Napoleon

Chapter 47

Chapter 473,873 wordsPublic domain

"Daar is hij. Vuur!" brulde Randon, maar aan het bevel werd niet voldaan. Steeds dichterbij kwam de Keizer. "Soldaten van het 5e," zei hij op krachtige en kalme wijze, "ik ben uw Keizer; herken mij." Vervolgens kwam hij nog een paar passen naar voren, knoopte zijn overjas los en riep: "Indien er onder u een soldaat is, die zijn Keizer wil dooden, hier staat hij!"

Dit was voor de arme kerels te veel. Een lange, gillende schreeuw: "Vive l' Empereur!" weerklonk en de witte cocardes lagen in een ommezien vertrapt op den grond.

Dit was echter slechts het voorspel geweest. Napoleon werd zichtbaar ongerust.--Wat zou het garnizoen van Grenoble doen?

't Was zesduizend man sterk; generaal Marchand een vurig aanhanger der Bourbons, voerde daar het bevel. Graaf Charles de Labédoyère commandant van het 7e regiment infanterie, een korps, waarop Marchand stellig meende te kunnen rekenen, gaf het antwoord op die vraag.

Na afloop van een diner bij den generaal liet hij zijn regiment aantreden en den in een kist verborgen adelaar en de driekleurige cocarde te voorschijn halen. Daarna rukte hij onder een luid: "Wie mij lief heeft volge mij!" zijn voormaligen veldheer tegemoet.--Met een: "U plaatst mij weder op den troon kolonel!" ontving deze hem.

Den volgenden morgen kwam Napoleon te Grenoble. Met twee duizend boeren voorop met hooivorken en flambouwen kwam hij voor de stad, die in staat van verdediging was gebracht. De commandant wil tegenstand bieden, maar reeds het "Vive l'Empereur" dat van de wallen weerklinkt, is het antwoord zijner soldaten. De troepen weigeren en van alle bastions klinkt het bekende kazernelied:

Nous allons voir le grand Napoléon, Le vainqueur de toutes les nations.

De poorten worden geopend en met gejuich wordt de Keizer ingehaald.

Wel mocht Napoleon later op St. Helena zeggen: "Tot Grenoble was ik een avonturier, in Grenoble werd ik Prins."

Toen de Keizer te Lyon verscheen, vernam hij den opmarsch van Ney, den eenige, voor wien hij inderdaad eenige vrees koesterde. Verschillende gezanten waren naar den prins van Moskwa gezonden om hem te vragen zich bij Napoleon aan te sluiten, ook ontving hij van den Keizer zelf een verzoek om zich bij hem te voegen. Ney twijfelt, maar ook hij kan de verzoeking niet weerstaan naar zijn ouden chef te gaan en in een proclamatie belooft hij zijn troep te leiden naar de onsterfelijke schare, die Napoleon naar Parijs brengt. Met zijn 6000 man komt hij zich bij de 14000 voegen, die Napoleon reeds bij zich heeft. "Ik kon toch het water van de zee niet met mijn handen tegenhouden" zei Ney later ter verdediging. [34]

Al wat gedaan werd tegen Napoleon bleef vruchteloos, de uitgezonden troepen liepen over en in Parijs vond men aangeplakt: Napoleon aan Lodewijk XVIII: "Broeder het is nutteloos mij nog meer troepen te zenden, ik heb er genoeg."

In den avond van den 20en Maart keerde de Keizer, gedragen op de schouders van honderden zijner voormalige officieren, onder een overweldigend huldebetoon in de Tuilerieën terug.

De tocht van de Golf van Juan tot Parijs, wel "de meest wonderlijke, die de geschiedenis en de mythologie kent" was volbracht.

Men zegt wel eens, dat één schot Napoleons marsch gestaakt zou hebben, maar zegt Houssaye, 't is juist dat eene schot, geen soldaat wilde het afgeven, geen officier durfde het te commandeeren en had een officier het gedaan, hij zou door zijn soldaten zijn verscheurd.

Lodewijk XVIII had hem niet afgewacht doch was door Talleyrand vergezeld, ijlings naar de Belgische grenzen en vandaar naar Gent gevlucht. Ook de Graaf van Artois had uit Lyon, waar hij zich bevond, een goed heenkomen gezocht.

HOOFDSTUK XXVIII.

Waterloo.

"De Honderd Dagen" wordt het nu volgende tijdperk genoemd, dat wij thans zijn genaderd. Den 8en Juli 1815 was Lodewijk XVIII terug in zijn paleis en Napoleon op weg naar St. Helena.

Zijn voorspelling, dat hij zonder een schot te lossen in Parijs zou komen was bewaarheid. Dadelijk na zijn terugkomst stelde de Keizer een ministerie samen, waarin o.a. Cambacérès met de portefeuille van Justitie, Carnot met die van Binnenlandsche Zaken, Davoust met die van Oorlog werd belast, allen dus mannen met goed klinkende namen. Alleen die van Fouché, die weder aan het hoofd trad van de Politie, maakte hierop een uitzondering doch de Keizer had hem mogelijk liever naast dan tegenover zich. Tal van generaals en maarschalken, hieronder tot veler verbazing in de eerste plaats de heethoofdige Ney, kwamen hun diensten weder aanbieden, alsof er niets was gebeurd. Hij heette ze allen welkom; hun zwakheid en hun verraad had hij hun vergeven.

Vóór alles diende thans een nieuwe grondslag van bestuur voor Frankrijk gemaakt en Napoleons houding tegenover het buitenland vastgesteld te worden.

Reeds den 25en Maart had de Raad van State in zijn eerste zitting een programma aangeboden, waarin o.a. te lezen stond dat de Keizer, die niet had geabdiceerd door den wil der natie, de natie bij zijn terugkeer ook weder bevestigde in haar heiligste rechten; dat hij dus dure verplichtingen op zich had genomen en elke gedachte aan een tijdelijk dictatorschap, zooals hij eerst had voorgesteld, moest loslaten. Onder zijn toezicht werd nu een soort van overeenkomst tusschen hem en de natie, de zoogenaamde Acte additionnel, een toevoegsel aan de keizerlijke grondwet opgesteld en aan de bevolking voorgelegd om haar stem erover uit te brengen. Hoewel die acte niemand bevredigde werd ze aangenomen en dit resultaat den 1en Juni op het Champ de Mars met groote plechtigheid bekend gemaakt. De Keizer zwoer toen, dat hij den inhoud dezer acte stipt zou naleven.

Tegelijkertijd ontving de armee haar adelaars terug, zwoer opnieuw trouw aan het Keizerrijk en defileerde ten slotte onder de geestdriftige toejuichingen der honderdduizenden toeschouwers voor den man, die haar vijftien jaar lang was voorgegaan op de baan van roem, eer en glorie en die haar thans nogmaals, doch nu voor den laatsten keer, zou brengen tegenover denzelfden vijand, die het jaar te voren den vaderlandschen bodem had overstroomd en thans opnieuw te wapen snelde.

Want denzelfden dag, dat de Raad van State haar programma van actie had ingediend, hadden Engeland, Pruisen, Oostenrijk en Rusland zich bij militair verdrag, de Heilige Alliantie, inniger dan ooit te voren tegen Frankrijk samen verbonden. Iedere mogendheid zou 150.000 man onder de wapenen brengen, Engeland bovendien zorgen voor de noodige geldmiddelen. Gansch Duitschland, Nederland, Portugal en Spanje sloten zich hierbij aan. Zweden alleen niet.

Tegelijkertijd werd voorgesteld in 't zuiden van Frankrijk, waar de bevolking steeds koningsgezind was gebleven, en de hertog van Angoulême reeds tegenover het keizerlijke leger in 't veld stond, alsmede in de Vendée, waar het verzet ook reeds hevig was, den burgeroorlog te doen ontbranden.

Napoleon verontrustte zich over dezen burgeroorlog niet, zeker als hij was van de overwinning, die ook spoedig door generaal Grouchy behaald werd, maar over den oorlog met het buitenland was hij minder gerust.

Den 4en April gaf Napoleon in waardige taal aan de vreemde hoven per nota kennis van 't geen er te Parijs was gebeurd, betoogende dat hij in 't belang van Frankrijk niet anders had kunnen handelen en sprak daarbij den wensch uit om voortaan in vrede te leven.

Tevoren had hij zich reeds persoonlijk tot den keizer van Oostenrijk gewend, waarbij hij zijn plannen meedeelde om zijn zoon in de toekomst een rijk na te laten, dat op hechten grondslag zou staan en tevens deed hij op zijn schoonvader een beroep, teneinde de vereeniging van hem met zijn vrouw, van vader en kind mogelijk te maken.

IJdele pogingen! De mogendheden dachten er niet over hem te erkennen, ze bleven bij hun vroeger besluit, kort na de landing van den Keizer genomen, waarbij hij, de Corsicaansche avonturier, als verstoorder van de rust in Europa in de ban werd gedaan.

Had Napoleon zich van dezen stap niet veel voorgesteld, geheel doelloos werd die, omdat Murat, die door Pauline steeds met hem in relatie was gebleven en die den uitdrukkelijken wil ontvangen had zich rustig te houden tot hij door het Fransche leger ondersteund werd, eerst onder een gezocht voorwendsel Rome bezette en den 31en Maart het masker had afgeworpen en met 50.000 man naar het noorden, naar de Po was gerukt.

Toen het congres te Weenen, toch reeds in hooge mate achterdochtig, hiervan kennis kreeg, werd het nog versterkt in de meening, dat Napoleon was teruggekeerd om Europa opnieuw in vuur en vlam te zetten. Aan de krijgstoerustingen werd dus met verdubbelden ijver voortgewerkt.

Terecht kon Napoleon later zeggen, dat Murats onberaden stap een wapen te meer tegen hem was geweest. Maar de Keizer droeg zelf voor een groot deel de schuld. Waartoe moest hij dezen doldriftigen soldaat aan 't slot van zijn brief uit Prangins van 16 Maart--toen hij zelf dus nog niet eens in Parijs was gekomen--schrijven: "Spreek en handel zooals uw hart u ingeeft. Marcheer naar de Alpen doch overschrijd ze niet."

De wapens zouden dus weer moeten beslissen. De bondgenooten hadden reeds plannen ontworpen om met drie colonnes op Parijs aan te rukken en den Keizer wederom op eigen grondgebied slag te leveren. Hun strijdkrachten waren over België, Duitschland en Italië verdeeld. Terwijl Wellington en Blücher met een Nederlandsche strijdmacht van ruim 25.000 man onder de bevelen van den Prins van Oranje stellingen begonnen in te nemen in België, was een Russisch leger op marsch naar den Midden-Rijn, terwijl een Oostenrijksch leger zich tusschen den Boven-Rijn en de Donau bevond. Bovendien trokken troepen van Oostenrijk en Sardinië door Lombardije naar de Alpen en ontscheepte Engeland op de kust van Bretagne soldaten, wapenen en munitie om den opstand in de Vendée te steunen, terwijl een Engelsch eskader in de Middellandsche Zee nog tot hulp kon wezen van de troepen, die uit Italië, Frankrijk zouden binnenrukken. Buiten de reserves hadden de bondgenooten ongeveer 650.000 man ter beschikking, doch de legers waren te verspreid en voor Juli konden de Russische en Oostenrijksche legers aan den Rijn niet gereed zijn.

Wat kon Napoleon hier tegenover stellen? Bij zijn terugkeer in Parijs had hij niet meer dan 200.000 man onder de wapens. De cavalerie had gebrek aan paarden, bij de artillerie had men nog een groote hoeveelheid vuurmonden, doch munitie ontbrak bijna geheel, evenals kleeding en geweren. Daarbij waren verscheiden versterkte plaatsen van hun verdedigingsmiddelen beroofd; de bemanning der vloot was naar huis gezonden, de kust onbeschermd. Linietroepen bewaakten de havenplaatsen.

Reeds in de eerste dagen van April was de Keizer begonnen om in dezen toestand verbetering te brengen. Wel had de eerste oproeping niet dat succes, zooals hij had gewenscht, maar er verschenen toch 75.000 man; ook werden in April en Mei nationale garden onder de wapens geroepen en in deze maand deed hij het verzoek aan alle gepensionneerden tijdelijk weder in dienst te komen. De inlijving van de lichting van 1815 ging best; in enkele departementen zelfs beter dan tijdens de revolutie. De cavalerie werd van paarden voorzien, geweren werden gemaakt, alleen Parijs telde o. a. zes geweerwinkels met 2000 werklieden. Ook voor de munitie droeg hij zorg, en dagelijks leverde Parijs 1250 stuks kleeding.

De werkzaamheid van den Keizer was enorm en het succes daaraan geëvenredigd, want in Juni telde de cavalerie 40.000 paarden en wist Napoleon zijn leger te brengen op 284.000 man met een hulpleger van 222.000 man, ongerekend de ingelijfden van 1815, de gemobiliseerden tijdens den opmarsch in de concentratiekampen enz. Zijn voorspelling, dat er in October 800.000 man zouden zijn, zou worden bewaarheid.

Teneinde voor een inval gereed te zijn waren tal van plaatsen als Toul, Duinkerken, Grenoble enz. in staat van verdediging gebracht, terwijl door hem in het bijzonder zorg was besteed aan de versterking van Parijs en Lyon.

Bekend met de plannen van den vijand, was zijn eerste voornemen de bondgenooten af te wachten en zich te verdedigen met genoemde plaatsen als steunpunten. Hoewel met het oog op de uitstekende verdediging dit plan volgens Napoleon zeker succes zou hebben, moest de Keizer ook met de publieke opinie te rade gaan en deze was er tegen. Daarom werd besloten hiervan af te zien en niet verdedigend maar aanvallend te werk te gaan en voor de vereeniging der bondgenooten had plaats gehad, zich op Wellington en Blücher te werpen en ze afzonderlijk te verslaan. Mocht dit mislukken dan kon de Keizer altijd op het eerste plan terugkomen.

Zijn tegenpartij meesterlijk misleidende en zijn bewegingen verbergende achter een scherm van nationale gardes wist de Keizer den 14en Juni een legermacht van 125.000 man en 370 vuurmonden tegenover Charleroi tusschen Maubeuge en Philippeville bijeen te brengen.

Vóór zijn vertrek uit Parijs (12 Juni) had hij de zorg voor den gang van zaken opgedragen aan een specialen Raad van veertien mannen, waarin o. a. zijn broers Jozef en Lucien, Cambacérès, Davoust, Fouché en de Caulaincourt zitting hadden genomen. Betreffende 's vijands indeeling en opstelling door spionnen vrij nauwkeurig ingelicht, wist hij, dat de legers van Wellington en Blücher, totaal 210.000 man sterk met 500 vuurmonden waren gescheiden; de eerste een zeer bekwaam doch voorzichtig man, stond in den vierhoek Brussel-Nivelles-Doornik-Oudenaarden, terwijl de tweede, een oude maar doortastende en stoutmoedige generaal, in het vak Charleroi-Dinant-Luik-Namen stond.

De verbindingsweg van de beide legers was die van Charleroi naar Brussel en het doel van den Keizer was nu op dien weg te komen, de legers van elkaar af te dringen en afzonderlijk te verslaan, een strategische doorbreking dus, zooals die hem reeds zoo vaak was gelukt. Hierbij hield de Keizer rekening met het karakter zijner tegenstanders; hij wilde zich het eerst op Blücher werpen, begrijpende dat deze den slag zou aanvaarden en Wellington hem niet zoo spoedig te hulp zou kunnen komen ; wierp hij zich echter op den voorzichtigen Wellington dan zou deze misschien den slag ontwijken en spoedig hulp ontvangen van den voortvarenden "Maarschalk Voorwaarts," zooals Blücher werd genoemd.

In verband met dit alles gaf hij voor den 15en Juni een marschbevel uit, dat ook nu nog als een meesterstuk op dit gebied wordt geroemd. In drie colonnes zou langs drie wegen op de Sambre aangerukt, deze gepasseerd, Charleroi genomen moeten worden. Eenmaal hier meester had de Keizer den straatweg naar Brussel, Wellingtons operatielijn en dien naar Luik, waarop Blücher ageeren moest, voor zich. De straatweg van Namen naar Nivelles vormde den verbindingsweg en sneed den eersten bij Quatre-Bras, den tweeden bij Sombreffe. Van hoeveel gewicht het voor hem was, deze viersprongen beide tegelijk in den kortstmogelijken tijd te hebben bezet, kan o. i. dus zelfs een leek begrijpen. Had hij die in zijn bezit, dan stond hij tusschen Wellington en Blücher in.

In den middag van den 15en wordt de Sambre bereikt, Charleroi bezet, en worden de daar staande Pruisische voorposten teruggedrongen. Terwijl Ney, die Napoleon bij zich heeft ontboden, last ontvangt om met de linkercolonne in de richting van Quatre-Bras voort te dringen en den vijand daar terug te werpen, krijgt Grouchy de opdracht den rechtervleugel te dirigeeren in de richting van Sombreffe, de vijandelijke afdeelingen tot hier te vervolgen en bij deze plaats stelling te nemen.

Door de al te groote voorzichtigheid van Ney en zijn weinige beslistheid bleef hij in den avond van den 15en in de omstreken van Frasne en werd Quatre-Bras op dien dag niet bezet. Ook Sombreffe werd niet bereikt, daar Grouchy, na den vijand teruggedrongen te hebben, van de verdere vervolging moest afzien.

Niettegenstaande deze beide belangrijke punten dus op den 15en niet in handen van de Franschen kwamen, waren de troepen van Napoleon geconcentreerd, terwijl dit bij de tegenpartij niet het geval was.

De kans op 't geen thans door het overschrijden van de Sambre was geschied, was door Blücher en Wellington voorzien. Voor dit geval was besloten, dat de eerste zijn leger dan bij Sombreffe, de laatste het zijne bij Quatre-Bras samentrekken zou.

Terwijl Blücher zich nu aan deze afspraak hield en Napoleon dus een doel bood, handelde Wellington, zeker uit vrees voor zijn eigen terugtochtsweg naar de zee, aanvankelijk juist omgekeerd. Niet naar Quatre-Bras, doch naar Nivelles, dus zooveel verder naar 't westen en meer van Blücher verwijderd, verlegde hij het verzamelpunt van zijn krijgsmacht. [35]

Met zijn leger ingedeeld in twee vleugels, de linker onder Ney, de rechter onder Grouchy, en een reserve onder zijn eigen bevelen, begon Napoleon den 16en den opmarsch, vond bij Ligny een Pruisisch korps, aanvankelijk zonder te weten, dat hij Blücher zelf met bijna zijn gansche macht hier tegenover zich had, greep het in 't namiddaguur, dus veel te laat, aan en wierp het na een hardnekkig gevecht, waarbij Blücher zelf bijna sneuvelde, overhoop, zoodat het naar het noordoosten begon terug te gaan.

Overeenkomstig de ontvangen bevelen was Ney tegelijkertijd op marsch gegaan naar Quatre-Bras en hier gestooten op een kleine macht Hollanders en Nassauers, nog geen achtduizend man, door den prins van Oranje, die daar het bevel voerde, in allerijl samengebracht, opgesteld en geleid, op zoo meesterlijke wijze, dat Ney een overmacht meende voor zich te hebben en dus niet krachtig dorst aanvallen.--Hiervan zag hij tenslotte zelfs geheel af, toen hij ontwaardde, dat die macht in aantal aanhoudend ontzagwekkender werd, en toen het korps van d'Erlon door een onjuist overgebracht bevel aan zijn commando onttrokken en naar Ligny (Saint Amand) gedirigeerd werd om, heette het, Napoleon bij Fleurus te steunen, en de daar staande Pruisen te omvatten.

Een samenloop van toevallige omstandigheden was dus oorzaak dat Quatre-Bras in handen bleef van den prins van Oranje; dat Wellington, al had hij in strijd met zijn mondelinge belofte aan Blücher dezen bij Ligny in den steek gelaten, niet totaal van dezen werd afgesneden; dat het plan des Keizers niet geheel slaagde.--Het verdere verloop van den veldtocht hing thans geheel af van de vraag of deze, na de Pruisen te Fleurus geslagen te hebben, die verder zoo krachtig en zoo onafgebroken zou doen vervolgen, dat er van een vereeniging tusschen hen en Wellington zelfs veel verder noordwaarts geen sprake meer kon wezen.

Juist van een vervolging, zooals hij die in 1796 tegenover Beaulieu en Colli had ingesteld, was ditmaal echter zelfs geen sprake. Den 17en 's morgens bleef hij te Fleurus, beval een revue over de troepen, zond slechts een cavaleriedivisie den straatweg op naar Luik, waarheen de Pruisen afgetrokken heetten, reed daarop naar 't slagveld, sprak met de gekwetsten, bleef geruimen tijd met Grouchy, dien hij kort te voren tot maarschalk had verheven en met generaal Gerard praten over Parijs en de toestanden aldaar, gaf eerst in den namiddag aan dezen maarschalk last met een deel van zijn macht de vervolging te beginnen en de zegepraal te voltooien; daarna reed hij per rijtuig naar Ney, die tegen zijn verwachting bij Quatre-Bras nog altijd vijandelijke afdeelingen voor zich had.

Aan Grouchy gaf hij thans kennis van zijn voornemen de rest van zijn leger met dat van Ney te vereenigen en de Engelschen aan te grijpen, wanneer deze aan de zuidzijde van het Soniënbosch mochten stand houden. Langs den straatweg naar Quatre-Bras moest de maarschalk met hem in verbinding blijven, naar het noordoosten naar Gembloux rukken en nauwkeurig aangeven, waarheen de Pruisen waren teruggetrokken.

Door deze late en niet krachtige vervolging na den slag bij Ligny gingen alle voordeelen van de overwinning op de Pruisen verloren; Napoleon had hier zelf veel schuld aan en het is haast onbegrijpelijk dat de Keizer zulk een langen tijd liet verloren gaan.

Napoleon was niet meer dezelfde man van 1796. De vroeger reeds genoemde lichaamsgebreken bestonden niet alleen nog, doch aambeien en nog een andere ziekte, die hem bij 't rijden veel pijn veroorzaakten, waren hierbij gekomen. Toen Grouchy om nadere bevelen kwam vond hij den Keizer slapende en moest wachten. Zijn geest was nog de oude, zijn lichaam had hiermede geen gelijken tred gehouden; hij was ziek en zijn energie was niet zoo sterk meer als voorheen.

Door het niet uitzenden van verkenningsdetachementen, ook in andere richtingen dan naar Luik alleen, was de voeling met Blücher verloren gegaan.

Hoewel door een val met zijn schimmel overal gekneusd en gewond en alleen als door een wonder aan den dood ontkomen, was de grijze twee en zeventigjarige Blücher, zich niet krachtig achtervolgd ziende, inmiddels niet werkeloos gebleven. Zijn soldaten hadden hem niet zien vallen. Von Gneisenau, zijn geniale chef van den staf, had tijdelijk het commando op zich genomen en bevolen niet naar Namen, dus naar 't zuidoosten, terug te gaan doch naar Wavre, naar het noorden. Alleen in deze richting was voor hem nog kans zich met Wellington te vereenigen.

In diepe duisternis, onder een zwaren slagregen, langs ellendige, hier en daar schier onbegaanbare wegen begon de nachtmarsch van het 1e en 2e legerkorps. Het 3e zou de achterhoede uitmaken.--In den avond van den 17en Juni stond Blücher zoodoende met het geheele Pruisische leger, wel onvoldoende gevoed doch weder vrij goed van munitie voorzien, behoorlijk in zijn verband en met strijdlust bezield bij Wavre, gereed om aan Wellingtons schriftelijk verzoek te voldoen en dezen twee korpsen ter ondersteuning te zenden naar de stelling bij Waterloo, die de Engelsche veldheer reeds vroeger had verkend en die hij thans ging innemen.--Een uitgestrekte verhooging in 't door hem bezette terrein bij Quatre-Bras en het bosch van Bossu hadden het Wellington mogelijk gemaakt, door Ney onopgemerkt, zijn positie aldaar geleidelijk en in goede orde te verlaten.

Bij Quatre-Bras komende, (17 Juni 2 uur n.m.) vond Napoleon daar dus nog alleen enkele kleine voorposten-afdeelingen tegenover zich, die eveneens langzaam teruggingen. Zijn plan van den veldtocht, de strategische doorbreking, was, al wist hij dit zelf nog niet, mislukt. Voorts was Grouchy veel te zwak en veel te laat afgemarcheerd om Blücher nu nog te beletten, zich met Wellington te vereenigen.--Ook dit was voor Napoleon nog een geheim.

Ter hoogte van het dorpje Plancenoit maakte hij halt en koos als hoofdkwartier de pachthoeve Le Caillou. Voor een aanval op de Engelschen dienzelfden dag nog was het reeds te laat geworden.--Wellington had zijn kwartier genomen te Waterloo; de prins van Oranje in een kleine boerenwoning, in een kamer, die hij deelde met vijf officieren van zijn staf.

Geen enkele maal te voren heeft Napoleon met zulk een groote troepenmacht,--circa 80.000 man--gestreden op een ruimte, betrekkelijk zoo beperkt als die bij Waterloo. Het geheele slagveld is nog geen twee kilometer breed en slechts drie kilometer diep. Zijn leger werd in slagorde geschaard op de noordelijke hellingen van een lagen heuvelrug, die, van Braine l' Alleud langzaam klimmende, doorliep naar Maison du Roi en van Wellingtons positie was gescheiden door een veelal met hoog koren begroeid, tamelijk breed dal, dat met zijn kleibodem tengevolge van den zwaren regen van den vorigen avond en den nacht zeer drassig was geworden. [36]

Met den rug naar het vrij goed doorgaanbare Soniënbosch had Wellington stelling genomen op een uitgestrekt plateau, dat zich van Braine l'Alleud over Mont Saint Jean uitstrekte in de richting van Ohain en Wavre.

Vlak voor zijn front langs, in de laagte, liep de over een groote uitgestrektheid diep ingezonken, holle weg van Ohain, de randen bezet met zware heggen en knotwilgen, voor cavalerie een zoo goed als onmogelijk te passeeren hindernis.--Dat deze weg in dien toestand verkeerde, was aan Napoleon niet bekend; hij is het graf geworden van een deel van Milhauds kurassiers bij hun charge op de Engelsche carré's.