Chapter 44
Ook in Italië stonden de zaken slecht. Een Engelsche krijgsmacht was geland in Toscane; en hoewel Eugène, door Napoleon uit Duitschland teruggezonden om zijn leger aldaar te reorganiseeren, eenige uitmuntende divisiegeneraals onder zijn bevelen had, kon hij zich tegen de overmacht der Oostenrijkers niet staande houden; hij was gedwongen geworden terug te gaan tot achter de Etsch.
Tegelijkertijd had Murat, aangegrepen door een dwazen zucht naar zelfstandigheid, Napoleon verzocht Italië tusschen Eugène en hem te verdeelen, had niet geluisterd naar Fouché, die Murat ijlings was toegezonden om hem tot rede te brengen, en zich ten slotte, toen Napoleon hem op zijn dwaze voorstellen niet eens antwoordde, in de armen geworpen van Oostenrijk. Hij pleegde dus verraad tegenover den man, aan wien hij alles had te danken, en werd hierin nog wel door zijn vrouw ondersteund!
Eindelijk had Holland aan de beweging in Duitschland een krachtigen stoot gegeven, toen het zich bij de nadering van Bernadotte's troepen stoutweg onafhankelijk verklaarde. Molitors soldaten waren daar het land uitgejaagd (15 November).
Ernstige verwikkelingen waren het dus, waarmede Frankrijk in het laatst van 1813 werd bedreigd. De oproeping der nieuwe lichting, de nieuwe belasting, die zou worden ingevoerd om de oorlogskosten te dekken, de verwoestingen, door de typhus aangericht, hadden ten overvloede in 't land zelf bij velen een schier vijandigen geest tegen den Keizer doen ontstaan. Was hij niet de schuld van alles?--Op verschillende plaatsen werd zijn naam vooral door de vrouwen en de moeders gevloekt en hij zelf met den Antichrist vergeleken. Een poging om tenminste met Spanje tot een vergelijk te komen was mislukt, want het regentschap te Madrid had geweigerd een tractaat te onderteekenen, den 11en December tusschen Napoleon en Ferdinand gesloten, waarbij deze laatste werd erkend als koning van Spanje en van de Indiën, terwijl Napoleon zich verbond zijn troepen uit Spanje terug te nemen.--Voorloopig bleef Ferdinand dus te Valencay.--De bondgenooten achtten dezen stap, die enkele maanden te voren als een maatregel van schrandere staatkunde zou zijn aangemerkt, thans een bewijs van zwakheid.
Toen de Keizer den 19en December de zitting van het Wetgevend Lichaam opende in tegenwoordigheid zijner familie, van de rijksgrooten en van een deputatie van den Senaat, deed hij in zijn rede niet onduidelijk uitkomen in welke benarde omstandigheden Frankrijk zich bevond.
De Senaat begreep, dat de Keizer alleen door een uitgebreid stelsel van verdediging bij machte zou zijn den steeds wassenden vloed van vijanden van Frankrijks grondgebied te keeren en willigde dus in wat hij voorstelde. Het Wetgevend Lichaam niet.--Veertien jaar lang had het zwijgend en onderdanig gebogen voor zijn wil; nu er gevaar dreigde, vond het slechts woorden van afkeuring en blaam en stelde eischen, waaraan in die dagen stellig niet kon worden voldaan. Den vijand schonk het door deze houding een kijkje achter de schermen. Grooter gebrek aan doorzicht en vaderlandsliefde kon het bijna niet toonen.
Was het te verwonderen, dat de Keizer dit staatslichaam, dat zijn plicht onder deze omstandigheden zoo slecht begreep, vóór zijn vertrek naar het leger naar huis zond?
Het kwaad was hiermee echter niet meer goed te maken. Voor allen, die met den vijand heulden, met name de koningsgezinden, was de hem thans geboden weerstand, een steun te meer in hun strijd tegen zijn dynastie. Engeland en Pozzo di Borgo zorgden tevens, dat het te Parijs voorgevallene voor de legers der bondgenooten geen geheim bleef, en dat de schroom om den Franschen reus op zijn eigen grondgebied te gaan bestoken, een schroom, die aanvankelijk niet te miskennen geweest en door Engeland krachtig bestreden was, gaandeweg verdween om plaats te maken voor de onbedwingbare begeerte eerst te Parijs vrede te sluiten en Frankrijk terug te dringen tot binnen zijn grenzen van vóór 1790.
Terwijl Napoleon dus nog in den waan verkeerde, dat men hem wel vier maanden tijd zou laten om zich voor de verdediging gereed te maken; terwijl hij aan Metternich op diens aandringen deed weten, dat hij niet ongenegen was in te gaan op de voorstellen, hem circa een maand te voren van uit Frankfort gedaan; dat hij de onderhandelingen dus wilde openen op den grondslag van Frankrijks natuurlijke grenzen, stond het plan tot overschrijden van den Rijn bij de bondgenooten reeds vast. Alleen de vraag waar en hoe dit zou geschieden stond nog open. In weerwil van den tegenstand van keizer Alexander, die zich reeds met Bernadotte had verstaan en de oogen dus meer op het noorden had gevestigd, werd het door Engeland krachtig ondersteunde voorstel van Schwartzenberg, den opperbevelhebber, ten slotte aangenomen. Niet op de dubbele rij vestingen, welke van Straatsburg tot Coblentz en van Metz tot Mézières Frankrijks oostelijke grenzen beschermden, zou worden aangerukt; zoodoende zou men, zooals Schwartzenburg het uitdrukte, den stier bij de horens vatten, want aan die zijde vormden tal van rivieren en versterkte plaatsen een geduchte lijn van verdediging. Neen, langs de Jura moest worden gemarcheerd! Daar waren geen vestingen. Daar lag alleen het voorheen onzijdige Zwitserland, dat thans luide riep om verlossing van zijn beschermheer en dat dus geen bezwaar zou maken, als bij Bazel, waar de Rijn nooit dichtvroor, de grens en tevens zijn grondgebied gepasseerd werd.
Volgde men dezen weg, dan zou Italië tegelijkertijd van Frankrijk gescheiden worden, terwijl Eugène verhinderd werd Napoleon te hulp te komen, als deze hem riep, of omgekeerd. Tegelijkertijd zou dan een leger onder Blücher Frankrijk van uit het oosten bedreigen, een derde macht, die van Bernadotte, door België voortrukkende, het land van uit het Noorden aangrijpen.
Den 21en December 1813 werd de brug bij Bazel dus overschreden; in Zwitserland brak een opstand uit tegen Frankrijk; voordat Napoleon van zijn verbazing over dezen onverhoedschen inval was bekomen, stond het hoofdleger der bondgenooten bij Langres in de Côte d'Or en was Blücher voor Nancy. Bijna een millioen strijders, waarvan circa 400.000 in eerste linie, met een talrijke cavalerie wel 60.000 ruiters, hadden Frankrijk besprongen.
Weinig meer dan het overschot der uit Duitschland teruggekeerde troepen en een aantal jonge conscrits, dus circa 70.000 man, waaronder 12.000 ruiters, kon de Keizer hier tegenover stellen, een macht waarop desertie en typhus bovendien haar sporen hadden achtergelaten. Evenals Macdonald in de Ardennen, spanden Victor en Marmont, door Ney en Mortier ondersteund, in de Vogezen en aan de Saar al hun krachten in om aan den geweldigen stroom van vijanden weerstand te bieden. Als brave soldaten verdedigden zij den vaderlandschen bodem.
De overmacht was echter te groot. Mortier werd teruggeworpen naar de Aube en de Seine, terwijl Marmont, Ney en Victor zich bij Vitry-le-François vereenigden, en Macdonald op Châlons-sur-Marne terugging. Een divisie van Marmont hield de passen door het Argonnerwoud voorloopig nog bezet.
Den 23en Januari, den dag vóór zijn vertrek naar het leger, verzamelde de Keizer de officieren van de nationale garde in de Tuilerieën en verscheen toen met de keizerin en zijn zoontje in hun midden; hij sprak van de gevaren, die het land bedreigden, en vervolgde toen met een stem, die van aandoening trilde: "Ik laat de keizerin en den koning van Rome, mijn vrouw en mijn zoon, in uw midden achter. Wetende, dat zij onder uw hoede veilig zijn, vertrek ik met een gerust hart. In uw handen stel ik het dierbaarste, dat ik na Frankrijk ter wereld bezit."
Een daverend Vive l'Empereur! Vive le roi de Rome! dat op het plein voor het paleis onder de menigte weerklank vond, was het antwoord op deze toespraak.--Enkele weken later zou de toen gezworen eed door al de aanwezigen volkomen zijn vergeten; dan zou Talleyrand, dien de Keizer voor zijn vertrek weder eens onder spot en schimp had bedolven, hen de Bourbons hebben tegemoet gevoerd.
Dienzelfden nacht nam de Keizer afscheid van zijn in tranen badende vrouw en van zijn klein, blond zoontje, dat hij zoo innig liefhad. Nimmer zou hij die beiden hier op aarde wederzien.--Den 25en bevond hij zich in het hoofdkwartier Châlons-sur-Marne.
Vóór zijn vertrek had hij nòg een stap gedaan, die getuigde van den ernst der tijden en van zijn streven om zoo weinig mogelijk vijanden achter te laten. Half Januari had hij den bisschop van Piacenza naar den paus gezonden met een ontwerp-tractaat, waarbij dezen al zijn staten onvoorwaardelijk werden teruggegeven. De koppige oude man was echter niet tot eenige toenadering te bewegen geweest. Hij verlangde terug naar Rome.--Dat Napoleon hem zijn wereldlijk bezit terugschonk, was niets meer dan een daad van rechtvaardigheid, dit kon niet het onderwerp zijn van een tractaat, had hij den gezant kortaf te verstaan gegeven. Toen had de Keizer bevolen hem terug te voeren naar zijn vroeger verblijf, naar Savona.--De omstandigheden waren oorzaak, dat Pius weldra ook Rome zou wederzien.
Zoo hadden de geweldige gebeurtenissen in Duitschland in elk opzicht een omkeer in 's Keizers toestand gebracht. Holland was verloren gegaan en teruggegeven aan het huis van Oranje. Westfalen had Jérome weggejaagd. Uit Spanje waren Jozef en de Fransche legers verdreven. In Italië stond Murat op het punt verraad te plegen en met zijn Napolitanen gemeene zaak te maken met Oostenrijk. Eugène voerde krijg tegen zijn eigen schoonvader, den koning van Beieren. Gansch Duitschland stond onder de wapenen. Van Frankrijks veroveringen was niet alleen niets overgebleven, de vijand had zelfs zijn landpalen overschreden en rukte uit het zuiden, oosten en noorden op naar Parijs. Thans gold het de verdediging van het eigen grondgebied. Aan de noodige middelen hiertoe was in de dagen van voorspoed door niemand gedacht; zelfs de geweren ontbraken om de nieuw opgekomen recruten te wapenen. Wat van dit alles het einde zou wezen, was reeds te voorzien.
Thans begint de ongelijke strijd tusschen den geniaalsten veldheer, dien de wereld ooit heeft gekend, aan de spits van een jong, maar trouw en dapper leger en de geweldige krijgerscharen, die Oostenrijk, Duitschland, Rusland en Zweden, gansch Europa dus bijna, als een zondvloed over Frankrijk uitstorten. In niet één zijner vroegere veldtochten heeft Napoleons ongeëvenaard talent als krijgsoverste zoo glansrijk uitgeblonken als in dien korten winterveldtocht van het jaar 1814. Klein is zijn macht. Nauwelijks volwassen, baardelooze knapen, te zwak en te tenger om de vermoeienissen van een oorlog te torsen; knapen, wier knieën knikken onder 't gewicht van patroontasch en ransel, vormen het hoofddeel er van; maar in hun doodsbleeke, uitgehongerde gezichten staan een paar oogen, die beginnen te fonkelen en te gloeien, als de tamboer den stormmarsch slaat. Ziet ze staan, rustig in 't gelid als oud gedienden, wanneer de charge op hen afkomt en hen dreigt te verzwelgen. Eerst op den kortsten afstand geven ze vuur en dan snel als het licht in stormcolonne en onder een schallend, boven alles uitklinkend: Vive l'Empereur! voltooien ze met de bajonet, wat het lood heeft begonnen.
Niet verdedigen wil de Keizer zich, aanvallen zal hij, al staat hij tegenover een drie-, vierdubbele overmacht. Den 23en Januari heeft hij dit aan Berthier geschreven; en al verschijnt hij zonder een enkelen soldaat als reserve achter zich te Vitry in den kring zijner maarschalken; al staren deze, nu ze hem alléén zien, hem verbaasd en ontsteld aan, zoo vast rekent hij op zijn genie als veldheer en op de misslagen zijner tegenpartij, dat hij dit plan ook geen seconde loslaat. Stelling nemende bij Vitry in den top van een driehoek, waarvan de Seine en de Marne de opstaande zijden vormen, langs welke Schwartzenberg en Blücher afzonderlijk naar Parijs voortrukken, begint hij dit plan terstond te verwezenlijken.
Eerst slaat hij Blücher terug bij St. Dizier (27 Januari); twee dagen later grijpt hij hem aan bij Brienne, neemt den veldmaarschalk zelf bijna gevangen en slaat dienzelfden avond nog zijn bivak op in 't zelfde kasteel, waar hij als kind zoo vaak heeft vertoefd. Dat Blücher en Schwartzenberg zich vereenigen, zal hij beletten, zoolang hij kan.
Hij kan dit echter niet. Te Bar sur Aube reiken die twee elkander de hand en rukken dan gezamenlijk op tegen de stelling, die hij bij La Rothière en nog een paar dorpjes ten zuiden van Brienne heeft ingenomen.
Die geweldige strijdmassa, aan infanterie alleen meer dan 80.000 man, op zich ziende afkomen, staat hij een oogenblik in beraad of hij den ongelijken strijd wel zal aannemen; doch weldra is die aarzeling verdwenen, en vechten zijn soldaten als helden tot in den nacht. Dan moet op Troyes worden teruggegaan. Vier en vijftig vuurmonden zijn verloren; het moreel der troepen heeft veel geleden; dat der bondgenooten is gestegen. Ook op Frankrijks grondgebied zelf is de Keizer dus niet onoverwinnelijk gebleken.
Op andere punten was de fortuin zijn adelaars eveneens ongenegen. Soult had de Pyreneën moeten loslaten; Wellington was het land binnengedrongen. De grenzen van België waren door Bernadotte overschreden; Eugène hield zich slechts met moeite staande aan de Etsch en Murat had de partij der bondgenooten gekozen.
Een voorstel, door de Caulaincourts bemiddeling eenige dagen te voren gedaan om te Châtillon sur Seine te onderhandelen over den vrede, leidde door Napoleons eigen schuld tot niets. De bondgenooten verlangden Frankrijk te zien teruggebracht tot binnen de grenzen van vóór de Omwenteling; en hij wilde hiervan niet hooren. De geduchte slagen, die hij de Russen en Pruisen op 10, 11, 12 en 13 Februari achtereenvolgens toebracht bij Champaubert, Montmirail, Château-Thierry en Vauchamps, hoe schitterend ook, konden den algemeenen toestand niet veranderen. Ook het gevecht bij Montereau, waar hij zelf het vuur zijner artillerie leidde, was hiertoe niet bij machte. Een door hem gevraagde wapenstilstand werd geweigerd. Een poging om ten minste Oostenrijk voor zich te winnen was reeds vroeger mislukt; en den 1en Maart sloten de bondgenooten te Chaumont een overeenkomst, behelzende, dat Rusland, Oostenrijk en Pruisen ieder een leger van 150.000 man op de been zouden houden, tot Frankrijk binnen zijn vroegere landpalen was teruggebracht. Van deze overeenkomst was Engeland weder de ziel.
Niet zonder reden waarschuwde de Caulaincourt zijn heer, dat deze door langer talmen met het nemen van een besluit zijn eigen positie en die zijner dynastie in gevaar bracht, daar de vijand blijkbaar slechts een voorwendsel zocht om nog verder te gaan en zich thans tegen hem zelf te keeren.
Den 5en Maart hoort Napoleon van de nieuwe coalitie, die voor zijn dynastie het doodvonnis kan wezen; hij beantwoordt het met een decreet, dat alle Franschen te wapen roept en hun beveelt de stormklok te luiden, zoodra zij het kanon in hun nabijheid hooren, de bruggen af te breken en den vijand in rug en flanken aan te vallen.
Twee dagen later slaat hij Wintzigerode bij Craonne terug; maar in de vermeestering van Laon, de wapenplaats der verbondenen, slaagt hij niet. Tegelijkertijd laat Marmont zich slaan met een verlies van 40 stukken en al zijn bagage. Wel wreekt de Keizer, die op Soissons is teruggegaan, zich hierover door de totale vernietiging der troepenmacht van den generaal St. Priest, die lang in Luxemburg heeft gestaan en daarna Rheims heeft genomen, maar de gevolgen van Marmonts nederlaag zijn te geweldig.
Te Châtillon waren de onderhandelingen intusschen heropend. Van alle zijden genoopt eindelijk een beslissend antwoord te geven, had de Caulaincourt een tegenvoorstel ingediend. Hierin nam de Keizer genoegen met een beperking van zijn gebied tot het vroegere Frankrijk met inbegrip van Savoye, Nizza en het eiland Elba. Eugène zou Italië behouden tot aan de Etsch, terwijl de prinsdommen Lucca en Neuchatel benevens het groothertogdom Berg zouden worden teruggegeven aan hun vroegere vorsten.
Naar dit tegenvoorstel hadden de bondgenooten in 't geheel geen ooren. Het staatkundige evenwicht in Europa duldde niet, dat Frankrijk zulk een uitgestrekt gebied behield; de ondervinding had hun geleerd, dat de tusschenstaten, waar een lid der familie Bonaparte het bewind voerde, slechts in naam onafhankelijk waren. In het tegenvoorstel zagen zij slechts een middel om de onderhandelingen noodeloos te rekken; zij zouden niet rusten, voordat Frankrijk binnen zijn oude grenzen was teruggebracht, hun voorstellen door de Fransche regeering waren aangenomen.
Thans (17 Maart) rijpte in het brein des Keizers een vermetel plan, dat tegenover een minder talrijken vijand stellig kans van slagen had gehad. Van Rheims naar Arcis sur Aube was dertien uur gaans. Als hij terstond opbrak kon hij den volgenden dag daar zijn en dan, in den nacht van den 19en en den 20en naar Troyes marcheerende, komen te staan in den rug van Schwartzenberg.--"Van deze beweging verwacht ik een enorm succes, want, bevindt zich het vijandelijke hoofdkwartier nog te Troyes, dan zal hierbij groote verwarring ontstaan," schreef hij aan den minister van Oorlog Clarke, en aan Jozef.
Terwijl Mortier met 10.000 man bij Rheims en Soissons, Marmont met 7000 man bij Berry au Bac staan bleven met den last Parijs te dekken tegen Blücher, ging hij dus zelf, door troepen uit Parijs versterkt, met circa 22.000 man op marsch, ontmoette bij Arcis slechts weinig wederstand, geraakte hierdoor en door onjuiste rapporten in de meening, dat Schwartzenberg met zijn geheele macht voor hem terugweek naar 't zuidoosten, en besloot nu snel naar de vestingen van Lotharingen te marcheeren, de bezettingen van deze bij zijn macht aan te trekken en, aldus krachtig geworden, weder aanvallend te werk te gaan.
Schwartzenberg liet hem hiertoe echter den tijd niet; toen hij uit Arcis wilde afmarcheeren, greep die hem met overmacht aan (21 Maart), bracht hem zware verliezen toe en dwong hem uit te wijken.
Toch gaf de Keizer zijn voornemen om op Metz of Verdun aan te rukken, en dus in 's vijands rug te opereeren, niet op. Hij beval Mortier en Marmont zich over Châlons-sur-Marne bij hem aan te sluiten en toog op weg.
Schwartzenberg liet hem begaan, deed hem slechts volgen door een sterke afdeeling cavalerie, vereenigde zich den 23en bij Châlons met Blücher en toog op marsch naar Parijs. Tegelijkertijd bereikte Napoleon St. Dizier.
Twee dagen later was over het lot van Frankrijk beslist. In de stellige verwachting, dat de Keizer, uitwijkende voor Schwartzenberg, zou teruggaan in de richting van Parijs, dus in die van hun stelling, waren Mortier en Marmont hem naar La Fère Champenoise tegemoet gerukt, hier door een overstelpende massa cavalerie aangegrepen en onder zulke zware verliezen terug geslagen, dat er van hun beide korpsen niet veel meer dan een handvol krijgers ± 12.000 man, overbleven. Door een echt noodweer overvallen, hadden deze niet eens van hun vuurwapen gebruik kunnen maken en waren langs omwegen nu in allerijl naar Parijs op marsch.
De weg hierheen stond thans voor de bondgenooten wijd open; de laatste hinderpalen waren gevallen. Napoleon was te ver weg, om hen te kunnen schaden.--In drie colonnes over Meaux en Lagny werd de opmarsch begonnen. Enkele dagen later (29 Maart) vestigden de keizer van Rusland en de koning van Pruisen hun hoofdkwartier te Bondy, bijna onder de muren van de hoofdstad.
Nog versaagde Napoleon niet. Vóór de bondgenooten moest hij Parijs hebben bereikt! Van Troyes naar ginds was vijftig uur gaans. Alle maatregelen trof hij om zijn leger den 2en April daar te hebben verzameld. De infanterie zou als van ouds op karretjes, de artillerie met postpaarden vervoerd worden; in den avond van den 30en Maart bevond hij zelf zonder de garde zich reeds bij Fromenteau, geen vijf uur gaans meer van de hoofdstad. Daar trad de Generaal Belliard op hem toe met de tijding, dat de stad dienzelfden middag had gecapituleerd!
Tot juist begrip van den toestand is het noodig thans een stap terug te doen.
Evenals vóór den veldtocht naar Rusland was Maria Louise bij het vertrek van haar gemaal als regentes te Parijs achtergebleven. Cambacérès zou haar ter zijde staan, eveneens Jozef, die, uit zijn ballingschap op Mortefontaine ontslagen, evenals Jérome verlof had ontvangen zich te Parijs te vestigen met den titel van "koning." Toen nu den 23en de tijding werd ontvangen, dat de bondgenooten Meaux hadden bezet, had Jozef den Raad van Regentschap op de Tuilerieën ontboden, om te overleggen of de keizerin en haar zoon wel langer te Parijs zouden blijven. Heengaan stond gelijk met aanleiding geven tot een omwenteling, waartoe alle elementen reeds ruimschoots aanwezig waren. Blijven stelde de keizerin bloot aan 't gevaar te worden gevangen genomen en in handen van de bondgenooten een kostbare gijzelaar te worden.
Nog waren de meeningen verdeeld, toen Jozef den knoop doorhakte door het voorlezen van een brief van den Keizer uit Rheims van den 16en Maart:
"Broeder, overeenkomstig mijn mondelinge bevelen aan u en in den geest van al mijn orders, moogt ge in geen geval toelaten, dat de Keizerin en de Koning van Rome in 's vijands handen vallen.--Nadert de vijand Parijs met groote overmacht, doe de Regentes, mijn zoon, de grootwaardigheidsbekleeders, de ministers, de hoofden van den Senaat, de voorzitters van den Raad van State en de grootofficieren van de kroon dan vertrekken in de richting van de Loire. Verlaat mijn zoon niet en vergeet niet, dat ik hem liever in de Seine zie dan in de handen van Frankrijks vijanden."
Dus werd tot vertrek besloten. Den 29en Maart kwamen de reiswagens voor, en ging de regentes, die de laatste dagen heel wat tranen vergoten en zich als een willoos wezen gedragen had, ondanks het schreien van haar zoontje, dat de Tuilerieën volstrekt niet wilde verlaten, met een verlucht hart op weg naar Blois. De meeste leden van den Raad van Regentschap vergezelden haar.--Alleen Talleyrand niet; deze had zich aan de barrière laten terugwijzen, quasi omdat hij geen paspoort bezat. Hij had zijn plannen voor de toekomst reeds gemaakt; voor deze was zijn tegenwoordigheid te Parijs noodzakelijk. De bondgenooten stonden immers voor de poort! De Bourbons en hun aanhang wachtten!--Het oogenblik, waarop hij kon wraaknemen voor al de verdiende en onverdiende beleedigingen, hem jaren achtereen door Napoleon naar het hoofd geslingerd, naderde snel.
Wel trachtte Jozef de Parijsche burgerij nu door een proclamatie op te wekken "tot een kortstondigen maar heftigen weerstand, tot de Keizer zou zijn teruggekeerd," doch waarmede moest die weerstand geboden? Vierhonderd zware vuurmonden lagen wel met hun munitie in de arsenalen; eenige duizenden geweren waren er ook nog; zelfs eenige duizenden soldaten zouden wel bijeen te brengen zijn geweest;--1200 man van de garde dienden de keizerin tot geleide--doch de tijd ontbrak; niets was er voorbereid en--bij de autoriteiten ontbrak tevens de lust tot feitelijk verzet binnen de muren der stad.
Om de toegangen tot Parijs te verdedigen waren dus alleen beschikbaar de zeer gedunde korpsen van Mortier en Marmont, eenige detachementen cavalerie, een bataljon sappeurs en 3 à 4000 soldaten, herstellende zieken en gekwetsten, benevens eenige honderden nationale gardes en de leerlingen der polytechnische school. Toch is er met deze geringe, bijeengeraapte macht in den morgen van den 30en Maart van de voorstad La Villette tot Charenton, onder Marmonts bevelen met wanhopige hardnekkigheid tegen Schwartzenberg gestreden.--Toen ontvingen Marmont en Mortier van Jozef, die met Jérome op hetzelfde uur de stad den rug toekeerde en naar Blois vertrok, een briefje, waarin hun verlof werd gegeven met den prins van Schwartzenberg en met den keizer van Rusland in onderhandeling te treden, als de overmacht hun te groot mocht worden. [32]