Chapter 42
Nogmaals een voorwerp van bewondering en ontzag voor zijn gansche omgeving, letterlijk jong geworden opnieuw, ondanks al 't geen aan de overzijde van den Rijn voorviel, geen seconde versagende, de toekomst oogenschijnlijk zelfs met vertrouwen te gemoet ziende, was de Keizer rusteloos bezig zich op den nieuwen veldtocht voor te bereiden. Wanneer alles reeds sliep, waakte hij nog. In zijn brein, weder even helder en scherpzinnig als in zijn beste dagen, had hij zijn plan reeds vastgesteld.--Gedekt door de drie korpsen, welke Eugène voor Maagdenburg had staan en achter deze om, wilde hij bij Havelberg ten zuiden van Wittenberg onverhoeds de Elbe passeeren, zijn geheele macht naar Stettin voeren, op deze wijze vóór zijn tegenpartij de Oder bereiken en dan met geforceerde marschen oprukken tot ontzet van Dantzig, waar Rapp door de Russen nog altoos was ingesloten.
Vermetel was dit, want, terwijl hij zijn linkervleugel deed leunen aan de zee, stelde hij zijn rechter bloot aan een flankaanval; maar wat een succes in de oogen van Europa, als hij zoodoende meester werd van de bruggen over de Beneden-Weichsel!
Het bezetten van Hamburg was hierbij van overwegend belang, want de Beneden-Elbe werd geheel door deze stad beheerscht. Daarom had Davoust, die tot half Maart te Dresden had gestaan, deze stad na het doen springen van een paar steenen pijlers van de brug over de Elbe ontruimd en was toen met zijn korps (30.000 man) over Lüneburg derwaarts op marsch gegaan.
Nog een hoofdzaak vervulde 's Keizers brein, namelijk de quaestie van het regentschap tijdens zijn afwezigheid. Een besluit van den Senaat riep Maria Louise dus tot het regentschap. Wel moest een raad haar terzijde staan, doch uit alles bleek, dat deze zeer weinig zou hebben in te brengen, en dat de Cambacérès, de voorzitter, de spil zou wezen waaromheen alles draaide.--De Prins, die op zijn ouden dag vroom begon te worden, zag wel met ontzetting op tegen die nieuwe zware taak, maar gehoorzaamde.
Dan waren 's Keizers oogen telkens gericht op de bewapening zijner cavalerie. Deze moest worden voorzien van een vuurwapen. 't Was al te erg, dat de kurassiers b.v. in een kantonnement altijd infanterie noodig hadden tot hun bescherming. Niet alleen de kurassiers, zelfs een deel der lanciers wilde hij dus van een flink vuurwapen voorzien. In dezen zin gaf hij bevelen.
Thans eerst gevoelde hij welke geduchte verliezen de tocht naar Rusland aan zijn korps hoofd- en subalterne officieren had toegebracht.--"Van een leger vormen de officieren en de onderofficieren de kern," zeide hij, en menigmaal schold hij tegenwoordig op "die onbruikbare heeren, die de spot waren van de soldaten," en op "de jongelui, die pas 't gymnasium hadden verlaten en van den dienst niets wisten." Dat hij zelf van dit verval de schuld was, en dat zijn nooit eindigende oorlogen zijn beste dienaren achtereenvolgens hadden weggeraapt, scheen hij vergeten.
Ook over zijn tegenwoordige generaals was hij slecht te spreken. Wel ontbrak het hun niet aan krijgservaring en militaire kennis, maar de jaren, de weelderige levenswijze en bovenal de druk van zijn ijzeren vuist bij het minste teeken van eigen initiatief of van zelfstandigheid, hadden werktuigen van hen gemaakt. Die onder zijn persoonlijke leiding nog flink bruikbare tactici maakten, als zij aan zich zelf overgelaten waren en op eigen wieken moesten drijven, vaak een treurig figuur. Ook was het vertrouwen der soldaten op hun aanvoerders en het zoo hoogst noodige elkaar verstaan en begrijpen in de korpsen onrustbarend verminderd.
Te midden van den chaos van zaken, die zijn brein vervulde, vond hij toch nog tijd te denken aan zijn vrouw en een bewijs te geven van zijn kieschheid tegenover haar. Savary ontving schriftelijk bevel niet alle politierapporten aan haar als regentes voor te leggen, doch deze eerst aan de Cambacérès ter inzage te geven.--"De Keizerin is nog te jong; haar gemoed mag niet door de lezing van zulke bijzonderheden worden bedorven of verontrust."
Nòg een quaestie van groot gewicht had hij voor zijn vertrek naar het leger gaarne opgelost willen zien, n. l. die met den paus. Hierin slaagde hij echter niet. In het begin van 1813, had hij, tot groote verbazing van velen maar tot niet minder groote voldoening van tal van anderen, Pius te Fontainebleau opgezocht en was bijzonder hartelijk ontvangen. De paus had hem "zijn beminde zoon" genoemd, in één woord meer dan voldoende bewijzen gegeven, dat hij zelf zijn grooten tegenstander geen kwaad hart toedroeg.
Met een paar woorden was toen alle misverstand opgehelderd. Het vroeger voorgevallene scheen vergeten; weldra had het gesprek geloopen over de rampen en nooden der Italiaansche kerk en over de middelen om daaraan een einde te maken. Den volgenden dag had Pius dit bezoek met groote statie beantwoord, was toen ook naar de vertrekken der keizerin geleid, had in haar een zachtaardige, goedhartige en met haar hooge positie zeer ingenomen jonge vrouw gevonden en tevens den indruk ontvangen, dat hij op St. Cloud zeer welkom was.
In de nu volgende dagen waren beide groote mannen tot overeenstemming gekomen. Pius had zich verbonden de vroeger gesloten verdragen en vooral de besluiten van het Parijsche Concilie betreffende de canonieke bevestiging der bisschoppen letterlijk na te leven. Hier tegenover had Napoleon beloofd de propaganda en de penitencerie (pauselijke vierschaar voor boetezaken) weder toe te laten en de verbannen geestelijken terug te roepen. Den 25en Januari was het door zooveel duizenden gewenschte nieuwe Concordaat met groote plechtigheid te Fontainebleau, in tegenwoordigheid van de keizerin en van een schitterenden hofstoet, door beide vorsten onderteekend.
Doch wat had men toen gezien? Nog geen maand later hadden de kardinalen Pius weten te bewegen, aan dit stuk een cedule (aanhangsel) toe te voegen, waarin hij de geheele overeenkomst van Fontainebleau terugnam en de kerk weder in den ouden toestand van verwarring dompelde.
Over deze trouwbreuk vertoornd, zich nu ontslagen achtende van al zijn verplichtingen tegenover den Heiligen Stoel, had Napoleon nog denzelfden dag een decreet uitgevaardigd, waarbij het pauselijke gezag in gansch Frankrijk en Italië opgeheven, de metropolitaan te Parijs (aartsbisschop) hiermede bekleed en aan alle Franschen gehoorzaamheid aan het Concordaat van Fontainebleau bevolen werd.
Den 15en April verliet hij St. Cloud en bevond zich reeds tien dagen later te Erfurt bij zijn garde. Eugène stond nog met drie korpsen aan de Beneden-Saale; Ney, voorwaarts van Weimar, had den pas bij Kösen tevens bezet, Marmont stond bij Gotha, de generaal Bertrand met zijn korps bij Saalfeld, Oudinot bij Coburg.
Hiertegenover vond men Wittgenstein met 22.000 man tusschen de Saale en de Beneden-Mulde, Blücher met 21.000 strijders bij Altenburg, de voorhoede der Russische hoofdarmee bij Chemnitz, Tormassof bij Dresden, voorts Wintzigerode met 10.000 man bij Lützen, dus vrij ver uiteen.
Reeds heeft de voorgenomen vereeniging tusschen Eugène's korpsen en het hoofdleger plaats gegrepen, en hebben de jonge Fransche conscrits o.a. bij Weissenfels een bewijs gegeven, dat men op hen kan rekenen; reeds is de Saale hier en bij Merseburg overschreden en is de oude garde Lützen genaderd op haar weg naar Leipzig, als bij Wittgenstein, die het opperbevel voert, het plan tot rijpheid komt, Napoleons rechtervleugel aan te grijpen. Een divisie van 5000 man zal in breed front, bij Lindenau ten westen van Leipzig, het andere gedeelte van diens leger inmiddels bezighouden.
Door zijn gebrek aan cavalerie wist Napoleon van de opstelling en de marschrichting des vijands nog zoo goed als niets. Alleen was hem bekend, dat Wittgenstein zijn macht bij Zwenkau bijeentrok.
Als Lauriston den 2en Mei bij Lindenau stoot op de Russen, denkt de Keizer dus aanvankelijk hun geheele leger tegenover zich te hebben. Weldra verraadt kanongebulder uit het zuidoosten hem echter, dat hij zich heeft vergist. Enkele minuten blijft hij staan luisteren en kijkt hij naar den in de verte optrekkenden kruitdamp; dan begrijpt hij den toestand. Ney, die Groot- en Klein-Görschen benevens het dorpje Kaja heeft bezet, wordt blijkbaar aangevallen.
Terwijl hij Lauriston tegenover Lindenau laat staan, doet hij door een manoeuvre, even geniaal als bezwaarlijk en alleen voor hem uitvoerbaar, de rest van zijn leger achter dezen langs een frontverandering verrichten naar het zuidoosten.--Is deze gelukkig volbracht, dan gaat het er op in, Ney te hulp; hij zelf voorop, voor zijn jonge soldaten uit om ze aan te vuren.--"Waarschijnlijk heeft hij in zijn gansche leven nooit zooveel gevaar geloopen als dien dag," schreef Marmont, die bevel had ontvangen rechts naast Ney in 't gevecht te treden.
Tot vijf uur blijft dit onbeslist; dan begint er bij de tegenpartij afmatting te ontstaan. De Keizer voelt, dat het kritieke oogenblik is gekomen. Drouot, de welbekende commandant der garde-artillerie, ontvangt bevel op den rechtervleugel der slaglinie zijn gansche macht, 60 stukken, te doen oprijden om baan te breken. Dan formeert zich de garde tot den aanval. Het dorp Kaja, het centrum der stelling, wordt door haar genomen; over de gansche linie vluchten de Pruisen. Tevergeefs spannen de Russische reserves alle krachten in om het verloren terrein te herwinnen; om zeven uur is de slag bij Lützen geslagen.--"'t Is een onverwachte overwinning geweest, die in den stand der zaken een geheele ommekeer heeft teweeggebracht," mocht de Keizer gerust zeggen. Zijn jonge soldaten hadden gezegevierd; de vijand was in vollen aftocht naar Dresden en de Elbe. Te voren reeds had Lauriston Lindenau en Leipzig genomen.
Deze glansrijke zege had de gedachte aan den veldtocht naar Rusland bij vriend en vijand eensklaps naar den achtergrond gedrongen. De gelukszon bestraalde dus 's Keizers vanen opnieuw!
Nu rukt hij in één adem door naar Dresden en staat den 8en Mei voor de Elbe. Met zijn artillerie brengt Drouot een hier staande batterij van 40 stukken tot zwijgen. De Russen en Pruisen ontruimen in allerijl de stad. Den 11en zijn de steenen brugbogen, die Davoust heeft doen springen, door houten jukken vervangen, en trekt het Fransche leger de rivier over, den vijand achterna, die naar Bautzen aan de Spree, naar het oosten is geweken.
Verscheiden kleine gevechten bewijzen hoe dicht de partijen elkander reeds zijn genaderd. Bij Würschen wordt Alexander, die, verstoord op Wittgenstein, het commando zelf heeft genomen, geducht gehavend; den 20en tegen het middaguur worden de verbondenen bij Bautzen door Macdonald en Oudinot opnieuw zoo geducht onder handen genomen, dat een generale aftocht naar Breslau in Silezië het gevolg hiervan is.
De eindbeslissing was echter nog nergens gevallen. Gebrek aan cavalerie was bij Napoleon hiervan de reden. Deze leemte in de samenstelling zijner armee was oorzaak, dat hij betreffende 's vijands bewegingen zelden vroegtijdig inlichtingen ontving, dat er na een gelukkig gevecht bij de vervolging geen gevangenen werden gemaakt en dat de aftrekkende tegenpartij niet uit haar verband gerukt kon worden.
Den 1en Juni bezette hij Breslau. Tot nu toe had hij overal de zege behaald. Jammer, dat hij ze zoo duur had moeten koopen! Den 1en Mei was Bessières, sinds 1796 overal zijn trouwe krijgsmakker, bij Poserna door een kanonskogel gedood; den 22en bij Reichenbach had ditzelfde lot den hofmaarschalk Duroc, den braven generaal Bruyères en den generaal der genie Kirgener getroffen.
De brief, dien hij aan mevrouw Bessières, hertogin van Istrië en later aan mevrouw Duroc op het gevechtsveld schreef; de vorstelijke wijze waarop hij daarna in de toekomst van deze dames voorzag, gaven wel te kennen hoe bitter hij onder het verlies van die trouwe vrienden leed. Schreiende als een kind had hij aan den arm van de Caulaincourt het sterfbed van Duroc verlaten.
"De dood begint dicht om ons heen te waren," mocht hij wel zeggen.
Door de laatste nederlagen zeer in 't nauw gebracht, zoo goed als afgesneden van Berlijn, tot in Opper-Silezië teruggeworpen, gevoelden Alexander en Frederik Wilhelm, dat het voor hen hoog tijd werd onderhandelingen aan te knoopen en tot ergernis van het meerendeel zijner generaals liet Napoleon zich vinden voor het sluiten van een wapenstilstand. Den 4en Juni ingaande, zou deze duren tot 20 Juli. Breslau werd neutraal verklaard, de strook grond aangewezen, de onvruchtbaarste van gansch Silezië, waarop het Fransche leger zou verblijven.
In de hoop gedurende dit tijdsverloop tusschen zijn vijanden verdeeldheid te zaaien en hun coalitie te doen uiteenvallen, had Napoleon in deze ongunstige voorwaarde berust. Ook dacht hij de talrijke versterkingen, vooral aan cavalerie, die reeds naar hem op marsch waren, inmiddels bij zich aan te trekken. Voor het meerendeel waren het conscrits, later Marie Louises genaamd, omdat deze de besluiten teekende en wegens den vorm van hun hoofddeksel, een kwartiermuts, die op een vrouwenmuts geleek,--schako's waren er toen niet in voorraad--doch Napoleon had de waarde dier slechts half volwassen jonge mannen reeds op prijs leeren stellen.
Een overeenkomst, den 30en Juni te Dresden gesloten, waarbij het aanbod van Oostenrijk om als bemiddelaar op te treden door beide partijen werd aangenomen, was het slot van eenige voorloopige besprekingen. Den 5en Juli zou te Praag een congres bijeenkomen om over den vrede te beraadslagen. Hiermede in verband werd de duur van den wapenstilstand verlengd tot den 10en Augustus.
Het congres leverde echter geen resultaat op. De eischen der bondgenooten, n.l. dat Frankrijks grenzen voortaan zouden worden aangegeven door den Rijn, de Alpen en de Maas, achtte Napoleon na zijn overwinningen bij Lützen en Bautzen volslagen onaannemelijk. De oorlog zou dus opnieuw ontbranden, feller nog dan te voren, want keizer Frans verklaarde thans aan den drang van zijn volk, (doch vooral van zijn omgeving) niet langer weerstand te kunnen bieden en sloot zich aan bij de coalitie. Vóór Waterloo zou dit "Heilige Verbond," niet worden opgelost.
"Wat zal ik ze afrossen!" moet Napoleon te Dresden hebben gezegd, toen hij de vreemde diplomaten, waaronder Metternich, dien hij grof bejegend had, zijn paleis zag verlaten. Hij scheen totaal te hebben vergeten, dat hij in Duitschland een leger van hoogstens 300.000 man had, slechts voor de helft bestaande uit Franschen; dat de herinnering aan de ramp in Rusland bij deze nog niet was uitgewischt, en dat laksheid, onwil en neiging tot verraad bij de bondstroepen zich reeds duidelijk begonnen te teekenen.--Was de Saksische generaal von Thielmann na een mislukte poging om de forteres van Torgou den Pruisen in handen te spelen, niet reeds met zijn brigade naar deze overgeloopen? Had von Langenau niet ongeveer hetzelfde gedaan?--Toch bleef hij oogenschijnlijk vol vertrouwen en twijfelde niet aan zijn succes,--als hij slechts wat meer cavalerie tot zijn beschikking had gehad.
Een blik op den stand der partijen kan hier niet schaden.
Reeds bij 't begin van den veldtocht, die, onwaardig genoeg, door de bondgenooten werd geopend (14 Augustus), voordat de wapenstilstand was geëindigd, omspanden hun legerdrommen Napoleons troepen in één wijden boog. In Mecklenburg stonden 40.000 Russen. Met ruim honderdduizend Zweden, Russen en Pruisen hield Bernadotte Berlijn bezet. In Silezië, tusschen Schweidnitz en de Oder bevond zich de hoofdmacht, ruim 200.000 krijgers onder Wittgenstein; bij Lintz hadden 40.000 Oostenrijkers post gevat. Hun hoofdkorps 140.000 man werd onder Schwartzenberg bij Praag samengetrokken.
Stonden in eerste linie dus 560.000 man, dicht achter deze volgden geduchte reserves, die de geheele macht opvoerden tot een totaal van meer dan een millioen hoofden. Bij zulk een sterkte kwamen verliezen van 20.000 of 30.000 soldaten bijna niet in aanmerking.
Van Napoleons armee stonden circa 70.000 man bij Dahmen in Pruisen tegenover Bernadotte; met 100.000 man bewaakte Ney een deel van Silezië. In de omstreken van Zittau aan de Neisse, ten zuiden van Görlitz, bevond zich een korps van eveneens 70.000 man. De maarschalk Saint-Cyr dekte met 16.000 man Dresden en had bij 't kamp van Pirna zijn stelling. Eindelijk lag de garde, 20.000 man sterk, te Dresden. Hier commandeerde Napoleon zelf.
Davoust, Saint-Cyr, Augereau, Reynier en andere opperofficieren met erkende krijgskundige bekwaamheden voerden nog steeds een legerkorps aan, de troepen vertrouwden op hen; doch naast hen waren anderen gekomen, op wier militaire talenten als troepenaanvoerders heel wat viel af te dingen. Oudinot had in Rusland grove misslagen begaan; Marmont had het kort te voren in Spanje afgelegd, terwijl Lauriston en Bertrand, de eerste een goed artillerist, de andere een uitstekend genist, te velde nog nooit met een troepencommando waren belast geweest en dus voor een bevel over een korps ongeschikt mochten heeten.
Alleen aan 's Keizers persoonlijke vriendschap hadden de twee laatsten hun tegenwoordig commando te danken gehad; zij dienden letterlijk op proef en dit in een tijd, waarin Frankrijks lot op het spel stond!
Om hem te beletten verandering te brengen in zijn veldtochtsplan, dat hun door het ellendige verraad van generaal Jomini, jarenlang Ney's chef van den staf, ten deele was bekend geworden, waren de bondgenooten de vijandelijkheden reeds den 14en Augustus begonnen. Tegenover een veldheer als Napoleon baatte hun deze schending van den wapenstilstand niet veel. Toen hij ontdekte, dat men tegen zijn opmarsch naar Bohemen op zijn hoede was wendde hij zich tegen Silezië, tegen Blücher.
Verscheiden kleine en groote gevechten (21-23 Augustus) waren hiervan het gevolg. Blücher was tenslotte verplicht achter de Katzbach, tusschen Liegnitz en Goldberg ten noordwesten van Breslau, een goed heenkomen te zoeken.
Reeds waren bevelen voor een krachtige vervolging gegeven, toen de Keizer bericht ontving, dat Schwartzenberg met ruim 200.000 man uit de passen van Bohemen gedeboucheerd en Saksen binnengerukt was, blijkbaar op Dresden aan. Macdonald met circa 70.000 man tegenover Blücher latende staan, rukte hij nu met geforceerde marschen eveneens naar Dresden, dat intusschen door Saint-Cyr, uit Pirna voor de overmacht teruggegaan, was bezet. De vluchtige versterkingswerken, hier reeds vroeger opgeworpen, waren nog niet eens voltooid.
Onbekend met de omstandigheid, dat de Keizer aan het hoofd zijner garde met de cavalerie van Latour-Maubourg en verscheiden divisiën infanterie Dresden was binnengetrokken; meenende op Saint-Cyr met zijn 17000 man een gemakkelijke overwinning te behalen, vielen de bondgenooten die veldwerken den 26en zoo onstuimig aan, dat ze in een ommezien waren genomen. Ook de voorstad Pirna was weldra in hun handen. De Freyburgerpoort werd reeds door hen bestormd.
Plotseling echter werd deze geopend. Met generaal Cambronne aan de spits stortte zich een dichte colonne garde-infanterie met geveld geweer op de aanvallers en sloeg ze uiteen. Ditzelfde gebeurde bij de andere poorten. De Pruisen vluchtten, verlieten de reeds veroverde schansen, liepen het vrije veld in en werden hier door de escadrons van Latour onder den voet gereden. Die dag kostte den bondgenooten bijna 9000 man, maar--Napoleon had vijf generaals verloren.
In weerwil van den geweldigen regen, die van het terrein een modderpoel maakt, waarin de vuurmonden blijven steken, gaan de Franschen den volgenden morgen tot den aanval over. Wel tellen ze ruim 80.000 man minder in 't gelid dan de vijand, maar onversaagd gaat het er op in. Reeds brengt de jonge garde 's vijands linkervleugel tot wijken, als Napoleon in deze een gaping ontdekt. In een oogwenk zitten Murats kurassiers en karabiniers in die open ruimte, breken zich met geweld baan door een hollen weg, storten zich op de daarachter staande Oostenrijksche bataljons van Klenau, houwen en steken alles neer wat voor hun voeten komt en behalen een schitterende overwinning, zonder dat zij zelf groote verliezen lijden, want de regen heeft het gebruik van het toen nog gebezigde steenslotgeweer als vuurwapen volslagen onmogelijk gemaakt; de infanterie heeft dus om zich te verdedigen slechts de bajonet.
Men zag Fransche escadrons de Oostenrijksche carré's zoo dicht naderen, dat de ruiters met de sabel tegen de bajonetten der tegenpartij tikten. Maar wee deze, als een regiment lansiers of een batterij met dubbele bespanning in de nabijheid kwam. Dan was 't kortaf: "De wapens neer!" of 't ging er op met lans en schroot; dan was zoo'n carré verloren.
Dien avond was het leger der bondgenooten in vollen aftocht naar Bohemen; het miste 18 vaandels, 26 vuurmonden en 20.000 man.
Ook generaal Moreau was gesneuveld. Sinds eenigen tijd bevond hij zich bij keizer Alexander in 't Russische hoofdkwartier. Door schitterende aanbiedingen verlokt, was hij uit Amerika overgekomen om hem met raad en daad voor te lichten. Een kanonskogel van een der gardebatterijen had hem beide beenen boven de knie verbrijzeld. Een jammerlijk uiteinde voor een eenmaal zoo schitterende heldenfiguur! Door zijn hond, die van hem weggeloopen en door een paar Fransche soldaten opgevangen was, en die een halsband droeg met het opschrift: "Ik ben het eigendom van generaal Moreau," vernam Napoleon, wie bij Dresden tegen hem over had gestaan.
Door een plotselinge ongesteldheid overvallen,--men mompelde zelfs van een mislukte poging tot vergiftiging--zette Napoleon de vervolging in de richting van Bohemen niet zelf voort, doch keerde naar Dresden terug. Door Marmont en Saint-Cyr gesteund, zou Vandamme, die op het slagveld bijna altoos Pech hebbende, doch zeer dappere Vandamme, die taak op zich nemen. Van Peterswalde in 't Ertsgebergte, waar hij het bergvlak van Kulm en de stad Töplitz beheerschte, zou hij naar deze laatste plaats rukken en ze bezetten, om den vijand den aftocht te beletten. Overtuigd, dat Saint-Cyr en Marmont hem zouden ondersteunen, rukte hij met zijn 20.000 man naar Töplitz, vond hier den 30en den Russischen generaal Ostermann, viel dezen onversaagd aan, doch dolf het onderspit en werd gevangen genomen. Hij was van alle hulp verstoken gebleven.--Saint-Cyr en Marmont hadden hun order te laat ontvangen.
Van nu af begon voor de Fransche adelaars de krijgskans te keeren. Reeds vroeger had Oudinot bij een poging om zich meester te maken van Berlijn, dat Bernadotte met overmacht bezet hield, bij Gross-Beeren een geduchte nederlaag geleden en was naar Wittenberg teruggeworpen (23 Augustus). Terwijl Napoleon den 26en Augustus bij Dresden glansrijk overwon, werd Macdonald aan de Katzbach door zijn eigen onvoorzichtigheid,--hij verliet een uitmuntende stelling aan dit riviertje--door Blücher verslagen. Dit was een ramp, die Napoleon kwam te staan op een verlies van vijftig vuurmonden en 33.000 man, waaronder 20.000 gevangenen. Nòg zwaarder was de slag, die hem trof, toen Ney, die Oudinot in het commando was opgevolgd, bij Jüterbock (Dennewitz) door Bernadotte zoo krachtig werd teruggeworpen, dat hij den rechteroever van de Elbe moest loslaten (5 September).
Nooit sterker dan in die laatste Augustusdagen van 1813 wreekte zich 's Keizers manier van opleiden zijner hoogste onderbevelhebbers. Blindelings gehoorzamen aan zijn bevelen was vijftien jaar lang hun taak geweest; onder zijn persoonlijk commando vaak prachtige werktuigen, was hun strategisch denken zoodoende niet genoeg tot ontwikkeling gekomen. Door den drang der omstandigheden eensklaps geroepen zelfstandig op te treden, schoten zij thans in doorzicht en besluitvaardigheid te kort, namen verkeerde maatregelen en brachten het leger ten val.