Chapter 50
In November ontving hij de eerste couranten. Op welk een meedoogenlooze wijze de royalisten tegen zijn voormalige officieren en ambtenaren met gevangenis, deportatie en dood optraden, kon hij reeds lezen. Van zijn vrouw ontving hij taal noch teeken. Zijn bloedverwanten, verbannen, gevlucht, verplicht zich te verbergen, hadden nog geen gelegenheid gehad hem iets van zich te doen hooren.
Eindelijk was Longwood gereed! Den 10en December kon hij het betrekken. "Zijn haai," zooals hij Cockburn wel eens noemde, had gedaan, wat hij kon en met hout, geteerde zeilen en materiaal van allerlei aard een tamelijk bewoonbaar verblijf van één verdieping gelijkvloers doen samenstellen, waarin tevens voldoende ruimte was voor het gevolg. Zoo vonden de familie de Montholon, generaal Gourgaud, dokter O' Meara en de bedienden daar een verblijf, maar de gansche woning was vochtig, alles beschimmelde binnen een paar dagen en het krioelde er van ratten. Bertrand en zijn vrouw hadden op hun verzoek een woning gekregen aan den rand van het plateau; zij werden dus 's Keizers buren.
Zelfs op Longwood was de ruimte, waarover deze voor zich alleen beschikken kon, nog zeer beperkt. Ze bestond n.l. uit twee kamers van veertien bij twaalf voet en van elf voet hoogte, beide verlicht door twee vensters met uitzicht op het Engelsche kamp. In een hoek stond het kleine veldbed met groen zijden gordijnen, dat hij reeds bij Marengo gebruikte. De achterdeur werd verborgen door een vuurscherm; tusschen dit en den haard stond een oude sofa, waarop hij niettemin een groot deel van den dag doorbracht. Bruin doek bedekte de wanden, een half versleten karpet den vloer. Met dit armoedig meubilair vormde een prachtig waschstel met zilveren kan en kom een zonderling contrast.
Een portret van Maria Louise, twee van zijn zoon en een borstbeeld van dezen, een miniatuurportret van Joséphine, het horloge, dat hij als Eerste Consul in Italië op zak had gehad, aan een ketting van haar zijner tweede vrouw, benevens de wekker van Frederik den Grooten, dien hij uit Potsdam had medegenomen, dienden tot versiering. In het andere vertrek vond men een schrijftafel, een paar boekenplanken en een tweede bed; dit gebruikte hij overdag en ook wel 's nachts, wanneer hij, wat vaak voorkwam, rusteloos en ongedurig was. Zat hij niet in een witte morgenjas en witte pantalon met open hemdkraag en een bontgeruiten doek om het hoofd in zijn slaapkamer op de sofa met een vracht boeken om zich heen, dan vertoonde hij zich meestal in een groenen jachtrok, dien hij liet keeren, toen het stuk oud begon te worden, want Engelsche stof verkoos hij niet te dragen.
Om elf uur ontbeet hij; tegen twee begon hij zich te kleeden; om zeven dineerde hij dan alleen of met het geheele gevolg. Later werd het diner gesteld op twee uur en werd er om tien uur gesoupeerd, een en ander ter wille van mevrouw Montholon of om de doodelijke verveling te verdrijven, die weldra als een worm aan 't zieleleven van allen begon te knagen.
De las Cases en de Montholon hebben in hun gedenkschriften op deze vreeselijke kwelling gedoeld, doch niemand uit 's Keizers omgeving heeft die zoo zwaar gevoeld als Gourgaud. De drie andere heeren waren gehuwd of hadden een lid van hun familie bij zich maar hij was alleen, moederziel alleen evenals zijn Keizer, den man, dien hij bijna aanbad en op wiens genegenheid hij zoo jaloersch was als een minnaar op die van zijn meisje.
Geen vriendelijk beeld geeft deze, toen twee en dertigjarige opperofficier in zijn eerst in 1898 openbaar gemaakte gedenkschriften van zich zelf te aanschouwen. Vaak is hij ruw en bruusk op brutaal worden af. "Snuf!" zegt hij zelfs bij zekere gelegenheid als las Cases bezig is den Keizer te vleien. Dat een der andere heeren, Bertrand niet meegerekend, bij Napoleon op hem den voorrang zal hebben duldt hij niet. Vandaar telkens standjes met de Montholon en met de las Cases.
"Wat ben je eigenlijk voor een heerschap? Voordat je hem je diensten kwaamt aanbieden, kende de Keizer je ternauwernood," duwt hij dezen in een nijdige bui toe, als hij ziet dat de ander, een voormalige refugé, veel meer in Napoleons intimiteit wordt toegelaten dan hij. "Ik ben zijn eerste adjudant, ik heb hem bij Brienne het leven gered. Wat heb jij voor hem gedaan? Op geen enkel slagveld heb ik je ooit gezien. Ik laat me door niemand passeeren."
Ennui! Tristesse! Bijna op elke bladzijde van zijn dagboek, dat loopt tot den 14en Maart 1818, komen deze uitdrukkingen voor.
Zijn stuursheid, zijn wrevelig humeur en zijn jaloezie op de anderen begonnen Napoleon, die van hem hield en hem vaak zijn Gorko, "zijn zoon" noemde, nu en dan geducht te vervelen. Dan kreeg Gourgaud een vermaning om met de anderen in vrede en vriendschap te leven en niet jaloersch te zijn op de las Cases, die toch zooveel ouder was dan hij en ook moest hij wel begrijpen, dat allen daar waren voor hem en voor hem alleen en dat hij liefst vroolijke, opgeruimde gezichten zag.
In 't laatst van 1816 volgde er zelfs een uitbarsting. "Met je komst hier, dacht je in mij een kameraad te vinden; van niemand ben ik dit," duwde Napoleon hem toe. "Op mij krijgt niemand invloed. Jij zoudt hier het middelpunt willen wezen, waaromheen alles zich beweegt. Dit middelpunt ben ik. Sinds wij hier zijn ben jij de oorzaak van al mijn verdriet. Vindt je 't hier zoo ellendig ga dan heen, maar zoek geen standjes met Montholon."
Geducht in zijn wiek geschoten zocht Gourgaud troost bij de familie Bertrand, maar deze troost was bitter schraal.
"De Keizer is nu eenmaal zoo; zijn karakter veranderen kunnen wij niet. Je plicht doen en je verder aan niets storen, is nog het beste," zei de hofmaarschalk. "Juist dat karakter van hem is oorzaak, dat hij geen vrienden telt, dat hij zich zooveel vijanden heeft gemaakt, kortom dat wij ons op St. Helena bevinden. Dat is ook de reden waarom zoo min Drouot als de anderen, die op Elba bij hem waren, wij uitgezonderd, hem hierheen hebben willen volgen."
Niemand moet zich voorstellen, dat er tusschen de overige leden van 's Keizers omgeving een aangename vertrouwelijkheid bestond. Mevrouw Bertrand, een creoolsche met een Engelschen vader, maakte van haar echtgenoot een slaaf en was even veeleischend en grillig als bevallig. Telkens waren er tusschen haar en mevrouw de Montholon kleine oneenigheden. Zoo was 't ook met de heeren. Intrige, naijver en afgunst speelden zelfs aan dat kleine hof een rol en Napoleon met zijn egoisme scheen dat wedijveren om een gunstbewijs van hem veeleer aan te moedigen dan te bestrijden. Hij zelf kon hierbij slechts winnen, meende hij. De verzekering, dat alleen de personen van zijn omgeving zijn erfgenamen zouden zijn heeft tot dezen naijver stellig bijgedragen.
Voor de buitenwereld bleef dit alles intusschen zorgvuldig verborgen. Voor deze was Longwood een hermetisch gesloten kasteel, waar geen vreemd oog kon rondzien, tenzij de Keizer hiertoe verlof gaf; dan was de hofmaarschalk de tusschenpersoon.
Evenals op St. Cloud werd de etiquette daar onverbiddelijk streng gehandhaafd. Voordat de Keizer hiertoe het teeken gaf, waagde het niemand in zijn bijzijn te gaan zitten, al duurde zulk een sessie een paar uur. Ook als balling wilde hij nog Keizer wezen; een armzalige eisch voor zulk een man; maar toch een die door zijn gevolg tot zijn dood is geëerbiedigd. Een jager in het voorvertrek zorgde, dat nooit iemand ongevraagd bij hem binnentrad. Reed hij uit, dan zag men zes paarden voor zijn rijtuig met een stalmeester in volle uniform naast elk portier.
Hoogstens een half uur duurde het diner. Zilveren servies, zijn eigendom, prijkte in overvloed op tafel. De lakeien waren gedost in een rijke livrei van groen met goud. Steeds bleef voor de keizerin naast hem een stoel open. Slechts bij hooge uitzondering, b.v. toen lady Holland met haar man bij hem kwam dineeren, werd die aan een gast afgestaan.
Meestal at hij smakelijk doch snel van de verschillende gerechten. In den beginne las hij na het dessert vaak een stuk voor uit een Fransch treurspel; later ging hij meestal reeds vroeg naar zijn kamer om daar te lezen of te dicteeren, vaak tot diep in den nacht.
Aan veel lichaamsbeweging gewend, en hetgeen hij in het belang van zijn gezondheid wilde onderhouden, reed hij in den beginne bijna dagelijks te paard; Admiraal Cockburn had opzettelijk voor dit doel drie rijpaarden van de Kaap laten komen. Zoodra hij echter bespeurde, dat, wanneer hij een zekeren kring verliet, een Engelsch officier hem te paard begon te volgen, een maatregel door lord Bathurst voorgeschreven, zag hij van die voor hem zoo noodige beweging af, sloot zich geheel op en kwam bijna niet meer buiten.
Halve dagen bracht hij nu door op zijn canapé, gansche uren in een lauw bad. Dit scheen hem verlichting te schenken voor een in 't bijzonder in de laatste jaren zijns levens voortdurend heftiger wordende pijn in de maagstreek.--"O, mijn maag! 't Is alsof ik daar met een mes wordt gestoken," zeide hij meermalen.--Van geneeskundige hulp wilde hij echter niet weten. "Een dokter wist niets van zijn gestel." zeide hij.
Het opgewektst, het gelukkigst gevoelde hij zich, als hij boeken ontving uit Europa; dan sloot hij zich met deze op, dagen, weken lang, en rustte niet voordat hij ze alle doorgelezen en aanteekeningen er uit gemaakt had.
Zoo slopen de dagen, de maanden voor den balling en zijn zwaarmoedig gestemde omgeving langzaam voorbij, bijna zonder eenige afwisseling, terwijl een sluier van doodelijke verveling allen langzamerhand begon te omhullen.
Tot nog toe was aller leven nog dragelijk geweest. Verschillende bepalingen, hem ten opzichte van den Keizer en diens gevolg voorgeschreven, had Cockburn op eigen gezag buiten werking gesteld of was ze niet nagekomen. Doch thans (April 1816) verscheen generaal Sir Hudson Lowe als gouverneur op St. Helena, en met hem tegelijk kwam er een geduchte verandering.
Van stonden aan trad een kleingeestig, kwellend en vóór alles totaal overbodig stelsel van bewaken en spionneeren in werking. Door een cynischen Engelschen minister uitgedacht, kreeg dit stelsel tot overmaat van ramp als uitvoerder den laaghartigsten ellendeling, die ooit een generaalsuniform heeft gedragen, een man, die aan volslagen tactloosheid een angst voor het ontsnappen van zijn gevangene paarde, welke vaak aan waanzin grensde, en die de laatste levensjaren van den grooten balling,--al geven wij toe, dat deze een zeer lastig en opvliegend man was--heeft gemaakt tot een hel op aarde. Zijn eigen landgenooten hebben Hudson Lowe verfoeid; zijn vroegere beschermers hebben hem losgelaten, en op den huidigen dag nog zelfs wordt zijn naam door de beschaafde wereld verafschuwd. Toen hij dien man als cipier zond naar St. Helena, wist lord Bathurst wel wat hij deed, om den gevallen vijand zijn fellen haat te doen gevoelen. Dat hij de eer van zijn land hierdoor bevlekte, werd door hem vergeten.
"Wat een boeventronie, maar zijn inborst kan meevallen!" had Napoleon na de eerste kennismaking niet zonder reden gezegd.
Werd de bewaking dus terstond verscherpt, voor Lowe was de Keizer bovendien slechts de generaal Napoleon Bonaparte zonder meer. Alle brieven, gericht "aan den Keizer," brak hij open. Op een boek over de Honderd Dagen met het opschrift: "Imperatori Napoleoni," door Hobhouse, den auteur, Napoleon ten geschenke gezonden, legde hij beslag, omdat het kwam van een Engelschman. Zoo ging het ook met een doos Chineesche schaakstukken, waarop een gekroonde N. prijkte. Bij 's Keizers dood duldde de man zelfs niet, dat op de kist alleen de naam Napoleon werd geplaatst; dus bleef die kist naamloos.
In al die jaren heeft de Keizer Lowe vijfmaal ontmoet en hem dan telkens, in woede ontstoken, overladen met grofheden, waarop de ander zoo wijs was niet te antwoorden.
Ook achtte Lowe het jaargeld, Napoleon aanvankelijk toegelegd, te hoog; hoewel hij zelf 12000 £ 's jaars trok, vond hij 8000 £ voor hem en zijn gevolg voldoende. Toen deed de Keizer een deel van zijn overcompleet tafelzilver stuk stampen en te Jamestown in 't openbaar verkoopen, om, al was deze gewelddaad volslagen onnoodig, [40] aan Europa konde te doen van de wijze, waarop hij door Engeland werd behandeld. Nu werd Lowe bang voor de publieke opinie en roerde het onderwerp der jaarlijksche toelage dus niet meer aan. Zelfs begon hij plannen te maken om van hout, dat hiertoe uit Europa werd aangevoerd, Napoleon een betere woning te doen bouwen.
Kort na een onderhoud, waarbij Napoleon hem wederom grof bejegend, hem voor een Siciliaanschen sbir uitgemaakt en hem ten slotte verboden had ooit weer voor hem te verschijnen, behalve wanneer hij kwam met het bevel tot zijn terechtstelling, "als wanneer hij alle deuren wijd voor zich geopend zou vinden," beproefde Lowe nog eenmaal ongeroepen tot zijn gevangene door te dringen.--Hij verkoos dezen dagelijks zelf te zien.--"Ga terug, meneer! Ga terug!" riep de Keizer hem reeds uit de verte toe, greep tevens een geweer, dat aan Bertrand toebehoorde, en dreigde hem dood te schieten, als hij het waagde nog een pas dichterbij te komen.--Verstomd van verbazing en schrik begon Lowe toen langzaam den aftocht.
Een en ander had ten gevolge, dat de Keizer zich ten slotte in 't geheel niet meer buitenshuis vertoonde, en dat zijn gezondheid sterk achteruit begon te gaan. Dokter O' Meara, hem aanvankelijk toegevoegd, werd hem door Lowe weder ontnomen, zoogenaamd omdat hij heulde met zijn patiënt (Juli 1818). De rapporten van dezen dokter omtrent de slechte gezondheid werden geloochend; er was niets bijzonders of ongewoons bij Napoleon te constateeren, zoo heette het, en toen de Keizer in begin van 1819 door een lichte beroerte werd getroffen en Bertrand de medische hulp van Dr. Stokoë, dokter van het admiraalschip de "Conqueror" vroeg en deze ook het ernstige van Napoleons toestand constateerde, onderging deze hetzelfde lot van O' Meara. Ook Stokoë werd naar Engeland teruggezonden, ja zelfs voor het uitbrengen van leugenachtige berichten door de admiraliteit van de rol geschrapt.
Men geloofde de slechte gezondheidstoestand in Europa niet en Gourgaud, die in 1818 van St. Helena was vertrokken, had hieraan veel schuld, want door zijn verhalen aan Engelsche ministers, dat er geen sprake was van ziekte en dat Napoleon comedie speelde, wekte hij den indruk, dat Hudson Lowe gelijk had, dat de Keizer niets mankeerde. Terecht zegt ook Walter Scott, dat Gourgaud door zijn verhalen veel verkeerds voor Napoleon heeft uitgewerkt.
Behalve Gourgaud was reeds vroeger Las Cases van het eiland verwijderd. Wel hoopte deze als beschermer van den Keizer in Europa te kunnen optreden maar door invloed van Hudson Lowe, werd Las Cases met zijn zoon gedurende acht maanden verplicht aan de Kaap te blijven en eenmaal in Europa teruggekeerd, werd er streng toezicht op hem gehouden en beschouwde men hem wegens zijn trouw aan Napoleon als verdacht. Zijn moeite om de mogendheden te bewegen in het lot van zijn Keizer verandering te brengen had geen resultaat.
Een jaar bleef de Keizer zonder geneesheer; pas in 1819 was op herhaalden aandrang zoowel van oom Fesch als van zijn moeder, dokter Antomarchi gezonden en twee jonge geestelijken, alle drie Corsicanen, maar de Keizer vond niet veel steun en hulp bij hen.
Bij al deze kleine en groote kwellingen bleef hij tegenover zijn naaste omgeving zachtmoedig en welwillend. Waren de zenuwgestellen geprikkeld, de gemoederen ontstemd, dan was hij nog steeds de man, die met onuitputtelijk geduld en toegevendheid de partijen weder tot elkander trachtte te brengen. Hij wist dat eenzaamheid en verveling de hoofdoorzaken waren van die prikkelbaarheid en zwartgalligheid.
Opmerkelijk mag het heeten dat vooral in de laatste jaren zijns levens de bijbel zijn lievelingslectuur werd en dat hij juist over dit boek met zijn omgeving het liefste sprak. Ook de werken van Homerus, Virgilius en Euripides vonden in hem een getrouw lezer. Om de verveling te verdrijven, wijdde hij zich zelfs een korte poos aan de studie van het Engelsch; toen hem reeds spoedig bleek, dat hij voor talenstudie uiterst weinig aanleg bezat, gaf hij dit op.
Met zijn gevolg wijdde hij zich zelfs eenige weken aan den akkerbouw. Dan kon men hem met zijn officieren en bedienden, die dit maar een zeer matig genot vonden, reeds bij het krieken van den dag met de spade in de hand aan den arbeid zien.
Dit werken in de open lucht deed zijn gestel blijkbaar goed; zijn zwaarlijvigheid nam een weinig af. Doch ook van deze afleiding had hij weldra genoeg. Het oude leven binnenshuis begon opnieuw. Zijn gezondheid ging hierbij voortdurend meer achteruit zonder dat men de kwaal wist, waaraan hij leed. Algemeen schreef zijn omgeving die inzinking van krachten toe aan Longwoods klimaat. Dat zijn maag vaak voedsel begon te weigeren en dat hij nu en dan een zwartachtige stof begon te braken, zou hiervan eveneens wel het gevolg wezen, dacht men. Hij zelf alleen wist beter; onbevangen sprak hij met zijn omgeving over zijn naderenden dood.
Dat hij dezen niet alleen niet vreesde, maar dat hij zelfs naar dezen verlangde, was reeds gebleken, toen hij de tijding ontving van Murats tragisch einde.--"De Calabriërs zijn menschelijker geweest, dan zij, die mij herwaarts zonden," riep hij uit.
Ook voor hem zou de tijd spoedig komen. Dezelfde kwaal (maagkanker), die zijn vader en kort te voren zijn zuster Elisa ten grave gesleept had, was reeds te ver gevorderd en nam ten slotte ook hem weg, voor zijn omgeving nog zeer onverwacht.
Hoe weinig geloofde men op St. Helena aan zijn heengaan; nog op den 2en Mei schreef een der regeeringscommissarissen aan prins Metternich over de voorgewende ziekten van den Keizer, waaraan ze al vijf jaar gewoon waren, en, voegt hij er aan toe, 't kan ons alleen zeggen: "Laten we op onze hoede zijn." Nog vrees voor ontvluchting van den reeds stervenden Keizer! De doodstrijd was reeds begonnen. Zijn laatste dagen had hij besteed voor het testament, waarin hij zijn trouwe dienaren en soldaten bedacht en dat hij in die laatste uren veel met zijn zoontje bezig was blijkt wel hieruit, dat hij den 2en Mei in een delirium van koorts aan zijn kamerdienaar Marchand nog een toevoegsel van het gereedliggend testament dicteerde, waarin hij aan zijn tienjarigen zoon allerlei vermaakt, zelfs huizen en landgoederen, die niet eens bestonden!
Voorzien van de genademiddelen der Roomsche Kerk blies hij den 5en Mei 1821 in de armen van de Montholon en Bertrand den laatsten adem uit.
Op zijn verzoek werd zijn graf gedolven in de Geraniumvallei onder twee treurwilgen wier wortels werden besproeid door een koel beekje, waar hij vaak zijn dorst had gelescht.
Naar Frankrijk mocht zijn asch niet worden overgebracht. De Heilige Alliantie had op 't Congres van Aken beslist, dat zijn gevangenis ook zijn laatste rustplaats zou wezen. Op de smeekbede van Madame Mère om over het stoffelijk overschot van haar kind te mogen beschikken werd niet eens geantwoord. Zelfs voor het lijk van den grooten doode scheen men in Europa nog vrees te koesteren.
"Ik wensch, dat mijn asch zal rusten aan den oever van de Seine, te midden van het Fransche volk, dat ik zoo innig heb lief gehad."
Zoo stond er in zijn testament, een stuk waarin letterlijk allen waren bedacht, die hem in zijn leven eenigen dienst hadden bewezen. Toch zouden twintig jaar verloopen, voordat deze wensch werd vervuld.--De Juli-revolutie van het jaar 1830 had het geslacht der Bourbons opnieuw van den troon geworpen. Louis Philippe, een Orleans, een zoon van den tijdens de Omwenteling onthoofden Philippe Egalité, hield dezen bezet, en het jaar 1840 was reeds begonnen, toen Thiers, de eerste minister, een man, die door zijn geschriften en zijn vroeger leven ver stond verheven boven de vooroordeelen en den geheimen haat der partijen van voorheen, besloot een stap te doen, waarop de Fransche natie reeds tien jaar lang steeds luider en krachtiger aandrong.--Aan Engeland wilde hij 's Keizers stoffelijk overschot terugvragen, om het op Frankrijks bodem een rustplaats te schenken.
De vraag werd gedaan, Albion niet onwillig bevonden, en in het begin van Juli 1840 aanvaardden het fregat la Belle Poule en de korvet la Favorite met 's konings zoon, den prins van Joinville, en tal van Napoleons voormalige lotgenooten, waaronder Bertrand, Gourgaud en den jongen de Las Cases aan boord, de reis naar St. Helena.
Hier werd het lijk, dat eerst in een blikken kist met een looden er omheen gesloten en zoodoende geheel van lucht afgesloten was geweest en dus zoo goed als ongeschonden was gebleven, eerbiedig aan zijn tegenwoordige rustplaats ontnomen en met militaire eerbewijzen overgebracht aan boord van het fregat. Na een kortstondig bezoek aan Longwood, dat, verwaarloosd en vervallen, thans als koestal dienst deed, keerden ook Gourgaud, Bertrand en velen, die daar voorheen in ballingschap hadden geleefd, terug.
Daarop werd de reis naar Frankrijk aanvaard. Den laatsten November d.a.v. liet het fregat het anker vallen in de haven van Cherbourg. Van hier zou een flottille het lijk langs de Seine overbrengen naar Parijs. Den 1en December werd Courbevoie bereikt en een stoet gevormd, waarin aan tal van oudgedienden en officieren een plaats was gegeven. Te midden eener tallooze zwijgende en diep ontroerde menigte, toog deze door den triomfboog en de Champs Elysées naar den dom van 't hotel der Invaliden, een prachtstuk uit de XVIIe eeuw. Onder het machtige koepelgewelf door het gansche hof omgeven wachtte de koning in plechtgewaad. In de verte klonk het luiden der klokken, het dreunen van het kanon.
Daar worden de zware deuren van den dom wijd opengeworpen. De opperceremoniemeester treedt over den drempel. Luide klinkt zijn: L' Empereur!--Als één man reizen al de hovelingen, dragers van de edelste namen van Frankrijk op. De koning gaat den stoet tot aan den uitgang tegemoet. "Sire, ik breng u het lijk van Napoleon, dat door mij op uw last naar Frankrijk werd teruggevoerd," zegt de prins van Joinville.--"In naam van Frankrijk wordt het door mij aanvaard," luidt het antwoord. Aan den trouwen, edelen Bertrand valt de welverdiende onderscheiding ten deel den degen des Keizers op de kist te mogen leggen.
Aanvankelijk in een zijkapel naast het altaar bijgezet, werd het lijk in Mei 1861 overgebracht naar zijn tegenwoordige plaats. Uit een met pilasters gedekt, witmarmeren kuipgewelf, omsloten door een krans van tropeeën, samengesteld uit veroverde vaandels en standaarden, rijst zwaar en forsch en indrukwekkend, zonder eenige uitwendige versiering een sarcophaag op van rood Finsch graniet, een geschenk van keizer Nikolaas van Rusland. Omgeven door de praalgraven van Vauban, Turenne, Jérome, Bertrand en Duroc rust daarin het stoffelijke overschot van hem, die, Franschman van geboorte doch Corsicaan van bloed, vijftien jaar lang bijna onbeperkt over Frankrijk den schepter voerde, van hem, die dit land eenmaal deed baden in een zonneglans van glorie en grootheid, van wien ten platten lande zelfs nu nog steeds vol eerbied en ontzag wordt gesproken als van l' Homme, van den man, die als veldheer en als bewindvoerder nog nooit zijns gelijke vond, wiens nagedachtenis in Frankrijk ten eeuwigen dage zal voortleven, van de reuzenfiguur
Napoleon.
AANTEEKENINGEN
[1] Keizer geworden heeft hij de handen toch niet geheel van hem afgetrokken; hij gaf hem te Hamburg een goed bezoldigde betrekking. In zijn gedenkschriften heeft Bourrienne zijn vriend en weldoener echter niet gespaard.
[2] Wij gelooven niet, dat er in deze dagen veel luitenants van een-en-twintig jaar bereid zouden zijn bij een inkomen van drie francs en vijf centimes per dag nog een broertje voor hun rekening te nemen.
[3] Het wordt wel ontkend, dat Lodewijk dit zou gezegd hebben, maar de woorden teekenen zuiver het standpunt, dat de koning toen innam.
[4] Op deze goederen werden assignaten afgegeven, welke als betaalmiddel dienst deden.
[5] Later werd hij er op last der Nationale Conventie uit verwijderd en door ... Marat vervangen.