Chapter 41
Om één uur in den nacht had de laatste afdeeling van Victor de overzijde bereikt. Slechts eenige duizenden achterblijvers bevonden zich toen nog op den linkeroever; den volgenden morgen om half negen deed Eblé, die uit medelijden met al die rampzaligen met de uitvoering van 's Keizers bevel zoolang doenlijk had gewacht, de bruggen in brand steken. Een uur later bestonden ze niet meer.--Toen kwamen de kozakken met hun ijzingwekkend hoera.
Op dezelfde wijze deed de Keizer handelen met de bruggen bij Zembin; doch de vorst viel weder in en maakte al zijn pogingen om zich de kozakken hierdoor van het lijf te houden doelloos. Zij naderden thans over het ijs.
De Berezina over, kwam het Fransche leger zoo goed als volslagen tot oplossing. Binnen drie dagen slonk zijn effectief aan strijdbare mannen weg tot beneden de negen duizend. Ney voerde weder de achterhoede aan.
Duidelijk zag Napoleon den toestand in.--"Het leger is talrijk maar ontzettend uit zijn verband," schreef hij den 29en aan den hertog van Bassano te Wilna. "Veertien dagen zijn er noodig om het weder onder de vanen te verzamelen. De koude en de ontberingen zijn van dit alles de oorzaak. Wij komen naar Wilna. Zullen wij ons daar kunnen staande houden? Levensmiddelen en nogmaals levensmiddelen zijn vóór alles noodig; zonder deze zijn er geen gruweldaden, tot welke deze bandelooze massa zich tegenover de stad niet zal laten vervoeren. Misschien zal het leger zich eerst achter den Niemen kunnen verzamelen. Onder deze omstandigheden is het mogelijk, dat ik mijn tegenwoordigheid te Parijs voor Frankrijk, voor het rijk, zelfs voor het leger noodzakelijk begin te achten."
Den 5en December handelde hij in dezen zin. Eigenhandig schreef hij te Smorgoni het bulletin, waarin hij van het leger afscheid nam en het commando opdroeg aan Murat; toen riep hij zijn maarschalken samen, toonde zich schijnbaar kalm, deed Eugène het bulletin voorlezen, besteeg met de Caulaincourt, Duroc, Lefebvre-Desnouettes en graaf Lobau een rijtuig, deed Rustan plaats nemen op den bok, reed den weg op naar Wilna, passeerde onder den naam van de Caulaincourt geheel Duitschland en kwam in den laten avond van den 18en December aan de Tuilerieën in zulk een armoedige equipage, dat de schildwacht, die hem in zijn bonten jas niet dadelijk herkende, aanvankelijk bezwaar maakte hem te laten doorrijden.
Een reusachtig, hartverscheurend drama vormde de terugtocht van het Groote Leger over Wilna naar den Niemen. Aan honderden, die door 's Keizers tegenwoordigheid tot nog toe zedelijk waren geschraagd, ontzonk thans eensklaps de moed. Velen vervloekten hem. Anderen keurden zijn handelwijze volkomen goed. Het leger redden stond niet meer in zijn macht, het was gedoemd onder te gaan, en bij een veldheer en een vorst behoorde het belang van den staat te gaan boven het sentiment. Wat zou er van Frankrijk zijn geworden, als hij, bij zijn troepen blijvende, viel onder den lanssteek van een kozak of bezweek onder de koude?
Want fel koud was het opnieuw geworden, zoo fel, dat de adem als een kolom stoom mond en neusgaten verliet en terstond in ijskorrels overging, die als fijne hagel neervielen. De paarden moesten bij herhaling stilhouden, om ze te bevrijden van de zware ijskorst, die teugels en neusgaten telkens opnieuw overdekten. Te Wilna teekende de thermometer van dokter Larrey 28° vorst.
Van de meeste geweerdragenden bevroren de uiterste ledematen. Over allen lag zulk een sluier van neerslachtigheid en verdooving, dat velen elkander zelfs niet meer herkenden.
Onverklaarbaar is het dus, dat o. a. de gansche divisie Loison, circa 10.000 man jonge soldaten, aan de warme kazerne gewoon, uit Wilna niettemin op marsch was gezonden in de richting van Smorgoni, het Groote Leger te hulp. Wat een doorzicht en een gezond verstand bij hem, die het bevel hiertoe gaf!--Binnen enkele dagen hadden de bivaks in de open lucht en de groote ontberingen die gansche divisie benevens de aan haar toegevoegde Napolitaansche cavalerie doen wegsmelten als sneeuw voor de zon. Hiermede verdween de laatste kern van bruikbare soldaten uit Wilna.
Laten we een dichten sluier werpen over de gruweltooneelen, hier voorgevallen, toen die uitgehongerde, van ellende en gebrek half waanzinnig geworden menschen voedsel verlangden, dat daar volop in de magazijnen aanwezig was. Zij werden afgewezen, omdat zij niet meer tot een korps behoorden en dus niet van gewaarmerkte bons waren voorzien. Maret en van Hogendorp hadden de stad verlaten; bevelen waren niet gegeven, op de administratieve bureaux hebben alleen de voorschriften kracht van wet, is het sentiment zelfs in uiterste gevallen daar slechts een holle klank.
Zoodoende zijn te Wilna duizenden gewonden en zieken,--en ziek waren bijna allen--omgekomen van gebrek naast magazijnen vol levensmiddelen en kleedingstukken. Eenige dagen later zouden deze een welkome buit worden voor de eveneens half verhongerde kozakken van Platof, die vóór Tschitchagows geregelde troepen uit, reeds den 10en December als een zwerm gieren om de stad begonnen te zwerven.
Wilna geplunderd, werd de tocht naar den Niemen door al wat nog kracht en energie bezat voortgezet. Zoo bereikte Murat den 11en 's nachts Kowno. Ney volgde met 1500 man. Van hier schreef Berthier aan den Keizer:
"Ik moet Uwe Majesteit mededeelen, dat de gansche armee totaal is opgelost. Zelfs uw garde telt geen 500 man meer. De generaals, de officieren hebben alles verloren wat zij bezaten; van bijna allen zijn lichaamsdeelen bevroren. De straten zijn met lijken bedekt; de huizen liggen vol. De armee vormt nog slechts één colonne van verscheiden uren lengte, die 's morgens opbreekt en 's avonds ordeloos neervalt."
Den 19en December bereikte Murat Koningsbergen met nog geen 400 man der oude garde en geen 600 ruiters gevolgd door eenige duizenden achterblijvers.--Aan den Niemen, aan de grenzen van Pruisen had Tschitchagow de vervolging tijdelijk gestaakt; ook zijn leger was zoo goed als vernietigd. Wittgenstein rukte Macdonald achterna in de richting van Koningsbergen.
Hier ontving Murat den 1en Januari 1813 de tijding, dat de Pruisische generaal Yorck, onderbevelhebber van Macdonald, verraad had gepleegd, zich zoogenaamd door de Russen had laten omsingelen en toen met hen bij Tauroggen een verdrag gesloten had. Van zijn standpunt als Pruis, die, met haat tegen Napoleon vervuld, dezen slechts met weerzin had gediend, was deze daad verklaarbaar. Zijn koning, zeer verlegen met de zaak en bevreesd voor de gevolgen, ontnam hem tijdelijk zijn commando en stelde hem in staat van beschuldiging, maar Pruisen juichte luid.
In diezelfde dagen trof Schwartzenberg met Sacken ook een overeenkomst en keerde met zijn korps naar Oostenrijk terug. Een en ander was oorzaak, dat Murat, voor zijn eigen kroon bezorgd geworden, onbekwaam voor de hem opgedragen, inderdaad zeer moeilijke taak, retireerde naar Posen, het commando den 16en overdroeg aan Eugène, afreisde naar Italië en... met Oostenrijk onderhandelingen aanknoopte.
Bij al de ellende, welke de veldtocht van Rusland had gebracht, kwam voor den Keizer nog het verdriet, dat zijn familieleden hem hadden bezorgd. In 't begin zagen we, had hij Jérome naar Westfalen moeten terugzenden, uit louter onbekwaamheid en thans ging zijn zwager Murat naar Napels terug; duidelijk was het nu, dat hij den weg van 't verraad opging. Alleen Eugène had wederom zijn plicht gedaan en later over 1812 sprekende kon Napoleon terecht verklaren: "Wij hebben allen fouten begaan, alleen Eugène niet."
HOOFDSTUK XXV.
Lutzen, Bautzen, Leipzig.
Ternauwernood terug in zijn paleis, waar zijn vrouw hem wel met eenige verwondering doch tevens met groote hartelijkheid had welkom geheeten, riep de Keizer zijn ministers en grootwaardigheidsbekleeders bijeen. In zijn onderhoud met hen liep hij tamelijk vluchtig heen over den laatsten veldtocht. Volgens hem was deze alleen door den invloed der elementen mislukt, want overwonnen hadden de Russen hem geen enkele maal,--wat volkomen waar was. Terstond daarop begon hij nadrukkelijk verklaring te vragen van hun gedrag tijdens den aanslag van Malet. Savary werd door hem zelfs geducht onder handen genomen.--Terwijl de andere heeren door hun houding alleen reeds schuld bekenden, gaf Savary zijn heer kort en bondig te verstaan, dat hij niet aansprakelijk kon of wilde gesteld worden voor een aanslag, gepleegd door een halven gek, die niemand vooraf in zijn vertrouwen had genomen, en betreffende wiens plannen de politie volslagen onkundig was gebleven.
Weinig moeite kostte het den schranderen en onvervaarden minister van politie, dien de publieke opinie reeds als slachtoffer had aangewezen, den Keizer van de juistheid van zijn pleidooi te overtuigen. Te lichter viel hem dit dewijl het Napoleon niet zoozeer was te doen om dezen aanslag voor te stellen als een feit van groot gewicht, als wel om de gedachten af te leiden van Rusland en het noodlottige einde der Groote Armee.
Daarop ontving hij den Senaat en den Raad van State in plechtige zitting, viel hierbij geheel zonder reden heftig uit tegen de idéologen en hun begrippen, volgens hem de oorzaak van al 't geen was gebeurd, en ontsloeg daarna den prefect van de Seine Frochot, zoogenaamd omdat deze den dag der samenzwering bewijzen had gegeven van weinig tegenwoordigheid van geest.
Tegenover zijn ouden raadsman en vriend de Cambacérès speelde hij echter geen comedie. Hem droeg hij op een senaatsbesluit voor te bereiden waarbij met afwijking van den gebruikelijken vorm, niet een van zijn broeders, doch de Keizerin zelve reeds dadelijk met het regentschap werd bekleed. Vastbesloten den oorlog tegen Rusland zoo spoedig mogelijk voort te zetten, doch door Malets aanslag overtuigd geworden van het gevaar, dat zijn dynastie liep, wanneer hij mocht komen te vallen, wilde hij vóór alles van deze zorg voor de toekomst zijn ontheven.
In de eerste Januaridagen van 1813 begon hij een beter begrip te krijgen van den jammerlijken toestand, waarin de overblijfselen van het Groote Leger zich bevonden. Tot nu toe had hij zich hieromtrent nog illusies gemaakt.
Over het gedrag van Murat was hij een korte poos zoo gebelgd, dat hij zelfs er over dacht hem te doen gevangen nemen. Dat Eugène dezen had vervangen, droeg zijn goedkeuring weg.
"Die was meer bekend met het voeren van een omvangrijk beheer en genoot zijn volle vertrouwen," deed hij in den Moniteur schrijven. Tevens verhief hij Ney tot prins van Moskowa.
Toen Eugène door de steeds verder voortrukkende Russen gedwongen werd eerst de Weichsellinie op te geven en zelfs tot achter de Oder terug te gaan, meende hij hem niettemin in gespierde taal aan 't verstand te moeten brengen, "dat dit niet de manier was om den vijand ontzag in te boezemen en voorzichtig te doen wezen." Wanhopig werd hij bijna, toen hij vernam, dat Eugène, in 't begin van Maart over Berlijn, zelfs naar Wittenberg, dus tot achter de Elbelinie, was geretireerd.--"Onze militaire operatiën zijn een voorwerp van spot voor onze bondgenooten te Weenen en voor onze vijanden te Londen en te St. Petersburg," schreef hij. "Had voorwaarts van Berlijn stelling genomen en hier het gerucht doen verspreiden, dat ge veel sterker waart dan uw effectief bedraagt; dan had de Rus zich wel tweemaal bedacht, voordat hij de Oder overschreed met nog geen 60.000 man."
Vervolgens wees hij met nadruk op de waarde der stelling aan de Beneden-Elbe, al moest zelfs Dresden hiertoe worden opgegeven, "want door die stelling werd Holland, het schier onneembare Holland, gedekt; dit was van het hoogste belang."
Ten slotte beval hij hem voorwaarts van Maagdenburg positie te nemen. Ook Lauriston, die Eugène met vier divisiën nieuwe troepen was te hulp gezonden, ontving in dezen zin bevelen; hij moest allerwege het gerucht verspreiden, dat het Elbe-leger weldra tot den aanval zou overgaan.--"De moreele indruk doet vaak meer dan een groot leger," schreef hij.
Inmiddels was hij zelf weder even rusteloos en onvermoeid als ooit te voren bezig Frankrijks strijdmacht te herstellen. In de eerste plaats dienden hem hiertoe de ruim 140.000 conscrits van 1813, die, vroeger dan gewoonlijk opgeroepen, reeds drie maanden oefening achter den rug hadden; dan de zoogenaamde cohorten, een soort van stedelijke schutterij, samengesteld uit jonge mannen boven de twee en twintig jaar, reeds ten vorige jare opgericht en circa 100 bataljons vormende, goed gedrild en goed gewapend; voorts conscrits der lichtingen 1809, '10, '11 en '12, die nog niet hadden gediend; dan enkele uit Spanje terug ontboden regimenten, de soldaten en de kaders, die uit Rusland waren teruggekeerd, en thans in de depotplaatsen in Duitschland en Frankrijk werden gebezigd om het jonge personeel te onderwijzen en de kern te vormen voor nieuwe afdeelingen; eindelijk--de lichting van 1814, dus nog niet veel meer dan knapen.
Wel waren in den vorigen veldtocht alle vuurmonden en voertuigen verloren gegaan, doch in de arsenalen was voorraad genoeg aanwezig om binnen korten tijd zeshonderd, en een paar maanden later zelfs reeds duizend geheel uitgeruste kanonnen te kunnen uitbrengen. Ook trekpaarden waren er voldoende te krijgen, al was het oosten van Duitschland reeds door de Russen gesloten.--Het grootste bezwaar leverde de vorming op eener nieuwe cavalerie. Hiervoor waren geen rijpaarden genoeg. Zelfs voor baar geld en later door requisitie gelukte het generaal Bourcier, die speciaal met den aankoop er van was belast, niet eens, een voldoend getal bruikbare dieren bijeen te brengen.
Toen bedacht de Keizer, maar al te goed wetende van hoeveel waarde een talrijke ruiterij thans voor hem was, een middel om ten minste ten deele in deze ernstige leemte te voorzien; hij begon Frankrijks ijdelheid te prikkelen. Door de verschillende groote en kleine steden des rijks liet hij zich geheel uitgeruste cavaleristen aanbieden. Parijs gaf het voorbeeld met 500 man; dan kwam Lyon met 120; Rome leverde er 240, Amsterdam 100, Rotterdam 50 en zoo vervolgens. De prefecten oefenden hierbij wel eenigen drang uit maar het grootste deel der bevolking in Frankrijk zelf, al gaf ze Napoleon de schuld van al de rampen der laatste tijden, begreep dat ook alleen hij door krachtige weermiddelen in staat zou wezen om na een kortstondigen veldtocht te geraken tot een eervollen vrede.
In diezelfde dagen verscheen een besluit, waarbij vier regimenten zoogenaamde gardes d'honneur werden opgericht, alleen samengesteld uit jonge lieden der aanzienlijkste families, die te paard dienst deden en zelven in hun uitrusting en hun onderhoud voorzagen.
Op deze wijze, rekende de Keizer, zou hij binnen enkele maanden 300.000 krijgers aan den Rijn en de Elbe, 250.000 man in Spanje en 50.000 man in Italië kunnen bijeenbrengen. Wel zouden dit in hoofdzaak jonge troepen zijn, maar de kaders waren grootendeels oud. Rekening houdende met den strijdlustigen aard der natie, zou het geheel dus zeer goed bruikbaar wezen. Ney zelf was weldra vol bewondering voor die halve kinderen, zooals hij ze noemde, die, voor de eerste maal in 't vuur, doch door hun officieren voorgegaan, bij Weissenfels b.v., de charge der Russische escadrons rustig en gesloten afwachtten tot het commando: Aan! en Vuur! weerklonk, dan met hun lood in een oogwenk een dam van lijken van ruiters en paarden om zich heen opwierpen, daarna ijlings tot de aanvalsformatie overgingen en het behaalde succes onder een schallend: Vive l' Empereur! vervolgden.
Ook de financiën, de groote zenuw van den oorlog, vergat Napoleon niet; hij stelde niet alleen een groot deel zijner in de kelders der Tuilerieën geborgen krijgskas ter beschikking van den minister van financiën, doch zelfs uit zijn particuliere middelen, louter de vrucht zijner spaarzaamheid, deed hij een fermen greep. De verkoop van een deel der eigendommen van de gemeenten, voor welk verlies hij deze schadeloos stelde, vulde het nog ontbrekende aan.
In weerwil van die reusachtige krijgstoerustingen, welke aan de Fransche nijverheid opnieuw de gelegenheid schonken te bewijzen tot welk een krachtsinspanning ze in staat was, ontbrak het niet aan stemmen, die pleitten voor een eervollen vrede zonder dat er meer bloed werd vergoten. Reeds had keizer Frans zijn bemiddeling hiertoe zijdelings aangeboden.
De Caulaincourt, die het Russische hof door en door kende, hierin door de Cambacérès, de Champigny, en Talleyrand gesteund, ried Napoleon ernstig aan niemands tusschenkomst aan te nemen of te vragen, doch zich tot keizer Alexander zelf te wenden. Hier tegenover raadde de hertog van Bassano, hooghartig en verwaand als altoos, hem, van Oostenrijks bemiddeling wel degelijk gebruik te maken; en Napoleon, die zeide eveneens den vrede te willen, maar die dezen feitelijk niet wilde,--moest hij geen wraak nemen voor Moskou en het in Rusland geleden échec?--sloeg den raad der ouderen in den wind en volgde dien van zijn vleier.
Zelf schreef hij dus aan zijn schoonvader; maar dit schrijven was weder even hooghartig als altijd en de voorwaarden, welke hij stelde, waren volslagen onaannemelijk. In een brief aan Metternich had Maret met zijn belachelijk chauvinisme de stekeligste uitdrukkingen zijns meesters ten overvloede nog eens aangedikt.
Het resultaat van dezen stap was dan ook nul. Onder geen vorm wilde keizer Frans Pruisen zoo goed als uit de rij der staten van den Duitschen Bond zien verdwijnen, want van dit plan ging Napoleon zwanger. Ook wenschte hij het koninkrijk Polen niet hersteld te zien.
Schier ondoenlijk is 't zich een juiste voorstelling te maken van den geweldigen omkeer in de ziens- en denkwijze des volks, die inmiddels in Duitschland doch voornamelijk in Pruisen betreffende Napoleon was ontstaan. In den volsten zin des woords had het verraad van Yorck hier het sein gegeven tot een beweging tegen hem, zoo reusachtig, dat den koning, die tijdelijk te Breslau verblijf hield, de angst om het hart sloeg bij de gedachte aan de wraak van Napoleon.
De leden van den Tugendbund met von Stein en zooveel anderen aan het hoofd bekommerden zich hierom echter niet; die bond trad op met volle kracht; hoe meer de Russen naderden, hoe meer Eugène met zijn handjevol troepen achteruit gedrongen werd, hoe hartstochtelijker de volksgeest ontwaakte.
Toen Berlijn door de Franschen moest worden losgelaten; toen Dantzig en andere groote vestingen in Pruisen met Fransch garnizoen, als Stettin, Glogau, Maagdenburg, door de Russen werden bedreigd en ingesloten; toen keizer Alexander ten slotte Breslau naderde, was koning Frederik Wilhelm niet langer bij machte den wil van zijn volk te weerstreven. Den 1en Maart 1813 sloot hij met Alexander een verbond; en deze, door zijn aanvankelijk succes en zijn weelderige fantasie meegesleept, meenende, dat hij de door een hoogere macht aangewezen persoon was om gansch Duitschland te bevrijden, zwoer, dat hij de wapenen niet zou laten rusten, voordat hij deze taak had volbracht.--Engeland zou voor geld zorgen.
In een ommezien had gansch Pruisen zich nu aangegord tot den strijd, en was er een Landwehr, een soort van nationale militie, georganiseerd. Zoo geducht werd de drang dezer gewapende massa, dat geheel Pruisen en Saksen door de Franschen moesten worden ontruimd. Tot achter de Saale ging Eugène terug.
Te midden van die zoo snel op elkander volgende gebeurtenissen voelde keizer Frans zijn positie voortdurend moeilijker worden. Hij hield veel van zijn dochter; hij was zijn schoonzoon niet ongenegen; gaarne zou hij als bemiddelaar zijn opgetreden. In dezen zin liet Metternich zich ook uit tegenover Maria Louise, toen hij bij Napoleon geen gehoor vond; maar de halsstarrige weigering van dezen om op zijn voorwaarden iets te laten vallen, was oorzaak, dat alle kans op vrede verdween.
Tegelijkertijd werd door Pruisen en Rusland geen middel ongebruikt gelaten om ook Oostenrijk in hun coalitie te betrekken. Door den ouden adel, fel gebeten op Napoleon, den man der revolutie en der moderne begrippen, waren in 't geheim zelfs reeds relaties aangeknoopt met de andere hoven.
Maar nòg bleef keizer Frans doof voor de aanmaningen van die zijde en voor den drang van zijn volk. Door bedrieglijke beloften werd de Fransche gezant te Weenen zelfs misleid. Toch was reeds uit allerlei gegevens af te leiden, dat ook hier weldra een omkeer zou volgen.
Alleen de oude koning van Saksen was niet te bewegen zijn woord te breken. Hij bleef Napoleon trouw, herinnerde zijn leger aan zijn eed, gaf, toen hij bij de nadering der Russen Dresden verlaten moest, de forten bij Wittenberg en bij Torgau aan de Franschen in handen en vertrok naar Praag.
Den 25en Maart vaardigde Kutusof een manifest uit, waarbij het Rijnverbond vervallen werd verklaard, en waarbij alle Duitsche vorsten met verlies hunner kroon bedreigd werden, als zij niet onverwijld medewerkten tot de bevrijding van hun vaderland.
Reeds in de eerste dagen van Februari had de graaf van Lille (later Lodewijk XVIII) uit Engeland een manifest gericht tot de Fransche natie om zich te werpen in de armen van haar wettigen vorst, "nu de goddelijke Voorzienigheid gereed scheen het werktuig van zijn toorn, den overweldiger van den troon van St. Louis, den verwoester van Europa, te verbrijzelen."
Den 30en Maart trad ook Bernadotte tot de coalitie toe. Engeland schonk hem hiervoor vijf en twintig millioen francs; ook werd het aan Denemarken toebehoorende Noorwegen hem toegewezen benevens Guadeloupe, een bezitting van Frankrijk.
Reeds in Augustus van het vorige jaar had hij te Abo met Alexander van Rusland onderhandelingen aangeknoopt over een inbezitname van den Franschen troon, als Napoleon in dien veldtocht mocht komen te vallen. Toen hadden die niet tot een besluit geleid. Thans kwam deze oud-maarschalk van Frankrijk, die alles aan Napoleon te danken had, zich scharen aan de zijde van diens vijanden, "omdat het belang van zijn nieuw vaderland dit noodzakelijk maakte."
En zooals we zagen stond ook Murat reeds op het hellende vlak, dat leiden moest naar verraad. Beducht voor het verlies van zijn kroon, had hij te Weenen in stilte reeds vrienden gezocht om hem in geval van nood te beschermen, toen Napoleon hem het commando over zijn cavalerie opdroeg.
Den 27en Maart werd Pruisens oorlogsverklaring te Parijs ontvangen. In de eerstvolgende weken zou het zwaard dus weder beslissen tusschen Frankrijk en Pruisen, Rusland en Zweden met een weifelend Oostenrijk op den achtergrond en met een bevolking in Duitschland, die onverzoenlijken haat had gezworen aan al wat Napoleon heette of met hem samenging.
Ten gevolge van de doorgestane vermoeienissen was Kutusof gestorven en in het commando opgevolgd door Wittgenstein, wiens chef van den staf Diebitsch de leiding in handen had. Blücher zou het Pruisische leger aanvoeren. Beider macht te zamen beliep ongeveer 250,000 krijgers, waaronder een zeer talrijke cavalerie, een wapen, waarvan het Fransche leger voorloopig slechts spaarzaam was voorzien, en met een artillerie, die het van de Fransche eveneens in sterkte won, maar niet in gehalte.
Tegenover deze macht, welke Hamburg, Dresden en Leipzig in haar bezit had, kon de Keizer voorloopig niet meer stellen dan circa 80.000 man, verdeeld in de garde en vier korpsen. Voor 't grootste gedeelte waren deze afdeelingen nog op marsch.--Ten zuiden van Maagdenburg, met den linkervleugel geleund aan de Saale, stond voorts Eugène met bijna 40.000 man.
Voordat Napoleon Parijs verliet om zich naar zijn leger te begeven (15 April) was de gezamenlijke sterkte hiervan geklommen tot circa 200.000 man, voor de helft Franschen; de krijgsmacht der bondgenooten nam eveneens doch in veel sterker mate toe, terwijl zich in de staten van het Rijnverbond en te Hamburg reeds duidelijk sporen van verzet vertoonden.