Napoleon

Chapter 36

Chapter 363,723 wordsPublic domain

"Wat zoudt gij doen, als gij in ons geval waart bij een vrouw uit de burgerklasse?" vroeg Napoleon.

"Dan zou ik van mijne instrumenten gebruik maken," antwoordde dokter Dubois.

"Welnu," hernam de Keizer, "handel alsof gij in 't huis geroepen waart van een straatventer van Saint-Denis; draag zorg voor moeder en kind en als gij ze niet beiden redden kunt behoud me dan de moeder."

Toen hield Napoleon nogmaals zijne Maria Louise bij de hand vast; maar haar lijden werd hem te machtig; hij werd lijkbleek en moest weer weggaan....

Den 20en Maart 1811 des morgens om tien uur telden de Parijzenaars de kanonschoten, want den Keizer was een kind geboren. Twee en twintig schoten, wèl geteld: het was een zoon... "de koning van Rome" was geboren. Napoleon had geschreid van blijdschap; zijne dynastie zou blijvend zijn en de wereld overheerschen.

Maria Louise herstelde spoedig en was wonder gelukkig met haar kind. Napoleon Frans Jozef Karel werd hij gedoopt. "De geboorte van mijn zoon," schreef ze, "vermeerdert zoo mogelijk nog de gelukzaligheid, waarin ik mij sedert mijne vereeniging met den Keizer verheug. Ik koester den wensch, dat hij eenmaal zijn vader mag gelijken en als deze het geluk worden van allen, die hem omgeven!"

Napoleon ook vergoodde zijn zoon. Iederen ochtend na 't ontbijt moest de gouvernante, mevrouw de Montesquiou, hem in de kamer des Keizers brengen, en het was een genot hem met den kleine te zien stoeien.

"Ik ben overtuigd," schreef de keizerin aan haar vader, "dat gij u er zeer in verheugen zult, ooggetuige van ons huiselijk geluk te zijn!"

Bij al de feesten ter eere van de geboorte gegeven, bij de groote bevordering in 't Legioen van Eer ter gelegenheid van de doopplechtigheid was echter merkbaar, dat er zich zooals Masson zegt, een muur optrok tusschen Napoleon en het volk. Men hield rekening met het hof, met de bourgeoisie in 't geheel niet en niemand, die niet tot de officieele personen behoorde, was op de feesten vertegenwoordigd. De emigrés vulden het hof en de Keizer was in den waan ze te vereenigen.

"Thans na den doop van het kind acht hij zijn fortuin voltooid. Het is het oogenblik, waarop hij van de toekomst bezit neemt, waarop zijn macht geen hindernis meer kent, waarop ontdaan van eens zoo nauwe familiebanden, die hij op 't punt staat te breken, hij alleen op zich zelf rekent en 't continent te klein voor zijn glorie vindt. En 't is het oogenblik, waarop de ontzaglijke uitbreiding van het Keizerrijk het onbestuurbaar maakt, waar de argwanende alleenheerschappij van Napoleon het initiatief en de goede wil onderdrukt en overal de passieve gehoorzaamheid de eerste en eenige deugd van zijn dienaren veroorzaakt. De zoo uitgebreide krachten zullen zich breken en hem overwinnen ten slotte. De verspreide familie kan geen steun meer zijn. Gedurende tien jaar heeft Napoleon op dit systeem gesteund, een systeem dat hij trots het gecoaliseerd Europa door zijn overwinningen heeft georganiseerd, en waarop hij tot heden zijn vertrouwen heeft gesteld. Op de eenige punten, waar hij het nog laat bestaan moet men desasters verwachten."

Zoo is daarvan al direct Spanje een bewijs.

Vol fanatisme en bloeddorst duurde het verzet tegen zijn legerdrommen daar nog onafgebroken voort. Reeds kort na zijn huwelijk was de generaal Foy hem van het oorlogstooneel zeer onrustbarende mededeelingen komen doen. Onder zijn generaals bestond niet de minste overeenstemming. Ieder voerde in de hem aangewezen provincie den krijg op eigen hand. Aan Jozefs bevelen werd niet gehoorzaamd; de troepen leden gebrek; alles verried, dat ginds een krachtige leiding ontbrak.

Dat zijn plaats was dáár, niet op Saint-Cloud, had hij toen zeer goed begrepen; maar, eerst kort te voren hertrouwd, wilde hij zijn jonge vrouw, die zeer in zijn smaak viel, niet dadelijk weder alleen laten. Ook oefende het weelderige paleisleven met al zijn kleine en groote genietingen van allerlei aard mogelijk toen reeds meer invloed op hem uit dan hij aan zich zelf wilde bekennen. Het een met het ander was oorzaak, dat hij het commando in Spanje niet zelf ging nemen, doch te Parijs bleef en orders begon te geven van uit zijn kabinet.

Men behoeft geen militair te wezen om te begrijpen, dat, waar de lastgever circa 500 uur gaans van het terrein der behandeling is verwijderd, terwijl de wegen in Spanje in die dagen zoo slecht en gevaarlijk waren, als met mogelijkheid was te bedenken, zijn bevelen vaak in 't geheel niet, in elk geval altoos te laat hun bestemming bereikten om doel te treffen. Van de nederlagen daarginds heeft de Keizer zelf grootendeels de schuld gedragen.

Een der gevaarlijkste factoren in Spanje was de wanverhouding tusschen de generaals en de maarschalken onderling. Massena, in 1810 belast met het bevel over een sterk leger, dat in Portugal tegenover generaal Wellesley, thans hertog van Wellington, en Beresford met de Portugeezen zou optreden, had als voorwaarde gesteld, dat zijn maîtres hem hierbij zou vergezellen.--Napoleon had dit toegestaan. Maar toen de maarschalk, die op zijn ouden dag verstandiger had moeten zijn, nu van Ney, Montbrun en anderen verlangde, dat zij die dame aan tafel geleiden en haar honneurs bewijzen zouden, bedankten die voor dit koopje, en ontstond ook hierdoor een breuk, die op den goeden gang van zaken allerverderfelijkst werkte, en die eindelijk ten gevolge had, dat Ney Massena formeel de gehoorzaamheid weigerde. Wel ontsloeg deze hem uit zijn commando, maar Ney nam dit ontslag niet aan.

Napoleon maakte ten slotte aan deze ellendige verhouding een einde, riep Massena terug en droeg het bevel over de troepen in Portugal op aan den maarschalk Marmont.

Wat koning Jozef betreft, deze was veel te zachtaardig en veel te weinig soldaat voor de functie van luitenant van Napoleon. De maarschalken namen een loopje met hem en beschouwden zijn tegenwoordigheid bij 't leger als een last.

In zijn optreden geleek hij op zijn broeder Louis. Tegen zijn onderdanen vechten vond hij afschuwelijk. De krijgsgevangenen, die hij maakte, zond hij niet, zooals Napoleon verlangd had, naar Frankrijk op maar gaf hij gelegenheid over te gaan in zijn eigen dienst. Dan stak hij ze van onder tot boven in een nieuwe uniform, voedde ze goed en betaalde ze nog beter, tot de krijgskans keerde, en dit leventje die zoogenaamde Josephinos begon te vervelen. Dan kon men ze bij honderden tegelijk in hun nieuw pak zien drossen naar hun vrienden in 't gebergte.

Was 't te verwonderen, dat Jozef door de vijandelijke aanvoerders, zooals Mina, Marquesito en den beruchten Empecinado spottend werd betiteld met den bijnaam van groot-kapitein van kleeding?

Stippen wij nu nog aan, dat Napoleon, die zijn leger van Fransche soldaten in Duitschland niet wilde verzwakken, voortdurend meer Italianen, Saksers, Hessen en Beieren als aanvullingstroepen naar Spanje zond en het militaire gehalte van zijn macht aldaar door dezen maatregel sterk deed dalen; dat de desertie er onrustbarend toenam, eindelijk, dat Wellington onder zijn bevelen een infanterie had, die in 't schieten haar gelijke niet vond, dan achten wij den toestand ginds hiermede voldoende geschetst. In Spanje bleef 't gevaar dreigend en Suchets overwinningen waren te plaatselijk om groote gevolgen te hebben.

Een tweede oorzaak van ergernis voor Napoleon was de hardnekkigheid, waarmede de paus zich tegen zijn wenschen bleef verzetten. Zelfs de pogingen van een viertal aartsbisschoppen, die hiervoor opzettelijk een reis deden naar Savona, leden schipbreuk. Oom Fesch had zich aan zijn zijde geschaard.

Om aan dezen toestand een einde te maken, riep Napoleon in den zomer van 1811 te Parijs een Concilie bijeen, waarop ook een groot aantal Italiaansche prelaten verscheen.

Hier werden velen niet ongenegen bevonden de belangen van de wereldsche zaken der Kerk te scheiden van die der geestelijke, maar de paus, al noemde hij zich te Savona een verlaten gevangene, had naar buiten blijkbaar nog invloed genoeg om de weegschaal naar zijn kant te doen overslaan. Ingrijpende besluiten werden dus niet genomen.--Toen Napoleon ten overvloede te weten kwam, dat er door enkele leden van het Concilie in 't geheim zelfs instructies werden gezonden naar buiten, deed hij een viertal hunner te Vincennes gevangen zetten en sloot hij de zitting nadat hij van iederen prelaat de schriftelijke verklaring had geëischt, dat de voorstellen en wijzigingen, door het Concilie vastgesteld, overeenkomstig de wetten der gallische kerk waren.

Een deputatie van prelaten bracht het eindbesluit van dit Concilie naar Savona, om het Pius ter goedkeuring voor te leggen. Gevleid door dit bewijs, dat hij in zijn waardigheid dus toch werd erkend, bekrachtigde deze het met zijn handteekening. Binnen zes maanden zou hij de door Napoleon benoemde 17 bisschoppen de canonieke wijding dus moeten geven.--De quaestie van het bezit van Rome en van den toekomstigen staat van het pausdom zou, verzekerde men hem, later worden geregeld.

Toen de tijding van deze overwinning Napoleon bereikte, bevond hij zich in Holland. Hij kon tevreden zijn, doch de brève, die de paus bij zijn goedkeuring had gevoegd, een stuk, waarin hij de redenen dezer goedkeuring uiteenzette, beviel hem volstrekt niet. Van de daarin vervatte ultramontaansche begrippen was hij in 't minst niet gediend, als zijnde die strijdig met de leer van Bossuet. In dat pauselijke voorbehoud zag hij, de roomsche curie kennende, een gevaar. Voordat hij den veldtocht tegen Rusland begon, deed hij Pius dus voor alle voorzichtigheid overbrengen naar Fontainebleau. Hier beter dan te Savona kon Savary op zijn omgeving en zijn daden dan het oog houden. Een coup de main der Engelschen op eerstgenoemde stad of een opstand der Italianen rekende Napoleon volstrekt niet tot de onmogelijkheden.

HOOFDSTUK XXII.

De veldtocht tegen Rusland.

Reeds maakten wij melding van een verkoeling, die de laatste jaren tusschen Napoleon en Alexander van Rusland was ontstaan, en van haar oorzaken, die dreigden tot een oorlog te leiden. Dat de eerste het tooneel van de toekomstige worsteling toen reeds zorgvuldig bestudeerde, had zijn brief van 4 Augustus 1810 aan den koning van Saksen genoegzaam aangeduid. Den 10en December was zijn beruchte boodschap aan den Senaat gevolgd, waarbij hij Frankrijks grenzen met één pennestreek tot Lübeck had uitgezet. Een brief van 28 Februari 1811 aan keizer Alexander had bij dezen ten slotte allen twijfel opgeheven betreffende de plannen, die men tegenover hem koesterde.

In verband met deze plannen en met de hem nooit verlatende gedachte Engeland toch eenmaal den nekslag toe te brengen, begon hij in het laatst van September, ondanks het ongunstige jaargetijde, een reis langs de kust van de Noordzee. Hij bezocht Antwerpen en de werken langs de Schelde aldaar, toog naar Vlissingen, nam hier maatregelen om de uit verschillende natiën samengebrachte bemanning der oorlogschepen in bedwang te houden, vaardigde orders uit om de werven over Hamburg voortdurend van timmerhout te voorzien, sloot den uitvoer van graan,--een doodsteek voor den handel doch een buitenkansje voor den landbouw; de prijzen liepen op tot 35 gulden per hectoliter--deed op de scheepstimmerwerven tot Texel toe den arbeid verdubbelen, verschafte hierdoor aan duizenden menschen brood en begaf zich ten slotte met "zijn vrouw," die de reis over Utrecht had gemaakt, naar Amsterdam.

Dat men in Holland weinig sympathie voor hem gevoelde, is te begrijpen. Wel had hij Amsterdam verheven tot de derde hoofdstad van Frankrijk, maar het leger en de garde waren bij zijn korpsen ingelijfd. De heeren de Celles en de Stassart, zijn prefecten, respectievelijk te Amsterdam en te 's Hage, hadden een harde hand;--de andere prefectsplaatsen waren bezet door volbloed-Hollanders, die voor deze hooge, goedbezoldigde betrekking zonder eenige moeite te vinden waren geweest;--de jaarlijksche rentelast was gestegen van dertig tot veertig millioen; de nationale schuld was om deze reden getiërceerd, waardoor heel wat renteniertjes tot armoede vervallen en veel liefdadige instellingen in haar inkomsten benadeeld waren. In 1808 en 1809, onder Louis, was het nog erger; op de schuldbrieven werd toen in 't geheel niets betaald. Thans zouden de schuldeischers van den Staat, waarvan velen die effecten ver beneden pari hadden gekocht, in elk geval eenige rente ontvangen. De Fransche taal moest op alle scholen worden onderwezen; in October 1810 was de zoo gehate conscriptie ingevoerd. De Code Napoleon moest worden gevolgd; de haringvisscherij was met het oog op het smokkelen verboden. Java was verloren gegaan. Op een begrooting van 155 millioen kwamen jaarlijks 45 millioen te kort; eindelijk had Holland zijn zelfstandig bestaan verloren.

Reden tot juichen en feestvieren bestond er voor de menschen dus niet. Toch werd er bij zijn komst te Utrecht en te Amsterdam gejuicht, dat de vensterruiten er van schudden; toch werd daar feest gevierd, toch verdrong de bevolking zich overal om hem te zien, te begroeten en hem zelfs de hand te kussen. Amsterdam sloofde zich letterlijk uit om hem hulde te betuigen en oogstte hierbij zelfs lang niet altoos dank in, want van tijd tot tijd was hij tegenover "die goede, brave" Hollanders, zooals hij ze noemde, ruw en grof genoeg.

Toch waren deze hoera's, deze spontane uitingen der volksmenigte, te begrijpen, want die kleine, vrij zware man met zijn bleek en strak gelaat in zijn eenvoudige uniform met dien nu eens gestrengen dan weder zachten blik, was Napoleon, de imperator op het toppunt van zijn macht, wiens rijk zich uitstrekte van de Elbe tot aan de Pyreneën; en dergelijke grootsche figuren zullen door alle eeuwen heen uitbarstingen van hulde en vereering op hun weg ontmoeten, omdat de mensch nu eenmaal niet laten kàn zich diep te buigen voor grootheid en faam.

Onmenschkundig, kleinzielig zou het dus wezen de bevolking in Holland van die huldebetuigingen een verwijt te maken of onloochenbare feiten te willen verbloemen, alsof ze een schande waren. Toch is dit ten opzichte van Napoleons bezoek zelfs door schrijvers van naam in Nederland vaak genoeg geschied.

Na Texel en de havenwerken aan den Helder te hebben bezocht, overal bevelen gevende, alles zelf willende zien, door zijn juisten blik en zijn afdoend ingrijpen, waar hij fouten ontdekte als altoos en overal weder een raadsel voor allen, die hem vergezelden, ging hij ook Zaandam en het huisje van Czaar Peter bezichtigen.

"Die man had wel wat beters kunnen doen dan hier zijn handen te komen vuil maken met timmeren," vond hij. Zaandams zindelijk voorkomen trok hem meer aan dan die bouwvallige keet.--Over Wezel, dat hij tot een tweede Straatsburg wilde maken, en Keulen keerde hij naar Frankrijk terug.

In de gewesten, waar Fransche troepen stonden, doch vooral langs de oevers van de Oostzee tusschen Hamburg en de Weichsel, zoomede te Dantzig, heerschte inmiddels reeds maanden lang een rustelooze bedrijvigheid. Derwaarts togen te voet en per scheepsgelegenheid duizenden jonge mannen van verschillende natiën, die vroeger gedeserteerd of aan de conscriptie ontloopen waren, om onder Davousts gestrenge vuist gekleed, gewapend en gedrild te worden. Derwaarts werden honderdduizenden hectoliters graan, reusachtige voorraden wijn, kleedingstukken, munitie en andere krijgsbehoeften gezonden, voldoende om een macht van circa 500.000 krijgers voor geruimen tijd van al het benoodigde te voorzien. Derwaarts togen langzamerhand gansche korpsen, in onderafdeelingen gesplitst, uit Frankrijk, uit Spanje, uit Italië en Duitschland, met kleine dagmarschen, om eerst langs de Oder en later langs oevers van de Weichsel te worden opgesteld. Duizenden paarden werden aangekocht, honderden lichte voertuigen aangemaakt, pontontreinen samengesteld, in één woord al de voorbereidingsmaatregelen getroffen om een leger, zoo groot als zich nog nooit te voren op één oorlogsterrein had bewogen, zonder te groote vermoeienis en zonder veel opzien te baren, over een breed front, van Warschau tot Koningsbergen, geleidelijk naar Ruslands grenzen te voeren.

Het plan om Rusland te beoorlogen stond reeds lang bij Napoleon vast. In Augustus 1811, op zijn geboortedag, was dit uit een gesprek met den Russischen gezant te Parijs voor een ieder, die hem kende en die bij dat gesprek tegenwoordig was geweest, duidelijk gebleken. Alleen was de tijd voor de uitvoering nog niet gekomen, omdat het jaar 1811 misgewas had gebracht. Deze omstandigheid, de voeding en verpleging van duizenden menschen en paarden op een betrekkelijk kleine ruimte en de hiertoe vereischte maatregelen maakten het dus een gebiedenden eisch, den veldtocht niet te openen vóór den zomer van 1812, dus als het koren op het veld stond en de moerassige terreinen, ten oosten van de Weichsel in Polen en Volhynië opgedroogd en begaanbaar geworden waren. Tot zoolang moest de tegenpartij dus misleid en aan de praat gehouden worden.

Aan ernstige pogingen om den Keizer op zijn voornemen te doen terugkeeren ontbrak het in die dagen volstrekt niet. Zijn halsstarrig vasthouden aan het idee, dat eenmaal Rusland gedwongen het continentaal stelsel krachtig ten uitvoer te leggen, hij hiermede Engeland den doodsteek zou hebben toegebracht en gepaard aan zijn hartstochtelijke begeerte Alexander te doen bukken voor zijn wil was oorzaak, dat al deze pogingen schipbreuk leden.

Doof bleef hij voor de vertoogen van de Cambacérès en voor die van Talleyrand, al was deze geen minister meer, doof voor de woorden van de Caulaincourt, dien hij reeds in Mei 1811 uit Petersburg had teruggeroepen en vervangen door den eerlijken generaal Lauriston. Tevergeefs schreef deze hem, dat keizer Alexander geen oorlog wilde en zich alleen wapende, omdat zijn eigen geweldige krijgstoerustingen in Polen en Pruisen hem hiertoe dwongen. Letterlijk door een boozen geest gedreven, daarbij beheerscht door een soort van grootheidswaanzin, bleef hij onverzettelijk. In 1805 en in 1807 had hij Rusland geslagen doch niet onderworpen; thans zou hij het genade doen vragen.

Van al de ellende en de tranen, die het jaar 1812 brengen zou, droeg het verderfelijke, alle welvaart, allen voorspoed doodende Continentale Stelsel dus ten slotte grootendeels de schuld. Napoleon verkoos dit stelsel te doen zegevieren. Alexander verkoos niet voor hem te bukken. Oorlog moest hiervan het gevolg zijn.

Napoleon had zijn militaire maatregelen voor den veldtocht genomen; om zijn topografisch bureau de gegevens voor een goede kaart van het oorlogsterrein te bezorgen, had hij zelfs de koperen platen weten machtig te worden, waarop die voor de Russische staven waren gegraveerd; wel een bewijs hoe in Rusland ook toen reeds letterlijk alles voor geld te koop was.

Eindelijk had hij zich reeds in het begin van 1812 door een verbond met Oostenrijk en met Pruisen zoo sterk mogelijk gemaakt. Bevreemding mag het wekken, dat hij niet tegelijkertijd een of- en defensief verbond sloot met Turkije. Reeds geruimen tijd was de Groote Heer met Rusland in oorlog en eerst kort te voren had een wapenstilstand aan het bloedvergieten tijdelijk een einde gemaakt; doch mogelijk achtte hij zich reeds sterk genoeg. Een poging door hem nog in Mei gedaan om met de Porte tot een verbond te geraken bleef zonder resultaat.

Voor de groote bezwaren, aan een veldtocht tegen Rusland verbonden, was de Keizer inmiddels volstrekt niet blind; voortdurend trachtte hij zijn kennis betreffende dit land, zijn ligging, hulpbronnen, grondgesteldheid en bewoners te vermeerderen. Vooral hechtte hij groote waarde aan de inlichtingen, hem verstrekt door den luitenant-kolonel de Pouthon, een even bekwaam als bescheiden man, die na den vrede van Tilsit op uitnoodiging van keizer Alexander zelf eenige jaren bij het Russische leger had gediend.

Onomwonden wees deze hoofdofficier hem op de gevaren, welke een leger ginds dreigden door de daar heerschende schaarste aan levensmiddelen en fourage, de onafzienbare, zoo goed als onbewoonde landstreken, die moesten gepasseerd, den staat van doffe onverschilligheid waarin de bevolking van Litthauen onder het juk der Russen was verzonken, het gloeiende fanatisme der Moskovieten zelven en op de volslagen onmogelijkheid om zoodra de winter inviel, met een leger het veld te houden. Zooveel ernstige moeilijkheden, zooveel te overwinnen hinderpalen!--Verscheiden dagen lang bleef de Keizer in gepeins verzonken. Enkelen uit zijn omgeving meenden reeds, dat de Caulincourt het pleit had gewonnen; dat de veldtocht in elk geval zou worden uitgesteld. IJdele hoop!

De vleitaal van mannen als Maret behaalde ten slotte de zege over de stem van het gezonde verstand.

Den 9en Mei vertrok de Keizer met zijn gemalin en kwam den 17en te Dresden. Hier had hij al de vorsten van het Rijnverbond en ook den keizer van Oostenrijk, die zijn dochter sinds haar huwelijk niet wedergezien had, tot een bijeenkomst samengeroepen. Zelfs Frederik Wilhelm had voor deze uitnoodiging niet durven bedanken.

Napoleon had daar zijn Salon van Koningen, misschien wel met de geheime gedachte, dat de berichten over zulk een reusachtig bondgenootschap Alexander ten slotte tot nadenken en toegeven zouden stemmen.

Hiervan was echter geen sprake. Alexander was herhaaldelijk diep gegriefd en--Rus van geboorte.

Wanneer wij hierbij voegen, dat de Russische adel toch reeds in hooge mate ontstemd was door zijn vroegere vriendschappelijke houding tegenover Napoleon en door zijn aanvankelijk medegaan met de beginselen van het Continentale stelsel, waardoor hun de gelegenheid werd afgesneden de producten hunner landgoederen af te zetten in den vreemde; wanneer wij tevens in aanmerking nemen, dat hij hierdoor kans liep te eeniger tijd het lot van zijn vader Paul I te deelen, eindelijk, dat de invloed van Engeland zich te St. Petersburg weder deed gelden, dan is zijn houding zeer goed begrijpelijk.

"Den oorlog wensch ik niet; word ik niettemin er toe gedwongen, dan zal ik hem voeren tot het uiterste," had hij vroeger reeds bij herhaling eerst aan de Caulaincourt, daarop aan Lauriston te verstaan gegeven. Zijn ukase van 15 Januari 1811 betreffende den invoer van Fransche en Duitsche goederen en de toelating van schepen onder Amerikaansche vlag in zijn havens, had reeds bewezen, dat óók hij een wil had.--Tegenover Frankrijks krijgstoerustingen had hij evenmin stilgezeten.

Dat hij het van Napoleon winnen en den Niemen overtrekken zou, voordat de eerste met zijn krijgstoerustingen gereed was, behoefde echter niemand te vreezen. Hoewel enkele personen uit zijn omgeving hem hiertoe trachtten te bewegen, bleef hij onverzettelijk bij zijn eenmaal uitgesproken voornemen om zelf geen enkele vijandelijke daad te plegen maar achter de grensrivier, den Niemen, te blijven en hier af te wachten wat zijn tegenpartij zou doen.

Omtrent de voornemens van Napoleon maakte Alexander zich, reeds sinds de maand Maart was ingetreden, weinig of geen illusies meer. Toen had deze namelijk den kolonel van Czernicheff, een Russisch edelman, die reeds herhaalde malen met kiesche zendingen tusschen Parijs en St. Petersburg was belast geweest, bij zich zien verschijnen met een brief van Napoleon zelf.

Dit schrijven was vredelievend genoeg gesteld, maar 't geen de kolonel in Frankrijk zelf en op zijn reis door Duitschland met eigen oogen had gezien, n.l. die reusachtige troepenverplaatsingen naar het oosten, was met den inhoud van den brief in tegenspraak. Bovendien had Czernicheff zich voor grof geld uit de Fransche bureaux van oorlog de sterktestaten der reeds op marsch zijnde troepenafdeelingen weten te verschaffen; deze hieven allen twijfel op.