Napoleon

Chapter 46

Chapter 463,867 wordsPublic domain

De brief van den 12en April, ontvangen na zijn poging tot zelfmoord, had den Keizer veel goed gedaan. Aan de Caulaincourt had hij opgedragen haar op te zoeken en haar te vragen of zij zich over Orleans bij hem wilde voegen. Later was hij hierop teruggekomen en had hij verzocht geen drang op haar uit te oefenen.--"Het door haar te nemen besluit moet voortkomen uit haar eigen hart; ik ken de vrouwen en vooral mijn eigen vrouw tegoed. Een gevangenis in plaats van het Fransche hof, zooals ik dit gemaakt heb, zou een zware beproeving voor haar zijn. Toonde zij mij een treurig gezicht of verried zij verveling, dan zou mij dit bitter leed doen. Liever blijf ik dan alleen. Komt zij uit eigen beweging tot mij, dan zal ik haar met open armen ontvangen; anders is het beter, dat zij blijft, waar zij is. Ik zal haar alleen vragen om 't bijzijn van mijn zoontje."

Zoo sprak de Keizer; zoo dacht hij over de vrouw, die hij zelf den titel van Regentes van het Keizerrijk had geschonken, een bewijs van liefde en vertrouwen, zooals Joséphine zelfs nooit van hem had ontvangen.

Twee brieven, in die dagen aan haar, aan "zijn goede Louise," aan "zijn goede Louise-Marie" gericht, zijn openbaar gemaakt. Van zijn eigen rampen spreekt hij daarin niet; hij verneemt, dat zij te Aix de baden moet gaan gebruiken en alleen de zorg voor haar gezondheid vervult hem. Kan zij niet terstond naar Elba komen, dan moet zij stellig zoo spoedig doenlijk naar Parma reizen. Een detachement zijner Poolsche chevau-légers en honderd koetspaarden zendt hij derwaarts reeds vooruit.

Dat die baden te Aix slechts een voorwendsel zijn om tijd te winnen, weet hij niet; dat de diplomatie reeds over zijn vrouw heeft beschikt, is voor hem een geheim; dat Talleyrand op zijn werk der wrake de kroon wil zetten en hem ook voor altijd scheiden zal van vrouw en kind, kan hij, de man van lagere afkomst, in de kunstgrepen der hoogadellijke diplomaten niet zoo doorkneed als "die weerzinwekkende horlevoet," niet bevroeden. Hoe wil hij weten dat mevrouw de Brignole, hofdame van zijn vrouw en een creatuur van Talleyrand, Maria Louise, die eerlijke raadslieden mist, trapsgewijze brengen zal tot de overtuiging, dat hij haar nooit heeft liefgehad, haar steeds bedrogen heeft. Hoe wil hij vermoeden dat zelfs twee kamerdienaars, die te Fontainebleau zijn weggeloopen, door den prins van Benevento zijn omgekocht om de verklaringen van die intrigante te steunen?

Ook vermoedt hij niet, dat diezelfde jonge vrouw, die van haar prille jeugd af niets anders heeft geleerd dan lijdzaam te zijn en te gehoorzamen nog bijna een jaar lang worstelen zal tegen den op haar uitgeoefenden dwang om eerst te bezwijken als een nieuwe figuur, die van den eenoogigen generaal Neipperg ten tooneele verschijnt en haar, de dochter van den kuischen keizer van Oostenrijk, verlaagt tot zijn maitres. Hij denkt nog altijd goed. over haar als over ... de moeder van zijn zoon.

Van zijn gansche familie heeft alleen Murat, door Oostenrijk geschraagd, nog zijn kroon behouden. Eugène heeft bij zijn schoonvader een toevluchtsoord gevonden en den titel ontvangen van hertog van Leuchtenberg. Elisa is naar Bologna vertrokken. Louis en Lucien bevinden zich te Rome bij hun moeder.

In diezelfde Meidagen stierf Joséphine. De geweldige slagen, den nog altoos door haar beminden man toegebracht, zijn diepe val, de schandelijke laster, waarmede hij werd overstelpt, hadden haar diep gewond. Geen bezoek van keizer Alexander, geen verzekering van diens grooten eerbied voor haar, geen hulde, door hem aan haar karakter gebracht, was bij machte herstel te brengen. Een lichte keelaandoening, die weldra ontaardde in een heftige bronchitis, sloopte binnen weinige dagen haar krachten geheel. In de armen harer kinderen, doch het brein tot zelfs in haar laatste oogenblikken met Napoleons beeld vervuld, blies zij den 29en Mei den laatsten adem uit.

Terwijl het tractaat van Fontainebleau (11 April) de gansche keizerlijke familie dus getroffen had met verbanning, had het de grenzen van Frankrijk wijd opengezet voor de Bourbons en hun aanhang. Verwelkomd door al de Napoleon afvallig geworden maarschalken, met Berthier en Ney aan 't hoofd, had de graaf van Artois reeds den dag daarna zijn intocht gehouden binnen Parijs en was bekleed met den titel van luitenant-generaal van het koninkrijk, tot zijn dikke, podagreuse doch geleerde oudste broeder, de graaf van Lille, als Lodewijk XVIII den eed op de nieuwe grondwet, het Groot-Charter, had afgelegd.

Den 3en Mei hield de nieuwe koning, omstuwd door een drom van maarschalken zijn intocht binnen Parijs. De koningsgezinden juichten; een massa dames uit de hoogste standen pronkten met witte zakdoeken in de hand voor de ramen, waar de stoet passeerde. De handwerksstand en het mindere volk betoonden niet veel geestdrift voor die langvergeten figuren der voorgaande eeuw; die dachten aan Napoleon; die juichten eerst, toen de oude garde, de grognards met hun sombere, neerslachtige gezichten, naderden.--"Leve de oude garde!" klonk het toen als een lang ingehouden schreeuw van sympathie en hartelijk welkom van de lippen derzelfde mannen, die even te voren Berthier een hoonend, verwijtend: "Naar Elba!" hadden toegesnauwd.

De royalisten hadden hun zin. De Keizer was gevallen, een Bourbon weder koning; vraagt niet tot welken prijs! Den 23en April had de graaf van Artois met de bondgenooten een overeenkomst aangegaan, waarbij de vijandelijkheden werden gestaakt, ja, en de vreemde legers Frankrijks grondgebied zouden ontruimen, doch waarbij Frankrijk werd teruggebracht tot zijn grenzen van vóór 1 Januari 1792 en waarbij, onverminderd de later vast te stellen vredesvoorwaarden, 53 vestingen, ruim 12.000 vuurmonden, 31 oorlogsschepen, 12 fregatten, een massa kleine oorlogsvaartuigen benevens de inhoud van alle arsenalen, de geschutgieterijen, de magazijnen van kleeding met hun kostbaren inhoud, om kort te gaan al het oorlogstuig, dat het land bezat, een waarde van duizenden millioenen vertegenwoordigende, onvoorwaardelijk aan den vijand werden afgestaan.

Met één pennestreek van het Voorloopige Bewind was het land weerloos gemaakt!

Omtrent de rijken buiten Frankrijk kunnen wij kort zijn. Door de Oostenrijkers en Murat werd de paus weder naar Rome gevoerd. De koning van Sardinië en Ferdinand van Spanje keerden in hun staten terug. Milaan kwam in opstand tegen zijn Senaat, een instelling van Napoleon. Lombardije en Venetië, die vrij hadden willen zijn, werden weder door Oostenrijk in bezit genomen. Genua had gecapituleerd tegenover de Engelsche vloot. Binnen een paar maanden was er van het reusachtige bondgenootschap, door den Keizer gegrondvest, niets meer over. Alles was teruggekeerd tot de toestanden van voorheen. Doch neen! In het hart van de natiën van Europa had Napoleons bestuur denkbeelden, begrippen, gedachten doen ontstaan of herleven, die niet meer waren te verstikken, die nauw samenhingen met hun bestaan als mensch en die ondanks alle traditiën, alle dogma's, alle wanbegrippen zich zouden baan breken, al zouden er jaren en nogmaals jaren moeten verloopen, voordat de stelselmatige onderdrukking des geestes voor vrijheid van gedachten en vrijheid van onderzoek het veld had geruimd en groote maatschappelijke misstanden waren weggenomen.

Op denzelfden dag (3 Mei), dat Lodewijk XVIII te St. Denis de sleutels der hoofdstad in ontvangst nam en na wijding in de Notre-Dame in de Tuilerieën terugkeerde, stapte Napoleon te Porto-Ferrajo aan land, de hoofdplaats van zijn nieuwe koninkrijk. "Dit zal het Eiland der Ruste wezen," had Napoleon gezegd, alsof er voor zijn altijd werkzamen geest ooit van rusten sprake kon zijn. Reeds in de eerste dagen bleek, dat de nieuwe souverein van Elba daar niet was gekomen om niets te doen; zijn werkzaamheden in dezen tijd waren enorm, alles werd onderzocht en bekeken op het eiland en toen de eerste officieele kennismaking had plaats gehad en er op den 16en Mei een feest was gegeven op het stadhuis, ter eere van zijn komst, volgde de organisatie van zijn bestuur.

Het kleine domein kreeg een staatkundige indeeling met ministers en een rechtbank, met een inspecteur over de bruggen en wegen, een directeur der domeinen enz. Leger en vloot werden niet vergeten. Het eerste bestond uit ongeveer 1600 man waaronder een afdeeling van zijn oude garde onder Cambronne, die kort na zijn aankomst op Elba was geland. De generaal Cambronne, die op verzoek belast was geweest met het overbrengen van die oude veteranen, op welker komst Napoleon zoo bijzonder gesteld was geweest, werd tot Militair Gouverneur van Porto Ferrajo benoemd. Voor de opleiding van officieren werd gezorgd door in navolging van de School te Parijs een Cadettenschool op te richten, waar ongeveer tien leerlingen waren ingeschreven.

De vloot bestond uit 5 schepen, waarvan de brik "Inconstant" met 16 kanonnen bewapend tot admiraalschip werd aangewezen.

De Keizer hield voorloopig verblijf op een heuvel bij Porte Ferrajo, waar enkele huisjes en molens werden weggenomen en van de aldaar gevestigde paviljoens door de artillerie en genie een centraal paviljoen werd gemaakt, dat hem als woning zou dienen en dat men wel met den weidschen naam palazza bestempelde, maar dat een kruidenier, die uit de zaken was gegaan te armoedig zou hebben gevonden.

Bertrand werd er als Groot Maarschalk aan verbonden en mocht bovendien de Burgerlijke Zaken van het eiland besturen, terwijl Drouot als militair gouverneur van het eiland zou optreden,

Behalve een hofaalmoezenier, vele secretarissen, paleisprefecten en ordonnansofficieren kwam het noodige dienst- en keukenpersoneel het hof van den souverein van het "kleine nest," zooals Napoleon Elba noemde, volmaken.

Ook een wijngaard deed hij aanleggen. Zijn soldaten zouden wel zorgen, dat de druiven niet te rijp werden, merkte hij lachend op. Eindelijk kocht hij het in een koel dal gelegen buitentje San-Martino om er de heete zomerdagen door te brengen.

"Ik wil hier voortaan leven als een vrederechter. De Keizer is dood; ik ben niets meer," kon men hem herhaaldelijk hooren zeggen. "Ik denk aan niets meer dan aan mijn eilandje. Voor de wereld besta ik niet meer. Alleen in mijn familie, mijn huisje, mijn koeien en mijn muilezels stel ik nog belang."

Van zijn familieleden had aanvankelijk alleen zijn zuster Pauline hem sedert eind Mei gezelschap gehouden, maar ze was verplicht wegens gezondheidsredenen tijdelijk naar Napels te gaan. Ook Lætitia kon het in Rome niet uithouden en trots haar hoogen leeftijd kwam ze haar zoon, die nu zoo in de ellende zat, troosten. Echt moederlijk voelde zij zich altijd het meest aangetrokken tot het kind, dat het meest haar steun noodig had. Hoe dikwijls was ze bij haar zoon, toen hij nog Keizer was, komen vragen om hulp voor de andere kinderen; zelden was het geheel zonder succes geweest, thans diende hij op zijn beurt te worden geholpen. De ontmoeting was bijzonder hartelijk geweest en trots de Elbanen, die er bij tegenwoordig waren kon hij zijn gevoel niet meester blijven en huilde toen hij haar zag. Ze was in vele opzichten een groote troost voor hem en samen zaten ze dikwijls op den top van den berg Giove. Daar kon men ze zien zitten, beiden mijmerende over vervlogen tijden, denkende aan hun geboortegrond Corsica, dat zóó dicht in hun nabijheid was, dat men er volgens Napoleon de geur van het maquis kon ruiken.

In Augustus zocht hij onder het zware geboomte van een hermitage in de bergen een toevluchtsoord tegen de groote hitte en dan 's middags ging hij geregeld bij zijn moeder eten. Daar ontving hij ook in 't diepst geheim een kortstondig bezoek van Maria Walewska met haar zoontje, die in gezelschap van haar zuster freule Laezinska op weg was naar Napels.

Met een wijsgeerige kalmte, die aller verbazing opwekte, scheen Napoleon zich in zijn lot te schikken. Op een der schoorsteenzuilen in een kamer van San-Martino lazen de bezoekers: "Ubicunque Felix Napoleon." (Napoleon is overal gelukkig.)

Of dit volkomen de stemming van den gewezen Keizer weergaf? We betwijfelen het.

Naarmate hij langer op Elba vertoefde werd hij meer gekweld door de afwezigheid van vrouw en kind. Napoleon had het goed gevonden, dat zij te Aix de baden ging gebruiken voor haar gezondheid; wat hoorde hij echter op toen hij bericht ontving, dat ze eerst naar Weenen vertrok met haar kind, maar de ontsteltenis werd nog grooter toen Maria Louise, bij haar vertrek uit Weenen naar Aix, het kind in Weenen achterliet. Wat hij zoo vurig gehoopt had dat niet zou gebeuren was dus thans geschied; zijn zoon in Weenen! Had hij hem vroeger niet liever in de Seine gewenscht dan in handen van zijn vijand? En Maria Louise alleen naar de badplaats; ook voor haar vond hij dat wereldje in Aix alles behalve goed; hij zag, zei men, op een afstand... Neipperg.

Langzamerhand werd hem nu bekend wat de bondgenooten over het lot van zijn zoon hadden beslist, en dat de diplomatie bezig was zijn vrouw te voeren in de armen van dien Oostenrijkschen generaal. Uit brieven van zijn voormaligen secretaris de Meneval, die haar was gevolgd en door de rapporten van den kapitein Hurault, wien hij last had gegeven zijn vrouw naar Elba te begeleiden, werd hem dit alles thans duidelijk.

Bij den Engelschen kolonel der marine Campbell, die met zijn bewaking belast was, beklaagde hij zich herhaaldelijk vol bitterheid over het onmenschelijke gedrag van zijn schoonvader.

"Mijn vrouw schrijft mij niet meer. Mijn zoon is mij afgenomen, evenals men voorheen de kinderen der overwonnenen wegnam, om ze de zegekar des overwinnaars te doen voorafgaan," zei hij met een stem, die trilde van ontroering en die den kolonel diep trof.

Een brief in October gericht aan den groothertog van Toscane, een oom van zijn vrouw, op wiens vriendschap hij nog altijd meende te kunnen rekenen, een droevig schrijven, waarin hij kennis gaf, dat hij sinds 10 Augustus niets meer van Maria Louise en in maanden niets meer van zijn zoon had vernomen, bleef onbeantwoord. Maar er was meer dat hem hinderde.

Hardnekkig bleef Talleyrand weigeren hem het bij verdrag vastgestelde jaargeld uit te betalen en noch door den Czaar, noch door lord Castlereagh was hij hiertoe te bewegen. "Dat was personen, die neiging hadden tot intrigeeren, zelf de wapens in de handen geven," zei hij.

Het Congres van Weenen was bijeengekomen en reeds spoedig drongen geruchten tot Napoleon door, dat daar plannen gesmeed werden om hem te verplaatsen en verder van Frankrijk te verwijderen, naar de Azoren, de Botany-Bay in Australië of St. Helena.

Talleyrand, die in dien geest voorstellen had gedaan, scheen het eens te zijn met dien anderen bewerker van Napoleons val n. l. Fouché, die Elba voor Frankrijk hetzelfde vond wat de Vesuvius voor Napels was.

Ook hoorde Napoleon van een volstrekt niet uit de lucht gegrepen plan om hem voor goed uit den weg te ruimen. Cambronne nam strenge maatregelen voor de veiligheid, zond vele verdachten weg en zorgde ervoor, dat zijn meester nooit zonder geleide uitging.

Toch maakte dit alles diepen indruk op Napoleon; bovendien had hij ook te kampen met het op sterkte houden van zijn legertje; het niets doen was voor de oude grognards, die Elba "het vossenhol" noemden, verschrikkelijk; roof en plundering waren een welkome afleiding in hun eenzaam bestaan, terwijl vooral in 't Corsicaansche bataljon desertie op groote schaal de gelederen dunde. Wat er aan te doen? De recruteering uit Italië en Corsica werd door het ter dood brengen der werfofficieren verhinderd, terwijl geldgebrek ook al niet bevorderlijk was om soldaten in dienst te nemen. Iedereen op Elba begon te begrijpen, dat het zoo niet langer kon en er verandering moest komen. Het gebrek aan geld, de organisatie van het leger, de voortdurende berichten over oplichting en aanslagen, gevoegd bij de gruwelijke verveling en de nooit bij hem uitgedoofde onverzadelijke begeerte naar macht deden Napoleon ten slotte besluiten naar Frankrijk terug te keeren en zijn leven toe te vertrouwen aan het Fransche volk.

Het duurde lang voor hij zijn geheim mededeelde; zelfs zijn moeder kwam het eerst te weten, toen hij op het punt stond scheep te gaan. Ze weerhield hem niet, begreep misschien, dat dit toch niet zou gebaat hebben, maar, zei ze veelbeteekenend: "Indien ge moet sterven mijn zoon, de hemel, die niet heeft gewild, dat dit zou zijn in een voor u onwaardige rust, zal ook hoop ik verhoeden, dat dit door vergif zal zijn, maar met den degen in de hand." Tot dit besluit om naar Frankrijk terug te keeren, was hij vooral ook gekomen na het hooren van den heer Fleury de Chaboulon, voormalig auditeur bij den Raad van State, een even stoutmoedig als vurig aanhanger zijner dynastie, hem door de Bassano in 't geheim toegezonden om hem in te lichten betreffende den toestand in Frankrijk.

Hier wees alles erop, dat zelfs, al greep Napoleon niet zelf in, de nieuwe toestand zich niet bestendigen kon. Dagelijks leverden de Bourbons en hun aanhang de bewijzen, dat zij in al die jaren niets hadden geleerd, niets hadden vergeten, en dat zij alle verhoudingen terug wilden brengen tot die van vóór 1792. De eigenaars van nationale goederen zagen hun bezit bedreigd door de kuiperijen der voormalige émigrés, het Groot Charter bevredigde in de eerste plaats de republikeinen niet, maar ook de royalisten waren er niet mee tevreden; het Maison du Roi, een zeer kostbare militaire instelling, vroeger ontstaan om hovelingen en adellijke jongelui een goed bezoldigd lui baantje te bezorgen, werd weder opgericht.

De schatkist was leeg en het aantal ontevredenen, vooral te Parijs, was enorm gestegen door de afdanking van wel 200.000 man en het op non-activiteit stellen van ongeveer 20.000 officieren; de nommers der regimenten, waaronder de soldaten, zich eer en roem hadden verworven, waren gewijzigd.

Het kader, uitsluitend uit jonge adellijke officieren gevormd, boezemde het leger geen vertrouwen in; voor de schako prijkte de witte cocarde, maar diep in den ransel werd de tricolore als een reliquie bewaard. Op de chambrées hoorde men het refrein "Il reviendra" en Lodewijk XVIII was de risée der soldaten. Een gedecoreerd soldaat met 28 dienstjaren nam ontslag want "onze vader is niet meer in 't leger."

De vernietigende voorwaarden, waaronder vrede was gesloten, hadden bij alle niet-royalisten wrevel doen ontstaan en vooral het oude leger, de troepen, die uit Duitschland en van de grenzen terugkeerden waren hierover verwoed. Bij een door den graaf van Artois gehouden revue kreeg hij uit den mond van een ouden wachtmeester, wien hij verzocht Vive le Roi! te roepen, zelfs te hooren, dat hij dit niet verkoos te doen en dat hij liever riep: "Vive l'Empereur."

Op een der ramen van de Tuilerieën schreef men met een diamant: "Vive l'Empereur" en later vond men er onder geschreven "goedgekeurd."

Den Keizer was men niet vergeten; in café's dronk men zijn gezondheid; op pijp, glas en bierpul vond men zijn beeltenis. Het leger verwenschte de Bourbons en hun aanhang; in het noorden staken verscheiden jonge generaals de hoofden bijeen; de republikeinen zagen in, dat zij een zeer slechten ruil hadden gedaan, toen zij een genialen, krachtigen man met een ijzeren vuist vervangen hadden door een impotenten vorst, die als koning bij de genade Gods gaarne in alles den baas wilde spelen, die dom vroom als zijn omgeving, bij den paus reeds aandrong op afschaffing van het Concordaat, die met zijn hofstoet te zeer doortrokken was van den ouden zuurdeezem der traditie om in deze wereld van de nieuwe begrippen een plaats te vinden. Daar kwam nog bij, dat hij zoo naïef was geweest zich te laten ontvallen, dat hij "naast God aan de Engelschen (dus aan den doodvijand) zijn kroon had te danken."

Grillige ironie van het toeval! Davoust, de dappere doch door het hof miskende verdediger van Hamburg, door zijn gestrengheid voorheen bij het leger gevreesd, niet bemind, werd thans ongezocht binnen weinige maanden het middelpunt van een kring van oude, verdienstelijke officieren, die reikhalzend uitzagen naar een omwenteling, doch die werden in toom gehouden door zijn afkeer van elken aanslag, welke niet deugdelijk was voorbereid.

Ontevredenheid dus overal. Is het wonder, dat Napoleon door Fleury de Chaboulon, door Hortense te Parijs en tal van agenten op de hoogte gebracht, tot het besluit kwam terug te keeren?

Zoo terecht heeft hij zelf gezegd: "De Bourbons hadden mijn gedrag in hun handen; indien ze begrepen, dat zij een nieuwe dynastie moesten beginnen en niet een oude voortzetten, ik had niets meer te doen, mijn politieke zending was geëindigd, ik zou op Elba gebleven zijn. Zij zijn het, die mijn populariteit hebben hersteld en mijn vertrek hebben bepaald. Dat het congres van Weenen mij van mijn eiland zou oplichten, deze omstandigheid heeft mijn terugkeer verhaast. Was Frankrijk goed geregeerd, mijn invloed was geëindigd en men had er niet over behoeven te denken mij te verplaatsen."

Dat vooral ook de gedachte aan een mogelijke deportatie, waartoe het Weener Congres, in de herfst van 1814 bijeengekomen, wilde besluiten, hem ontzettend hinderde, bleek ook uit hetgeen hij reeds vroeger aan kolonel Campbell had gezegd: "Willen ze mij van kant maken, dan is mij dit wel; maar deporteeren laat ik mij niet en oplichten ook niet. Dan zullen ze eerst bres moeten schieten in mijn forten."

Gebruik makende van een korte afwezigheid van Campbell scheepte hij zich den 26en Februari tegen den avond in op de Inconstant, na op dien dag de mededeeling te hebben gedaan aan de bewoners van het eiland en in zijn paleis nog receptie te hebben gehouden.

Nauwelijks was het kleine eskader uit Porte Ferrajo weggezeild of er kwamen schepen in 't gezicht, zoodat men den Keizer den raad gaf terug te keeren, maar daar dacht hij niet over, doch gaf orders zich zoo noodig gereed te houden voor een gevecht. Dat de Keizer eenige benauwde oogenblikken beleefde kan men begrijpen, te meer daar aan bakboord een oorlogsschip recht op de Inconstant afkwam. De schepen kwamen dicht bij elkaar en brutaalweg werd van de Inconstant gevraagd: "Waar gaat ge heen?" "Naar Livorno" gaf de kruiser, niet vermoedende welke kostbare vracht daar werd weggevoerd, ten antwoord. "En gij?" "Naar Genua." Hebt ge zaken? "Neen." "En hoe gaat het met den grooten man?" "Uitstekend" luidde het antwoord. De schepen passeerden elkaar!

"'t Is een Austerlitzdag" mocht Napoleon wel zeggen, toen hij als door een wonder aan de vijandelijke kruisers was ontsnapt.

Den 1en Maart 1815 geschiedde de landing in de golf Juan in de nabijheid van Cannes, waar hij uitstekend werd ontvangen.

In kernachtige proclamaties, deed hij een beroep op volk en leger om zich weder onder hem te scharen.

"Franschen," zei hij daarin o.a. tot het volk, "ik heb in mijn ballingschap uw klachten en uw wenschen gehoord, gij eischt de regeering van uw keuze, die de eenig wettige is, terug. Ik ben de zee overgestoken. Ik kom mijn rechten, die de uwe zijn, hernemen."

"Soldaten" heet het o. a. tot het leger, "schaart u onder de vaandels van uw Chef... de zege zal met den stormpas worden behaald. De adelaar met de nationale kleuren zal van toren tot toren vliegen tot aan de spitsen van de Notre-Dame." Aanvankelijk ging alles voorspoedig en te Grasse, Digne en Gap werd hij door de bevolking vol geestdrift begroet maar in de buurt van Grenoble kwam een critiek moment. Van uit deze plaats waren troepen gezonden om "Napoleon en zijn roovers" tegemoet te gaan. Het was een bataljon infanterie van het 5e regiment, onder de bevelen van den kapitein Randon, dat in last kreeg op hem te schieten.

Daar komt hij aan; met doodsbleeke gezichten zagen de ongelukkige soldaten, dat de Keizer zijn escorte van gardejagers het geweer "verdekt" deed nemen en alleen naderde.