Napoleon

Chapter 5

Chapter 53,597 wordsPublic domain

In het Wetgevende Lichaam hadden mannen van groote bekwaamheid als Vergniaud, Guadet, Brissot en anderen zitting gekregen. Zij en hun geestverwanten, eerst Brissotins genoemd, kregen na 1792 den naam van Girondijnen, omdat de meesten uit het Zuiden afkomstig waren. In de vergadering vormden zij aanvankelijk de meerderheid, sloten zich eerst aan bij de Feuillants, voorstanders van de constitutie van 1791, doch werden later meer democratisch gezind; ze wanhoopten aan het voortbestaan van het koningschap; denkers, plannenmakers en redenaars dachten zij zich een republiek met al haar deugden, met gestrenge zeden en gelijke rechten voor allen; mannen van de daad waren ze niet.

Stuurden de Jacobijnen meer aan op de republiek en algemeen kiesrecht, daarbij vooral steunende op de lagere volksklassen, de Girondijnen wilden van dien steun niet weten; niet de hoofdstad, doch geheel Frankrijk moest de revolutie besturen, meenden zij.

Reeds dadelijk deed de nieuwe vergadering van zich spreken. Achtereenvolgens vaardigde zij een decreet uit tegen de emigrés, die niet binnen zekeren tijd in het land zouden zijn teruggekeerd en een tegen de priesters, die den van hen gevorderden eed nog niet hadden afgelegd. [6] Dan eischte zij van het Duitsche Rijk de ontwapening der aan de grenzen opeengehoopte emigrés, bij wie een massa officieren zich inmiddels hadden aangesloten; stelde 's konings broeder, den graaf van Provence, die tegelijk met de koninklijke familie Parijs had verlaten en een menigte andere edelen den 1en Januari 1792 in staat van beschuldiging, wegens het eigendunkelijk nederleggen hunner functiën en verklaarde ten slotte den 20en April den oorlog aan Oostenrijk, waar Keizer Leopold overleden en door Frans II opgevolgd was. Lafayette, afgetreden als commandant der Nationale Garde, was benoemd tot commandant van het leger in 't centrum; de generaal Dumouriez "een talentvol officier," maar een intrigant tevens, werd met het opperbevel belast.

Thans beweerden de Girondijnen, die sterk tot den oorlog hadden aangezet, zou de koning kleur moeten bekennen, het bewijs moeten leveren, dat hij volkomen ter goeder trouw was, toen hij de grondwet had bezworen. Ook zou hij zijn vrienden, de emigrés, en zijn raadslieden, de geestelijken, thans openlijk afvallig moeten worden. Wel had de koning zijn goedkeuring gehecht aan de oorlogsverklaring, doch tegelijkertijd stond hij met de buitenlandsche mogendheden in verbinding en leverde Marie Antoinette zelfs kort voor de oorlogsverklaring het plan de campagne der Fransche generaals aan de Oostenrijkers in handen! Zijn telkens gebleken onwil om de andere decreten goed te keuren, had de verbittering tegen hem en zijn omgeving bij het Parijsche volk niet weinig doen toenemen.

Alles scheen samen te moeten werken om deze ten top te voeren. Een troepenmacht, de Oostenrijksche Nederlanden in 't laatst van April binnengerukt, doch slecht geoefend en door gebrek aan bekwame officieren slecht aangevoerd, werd bij Bergen aangegrepen door een paniek, riep: Verraad! en sloeg op de vlucht; een andere afdeeling onder generaal Dillon trof bij Lille hetzelfde lot. Dillon werd zelfs door zijn eigen soldaten vermoord. Dat woord verraad vond luiden weerklank te Parijs. Daar ontstond onder de volksklasse een geprikkelde stemming, nog verhoogd door de verbittering over de ellende en de opruiende taal van tal van volksleiders.

Een reeks nieuwe figuren was op den voorgrond getreden, afkomstig uit de reeds genoemde clubs, zooals Marat, een voormalig arts, gevaarlijk door den reusachtigen invloed, welke hij door zijn blad l'Ami du peuple over het volk wist te verkrijgen; Danton vol wilde hartstochten, met een herculische gestalte en een stem als een bazuin, die, hoewel niet bloeddorstig van aard, in oogenblikken van hartstochtelijke opgewondenheid niet bevreesd was uit te voeren, hetgeen Marat in zijn moordzucht had bedacht.

De derde was Maximilaan Robespierre, een uit Arras afkomstig advocaat, die in de Nationale Vergadering door de zwaarwichtigheid zijner betoogen en zijn onbeholpen redenaarstrant zich nog al eens belachelijk had gemaakt. Langzamerhand meer meester geworden over het woord en den vorm, was hij met zijn schelle hooge stem begonnen op de tribune bij de Jacobijnen leerstellingen te verkondigen, die, hoofdzakelijk uit Rousseau geput, wel niet uitmuntten door oorspronkelijkheid, maar door zijn meestal ongeletterde toehoorders gaarne werden gehoord. De roep, die van hem uitging, dat hij, hoewel zeer arm, toch volstrekt onomkoopbaar was en een hoogst zedelijk leven leidde, in die dagen van partijstrijd reeds een aanbeveling bij de massa en de slimheid, waarmede hij bij zijn betoogen in de club zijn eigen persoon steeds aan het welzijn der natie wist te verbinden, hadden tengevolge, dat zijn aanhang en invloed dagelijks aangroeiden. Camille Desmoulins vond hem "een Aristides," Marat echter "een manneke," Condorcet "een wezen zonder een enkele gedachte in 't brein, zonder eenig gevoel in 't hart." Napoleon heeft hem den zondebok der revolutie genoemd.

De demagogen, krachtig door het volk gesteund, kregen aanhoudend meer invloed op de gemoederen. Het tijdperk, waarin de sansculottes Frankrijk het ontzettende juk hunner tirannie zouden opleggen, naderde snel.

Den 20en Juni begon het voorspel. Toen trok een bende van meer dan acht duizend gewapende mannen en vrouwen onder leiding van Santerre, een rijken bierbrouwer uit den faubourg St. Anthoine, eerst naar de Wetgevende Vergadering en vervolgens naar de Tuilerieën, drong daar tot de vertrekken des konings door, riep hem toe: "Bekrachtig de besluiten," "Jaag de priesters weg," "Kies tusschen Coblentz en Parijs," bespotte den vorst op allerlei wijze en was na eenige uren pas tot heengaan te bewegen op dringend verzoek van Pétion, den nieuw gekozen maire. Al dien tijd had de koning onmiskenbare bewijzen gegeven van kalmte en zedelijken moed.

In de volgende dagen namen de oproerige bewegingen in de voorsteden, waar voortdurend groot gebrek bleef heerschen, een aanhoudend gevaarlijker karakter aan. Lafayette, verontwaardigd over de gebeurtenissen van den 20en, rekenende op zijn groote populariteit onder de bevolking en de nationale garde, kwam naar Parijs om in de Wetgevende Vergadering tegen de grievende behandeling van den koning te protesteeren, doch zonder succes. Ook het hof en in 't bijzonder Marie Antoinette was van de door Lafayette aangeboden hulp niet gediend, zoodat hij onverrichter zake naar het leger terugkeerde. Geruchten, dat veertigduizend Pruisen en evenveel Oostenrijkers, onder het opperbevel van den hertog van Brunswijk, de grenzen naderden, dat de koningin met deze vijanden heulde en dat het hof in stilte de maatregelen van de vergadering tot verdediging, tegenwerkte, deden de ronde in de clubs. Het volk, dat de tribunes vulde, schreeuwde en wilde maatregelen en toen het ministerie den 11en Juli een overzicht gaf van Frankrijks hachelijke verhouding tegenover het buitenland, besloot de president die mededeeling met een even plechtig, als indrukwekkend: "Burgers, het vaderland is in gevaar!" Dienzelfden dag reeds deden vijftien duizend vrijwilligers zich inschrijven als soldaat.

In die dagen ontstond de Marseillaise, het lied der revolutie, gedicht en op muziek gezet door Rouget de l'Isle, een jong genieofficier, vooral populair geworden door de 500 fédérés, die van Marseille naar de hoofdstad trokken, het lied, dat later met de legers door Europa zou gaan en dat thans nog het Fransche volkslied is.

Te midden van de groote geestdrift, die zich van allen had meester gemaakt, werd het even hooghartige als laatdunkende manifest van den hertog van Brunswijk in de hoofdstad bekend. Parijs werd daarin met verwoesting bedreigd, wanneer de koninklijke familie nog eens zou worden beleedigd; nationale gardes, met de wapens in de hand gevat, zouden als "oproerlingen tegen hun koning" worden gestraft. 't Was olie in het vuur! Den 3en Augustus eischten de sectiën, waarin de hoofdstad was verdeeld, de vervallen verklaring des konings; in den nacht van 9 op 10 Augustus installeerde zich op het stadhuis een ultra-republikeinsche commune, alleen uit Jacobijnen samengesteld en den 10en Augustus werden de Tuilerieën, die slechts enkele honderden Zwitsers en nationale garden als verdedigers hadden, door het grauw bestormd.

Bij de verdediging ontbrak alle leiding en eenheid, want Mandat, de tijdelijke commandant der nationale garde, was reeds te voren afgemaakt op de trappen van het raadhuis.

Beducht voor het leven van vrouw en kroost, zocht de koning, zonder bevelen achter te laten, zijn toevlucht in de vergadering, vond achter den president, in de benauwde loge van den verslaggever der Feuillants, een plaatsje en zond van hier aan de Zwitsers bevel, het kasteel niet te verdedigen. Deze order kwam te laat. Reeds was het bloedbad op de pleinen, in den tuin en in de kamers begonnen. Bij honderden vielen de brave Zwitsers op hun post. Bonaparte, die na den storm de Tuilerieën bezocht, verklaarde later zelf, dat hij in niet een zijner veldslagen, in zoo een kleine ruimte zooveel lijken had gezien als daar op het voorplein bijeen lagen.

Onder den indruk van het gebeurde en onder drang der commune nam de vergadering het besluit tot schorsing van het koningschap en tot de bijeenroeping van een Nationale Conventie door algemeen kiesrecht gekozen, terwijl een nieuw ministerie zou optreden, waarin Danton minister van Justitie werd. Den 13en Augustus werd de geheele koninklijke familie overgebracht naar het groote torengebouw van het voormalige klooster le Temple en hier streng bewaakt. Alleen achter sterke muren beweerde de steeds in macht en driestheid toenemende commune, kon zij instaan voor de veiligheid der aan haar hoede toevertrouwde personen.

Het drama van de koninklijke familie begon haar ontknooping te naderen; geen Franschen verdedigden den 10en Augustus de woning meer, maar Zwitsers en de trouw van deze dapperen is te Lüzern, naar een ontwerp van Thorwaldsen, vereeuwigd door een in de rotsen uitgehouwen leeuw, met een speer doorboord, rustende op een veld van leliën.

Te Parijs waren thans slechts twee officieele machthebbende lichamen overgebleven, de Wetgevende vergadering en de Commune, bij welke laatste Robespierre reeds eenigen tijd te voren benoemd was tot openbaar aanklager. De eerste zorg van dezen raad met haar ultra-revolutionnaire neigingen was, thans meester te worden over de politie. Het Comité van Algemeene veiligheid werd daarvoor ingesteld en te Parijs een Comité van toezicht opgericht, met Marat als voorzitter, dat onmiddellijk aan het werk toog door de arrestatie van honderden aristocraten, zoogenaamde "verdachten." De groote gemeenten volgden dit voorbeeld.

Tevens werd door den drang der Jacobijnen een revolutionnaire rechtbank opgericht. Van haar vonnissen was geen appèl.

Op voorstel van Danton begon einde Augustus de arrestatie van alle slechte burgers, die zich sinds den 10en Augustus verscholen hielden.

Daar kwam den 2en September het bericht, dat Verdun was ingesloten; Longwy "de ijzeren poort van Frankrijk" was reeds gevallen en mocht dat met Verdun het geval worden, dan lag de weg naar Parijs voor den vijand open.

Toen kwam de afschuwelijke raad van Marat, die voor geen wreedheid terugdeinsde, dat het eenige middel om het vaderland te redden, zou wezen, de ter doodbrenging van alle gevangenen!

Een der vreeselijkste tooneelen van de omwenteling speelde zich te Parijs af. Van 2-6 September had in de gevangenissen de Abdy, la Force enz. een ware slachting plaats onder "alle vijanden des vaderlands" hoofdzakelijk edelen en geestelijken. Rede en menschelijkheid waren verdwenen; het lijk van Prinses de Lamballe, een vriendin van Marie Antoinette, werd geschonden en met haar hoofd op een piek liep men voor de Temple op en neer!

De Vergadering was met ontzetting geslagen, maar deed niets om aan het bloedbad een einde te maken; ook Danton was lijdelijk toeschouwer. Alleen Roland, minister van binnenlandsche zaken, had den moed alle autoriteiten verantwoordelijk te stellen voor het gebeurde. Ten slotte beval de Vergadering een onderzoek naar de raddraaiers, hetgeen tot niets leidde. Eenige enragés droegen de schuld. Zij hadden gemeend "verraders" voor zich te hebben!

Deze bloedige Septemberdagen brachten de revolutie meer in discrediet, dan men toen vermoedde.

Den 21en September verdween de Wetgevende Vergadering. Een Nationale Conventie, reeds dadelijk 749 leden tellende, trad in haar plaats, schafte den volgenden dag de koninklijke waardigheid af en verklaarde bij monde van haar president Pétion, Frankrijk tot een Republiek.

Het succes van den hertog van Brunswijk in het noorden was niet van langen duur. In Dumouriez, den voormaligen minister van oorlog, die Lafayette had vervangen, vond hij een even talentvolle als dappere tegenpartij, die hem, door het bezetten der passen van het Argonnerwoud, den toegang afsloot tot het hart van het land. Den 20en September bij Valmy, liet de dappere Kellerman aan den hertog zien, met welk een heldenmoed en doodsverachting dat leger van schoen- en kleermakersjongens, zooals de emigrés de soldaten der Republiek met minachting betiteld hadden, onder een daverend: Allons enfants, de la patrie met gevelde bajonet op zijn oude beproefde krijgers instormden en ze terugsloegen.

"Van deze plaats en van dit uur dateert een nieuw tijdvak in de wereldgeschiedenis," zei de bij het Pruisische leger aanwezige Goethe op den avond van Valmy tot de aanwezigen bij het wachtvuur. Hij begreep de beteekenis van dien dag; "het revolutionnaire Frankrijk kon en wilde Europa weerstaan."

Gebrek, groote ontberingen, ziekte en slecht weer waren ten slotte oorzaak, dat de hertog terugtrok.

Van deze omstandigheid trok Dumouriez partij. Flink versterkt in aantal, maar slecht gevoed, geschoeid en gekleed, rukte zijn leger in November d.a.v. de Zuidelijke Nederlanden binnen, behaalde niettemin den 6en bij Jemappes een glansrijke overwinning en bezette het gansche land tot aan de boorden van de Maas.

Had de Nationale Conventie met algemeene stemmen de Republiek ingesteld, van eensgezindheid onder de leden was geen sprake. De Jacobijnen, naar de hoogere banken, welke ze in de Vergadering innamen, ook wel montagnards genoemd, sloten zich nauw aan bij de revolutionnaire Commune; de Girondijnen duchtten dien grooten invloed, wilden de leiding aan de hoofdstad ontnemen, vreesden voor het optreden van een tiranniek triumfiraat Robespiere, Danton en Marat en werden in hun strijd tegen de Jacobijnen gesteund door de middenpartij in de vergadering, de "plaine" of "marais" genoemd.

Thans kwam de vraag, wat men met den koning doen zou, dezen strijd nog geduchter maken. In December stelden Robespierre, Couthon en St. Just dezen namens de Jacobijnen in staat van beschuldiging. Het vinden van een ijzeren kistje in de Tuilerieën met brieven uit het buitenland, die verrieden, dat de koning met Pruisen en de emigrés in 't geheim betrekking had aangehouden--een feit, dat door hem onverstandig genoeg werd ontkend--verergerde zijn toestand.

Met bijna algemeene stemmen werd hij den 15en Januari 1793 schuldig verklaard aan samenzwering tegen de vrijheid en de veiligheid van den Staat. Een poging der Girondijnen, het uit te spreken vonnis aan het oordeel van het volk te onderwerpen, waarin zij een middel zagen om den invloed van Parijs te fnuiken, mislukte. Wel stelden de grijze Malesherbes en Desèze alles in het werk om hem te verdedigen, wel trachtten Brissot en enkele Girondijnen uit vrees voor een buitenlandschen oorlog het vonnis uit te stellen, doch het een noch het ander had succes. Louis Capet, zooals hij thans naar een zijner voorouders genoemd werd, onderging op den 21en Januari 1793 zijn vonnis; hij werd geguillotineerd, hetgeen hij waardig en gelaten onderging.

De laatste schakel met het ancien régime was verbroken!

De Jacobijnen hadden gezegevierd, de macht der Girondijnen volkomen te breken, werd thans hun doelwit. Al de vorsten van Europa wierpen ze den handschoen voor de voeten; zij zouden de vrijheid brengen aan de gansche wereld. Alle dwingelanden wilden zij van den troon stooten; vrijheid, gelijkheid en broederschap voor de tirannie van eeuwen in de plaats doen treden.

Een macht van 300.000 werd onder de wapenen geroepen om de eer der Republiek te handhaven zoowel in het buitenland, als in het binnenland; in dit laatste met name in de Vendée en Bretagne was n.l. een opstand onder de boeren uitgebroken, die weldra schrikwekkende afmetingen aannam.

Bij het leger onder Dumouriez, die door de Jacobijnen niet ten onrechte sterk verdacht werd van allesbehalve ultra-republikeinsche beginselen, gingen de zaken inmiddels niet naar wensch. Een aanval op de Vereenigde Nederlanden, in overleg met het ministerie van Oorlog door Dumouriez beproefd, mislukte. De Oostenrijkers en de Pruisen rukten België weder binnen en de slag bij Neerwinden (18 Maart 1793) was voor de Republiek noodlottig.

Dumouriez, die in stilte het plan had gevormd den oudsten zoon van Philippe Egalité, die als generaal onder hem diende, bij welslagen, door zijn leger tot koning te doen uitroepen, dan naar Parijs te rukken, en aan den druk der Jacobijnen met één slag een einde te maken, wachtte het oogenblik niet af, waarop hij door de Conventie ter verantwoording zou worden geroepen. Hij knoopte vredesonderhandelingen aan met den Oostenrijkschen Kolonel Mack en toen hem bleek, dat zijn soldaten de Republiek getrouw bleven, liep hij naar de Oostenrijkers over. De laatste dertig jaren zijns levens heeft deze talentvolle, maar steeds intrigeerende man in ballingschap doorgebracht, hij is in Engeland overleden.

Het verraad van Dumouriez, de ongunstige toestand der legers en de gevaren, waaraan het land was blootgesteld, drongen de Conventie weldra tot een nieuwen maatregel. Den 6en April 1793 werd het Comité de Salut Public ingesteld. Het zou bestaan uit twaalf leden, die in 't geheim moesten beraadslagen, ook zouden zij op de handelingen van het uitvoerend bewind toezicht houden en achter de zaken spoed zetten. Aanvankelijk gevormd door de neutrale leden van de Conventie, geraakte het spoedig geheel in handen van de Bergpartij, met Robespierre, St. Just, Couthon, Collot d' Herbois en Billaud-Varennes als leiders. De werkzaamheden werden door verschillende onder-comité's verdeeld, terwijl het zich in de provincie door afgevaardigden deed vertegenwoordigen. Aan dit lichaam ondergeschikt, was het Comité van Algemeene Veiligheid, eveneens van twaalf leden, belast met het opsporen en arresteeren van allen, die verdacht werden van contra-revolutionnaire neigingen, terwijl ten slotte de Revolutionnaire Rechtbank, met den beruchten Foucquier Tinville als openbaar aanklager, zich onledig hield met het vonnissen der gevangenen.

De Conventie met haar tal van kleurlooze leden werd in de handen van het Comité de Salut Public een willoos werktuig. Door de afgevaardigden van het Comité waren de legers aan dit laatste onderworpen; door de wet der verdachten beschikte dit over de bijzondere personen; door de genoemde rechtbank over het leven van allen. In de volksmassa, die in de clubs beraadslaagde, vond het zijn steun.

Het antwoord van Europa op Frankrijks uitdaging had niet lang op zich laten wachten. Over dien koningsmoord, "de verfoeilijkste daad, die in de historie was opgeteekend," zooals Pitt in het parlement zei, diep verontwaardigd, beducht voor de ver strekkende gevolgen, welke de omwentelingen ook voor hun onderdanen kon brengen, bang voor hun eigen troon, verklaarden tal van vorsten met Oostenrijk en Pruisen aan de spits, den oorlog aan de Republiek.

Van deze coalitie was Engeland onder den alvermogenden minister Pitt de ziel. Het had geweigerd de vervallenverklaring van den koning te erkennen en zich hierom reeds den 1en Februari 1793 door de Conventie den oorlog zien verklaren. Ditzelfde lot was ook aan de Republiek der Vereenigde Nederlanden te beurt gevallen. Binnen zes maanden had Pitt zeven verbonden gesloten en zes tractaten tot het verleenen van geldelijken steun. Ook Spanje met zijn nieuwen minister Godoy, bijgenaamd de Vredevorst, had zich op zijn raad, evenals het geheele Duitsche Rijk bij de coalitie gevoegd.

Door het grauw gesteund, meester over den gemeenteraad, heerschten de Jacobijnen met hun 800 clubs in de departementen, van nu af zoo goed als onbeperkt. Wel werd Marat als president der club door de Conventie voor de rechtbank gedaagd wegens opruiïng tegen de gematigden in dit staatslichaam, maar hij werd vrijgesproken en in zegepraal rondgedragen (24 April).

Van dit oogenblik trad het grauw zelf vermeteler op, overstroomde de publieke tribune in de zittingzaal en sprak mede in het debat. Een poging, door de Girondijnen beproefd om de daden van den gemeenteraad door een commissie te doen nagaan, waardoor heel wat gruwelen aan het licht zouden zijn gebracht, werd door het grauw verijdeld, de commissie ontbonden.

De verbittering tegen de gematigden, thans beschuldigd van het heulen met den vijand en de emigrés en van het aansporen tot een contra-revolutie, werd door de Jacobijnen aanhoudend meer opgezweept. Telkens deed de Commune zich in de Conventie gelden. Henriot, de commandant der nationale garde, geheel op de hand der Jacobijnen, deed ten slotte zelfs vuurmonden in batterij komen voor de Tuilerieën om de zittingzaal in elkander te schieten, als aan den wil des volks niet werd voldaan! Den 31en Mei viel de partij der Girondijnen; hun aanvoerders werden gevangen genomen; anderen namen de vlucht (2 Juni).

Van nu af had de Conventie haar vrijheid van beraadslagen totaal verloren. Robespierre met zijn aanhang nam de teugels in handen. Het schrikbewind begon!

Na den val der Girondijnen kwam het geheele zuiden met Lyon, Marseille en Toulon aan de spits in verzet; zelfs vormden zich hier gewapende benden om naar Parijs te marcheeren. Tegenover hen stonden de aanhangers der Conventie. In het westen, aan de Loire, in de Vendée en in Bretagne was de gansche bevolking als één man tegenover de afgevaardigden uit de Conventie opgetreden. Hier stonden, door de emigrés en Engelsch goud gesteund, Stofflet en Charette aan het hoofd der royalisten tegenover de regeeringstroepen.

Ook bijzondere personen gaven bewijzen van hun afschuw over hetgeen in Parijs gebeurde. Zoo toog Charlotte Corday, een vijf en twintig jarig mooi meisje uit Caën, een volbloed aanhangster der omwenteling op deugdzamen grondslag, naar de hoofdstad, zocht Marat op, die in de departementen den meesten schrik had verspreid, en stootte hem een mes door het hart, om, zooals zij voor de rechtbank verklaarde, "haar land vrede te schenken." Onwrikbaar kalm hoorde zij haar doodvonnis aan; even kalm betrad zij het schavot. (15 Juli). Half Parijs volgde de begrafenis van Marats hart in den tuin van de club der Cordeliers. Toen zijn inboedel werd ontzegeld, vond men slechts een assignaat van vijf francs, zijn gansche bezitting.

De Conventie was dus van alle zijden door gevaren omringd; zoowel in het binnen- als in het buitenland stond de vijand. Daarbij dreigde hongersnood, door het blokkeeren van alle havens door Engeland.

Het Comité de Salut Public trok alle macht aan zich en heerschte onbeperkt.