Chapter 45
Als ridderlijke, trouwe soldaten weigerden de maarschalken echter nu reeds van die machtiging gebruik te maken. Tot in den namiddag zetten zij het ongelijke gevecht hardnekkig voort. Ten slotte waren al de hoogten aan de oost- en de noordoostzijde van de stad met vuurmonden bekroond, was de brug bij Charenton in handen der Russen, en stond Blücher op de hellingen van den Montmartre. Toen besloot Marmont van zijn machtiging gebruik te maken en om verder noodeloos bloedvergieten te voorkomen een wapenstilstand te verzoeken.--Deze werd toegestaan, doch slechts voor vier uur.
In zijn hôtel teruggekeerd, vond de maarschalk daar een groot aantal bankiers, notabelen en grondbezitters, die verlangden naar een capitulatie; zij hadden genoeg van den strijd en waren beducht voor hun eigendommen.
Werd de stad met storm genomen, dan waren de ellende en de rampspoed niet meer te overzien.
Een korte poos aarzelde Marmont, vooral toen generaal Dejean binnentrad met de mededeeling, dat Napoleons leger in aantocht was, een zeer optimistische, onware voorstelling van den toestand. Dat leger was nog zeer ver weg.--Ten slotte gaf hij toe, er werd tot een verdrag besloten (30 Maart).
"Goed nieuws, lieve vriendin! Maarschalk Marmont heeft daareven met zijn korps gecapituleerd. Dit is het gevolg van onze proclamaties en brieven. Hij wil niet langer vóór Bonaparte tegen het vaderland dienen," schreef Talleyrand dienzelfde avond nog aan zijn nicht de hertogin van Koerland. Hoe prins von Metternich dacht over dezen sluwen staatsman en voormaligen bisschop van Autun, zijn vriend en medeplichtige, vinden wij in zijn Gedenkschriften: "Hij was een buitengewoon schrander man. Van zoo nabij heb ik hem gekend, dat ik hem grondig heb kunnen bestudeeren. Vernietigen meer nog dan behouden lag in zijn karakter. Als priester werd hij door zijn temperament medegesleurd op anti-godsdienstige wegen. Zelf van adellijke geboorte, pleitte hij niettemin voor de vervallenverklaring van den adelstand; onder het republikeinsche stelsel spande hij samen tegen de Republiek; onder het Keizerrijk conspireerde hij tegen den Keizer; eindelijk onder de Bourbons arbeidde hij aan de omverwerping van de wettige dynastie."
Bijna zoolang keizer Alexander te Parijs is gebleven, was Talleyrand zijn gastheer. Schier onbegrijpelijk is 't, dat Napoleon dezen man, dien hij toch zoo door en door kende, zooveel jaren in zijn naaste omgeving heeft geduld. Van af den vrede van Tilsit had hij voortdurend tegen hem samengespannen. Toen Champigny bij den vrede van Weenen (1809) van Oostenrijk vijf en tachtig millioen francs schadevergoeding van Oostenrijk had weten te verkrijgen, terwijl er door Napoleon slechts op vijf en zeventig was gerekend, vond deze dit een prachtig resultaat. "Was Talleyrand in uw plaats geweest, dan had hij mij die 75 millioen gegeven en de rest in zijn zak gestoken," zei hij. Bij verschillende gelegenheden had hij Talleyrand uit zijn schulden geholpen, maar hem ook grenzenloos beleedigd; toch bedroog en verried hij Napoleon en toch bleef de Keizer hem handhaven. Dergelijke raadselachtige staaltjes van zwakheid om geen scherper woord te bezigen, zijn in het leven van dezen overigens zoo wilskrachtigen man geen zeldzaamheid. Stellig zijn ze in elk geval een bewijs, dat hij voor zijn dienaren niet zulk een gevoelloozen, harteloozen meester was als men vaak heeft beweerd.
Terwijl Marmont dus capituleerde, waren graaf Dalberg, de senator Jaucourt en de drie geestelijken de Pradt, Louis en de Montesquiou bij Talleyrand om te overleggen over den vorm van een nieuw bewind. Volgens deze in Frankrijk welbekende staatslieden was Napoleon een verloren man; zij besloten de Bourbons terug te roepen.
Voorafgegaan door een twintigtal ruiters, die met witte zakdoeken wuifden, een witte cocarde droegen en luidkeels: "Leve de Bourbons!" riepen, een kreet, die aanvankelijk slechts verbazing wekte,--de Bourbons waren reeds zooveel jaren geleden verdwenen--en die in de voorsteden met een daverend Vive l' Empereur! werd beantwoord, trokken de bondgenooten met keizer Alexander aan de spits Parijs binnen.--Zeker uit kieschheid tegenover zijn dochter was keizer Frans nog te Dijon gebleven.--Terwijl nu op aandrang van enkele heethoofden het standbeeld van Napoleon op de place Vendôme door den vervaardiger, den heer Launay, van zijn voetstuk werd genomen, kwamen in 't hôtel van Talleyrand eenige voorname Fransche en buitenlandsche personen, waaronder de koning van Pruisen en Schwartzenberg bijeen, om onder de leiding van keizer Alexander te beraadslagen.
Vrede sluiten met Napoleon en een regentschap instellen over diens zoon waren twee punten, die Talleyrand terstond wist op zijde te schuiven, "als zijnde in strijd met de duidelijk uitgesproken wenschen der natie." Voor het herstel der Bourbons (de restauratie) ijverde hij sterk. Wanneer een beroep op den Senaat (zijn willoos werktuig) werd gedaan, zou de omwenteling, die voor de deur stond, al den schijn hebben van wettigheid, betoogde hij.--Dat de Bourbons niet op den ouden voet weder met het gezag bekleed zouden worden, dat zij zijn voorwaarden zouden moeten aannemen, stond bij hem reeds vast.
Eenmaal tot de restauratie besloten, vaardigde keizer Alexander een proclamatie uit, waarin hij verklaarde, "dat de bondgenooten niet meer met Napoleon Bonaparte of met een van diens familieleden wilden onderhandelen, dat zij den oorspronkelijken vorm van Frankrijk eerbiedigden, en den Senaat uitnoodigen zouden een voorloopig bewind samen te stellen. Dit zou dan in de behoeften van het beheer voorzien en een grondwet voorbereiden naar keuze der natie. Deze zouden zij dan waarborgen."
Den 1en April benoemde de Senaat, door Talleyrand in zijn hoedanigheid van vice-grootkeurvorst bijeengeroepen, dus een voorloopig bewind van vijf leden: Talleyrand, graaf de Jaucourt, den staatsraad hertog van Dalberg, den abbé de Montesquiou en den generaal de Beurnonville. De Parijsche gemeenteraad teekende een verklaring ten gunste der onvoorwaardelijke terugroeping van de Bourbons. Het Wetgevend Lichaam, uit zijn asch verrezen, nam het voorstel van den Senaat zonder discussie aan.
De keizer van Rusland en de koning van Pruisen ontvingen van een en ander kennis, en den 3en April nam het Voorloopige Bewind het besluit over van den Senaat, waarbij Napoleon werd vervallen verklaard van den troon, het recht van erfelijkheid in zijn familie afgeschaft, de Fransche natie en het leger ontslagen werden van den eed van trouw, aan hem gezworen. Den volgenden dag ontsloeg een nieuw besluit al de nog niet onder de wapenen geroepen of niet ingedeelde conscrits en de bataljons der nieuwe levée en masse.
Wat een vreugde heerschte er in 't kamp der koningsgezinden! Hadden zij hun zin gekregen, dan waren de Bourbons nu terstond teruggeroepen. De heer de Vitrolles, een volbloed royalist, was zelfs reeds op weg naar den graaf van Artois, die zich wijselijk te Nancy nog had schuil gehouden, met verzoek als 's konings plaatsvervanger terstond naar Parijs te komen. Talleyrand, als altijd kalm en ironisch, en graaf Dalberg, een volbloed liberaal, gaven den ijver dier heeren echter een koud bad door de verklaring, dat alvorens er van een herstel der Bourbons sprake kon zijn eerst een grondwet moest worden samengesteld.
Thans keeren wij naar den Keizer terug.
Laat in den avond van den 30en Maart heeft hij bij Fromenteau generaal Belliard dus ontmoet met de tijding, dat Parijs zich heeft overgegeven, en dat Marmont en Mortier reeds naar Fontainebleau op weg zijn om hier te worden onder dak gebracht. Hij overstelpt hem met een stortvloed van snel op elkander volgende vragen naar zijn vrouw, zijn zoon, zijn broer Jozef, naar Clarke en de troepen en begint dan snel voort te stappen. Hij wil volstrekt naar Parijs.
Nadat de Caulaincourt, Berthier en Belliard hem van dit voornemen hebben teruggebracht, gaat hij met het hoofd in de handen op een mijlpaal naast den weg zitten. Hij is doodaf. Het laatste etmaal is hij bijna niet uit den zadel geweest. Als hij opstaat, is zijn gelaat bleek doch kalm. Onwrikbare wilskracht gloeit in zijn oog. Hij geeft de Caulaincourt order naar Parijs te gaan, keizer Alexander op te zoeken en paal en perk te stellen aan de intriges, welke daar tegen hem worden gesmeed. Berthier moet de armee en de afdeelingen van Marmont en Mortier opstellen aan het riviertje de Essonne; dan rijdt hij met Berthier door naar Fontainebleau.
Voornemens al het mogelijke te doen om tot vrede te komen, vertrok de Caulaincourt naar Parijs en werd door keizer Alexander ontvangen met een veelzeggend: "'t Is wel erg laat." Ook sprak hij met Schwartzenberg en enkele Fransche diplomaten en ontving ten slotte den raad Napoleon te bewegen tot abdiceeren. "Dan kon er later een besluit genomen worden betreffende een regentschap."
Vol walging van al de aanzienlijke personages die, voor een deel door den Keizer tot grootheid en aanzien gekomen, thans niet eens hun stem verhieven om voor hem te pleiten, keerde hij in den nacht van den 2en April naar Fontainebleau terug, deed verslag van zijn zending, doch kon Napoleon geen beslissend antwoord ontlokken. Deze had reeds in stilte het geduchte plan gevormd, zoodra hij zijn beschikbare troepen bijeen had, naar Parijs te rukken en daar de wapenen te doen beslissen. Den 4en konden Macdonald, Oudinot en Gerard met hun korpsen hem hebben gevonden; dan zou zijn leger circa 70.000 man sterk zijn; na één dag rust kon hij op marsch gaan.
Den 4en hield hij een revue over de garde, die in haar geheel stelling had genomen achter de troepen aan de Essonne, en sprak de officieren en onderofficieren daarna toe: "Soldaten, de vijand is ons drie marschdagen vóór geweest, hij is meester van Parijs. Daar moet hij vandaan gejaagd. Onwaardige Franschen, émigrés, die wij voorheen de zwakheid hebben gehad genade te schenken, hebben met hem gemeene zaak gemaakt en de witte cocarde op den hoed gestoken. Die lafaards zal het loon voor dezen nieuwen aanslag niet ontgaan. Laten wij zweren te overwinnen of te sterven en den hoon te wreken, het vaderland en onze wapenen aangedaan."
"Dit zweren wij!" was het antwoord, vol geestdrift en hartstocht gegeven. Toen werd voor hem gedefileerd.
Nauwelijks was hij de trap van 't paleis weder op of de maarschalken staken de hoofden bij elkander. Wat hij voornemens was te doen was gekkenwerk! Het moest hem worden belet.--De maarschalken werden door hun generaals en hoofdofficieren letterlijk voortgedrongen naar de deur van zijn kabinet, om hem de gehoorzaamheid op te zeggen. Zoover was het verzet zelfs reeds gevorderd, dat hier en daar een dreigend woord viel aan zijn adres, indien hij wagen dorst de maarschalken te doen arresteeren.
In 't bijzijn o.a. van Berthier, Maret en de Caulaincourt stapte Napoleon driftig en luid sprekende, in zijn kabinet op en neer, toen Lefebvre, Oudinot en Ney zwijgend binnentraden. Op hun gelaat stond te lezen wat er in hun gemoed omging. Wederom ontvouwde hij hun zijn plannen; hij sprak van één laatste krachtsinspanning, die hun dan rust zou schenken na vijf en twintig jaar arbeid. Zijn woorden troffen echter geen doel.
"Wilt ge dan dienen onder de Bourbons?" Een levendig protest was het antwoord. "Gaarne onder den Koning van Rome," riep Ney. Juist betoogde Napoleon, dat de keizerin zich als regentes geen uur zou kunnen staande houden, en dat de Bourbons dan binnen veertien dagen de baas zouden zijn, toen Macdonald, even te voren aangekomen, met een open brief in de hand binnentrad. In dien brief bezwoer de Beurnonville zijn ouden vriend in naam hunner vriendschap en van zijn huisgezin zich los te rukken van een tiran, die thans nog slechts een rebel was, en zich te geven aan de Bourbons, die met den vrede in de eene, de vrijheid in de andere hand, op het punt stonden in Frankrijk terug te keeren.
Op de vraag van wien die brief was, en op Macdonalds antwoord, dat hij geen geheimen voor zijn Keizer had, moest Maret het schrijven hardop voorlezen. Onder een minachtend zwijgen luisterde Napoleon.--"De Beurnonville en zijn gelijken zijn niets dan intriganten, die met de bondgenooten onder één deken liggen en een tegenomwenteling op het oog hebben," zeide hij ten slotte en begon weder over den tocht naar Parijs te spreken.
"Maar als de soldaten dan weigeren te volgen," waagde Macdonald te zeggen.
"Dit zou dan de schuld zijn van de heeren hier. Mij zouden ze wèl volgen."
Daarop zond hij de maarschalken weg. Hij wilde nadenken.
Veel tijd nam hij hiervoor niet. Na een kortstondig gesprek met Maret en de Caulaincourt, waarbij hij o. a. zijn gevoeligheid toonde over dien brief, greep hij een pen:
"Dewijl de verbonden mogendheden hebben verkondigd, dat Keizer Napoleon de eenige hinderpaal is voor het herstel van den vrede in Europa, verklaart Keizer Napoleon, getrouw aan zijn eed, dat hij bereid is afstand te doen van den troon van Frankrijk en desnoods zelfs het leven te laten voor het heil des lands, onafscheidelijk als dit is verbonden met de rechten van zijn zoon, niet die van het regentschap der Keizerin en met de handhaving der wetten van het Keizerrijk. Gedaan, in ons paleis van Fontainebleau, den 4en April 1814.
Napoleon."
Met de opdracht aan Marmont te vragen of hij hen naar Parijs wilde vergezellen, begaven de Caulaincourt, Macdonald en Ney, die dit staatsstuk naar keizer Alexander brengen en de rechten van het regentschap bepleiten zouden, zich naar Essonnes. Hier vernamen zij van Marmont, dat hij met Schwartzenberg onderhandeld en zich verbonden had, het leger des Keizers te verlaten. Zij verbaasden zich, Marmonts eigenliefde kennende, niet al te zeer over deze daad, togen met hem naar Parijs, en gaven Talleyrand kort en bondig te kennen, dat zij maling hadden aan zijn nieuwbakken Voorloopig Bewind. Hierna spraken zij met Alexander, die in zijn gemoed met den terugkeer der Bourbons in geenen deele was ingenomen en wel iets gevoelde voor een regentschap, maar tenslotte moesten zij toch onverrichter zake vertrekken.
De daad van Marmont was bekend geworden. Het leger was vleugellam geslagen; de vrees voor een aanval van Napoleon op Parijs verdween; en toen zijn gevolmachtigden, nog ziedende van verontwaardiging over 't geen zij ginds gehoord en gezien hadden, bij hem terugkeerden, konden zij hem alleen mededeelen, dat zijn voorwaardelijke abdicatie niet was aangenomen en dat een onvoorwaardelijke werd geëischt.
Diep getroffen, omdat hij behandeld werd als een vogelvrij-verklaarde, met wien men niet verkoos te onderhandelen, weigerde hij aanvankelijk volstandig hiertoe over te gaan en somde al de korpsen op, die uit Italië en uit Spanje onder Grenier, Soult en Suchet naar hem op marsch waren. Zelfs stelde hij zijn generaals voor met zijn geheele macht terug te gaan tot achter de Loire.
Hun uitroep vol ontsteltenis: "Of hij Frankrijk in tweeën splitsen en een burgeroorlog beginnen wilde!" belette hem echter voort te gaan. De woedende strijd in zijn binnenste was op zijn gelaat zichtbaar.
Als hij ook zijn voorstel om hem te volgen naar de Alpen, naar Italië, met een dof gemor of een somber zwijgen beantwoord zag, gaf hij den strijd op.
"De heeren verlangen naar rust. Welaan, deze zij hun geschonken! Welke smarten hen op hun donzen bed wachten, weten zij nog niet. Hebt maar een jaar of wat geduld, dan raapt de dood u nog sneller weg dan in een veldtocht," zeide hij en trad naar een tafeltje, schreef een verklaring, dat hij voor zich en zijn nakomelingen afstand deed van den troon van Frankrijk en van Italië en zond dezelfde deputatie daarmede naar Parijs terug.
Met uitbundige vreugde werd dit stuk door Talleyrand en zijn clique ontvangen. Alle vrees voor den Corsicaanschen Menscheneter, zooals men Napoleon in die dagen heeft betiteld, was nu geweken. Geen Nero, geen Robespierre werd nu zoo vervloekt als hij; al het goede was op eens vergeten. Alleen de gloeiende haat was aan 't woord. De Chateaubriand goot nog olie in dezen laaien gloed met een pamflet, waarin hij hem van de laagste ondeugden en misdaden betichtte.
De Keizer was inmiddels te groot om zich niet boven zulke onwaardige taal verheven te gevoelen; ook kende hij zich zelf te goed om niet te weten, dat die haat van een natie, welke hem zooveel jaren schier aangebeden had, niet geheel onverdiend was.
Den 6en April kon men in het Bulletin des Lois kennis nemen van de nieuwe grondwet. "Uit vrije beweging" [33] riep deze Louis-Stanislas-Xavier van Frankrijk en na hem de leden van zijn geslacht naar den troon.
Den 11en werd beslist over het lot van Napoleon zelf. Hij moest afstand doen van de souvereiniteit over Frankrijk en Italië. Het eiland Elba werd hem levenslang afgestaan; jaarlijks zouden hem twee millioen francs, waarvan de helft naar verkiezing af te dragen aan de keizerin, worden uitgekeerd. De hertogdommen Parma, Piacensa en Guastalla kwamen aan deze en haar zoon. Het jaargeld van Joséphine werd met de helft verminderd. Eindelijk werd hem toegestaan vierhonderd man van zijn garde mede te nemen.--Aan geld en geldswaarde bezat hij op dat oogenblik nog geen drie millioen francs; hiervan zou hij ginds zijn soldaten moeten onderhouden en in den dienst van zijn huishouden voorzien!
HOOFDSTUK XXVII.
Op Elba. In Frankrijk terug.
Aanvankelijk weigerde hij deze voorwaarden te onderteekenen. "Waartoe diende zulk een tractaat, als men niet verkoos de belangen van Frankrijk met hem te regelen?"
In den nacht van 12 April deed hij een poging tot zelfmoord met een dosis opium, welke hij na den terugtocht uit Moskou steeds bij zich droeg. Gelukkig, dat de Caulaincourt, dien hij bij zich had ontboden om afscheid van hem te nemen, spoedig zag wat er aan de hand was en ijlings dokter Iwan liet roepen. Zoodoende was hij den volgenden morgen weder zoo goed als hersteld.
In de nu volgende dagen, want eerst den 19en kwam het tractaat geteekend uit Londen terug, werd het voortdurend stiller in 't paleis. Onder allerlei voorwendsels begonnen zijn vroegere getrouwen hem te verlaten. Ney verdween, zelfs Berthier. Constant en zijn mameluk Rustan volgden. Alleen Maret en de Caulaincourt, Macdonald, Mortier, benevens Moncey, die de barrière van Clichy bij Parijs zoo roemrijk had verdedigd, kwamen hem opzoeken. Den meesten tijd sleet hij in den nabijgelegen tuin, in zijn bibliotheek of in de galerij, waar zijn officieren zich bevonden. Zoo kalm en waardig was zijn houding, zoo welwillend en vriendelijk zijn toon van spreken tegen de weinigen, die hem nog omgaven, alsof hij al 't voorgevallene reeds scheen vergeten. Vertrouwelijk of ernstig evenals voorheen bij de recepties op de Tuilerieën, steeds zich zelf meester, onderhield hij zich met hen over allerlei onderwerpen.
Toen hij den 20en afscheid zou nemen van zijn oude, getrouwe garde, van de mannen, die hem door half Europa waren gevolgd en thans voor het laatst op het plein voor het kasteel voor hem in slagorde stonden geschaard, was hij zijn ontroering toch niet meester. Groote tranen schoten in zijn oogen, toen hij met een kort, kernachtig woord allen vaarwel zeide, hun aanbeval Frankrijk getrouw te blijven dienen en ten slotte een innigen kus drukte op het vaandel, dat generaal Petit hem bood. Alleen het snikken van zijn oude grognards, die hun afgod, hun petit caporal, gingen verliezen, verbrak de stilte, welke op dit voor alle aanwezigen onvergetelijke oogenblik op het plein heerschte.
Nog eenmaal, voor 't laatst klonk zijn: "Vaarwel, nogmaals vaarwel, mijn oude krijgsmakkers!" Toen scheurde hij zich los uit de omarming zijner generaals, wierp zich in zijn rijtuig en reed weg.
Een daverend: Vive l'Empereur! klonk hem achterna.
Tot aan de grenzen van Provence zou hij dien kreet ook van de plattelandsbevolking nog telkens hooren.--Daar echter veranderde de stemming. Voor een geleide van kozakken en Oostenrijkers had hij bedankt; hier had hij dit toch wel kunnen gebruiken, want te Avignon en te Orgon werd hij met beleedigingen en bedreigingen overstelpt. Te Saint-Cannat werd hij door de bevolking in een herberg zelfs letterlijk belegerd, en gelukte het hem eerst, vermomd in de uniform van den Oostenrijkschen generaal Köhler, in 't donker te ontsnappen. Zijn geheele houding bij deze gelegenheid verried, dat deze uitbarsting der volkswoede hem, den man, die vroeger nooit vrees had gekend, geducht aangreep. Hij weende.
Op het kasteel Bouilledou bij Fréjus, vond hij zijn zuster Pauline. Hem in Oostenrijksche uniform ziende, had zij hem eerst geen zoen willen geven; toen zij de reden dezer vermomming vernam, veranderde haar houding geheel; terstond verklaarde zij zich bereid hem naar Elba te volgen. Derwaarts begaf zich weldra ook Madame Mère; aanvankelijk had deze Maria Louise vergezeld naar Blois en was van hier met haar broeder, den kardinaal naar Rome vertrokken.
Te Fréjus waar hij veertien jaar te voren bij zijn terugkomst uit Egypte aan land was gestapt, nam Napoleon afscheid van de commissarissen der groote mogendheden, die hem tot zoover hadden vergezeld en die tusschen Lyon en Valence getuige waren geweest van de beleedigende manier, waarop de daar bevelvoerende maarschalk Augereau hem bij hun ontmoeting had bejegend, en die hem feitelijk had moeten beschermen tegen de woede en den moordlust zijner eigen landgenooten.
Het door hem zelf uitgekozen Engelsche fregat the Undaunted zou hem overbrengen naar Elba.--"De Engelschen zijn een vrij volk; zij hebben eerbied voor zich zelf," had hij reeds vroeger eens gezegd.
Men schreef 30 April 1814.
Pauline uitgezonderd, had de Keizer van niet één zijner bloedverwanten afscheid kunnen nemen. Zijn vrouw was den 29en Maart schreiende uit Parijs vertrokken op weg naar Blois, had onderweg vernomen wat er te Parijs en Fontainebleau was geschied en, door Jozef en Jérome met liefdesverklaringen lastig gevallen, was ze zeer verheugd geweest toen een paar militaire commissarissen der bondgenooten haar onder hun hoede hadden genomen. Een gemachtigde van het Voorloopig Bewind had haar te Orleans beroofd van haar tafelzilver, van een deel harer juweelen en van ruim tien millioen francs in goud, een deel van 't geen Napoleon door spaarzaamheid in zijn huishouden had overgespaard. Dit alles heette aan de schatkist ontstolen en Talleyrand, die geld noodig had, gaf kortaf bevel tot dien roof, terwijl haar beschermers het niet konden verhinderen.
Te Rambouillet had zij den 16en April haar vader weergezien. Keizer Alexander en de koning van Pruisen waren haar daar komen begroeten. Onder de hoede der Russische bajonetten had zij zich met haar kind veilig gevoeld voor verdere beleedigingen en weinig bezwaar had zij gemaakt zich naar Aix les Bains te begeven tot Europa een weinig tot rust zou zijn gekomen. Het vooruitzicht hertogin van het mooie Parma te worden, de kans om ook eenmaal over Toscane den schepter te voeren en de belofte haars vaders, dat het haar zou vrij staan te Parma of Elba haar verblijf te vestigen, hadden hierbij niet weinig gewicht in de schaal gelegd.
Maar vragen wij ons af, waarom ging Maria Louise niet naar Fontainebleau, toch zeker was daar de plaats voor de echtgenoote van den man, die thans in diepe ellende zat. Was haar liefde voor den Keizer verzwakt? Men zou het niet zeggen, als we denken aan den brief door haar nog den 12en April aan hem geschreven, waarin ze tal van bijzonderheden vermeldt over hun kind. Neen, ze had haar gemaal, den eersten man dien ze had leeren kennen, nog hartelijk lief, en het plan had ook bij haar bestaan hem te Fontainebleau op te zoeken, zooals o. a. blijkt uit den brief van den 8en April aan haar vader. Toch vertrok ze daar niet heen. De angst, dat ze misschien zou opgelicht worden, de pressie op haar uitgeoefend van de zijde van Schouvalov, een der afgevaardigden, deed de jonge en toch al weinig flinke vrouw besluiten, haar vader te gehoorzamen en zich met haar kind aan zijn zorg toe te vertrouwen.