Chapter 4
Den 23en was 't weer koninklijke zitting. Troepen omringden de vergaderzaal! De gepriviligeerde standen traden het eerst binnen, daarna de derde stand, na een uur in den regen gestaan te hebben; de tribunes waren onbezet, de toegang was verboden. De geestelijkheid zat links, de adel rechts, de derde stand in het midden der zaal, alles als op 5 Mei, maar toch welk een verschil! Thans was de derde stand zich bewust van zijn roeping, de vertegenwoordiging te wezen van geheel de natie. Met allen luister van het ancien régime komt de koning de vergaderzaal binnen; een doodsche stilte ontvangt den vorst. Op hoogen toon uit hij zijn ontevredenheid over de ontstane breuk; verklaart alle op 17 Juni genomen besluiten nietig, gelast standsgewijze te vergaderen, dreigt met ontbinding en in geval van tegenstand, met ernstige maatregelen, beveelt ten slotte de afgevaardigden uiteen te gaan.
De koning vertrekt met zijn gevolg; adel en geestelijkheid volgen zijn voorbeeld; de derde stand blijft zwijgend, roerloos zitten.
De groot-ceremoniemeester de Brézé, bemerkende, dat niet door alle leden aan den last van zijn vorst werd voldaan, kwam terug en zei aan den president: "Mijnheer gij hebt het bevel van den koning gehoord?"
Toen stond Mirabeau, de afstammeling van een der oudste adellijke geslachten van Frankrijk, maar een volbloed aanhanger der volkspartij, op, en zei aan de Brézé, dat hij geen plaats in deze vergadering had, noch recht van spreken en verder: "Ga aan uw meester zeggen, dat wij hier zijn door den wil van de natie en dat wij alleen van hier gaan door de kracht der bajonetten."
"Wij zijn heden, wat we gisteren waren, laten wij voortgaan met beraadslagen," liet Siéyès hierop volgen.
Kalm en vastberaden toog men aan den arbeid; alle genomen besluiten bleven gehandhaafd, terwijl op voorstel van Mirabeau de onschendbaarheid van de leden der Vergadering werd afgekondigd.
En de koning? Toen de Brézé hem overbracht, wat Mirabeau had gezegd, gaf hij ten antwoord: "Als ze niet willen heengaan, moeten ze er maar blijven." Den 23en Juni 1789 ging het koninklijke gezag in Frankrijk verloren.
Dit krasse verzet had de koning niet verwacht, hij gaf toe; Necker, eerst ontslagen--aan de zitting had hij geen deel willen nemen--werd nogmaals teruggeroepen en de bevoorrechte standen ontvingen het verzoek, thans het verzet te staken en zich met den derden stand te vereenigen.
Zoo had alles nog terecht kunnen komen. Met voorzichtigheid en eerlijkheid had de goede verstandhouding tusschen de kroon en de Vergadering hersteld kunnen worden, doch van den eersten schrik bekomen, ried het hof den zwakken vorst thans met geweld te beproeven, wat met een vertoon van gezag niet was gelukt.
Wederom gaf Lodewijk aan dezen slechten raad gehoor. Troepen werden rondom Parijs samengetrokken. Al die vreemde regimenten, wier trouw aan den koning spreekwoordelijk was geworden, begonnen in de hoofdstad echter onrust en wantrouwen te wekken. De Vergadering gaf den koning dus in eerbiedige, doch manmoedige taal in overweging, die troepen naar hun garnizoenen te doen terugkeeren. Een weigering was hierop het antwoord.
In den tuin van het Palais Royal, door den Hertog van Orleans voor het publiek opengesteld, hoorde men reeds heftige redevoeringen en waarschuwde Camille Desmoulins in opruiende taal het volk voor de door het hof genomen maatregelen. Den 12en Juli verspreidde zich te Parijs het gerucht, 't geen waarheid bleek te bevatten, dat Necker nogmaals was ontslagen en in een nieuw ministerie o.a. was benoemd, de bij het volk zoo beruchte Foulon.
Op een verzoek van het volk om brood, had hij eens geantwoord: "Als ze honger hebben, moeten ze maar gras eten!"
Nu volgden daden van geweld te Parijs.
Daar eischte men reeds een burgerwacht en de kiezersvergadering, die sinds eenigen tijd op het stadhuis zitting hield, bracht dit verzoek, aan de Vergadering over, die toegaf.
Parijs wapende zich; de smeden werkten dag en nacht; het Huis der Invaliden werd geplunderd en de geweren, daar gevonden, verdeeld; de klokken van het stadhuis en van de kerken riepen de bevolking te wapen. Standjes tusschen de gardes françaises en de vreemde troepen hadden plaats.
In den morgen van den 14en Juli trokken gewapende benden uit de voorstad St. Antoine onder den kreet "Naar de Bastille" in de richting van de staatsgevangenis, die achter haar zware, sombere muren in vroeger tijden zooveel ongerechtigheden had zien gebeuren, waar zooveel onschuldigen door een "lettre de cachet" waren geherbergd geweest en van waaruit de kanonnen op de stad gericht heetten.
Verzocht, de sterkte over te geven, weigerde de gouverneur De Launay hieraan te voldoen. Toen werd storm geloopen, de bezetting voor een deel over de kling gejaagd, De Launay onthoofd. Binnen enkele weken was de Bastille met den grond gelijk gemaakt. Merkwaardige gebeurtenis! Het materieele symbool van het ancien régime was gevallen, welk feit niet naliet grooten indruk op de tijdgenooten te maken en daaraan vooral dankt het zijn historische beteekenis.
Nog altijd is 14 Juli Frankrijks feestdag; dan wappert de in die dagen ontstane tricolore, het rood en blauw, de kleuren van de stad Parijs met het wit, die der Bourbons.
Van het gebeurde onderricht, ontstelde de koning geducht. Hij begaf zich naar de zittingzaal der Vergadering, beloofde de troepen te doen vertrekken, Necker terug te roepen en zelf van Versailles naar Parijs te gaan om hier rust te brengen en de genegenheid der bevolking te herwinnen. Den 17en Juli volvoerde hij dit plan. Voorafgegaan door een honderdtal leden van de Vergadering, omgeven door gewapende nationale gardes, de pas opgerichte burgerwacht, reed hij zonder escorte naar het stadhuis. Al de gezichten stonden somber en strak.
Maar wat is het Parijsche volk? Hoe weinig is er vaak noodig, het van stemming te doen veranderen! Toen het zag, dat hij de nieuwgekozen cocarde uit de handen van den pas benoemden burgemeester Bailly aannam en op den hoed zette; toen het zag, dat hij zonder garde tot zijn bescherming, tusschen de menigte door, de trappen van het stadhuis besteeg, barstte het uit in vreugdekreten en daverde het: "Leve de koning!" weder als een zegekreet door de lucht. De verzoening scheen volkomen.
Nadat hij de benoeming van Bailly tot burgemeester (maire) van Parijs en van den generaal Lafayette, uit den Amerikaanschen vrijheidsoorlog welbekend, tot commandant der nationale garde, goedgekeurd en op deze keuze des volks zijn stempel gedrukt had, keerde hij naar Versailles en zijn in doodelijke onrust verkeerende familie terug.
Het gebeurde te Parijs bleef niet zonder uitwerking op de overige steden van Frankrijk. Overal werden bataljons nationale gardes opgericht, gemeentebesturen, uit de kiezers-comité's gekozen, ingesteld; op het platte land werd het een ware stormloop tegen de kasteelen van den adel, die hier uitgeplunderd, elders in vlammen opgingen, een uiting van den haat der boeren tegen de feodale rechten, de drukkende corveeën enz. Behalve in de Vendée, waar het landvolk zijn heeren getrouw bleef, was het een ware anarchie, waartegen, dit zag de Vergadering wel in, krachtige maatregelen noodig waren.
Ten einde verbetering te brengen op het platte land werd in den gedenkwaardigen nacht van 4 op 5 Augustus door alle voorrechten van adel en geestelijkheid een streep gehaald. De burggraaf de Noailles en de hertog d' Aiguillon gaven het voorbeeld en stelden de afschaffing voor van alle heerendiensten en den afkoop van alle feodale rechten. Anderen volgden; binnen enkele uren waren alle misbruiken verdwenen. Geen tienden, geen pensioenen meer zonder geldige aanspraken, geen handel in vette baantjes enz. Ook de provincies en steden deden afstand van hun privileges en keuren. Het oude Frankrijk werd gesloopt.
In weinige weken had de omwenteling een reusachtige schrede voorwaarts gedaan. De 17e Juni had de drie standen zien verdwijnen; toen waren de Etats Généraux overgegaan in een Nationale Vergadering; de 23e Juni was de sterfdag geweest van den zedelijken invloed der kroon, de 14e Juli die van haar stoffelijke macht. De eerste berustte thans bij de Vergadering, de laatste bij het volk. De besluiten van den 4en op den 5en Augustus hadden de kroon gezet op het werk.
Dat deze en later gevolgde, in het staatkundige en administratieve raderwerk van den staat zoo diep ingrijpende besluiten lang niet altijd met groote meerderheid van stemmen werden aangenomen, behoeft echter geen betoog. De meerderheid van den adel en de hooge geestelijkheid, die bij den nieuwen gang van zaken slechts kon verliezen, die in den waan verkeerde, dat weldra alles tot den vorigen toestand zou zijn wedergekeerd, werkte tegen, wat zij kon, woonde de zittingen niet bij of trachtte deze te storen. Men werkte juist hierdoor het hardste mede tot den val van het koningschap en tot hun eigen ondergang, want zij deden de verbittering der volksklasse tegen hen ten top stijgen en gaven door hun wegblijven de republikeinsgezinden in de vergadering de gelegenheid, besluiten te nemen, die vaak wijdere strekking hadden dan de voorstemmers bedoelden.
Wat het hof betreft, de prinsen van Condé en Conti hadden het voorbeeld van 's konings broer, den Graaf van Artois, reeds gevolgd en waren het land uitgeweken; de koning vernam met onverholen spijt de besluiten door de Vergadering genomen en aarzelde zijn goedkeuring te hechten aan de Verklaring van rechten van den mensch en den burger, waarin naar het voorbeeld van de Amerikanen, verschillende politieke denkbeelden werden ontwikkeld, die de grondslag van de constitutie moesten vormen.
Het scheen wel, dat allerlei omstandigheden moesten samenwerken om den stand van zaken nog hachelijker te maken; misgewas, hagelslag, de slecht geregelde aanvoer van graan waren oorzaak, dat er onder de lagere volksklasse te Parijs bittere nood ontstond, er werd honger geleden. Tevens werd bekend, dat den 1en October in het kasteel te Versailles door de officieren van de lijfwacht aan die van het nieuw in garnizoen gekomen regiment Vlaanderen een luisterrijk feestmaal was aangeboden. De koning en de koningin waren in de zaal verschenen en met geestdrift ontvangen; bij die gelegenheid zou de driekleurige cocarde afgerukt, vertrapt en door de witte, die der Bourbons vervangen zijn. Geruchten hadden reeds de ronde gedaan, dat het hof voornemens was den koning naar Metz te voeren en dat het nieuw gekomen regiment alleen diende om, als de kans gunstig was, de Vergadering uiteen te jagen.
Was den 4en October de gisting reeds sterk, den 5en nam ze nog in hevigheid toe. De bakkers hadden geen brood meer; groote troepen hongerige vrouwen stroomden naar het stadhuis om hierover bij den gemeenteraad te klagen, doch hier geen uitkomst vindende, zette de menigte zich onder leiding van Maillard, een der hoofdpersonen van den 14en Juli, in beweging in de richting van Versailles. Steeds geweldiger werd de volkshoop, die, van allerlei wapens voorzien, zich op weg begaf naar de Vergadering en de verblijfplaats van den vorst; zelfs kanonnen werden op karren meegesleept.
Te Versailles gekomen en, door een hoop vrouwen vergezeld, in de Vergadering toegelaten, diende Maillard hier zijn beklag in over den hongersnood in de hoofdstad. De koning ontving een deputatie uit de vrouwen, die de belofte kreeg, dat in den nood zou worden voorzien. Op aandrang van Mounier, president van de Vergadering, besloot de koning na lang aarzelen de besluiten goed te keuren. Men hoopte hiermede de gemoederen te bedaren. Doch tevergeefs. In den morgen van den 6en October waren er schoten gewisseld en enkele gardes gedood, reeds had men een aanval op het kasteel gedaan, waarbij zelfs de koningin een oogenblik in levensgevaar verkeerde. De komst van Lafayette met de Nationale Garde bracht uitkomst voor de koninklijke familie; de koning en zijn door het volk zoo gehate gemalin moesten zich op het balkon vertoonen en het slot van het drama was, dat aan den volkswil werd voldaan en de koninklijke familie, begeleid door honderd afgevaardigden zich op weg naar de hoofdstad begaf om daar, door Lafayette bewaakt en beschermd, haar intrek in het paleis der Tuilerieën te nemen.
Men was komen vragen om brood en had ten slotte den koning (bakker) meegenomen.
De Constituante, zooals de Vergadering in die dagen werd geheeten, verlegde haar zetel nu ook derwaarts, en begon weldra haar zittingen te houden in de Manége van het paleis, een groot houten gebouw, dat voor een vergadering zoo goed als alle eigenschappen miste.
Had men tot nu toe in Versailles het politieke centrum der revolutie gehad, terwijl zich te Parijs de hoofdhaard der omwenteling bevond, thans was alles in de hoofdstad geconcentreerd, hetgeen van grooten invloed is geweest op het verdere verloop der omwenteling.
De emigratie nam na den 6en October reusachtige verhoudingen aan; duizenden edelen vluchtten naar Turijn, waar de graaf van Artois zich ophield; een nog grooter getal verzamelde zich te Coblentz en begon van hier uit het buitenland tegen Frankrijk op te zetten; ook de hertog van Orleans, een neef des konings, die aan het hof niet gezien was en zelfs verdacht werd met het volk te heulen, verliet, door Lafayette overgehaald, het land.
Onafgebroken zette de Constituante inmiddels haar arbeid voort. Zoo decreteerde zij o.a. gelijkheid voor de wet voor alle staatsburgers zonder onderscheid van rang of stand en de verplichting van allen tot het betalen van belasting; de verbeurdverklaring van al de geestelijke goederen (zij kwamen ter beschikking van den staat), de afschaffing van alle kloosters en geestelijke orden en de afschaffing der parlementen. Dan werd voor alle Franschen eenzelfde rechtspleging ingesteld, eindelijk het rijk gesplitst in 83 departementen, verdeeld in districten en gemeenten.
Den 4en Februari 1790 verscheen de koning vrijwel onverwacht, doch luide toegejuicht in de zittingzaal. Hij verklaarde de nieuwgetroffen regeling met alle macht te steunen, zijn zoon nu reeds tijdig op den nieuwen stand van zaken voor te bereiden en hem tevens te gewennen zijn geluk in dat van zijn volk te zoeken.
Parijs juichte over die woorden en was dien avond geïllumineerd; de goede verhouding tusschen vorst en volk scheen wederom hersteld.
De tijd leerde anders. Tusschen het hof en de geestelijkheid, die in hun verzet volhardden en de koningin, die naar de vertoogen van den rechtschapen Lafayette niet wilde luisteren, stond de koning. Deze was veel te zwak om zijn gezond verstand, dat hem ried met den toch niet te keeren stroom mede te gaan, te laten heerschen over zijn hart, dat hem dreef naar de emigrés en over zijn geloof, dat hem voerde naar de geestelijkheid. Juist de besluiten over de geestelijke goederen, die aan den staat waren gekomen en waardoor een volkomen verandering in de verhouding van staat en kerk ontstond, hadden den koning pijnlijk getroffen. [4]
In Juni vaardigde de Constituante een decreet uit tot afschaffing van alle adellijke titels, waardoor de woede van den adel ten top steeg. Den 14en Juli, op den verjaardag dus van den val der Bastille, was het Champ de Mars getuige van een indrukwekkende plechtigheid. Toen legden de koning benevens de deputaties uit alle departementen, in tegenwoordigheid van wel een half millioen juichende toeschouwers, met wapperende banieren om een reusachtig altaar geschaard, na een door Talleyrand, bisschop van Autun bediende mis, den eed op de nieuwe grondwet af. Aan Maria Antoinette werd een geestdriftige ovatie gebracht; ze hief den dauphin in de hoogte en riep: "Ook ik en mijn zoon deelen in de gevoelens van de natie."
De verbroedering scheen dus algemeen; vreedzaam en rustig bewoog een reusachtige volksmenigte zich op den avond van dit federatiefeest bij 't licht van een illuminatie in de Champs Elysées, maar die kalmte en die rust waren slechts schijnbaar.
Den volgenden morgen begon de strijd opnieuw; terwijl er reeds uit de Constituante een voorstel werd ingediend om ook de geestelijkheid een afzonderlijken eed op de constitutie te doen afleggen, werden tevens maatregelen genomen ter verbetering van het leger, de laatste steunpilaar van het koninklijk gezag. Ook hierin, vooral bij de infanterie heerschte sterke gisting. De officieren met hun chef, generaal Bouillé aan de spits, waren koningsgezind en met reden, want zij genoten al de gunstbewijzen; verdienste telde niet mee, protectie deed alles; de minderen, in de hoop op meer soldij en betere behandeling, hingen de volkspartij aan. Te Metz en daarna te Nancy brak een oproer uit, dat door Bouillé slechts met moeite werd onderdrukt. (31 Augustus.)
Necker zag, dat hij in den berooiden staat der schatkist geen verbetering kon brengen; de roekelooze financieele politiek der Constituante, die met de uitgifte van assignaten was voortgegaan, was tegen zijn zin; hij nam dus ontslag. Het ministerie werd heengezonden, omdat het 't vertrouwen van de Vergadering had verloren. Duportails, de nieuwe minister van oorlog, ontnam Bouillé een groot deel van zijn gezag.
Van vluchten naar het leger of naar het buitenland had de koning tot nog toe niet willen hooren, al deed zijn omgeving hiertoe het voorstel; terwijl hij dien zomer verblijf hield te St. Cloud, was er wel gelegenheid, doch de vrees voor den burgeroorlog, als gevolg hiervan, had hem weerhouden.
Thans ziende, dat de Constituante schier dagelijks machtiger werd en vreezende, dat hem zelf weldra geen schaduw van gezag meer zou overblijven, begon hij over zulk een vlucht te denken. Hij polste dus Bouillé.
Intusschen werd in December een wet afgekondigd, waarbij alle geestelijken verplicht werden een specialen eed op de grondwet af te leggen. De paus, door Lodewijk XVI hiervan terstond onderricht, stelde het geven van een antwoord, op de vraag of hij met deze regeling genoegen nam, onder allerlei voorwendsels uit; om deze reden onthield de koning zijn sanctie voorloopig aan de wet, doch ten laatste zwichtte hij voor den op hem uitgeoefenden drang.
Groot waren de gevolgen van deze wet. Er ontstond een scheuring onder de katholieke bevolking; de band tusschen Rome en de Fransche geestelijkheid was verbroken, deze voortaan gesplitst in beëedigde en onbeëedigde priesters, welke laatsten in niet geringe mate meewerkten om de contra-revolutie in 't land aan te wakkeren.
Ook 's konings houding tegenover de revolutie was thans beslist vijandig; van een eerlijk aanvaarden geen sprake meer. Wel ontving het hof sinds eenige maanden raad van Mirabeau, maar, evenmin als de vergadering dit deed, vertrouwde het hof den grooten staatsman, die een der krachtigste medewerkers was geweest bij de omverwerping van het ancien régime, maar die ook, doch 't hof zag dit niet in, aan het koninklijk gezag zijn grootsten steun had verleend. Zijn ideaal "de verzoening van het koninklijk gezag met de volkssouvereiniteit" zag hij niet verwezenlijkt.
Den 2en April 1791 overleed de geniale man. Den dag na zijn dood schreef Camille Desmoulins: "Met hoe groote ontroering heb ik naar dien almachtigen kop staan kijken, dat prachtige magazijn van ideeën, thans door den dood ontruimd." Deputaties uit alle oorden des lands omstuwden de baar, gansch Frankrijk droeg rouw. Een zijner grootste figuren was heengegaan. Zijn lijk werd naast dat van Descartes in de tot een Pantheon herschapen kerk van Genoveva bijgezet. [5]
In den nacht van 20 op 21 Juni kwam het plan van den koning om te vluchten tot uitvoering; generaal Bouillé zou hem behulpzaam zijn, terwijl ook de keizer Leopold van Oostenrijk steun had toegezegd. In alle stilte vertrok de koninklijke familie uit het paleis, in de richting van Montmédy. Waarschijnlijk zou het zijn geslaagd, als niet 's konings eigen onvoorzichtigheid alles had bedorven. Telkens stak hij het hoofd buiten het met zes paarden bespannen en dus toch reeds zeer in het oog vallende rijtuig.
De gevolgen bleven niet uit. Te St. Menehould werd hij door den zoon van den postmeester Drouet, een volbloed republikein, herkend en te Varennes aangehouden. Als gevangene, onder bewaking van drie commissarissen van de Constituante, begeleid door duizenden gewapende burgers, werd hij naar Parijs teruggebracht, waar een dreigende bevolking hem den 25en Juni ontving.
Eigenaardig, niet een kreet van verontwaardiging, doch van vrees uitte men in Frankrijk, toen de vlucht bekend werd; men voelde zich verlaten, zoodat de terugkeer met groote vreugde werd begroet, wel een bewijs hoe royalistisch de Franschen nog waren. Was dit de stemming buiten Parijs, ze was het niet van de hoofdstad. Daar veroorzaakte de vlucht de eerste beweging ten gunste van de Republiek, waartoe de club der Cordeliers het initiatief had genomen.
Vooral in deze dagen kwamen de clubs en politieke vereenigingen meer op den voorgrond en deden hun invloed gelden. De invloedrijkste was de Bretonsche Club, aanvankelijk te Versailles gevestigd, doch in October 1789 verplaatst naar Parijs en herdoopt in "Genootschap van de vrienden der constitutie;" ze hield haar zittingen in het voormalige Jacobijnenklooster, waardoor de naam "Jacobijnen" ontstond, die de aristocraten als spotnaam aan hare leden gaf. IJveraars voor de constitutioneele monarchie, behoorden ze volstrekt niet in de eerste jaren tot de uiterste linkerzijde; pas na den val van het koningschap veranderde het karakter van de club en nam zij den naam aan van "Genootschap der Jacobijnen, vrienden van de vrijheid en gelijkheid."
Veel democratischer was de Club der Cordeliers, geleid door mannen als Marat, Danton en Camille Desmoulins; waren zij meer republikeinsch gezind, hun invloed beperkte zich alleen tot Parijs.
Onmiddellijk na het bekend worden van de vlucht had de Constituante den koning in de uitoefening van zijn macht geschorst en deze onder haar toezicht aan de ministers opgedragen, dit bleef ook na terugkeer gehandhaafd, zoodat feitelijk een voorloopige republiek was ingesteld tot den 14en September, den dag waarop door den koning een eed op de constitutie werd afgelegd.
De Club der Cordeliers trachtte afschaffing van het koningschap te verkrijgen, hiermede in de hand gewerkt door enkele Jacobijnen, die alleen Lodewijk XVI wilden doen vervallen verklaren van den troon. De Nationale Vergadering wist met kracht deze plannen te verijdelen, door het gepeupel op het Champ de Mars met behulp van de troepen onder Lafayette uiteen te jagen.
Was deze poging om de republiek te vestigen mislukt, zij was oorzaak tot scheuring van de Jacobijnenclub en de oprichting van de Club der Feuillants onder leiding van Bailly en Lafayette.
De Constituante had haar reuzentaak voltooid. Ze werd ontbonden en vervangen door een Wetgevende Vergadering, waarin op voorstel van Robespierre geen leden van de Constituante mochten zitting hebben. Deze wel onbaatzuchtige, doch onpractische bepaling was, jammer genoeg, oorzaak, dat Frankrijks beste krachten op het gebied van wetgeving en staatsbestuur ongebruikt bleven.
De koning en de koningin hadden zich moeten schikken in den toestand, door de grondwet geschapen. Met den titel van Koning der Franschen, het opperbevel over het leger, het recht van veto en een civiele lijst van vijf en twintig millioen francs, liet de toekomst zich nog zoo slecht niet aanzien.
De geestelijkheid was van haar reusachtige bezittingen beroofd, de adel had opgehouden een afzonderlijke orde te wezen.