebracht.

De gregoriaansche tijdrekening werd door de republikeinsche vervangen; deze dagteekende van het jaar I der vrijheid. Het jaar begon dus op 22 September 1792 toen het koningschap was gevallen; iedere maand telde nu dertig dagen verdeeld in drie decades; den laatsten van iedere decade was 't rustdag. De maanden werden genoemd naar het jaargetijde, waarin zij vielen, zooals October nu Vendémiaire heette, daarop volgde Brumaire, Frimaire enz. De vijf of zes overschietende dagen, jours complémentaires genoemd, dienden voor feestelijkheden, gewijd aan het genie, den arbeid, de schoone daden, de belooning, de meening en de omwenteling.

Een nieuwe godsdienst, die der Rede, werd afgekondigd en de hoofdkerk de Nôtre Dame, op voorstel van Chaumette, lid der Commune herdoopt in een republikeinsch gebouw, den Tempel der Rede. Ook buiten Parijs volgde men dit voorbeeld, werden kerken "onchristelijkt" en feesten gegeven, waarbij jonge vrouwen als godinnen der rede fungeerden. Welk een toestand!

Intusschen bleef de valbijl haar werk verrichten; den 11en November viel het hoofd van den edelen Bailly; den 15en ontving de Conventie van Fouché en Collot d'Herbois uit Lyon een brief, waarin zij pochten op de door hen gehouden strafoefeningen en een uit Rouen, meldende, dat de oud-minister Roland zelfmoord had gepleegd. Enkele dagen tevoren was diens jonge vrouw te Parijs onthoofd, welk lot weldra ook prinses Elisabeth, zuster des konings, onderging.

Al die onschuldig gevallen hoofden, die gruwelijke dwingelandij waren ten slotte oorzaak, dat in den boezem der Conventie en zelfs onder de leiders ontevredenheid ontstond. Had Robespierre zich al verzet tegen de anarchistische neigingen van Hébert, die vooral in zijn blad "Le Père Duchesne" door Camille Desmoulins "een der riolen van Parijs" genoemd, hun uiting vonden, hij werd hierin gesteund door Danton en Camille Desmoulins, die steeds op meer gematigdheid aandrongen en aan het schrikbewind een einde wilden zien. Van dit laatste was Robespierre volstrekt niet gediend en nadat eerst Hébert ten val was gebracht, boetten weldra Danton en Camille Desmoulins onder de valbijl voor hun "onzuivere beginselen als republikein en hun gematigdheid."

Thans stond Robespierre alleen, gesteund door zijn trawanten als St. Just en Couthon. Doodsangst heerschte alom. Niemand zag uitkomst.

Toch was deze niet meer zoover af.

Robespierre had den eeredienst vervangen door dien van het Hoogste Wezen; in Juni (20en Prairial) zou deze in geheel Frankrijk worden ingewijd. Plechtige feesten moesten hiermede gepaard gaan en de volksmenner had zich door de Conventie doen aanwijzen om daarbij als hoogepriester op te treden. Op weg naar het feestterrein stapte de dictator met een glans van trots en bevredigde ijdelheid op zijn gezicht een pas of vijftien voor zijn medeleden uit. Dit wekte reeds den toorn op. Het woord "Tiran!" moest hij hooren.--"Tiran, er zijn nog Brutussen!" beet Bourdon hem toe. Hij zon op wraak.--Een paar dagen later diende hij in de Conventie een wet in, waarbij de Revolutionnaire Rechtbank het recht verkreeg alleen op overtuiging van de schuld vonnis te vellen, terwijl tegenover samenzweerders de wet geen verdedigers toeliet. Wel kwam men tegen deze schandelijke wet in verzet, doch het baatte niet; ze werd aangenomen.

Foucquier Tinville greep deze nieuwe wet terstond aan als een middel om in de propvolle gevangenissen ruimte te krijgen. Van verhoor was bijna geen sprake; als het begon, stonden de schavotkarretjes buiten reeds te wachten op hun vracht, la fournee.

"Hier heb je de winners in de loterij van Sinte Guillotine!" schreeuwden de kleine nieuwsventers onder de vensters der gevangenen. Het Avondblad noemden de bewaarders de lijst der gevangenen, die den volgenden dag zouden worden voorgebracht.

Het aantal doodvonnissen nam op schrikbarende wijze toe, bedroeg in twee maanden meer dan anders in een jaar. Veilig voelde zich niemand meer.

Het voortbestaan van het schrikbewind werd door velen overbodig geacht; niet alleen was er geen vijand meer op de grenzen, maar Jourdan had bij Fleurus in de Zuidelijke Nederlanden overwonnen; de opgestane steden waren ten onder gebracht, het vaderland dus niet meer in gevaar. Waarvoor dan dat bloedige werk van de Revolutionnaire Rechtbank?

De ellende duurde voort alleen ten genoegen van den machtigen dictator en zijn aanhang; tot die overtuiging kwam men algemeen, toch duurde het lang voor de moed er was hem aan te vallen en neer te werpen.

In het comité van algemeene veiligheid beraamde men het plan tot zijn val; Billaud-Varennes en Collot d' Herbois, leden van het Comité de Salut Public namen er aan deel. Den 7en Thermidor (25 Juli) werd in de Nationale Conventie een lang rapport voorgelezen, waarin men te velde trok tegen hen, die in weerwil van de overwinningen, nieuwe plannen tot vervolging beraamden. Het was de eerste openlijke pijl op Robespierre gericht. Deze verscheen den volgenden dag in de Conventie, verdedigde de genomen maatregelen, beschuldigde zijn tegenpartij, maar 't succes was niet groot. In zijn club, waar hij 's avonds zijn redevoering herhaalde, werd hij enthousiast toegejuicht, Billaud-Varennes en Collot d' Herbois werden echter uitgejouwd en zelfs buiten de vergadering gezet.

Den 9en Thermidor was de beslissende dag. Als Robespierre de zaal der Conventie binnentreedt en St.-Just het woord neemt om zijn verdachtmakingen tegen zijn tegenpartij te beginnen, wordt hij dadelijk in de rede gevallen. Billaud-Varennes neemt het woord, waarschuwt de Conventie voor het dreigende gevaar, klaagt Robespierre aan, noemt zijn medeplichtigen in de Commune en brandmerkt zijn gedrag en zijn streven naar het oppergezag met bittere vlijmende taal.

Als hij zwijgt zijn alle oogen op Robespierre gericht. Deze vliegt naar de tribune, maar een dreunend: "Weg met de tiran!" weerklinkt. Aan het woord laat men hem niet komen. "Het bloed van Danton verstikt je" bijt men hem toe. Met algemeene stemmen wordt tot gevangenneming van hem, Couthon en St.-Just besloten. Onder gejuich voeren de gendarmes hen weg.

Thans werpt de commune het masker af. De gevangenen worden bevrijd en naar het stadhuis gevoerd, terwijl Henriot het grauw opruit en zelfs kanonnen tegen de Tuilerieën in batterij doet komen, maar de kanonniers weigeren vuur te geven.

De Conventie stelt Henriot, Robespierre en de commune buiten de wet, benoemt Barras tot commandant der nationale garde ter verdediging van het gouvernement. Het verzet is gebroken en den 10en Thermidor worden Robespierre, Couthon, St.-Just en een twintigtal aanhangers geguillotineerd, eenige dagen later door een zeventigtal leden der commune en twaalf van de de Revolutionnaire Rechtbank gevolgd.

Frankrijk herademde, nu het zich bevrijd voelde van den man, die vriend en vijand had opgeofferd om zich tot dictator te doen verheffen; men verpersoonlijkte in hem al het buitensporige van het schrikbewind en geloofde de Republiek gered, tot rust gebracht door zijn val.

Al was dit overdreven, toch kregen de gematigden onder de Thermidoristen de leiding in handen. Zij beperkten de groote macht van het Comité de Salut Public, schaften de beruchte wet van Juni 1794 omtrent het vonnissen af; de commune moest haar gezag aan de conventie afstaan; de club der Jacobijnen met haar 800 afdeelingen in de departementen werd gesloten.

Carrier, Fouquier Tinville lieten het leven onder de valbijl, anderen werden naar Cayenne verbannen. Een laatste poging in Mei 1795 om het door honger gekwelde gepeupel in oproer te brengen, werd met kracht onderdrukt.

De voorstad Saint-Anthoine, de bakermat van zooveel ongerechtigheden, werd toen tevens ontwapend.

Inmiddels hadden de legers der Republiek schitterende bewijzen gegeven van hetgeen zij onder vaderlandsliefde verstonden. Slecht gekleed en gevoed, vaak slecht bewapend, hadden ze in de Vendée onder Westerman en Kléber den opstand in 't begin van 1794 zoo goed als geheel onderdrukt, Pichegru had na Jourdans overwinning bij Fleurus de Engelschen naar Holland gedreven en den 20en Januari zelfs Amsterdam bezet. Ook in 't zuiden aan de Pyreneën en in Italië hadden die jonge, maar energieke krijgers zich tegenover de Spanjaarden en Piëmonteezen ais helden gedragen.

Met Pruisen en met Spanje werd eindelijk vrede gesloten (5 April en 22 Juli 1795). Ten slotte schafte de Conventie de democratische grondwet van 1793 af--tot uitvoering was zij nog niet gekomen--en droeg het uitvoerend bewind op aan een Directoire van vijf leden, de wetgevende macht aan twee raden, dien der Vijfhonderd, welke de wetten zou voordragen en dien der Ouden, welke ze moest onderzoeken en er over beslissen. Ter voorkoming van een royalistische meerderheid had de Conventie bepaald, dat twee derden van haar leden in de nieuwe vertegenwoordiging zou overgaan. De in groote getale teruggekeerde royalisten zagen hierdoor hun macht gefnuikt en begonnen een opstand in de straten van Parijs.

Het was op den voor Bonaparte zoo gedenkwaardigen 13en Vendémiaire.

HOOFDSTUK III.

Bij Toulon en te Parijs.

Door zijn onbesuisden streek te Toulon wel geducht gecompromitteerd, doch niet ontmoedigd, richtte Lucien tal van adressen rechtstreeks aan de Conventie en kreeg daardoor eindelijk een baantje van twaalf honderd francs als magazijnbewaarder te Saint-Maximin; hij begon hier de bevolking terstond recht te zetten en werd er door de volksvergadering tot president van het revolutionnaire comité gekozen in welke hoedanigheid hij een twintigtal eerwaardige burgers zonder proces liet gevangen zetten. Ook nam hij den naam aan van Brutus en herdoopte, door Barras hierin geholpen, Saint-Maximin in Marathon, terwijl hij in Mei 1794 op al dit ultra-republikeinsche gedoe de kroon zette door een huwelijk met Catharine Boyer, de zuster van den herbergier, bij wien hij inwoonde, een meisje twee jaar ouder dan hij, dat lezen kon noch schrijven, doch dat haar negentienjarigen man met haar fluweelzachte zwarte oogen en haar ongemeen schrander kopje tot aan haar dood heeft weten te boeien.

Niemand van de familie was bij het huwelijk van Brutus Bonaparte tegenwoordig en vanaf dit oogenblik zien we Lucien meer op zich zelf staan.

Louis had Paul en Virginie van Bernardin de Saint Pierre inmiddels onder handen genomen en dezen beroemden natuurkundige daarop stoutweg de vraag gesteld, wat er in dit boek waarheid, wat verdichtsel was. Wat driestheid aangaat waren de broeders dus aan elkaar gewaagd.

Jozef liep het geluk mee. Aanvankelijk aangewezen om in het gevolg van Saliceti mee te werken bij een krijgstocht tegen Corsica, die van Toulon zou scheep gaan, doch door een opstand in deze stad hierin verhinderd, was Jozef in de eerste dagen van September door de representanten der Conventie dus door Saliceti benoemd tot commissaris van Oorlog 1e klasse op een tractement van zesduizend francs benevens rations, vrij logies en bureaukosten.

Toen Laetitia in September besloot met haar jongste kinderen voor alle zekerheid in Marseille, dat in handen der republikeinen was, een veiliger verblijf te zoeken, waren de toestanden voor haar dus reeds aanmerkelijk verbeterd. Haar drie oudste zoons hadden een betrekking en zij zelve werd door de Conventie van het noodige voorzien.

Opnieuw was het Saliceti, de landgenoot en vriend, die op het lot der familie invloed uitoefende. Dommartin, de commandant der artillerie van generaal Carteaux, die van Marseille oprukte tegen het sterke Toulon was bij Ollioules gekwetst en Saliceti wees Napoleon aan als zijn plaatsvervanger. Op Corsica had hij zijn talenten reeds leeren kennen als inspecteur van de artillerie; het vlugschrift Le Souper de Beaucaire had voldoende bewezen, dat Napoleon een republikein was in merg en been en een ander knap artillerieofficier was niet dadelijk bij de hand.

Den 12en September kwam Napoleon voor het door Engelschen, Spanjaarden, Napolitanen en Piëmonteezen verdedigde Toulon. Hier viel nog zoo goed als alles te doen. Terwijl de belegerden de batterijen, welke de binnenreede moesten beschermen en het fort de l' Eguilette, gelegen op een kaap aan den ingang dezer reede, zoo geducht hadden versterkt, dat het geheel Klein-Gibraltar werd geheeten, had Carteaux, een onbekwaam man, letterlijk nog geen schop in den grond laten steken. Toen de representant Gasparin hem vroeg naar zijn aanvalsplan, antwoordde hij: de artilleriecommandant schiet de stad drie dagen lang plat; dan kom ik met drie colonnes en neem haar met storm. Dit plan was echter meer grappig dan uitvoerbaar en gelukkig werd hij weldra vervangen door Generaal Dugommier, die tot opperbevelhebber werd benoemd, terwijl op verzoek van Bonaparte tevens een artilleriechef werd aangewezen n.l. generaal du Teil, waardoor de zeer onwetende officieren van den staf werden gedwongen hun aanmatigenden toon tegenover Napoleon wat te temperen.

Toen du Teil kwam, was het voornaamste werk, dat der voorbereiding reeds verricht en Bonaparte inmiddels op den 29en September voorloopig tot Bataljonschef bij de Artillerie benoemd, in welken rang hij den 19en October werd bevestigd. Thans redelijk gesteund, toog hij met verdubbelde kracht aan het werk; nu reeds bleek hoe het voeren van het bevel hem letterlijk was aangeboren en hoe hij de kunst verstond zijn minderen door woord en daad voor zich in te nemen. Hoewel hij den afgevaardigde Gasparin steeds heeft voorgesteld als de man, die hem zijn loopbaan als artillerist geopend en hem met zijn gezag gesteund heeft, bewees hij toen reeds welk een volbloed soldaat er in hem stak. Steeds in het vuur, slapende bij zijn kanonnen, bij elk gevecht vooraan, paarde hij aan het gezag zijner meerdere kennis de in den krijg alles overweldigende macht van het voorbeeld.

Als op zekeren dag in een onder heftig vuur liggende batterij een artillerist naast zijn stuk wordt doodgeschoten, grijpt hij zelf den aanzetter uit de hand van den doode en helpt den vuurmond bedienen, tot hij wordt afgelost; als de Engelsche generaal O'Hara, gouverneur van Toulon, een uitval beproeft is hij het, die onopgemerkt aan de spits van een bataljon door de loopgraven nadert en die uitval zoo krachtig helpt afweren. O'Hara zelf wordt letterlijk tusschen zijn eigen soldaten gevangen genomen. Den naam van de Batterij der Mannen zonder Vrees geeft hij aan een stelling, die onder zwaar vuur ligt en haar verliezen dagelijks ziet stijgen, maar die nooit artilleristen te kort komt, want daar willen al de artilleristen dienen, omdat hij zelf het vuur leidt. Enkele paarden werden voor Toulon onder zijn lijf doodgeschoten en voor de eerste maal werd hij gewond door een bajonet van een Engelschman.

Hier had Napoleon de gelegenheid de kalmte en onverschrokkenheid van Junot, toen sergeant bij een bataljon van de Côte d'Or op te merken bij het springen van een granaat, waardoor het vel papier, dat Junot voor zich had, met zand werd overdekt, maar hetgeen hem in het minst niet deed opschrikken. Later werd Junot tot luitenant bevorderd en nam Napoleon hem tot zijn adjudant.

Had Dugommier in zijn bulletin van den 1en December onder meer ook Bonaparte genoemd, die hem vooral bij den uitval van O'Hara krachtig had terzijde gestaan, meer lof oogstte hij in van den generaal du Teil, zijn onmiddellijken chef; deze schreef aan den Minister van Oorlog: "Ik kan geen woorden genoeg vinden om U de verdiensten van Bonaparte te schetsen. Evenveel zakenkennis als schranderheid bezit hij, doch hij is te vermetel. Ziedaar een flauw beeld van dezen zeldzamen officier. Aan U, Minister, de taak hem te verbinden aan den dienst der Republiek."

Klein-Gibraltar eindelijk genomen en de verdere verdediging van Toulon zoodoende onmogelijk geworden (18 December) stak de commandant der Engelsche troepen de Fransche oorlogsvloot (ruim 50 vaartuigen) en het arsenaal in brand, ging aan boord van zijn eigen schepen, zeilde weg en liet de bevolking verder aan haar lot over. Toen de stad was genomen, maakte de afgevaardigde Barras kort recht en werden vele verdedigers dood geschoten; zoo wilde het de Conventie, want alle verraders moesten worden uitgeroeid. Wel had de Republiek een zware slag getroffen, daar bijna de geheele vloot in vlammen was opgegaan, maar toch was de vreugde groot, want Toulon verlatende, hadden de Engelschen hun steunpunt in het Zuiden des lands verloren.

Reeds door de vertegenwoordigers voorloopig tot generaal brigadecommandant benoemd, zag Napoleon zich in de eerste dagen van Januari 1794 door het Comité de Salut Public in zijn nieuwen rang bevestigd en werd hij tevens belast met het bevel over de artillerie bij het leger van Italië en met de bewapening van de kust. Twaalf duizend francs tractement met vivres, vrij logies en emolumenten was een schat van belang. Hij zelf dacht niet eens aan dat geld, Laetitia zooveel te meer, doch ook zij bleef ondanks dezen onverwachten voorspoed uiterst zuinig en spoelde b.v. zelve haar waschgoed in de beek voor haar huis nabij Antibes, waarheen haar zoon in 't voorjaar zijn hoofdkwartier verlegde en waar zij hem met de kleintjes gevolgd was.

De zorg voor Louis had hij terstond weder op zich genomen, toen de knaap uit angst voor 't geen hij te Lyon gezien had niet had durven doorreizen naar Châlons-sur-Saône om hier de lessen aan de artillerieschool te volgen; zelfs had hij hem benoemd tot zijn adjudant en hem den luitenantsrang geschonken bij een afdeeling vrijwillige artillerie, waarover hij had te bevelen.

In die dagen maakte hij ook nader kennis met de jongste Robespierre, die met Ricord als vertegenwoordiger der Conventie bij het leger van Italië was geplaatst, Napoleon voor Toulon reeds aan het werk had gezien en thans een door Bonaparte uitgewerkt en door den krijgsraad goedgekeurd veldtochtsplan tegen de Oostenrijkers deed uitvoeren. Het succes was groot, maar Bonaparte zelf had er niet veel eer van; in het rapport dienaangaande kwam zijn naam zelfs niet voor. Was hij op Robespierre's voorstel ingegaan, dan had hij toen in de plaats van Henriot het commando kunnen krijgen over de nationale garde te Parijs, doch het vooruitzicht chef te worden over een bende halfgewapende, slecht gedisciplineerde burgers, trok hem, den volbloed soldaat, niet aan; hij bedankte dus voor de eer, bleef in het Zuiden en keerde tegen den zomer naar Nizza terug.

Jozef had inmiddels weder een bewijs gegeven van zijn "handigheid in zaken" en had te Marseille kennis gemaakt met de oudste dochter van den in Januari 1794 overleden koopman Clary. Mooi was ze niet, die Marie-Julie, jong evenmin, maar vroom en milddadig, in den intiemen kring gevat, geestig en--zeer rijk, want 150.000 francs, haar bruidschat, belegd in nationale goederen, was bij den lagen koers der assignaten in die dagen een groot fortuin. Op haar beurt zag de familie Clary een verbintenis met een heer van adellijke afkomst, met goede manieren en een gunstig uiterlijk niet ongaarne; bovendien was Jozefs broer een generaal, die bij de Conventie hoog stond aangeschreven en dit was vooral in dien tijd een niet gering te schatten voordeel, want vele rijke kooplieden in Marseille waren reeds gevallen, de gevangenissen met "verdachten" overvol en nog dagelijks hadden arrestaties plaats, terwijl de opgelegde boetes vaak tienduizenden francs beliepen.

Moeder Laetitia en haar dochters waren met het nieuwe familielid, dat zoo rijk was en zoo bescheiden zeer ingenomen en den 1en Augustus 1794 werd het huwelijk dus voltrokken en voelde Jozef zich nog meer dan vroeger als oudste het hoofd der familie; wel gaven Louis en Pauline altijd aan Napoleon de voorkeur, maar het was toch steeds Jozef, die ten slotte besliste, terwijl Lucien en Marianne alleen van hem raad aannamen.

Niet zoo geheel ten onrechte vond de familie Bonaparte de generaalsbetrekking van Napoleon in die dagen nog al precair en al stond hij thans in hoog aanzien, de eigenaardige toestand in Frankrijk gaf niet zooveel waarborgen, dat men van zijn hooge functie steeds zeker was.

Zonder dat hiervan in het zuiden toen nog iets bekend was, hadden te Parijs inmiddels groote gebeurtenissen plaats gegrepen, die we vroeger beschreven. Het Schrikbewind was den 9en Termidor gevallen, aan het rijk van Robespierre was een einde gekomen. Nauwelijks was hiervan de tijding doorgedrongen tot de representanten Albitte en Laporte, die zoowel over het Alpenleger als over dat van Italië het toezicht uitoefenden en Bonaparte toch reeds een kwaad hart toedroegen, of deze werd beschuldigd van landverraad en op hun last gevangen genomen. Hij had op intiemen voet verkeerd met de jonge Robespierre en Ricord; door hen was hij belast geworden met een geheime zending naar Genua en hier zou hem door den vijand een millioen francs zijn beloofd, bij elkander genomen, misdaden genoeg om een generaal in die dagen naar het schavot te helpen. Laetitia had gelijk gehad toen zij de positie van Jozef met het fortuin zijner vrouw achter zich, heel wat meer soliede noemde dan die van haar tweeden zoon, al had deze nog zooveel roem en eer behaald. Nu was hij gekerkerd.