Napoleon

Chapter 32

Chapter 323,820 wordsPublic domain

Toch hield de bevolking vol. Geen honger, geen ziekte, geen ijzer of vuur was bij machte die door de monniken met het kruisbeeld in de vuist aangevuurde mannen en vrouwen te bewegen tot de overgave. De edelmoedigheid van Lannes behaalde ten slotte de zege.--Den 20en Maart werd een nonnenklooster genomen; in de kerk werden niet alleen de "zusters" maar meer dan driehonderd vrouwen van allerlei rang en stand gevonden. Half verhongerd, door uitputting den dood nabij, reeds dagen lang van alle zijden ingesloten, hadden zij geen voedsel kunnen machtig worden.

Voor Lannes geleid, zorgde deze terstond, dat de marketentsters haar voor zijn rekening van al het noodige voorzagen; ten slotte liet hij haar zelfs naar de stad terugbrengen. Van de daken, van de torens had de bevolking dit alles met gloeiende blikken gevolgd. Allen stormden thans de vrouwen tegemoet om te vernemen wat er met haar was geschied; en deze--hadden slechts lof voor dien Franschen maarschalk en zijn soldaten. Opgewondenheid en fanatisme verdwenen als met een tooverslag. Dienzelfden avond nog capituleerde Saragossa.

Lannes vertrok toen naar Parijs, waar de Keizer hem had ontboden, vond hem hier niet meer en reisde door naar Augsburg. Soult was intusschen met zijn sterk gedund korps Portugal binnengerukt. Met onverminderde heftigheid duurde de oorlog op het schiereiland voort.

HOOFDSTUK XX.

Naar Weenen.--Essling.--Wagram.

Gewichtige tijdingen waren 't geweest die den Keizer te Valladolid hadden doen besluiten, alleen door een postillon vergezeld, spoorslags naar Parijs terug te keeren en hier letterlijk als een bom uit de lucht te komen vallen.--In de hoofdstad, in de hofkringen, zelfs onder zijn voornaamste dienaren was een geest van onrust, van onzekerheid en twijfel, bijna van onwil ontstaan. Te Valladolid was Napoleon dit te weten gekomen; het had hem met wrevel en verbittering vervuld. Vooral de heer de Fiévée, een van zijn geheime agenten, had hem in drieste taal van den stand van zaken te Parijs een beeld gegeven, dat een groot fond van waarheid bevatte.

Zijn herhaalde te vroegtijdige oproepingen van conscrits, zijn aanval op de Spaansche Bourbons, dan de geweldige verplaatsingen van troepen uit Duitschland, waar ze nog steeds noodig waren, naar een land als Spanje, waar ze bij wat minder zucht naar veroveringen van zijn zijde onnoodig zouden zijn geweest, in één woord al die maatregelen, welke de kans op vrede steeds kleiner deden worden, hadden tijdens zijn afwezigheid het onderwerp uitgemaakt van veler gesprekken. De geestelijkheid, toch reeds ontevreden over de ruwe manier, waarop hij met den paus had omgesprongen en over zijn maatregelen in zake het onderwijs, was zelfs reeds verder gegaan en had hier en daar van den kansel stellingen verkondigd, die deden denken aan de vroegere dagen van felle geloofsverdrukking. De fondsen, de thermometer van de openbare meening, waren teruggeloopen tot beneden 80.

Zelfs in het Wetgevend Lichaam was 't niet rustig; de Cambacérès had het dus raadzaam geacht den Keizer voor te stellen de behandeling van het Wetboek van Strafrecht te verschuiven tot een volgend jaar. Deze had hiernaar geen ooren gehad; de toen gevolgde discussiën over het ontwerp van wet hadden meer strijd gewekt dan ooit te voren. Eindelijk hadden Fouché en Talleyrand, elkander na een vijandschap van tien jaar tot verbazing van 't publiek openlijk de hand van verzoening gereikt en samen nagegaan wat hun te doen stond, wat er van hen worden zou, als de dolk van een Spanjaard of de kogel van een Oostenrijker eensklaps den levensdraad doorsneed van den man, die geen nakomelingen had.--De buitenwereld had dit onderhoud reeds uitgesponnen tot een volledigen roman en zelfs reeds uitgemaakt, dat Murat dan den troon zou bestijgen.

Denkende Napoleon hiermede genoegen te doen, had Fouché zelfs de onbeschaamdheid gehad Joséphine een echtscheiding aan te raden, nu de kans op moeder worden voor haar was verdwenen. En Talleyrand was begonnen alle deelgenootschap aan dien staatsgreep in Spanje van zich af te schuiven en alle medewerking aan den dood van Enghien te ontkennen.

Dit en waarschijnlijk nog veel meer, uit de brieven zijner geheime agenten te Valladolid aan Napoleon bekend geworden, had dezen geprikkeld tot woede. Bij de revue, die hij vóór zijn vertrek over de garde hield, was het zelfs tot een uitbarsting gekomen.

Dat de garde mopperde, omdat hij ze niet terstond medenam naar Frankrijk, had hij gehoord. Te voet een dier mopperaars passeerende, die met gepresenteerd geweer voor hem in 't gelid stonden, rukte hij den man het wapen uit de handen en trok hem zelf naar zich toe.--"Ongelukkige, ik moest je laten doodschieten! Wat let me of 't gebeurt nog!"--Toen stiet hij hem weder terug naar zijn plaats.--"En jelui! Ik weet het wel. Jelui wilt terug naar Parijs, naar de pret en de meiden! Maar past op, of ik houd je onder de wapens tot je tachtigste jaar toe."--Van generaal Legendre, die de capitulatie van Baylen mede had onderteekend, greep hij de hand vast: "Die hand, generaal, die hand! Waarom is ze niet verdord, toen ze dat stuk onderteekende!"

Vraagt dus niet hoe het donderde en weerlichtte bij zijn terugkomst te St. Cloud! Tevergeefs trachtte Cambacérès hem tot bedaren te brengen. Fouché ontving schriftelijk een gestrenge berisping, en Talleyrand kreeg het volle gewicht van zijn toorn op 't lijf in den ministerraad, in het bijzijn van verscheiden grootwaardigheidsbekleeders, toen juist te Parijs aanwezig.--"En die meneer Talleyrand durft beweren, dat hij vreemd is aan den dood van Enghien!--En dat hij vreemd is aan den oorlog in Spanje!--Vreemd aan den dood van Enghien? Ben je dan vergeten, man, dat je mij die zelf schriftelijk hebt aangeraden? Vreemd aan dezen oorlog? Ben je dan vergeten, dat je mij zelf schriftelijk in overweging hebt gegeven de politiek weder te volgen van Lodewijk XIV?" Een regen van hatelijkheden besloot deze begroeting.

Thuis gekomen, was Talleyrand, die onder dezen aanval roerloos tegen een schoorsteenmantel was blijven leunen, zóó geducht ontdaan, dat hij een flauwte kreeg. Dat hij in ongenade was gevallen, bleek hem den volgenden dag nog duidelijker, toen Napoleon hem zijn sleutel van opperkamerheer deed terugvragen en dezen schonk aan den heer de Montesquiou. Toch begaf hij zich een paar dagen later in een schitterend costuum naar een groot hoffeest op de Tuilerieën, maakte voor zijn heer een zeer lange, diepe buiging en werd bijna weder in genade aangenomen.

Zoo waren de fouten, door den Keizer zelf begaan, thans reeds oorzaak van een begin van omkeer in de publieke opinie. Dit werkte nadeelig naar buiten. De vreemdeling maakte hieruit de gevolgtrekking, dat zijn gezag was verzwakt; dat de natie van zijn staatkunde afkeerig was geworden, en dat voor Oostenrijk het oogenblik was aangebroken om hem den oorlog te verklaren.--Engeland zorgde wel, dat deze indruk vooral in Duitschland niet verdween.

Niet Oostenrijks krijgstoerustingen alleen waren dus de onmiddellijke aanleiding geweest tot zijn plotseling vertrek naar de hoofdstad; veel te goed wist hij, dat die nog lang niet voltooid konden wezen; ook was het jaargetijde voor een oorlog nog veel te ongunstig. 't Zou, rekende hij, wel April worden, voordat de vijandelijkheden begonnen.

Niet tegen den Oostenrijkschen gezant von Metternich,--dezen had hij in Augustus reeds tevergeefs gewaarschuwd; hem behandelde hij zeer beleefd doch koel;--maar tegen de overige diplomaten sprak hij nu zijn meening over den toestand ruiterlijk uit.--"'t Schijnt, dat men te Weenen de lessen der ervaring heeft vergeten," zeide hij onder anderen. "Ik verlang geen oorlog; ik heb er geen belang bij; geheel Europa kan zien, dat mijn geheele aandacht op Spanje is gevestigd, op het nieuwe slagveld, dat Engeland thans heeft gekozen. Oostenrijk heeft dit land gered, toen ik in 1805 het Kanaal wilde oversteken; thans heeft het Moore gered, dien ik achtervolgde naar la Corunna. Hiervoor zal het boeten. Het ontwapene zich oogenblikkelijk, of het gaat een verdelgingsoorlog tegemoet."

Romanzoff, de Russische gezant, moest eveneens een opmerking hooren.--"Had uw keizer mijn te Erfurt gegeven raad opgevolgd, dan was het zoover niet gekomen. In plaats van vermaningen hadden wij ernstige bedreigingen moeten doen hooren; dan zou Oostenrijk zich wel hebben ontwapend; maar ginds is veel gepraat en weinig gedaan. Als uw keizer nu een flink leger aan de Boven-Weichsel bijeentrekt om Oostenrijk te doen zien, dat wij het ernstig meenen, komt alles terecht. En ik breng aan den Donau en aan de Po 300.000 Franschen en 100.000 Duitschers bijeen; dan zullen wij zien of die machtsontwikkeling voldoende is."

Dat zijn optreden in Spanje van dit alles de oorzaak was, vond iedereen, maar ook dat Oostenrijk een groote onvoorzichtigheid beging.

Tot behoud van den vrede ging de Keizer nòg verder. Ook namens Rusland deed hij Oostenrijk den waarborg geven, dat zijn tegenwoordig grondgebied ongeschonden zou blijven. Na het voorgevallene te Bayonne beweerde men daar voor het tegendeel beducht te zijn.

Doch in Oostenrijk, die gestreng katholieke staat, waren door Napoleons optreden tegenover den paus, door het doen bezetten van Rome, het voegen van de Romeinsche provinciën Ancona, Macerata en Fermo bij het koninkrijk Italië en het in één woord ontnemen van alle wereldlijk gezag aan den paus, de gemoederen reeds te zeer tegen hem ingenomen. De vrees, dat weldra ook Oostenrijk aan zijn veroveringszucht ten prooi zou vallen, had het geheele hof, zelfs den anders zoo bezadigden aartshertog Karel aangegrepen. In Tyrol heerschte reeds levendig verzet tegen de Beieren, de nieuwe heeren. De afmarsch der Franschen uit Pruisen, een natuurlijk gevolg van het tractaat van den 8en October 1808, werd te Weenen uitgelegd als een gevolg van de "ontzettende" nederlagen, in Spanje geleden.--Op hun doormarsch naar Maagdenburg waren die troepen zelfs hier en daar met slijk gesmeten.--In geheel Duitschland, zelfs in de Bondsstaten, waar de zoo gehate conscriptie was ingevoerd, was in één woord een geest van onwil en wrevel tegenover Napoleon merkbaar. Al die factoren te zamen, te Weenen door een reusachtig vergrootglas bekeken, hadden hier de overtuiging doen ontstaan, dat het oogenblik der verlossing nabij was; dat Napoleon in Duitschland geen leger meer had, groot genoeg om weerstand te bieden; dat al zijn bondgenooten hem op 't eerste teeken zouden verlaten en dat Pruisen, waarvan de koning, na 't verlies van de helft zijner staten, te Koningsbergen troonde, als één man zou opstaan.

Daar werd dus de oorlog voorbereid.--Alleen aartshertog Karel bood nog tegenstand. Hij zou het opperbevel voeren, en hij had Napoleon op het slagveld leeren kennen. Zelf een veldheer, wiens persoonlijke dapperheid boven alle verdenking was verheven, begreep hij, dat 't lot van zijn vaderland op 't spel stond; over de smalende schreeuwers, die thuis bleven, haalde hij dus minachtend de schouders op.

In de laatste dagen van Maart 1809 kwamen in Bohemen vijf, in Boven-Oostenrijk en in Carinthië ieder twee legerkorpsen gereed; in Galicië was een korps op marsch om prins Poniatowsky, die aan 't hoofd zijner Polen Napoleon had trouw gezworen, bij Warschau aan te grijpen. Zelfs keizer Alexanders rondborstige verklaring aan den Oostenrijkschen gezant prins von Schwartzenberg, dat zijn belangen samengingen met die van Frankrijk, was niet meer bij machte den drang naar oorlog te weerstaan.

Zooals dit bij den Oostenrijkschen generalen staf reeds meer was vertoond, ontstond ook nu weder verschil over het veldtochtsplan, en aartshertog Karel miste de energie om hierin te beslissen.--Eindelijk werd het eerste plan n.l. om uit Bohemen over Bayreuth en Würtzburg rechtstreeks naar Maintz te rukken, als te stout en te gevaarlijk opgegeven. Zes korpsen zouden nu over de grensrivier de Inn, Beieren binnen vallen. Geweldige troepenverplaatsingen werden door deze wijziging noodzakelijk.

Den 10en April werd de Inn overschreden, zonder rechtstreeksche oorlogsverklaring. Waar de Franschen stonden, wist men nog niet precies; hun troepen waren gezien bij Ulm, bij Augsburg en vooral bij Regensburg. Hier zou Davoust staan.--Die zwakke, zoo ver van elkander verwijderde afdeelingen te verslaan en dan door Zwaben te rukken naar Wurtemberg, dat zou de eerste zet wezen op het militaire schaakbord.--Maar, al boden de Beieren aan de grenzen bijna geen weerstand, toch ging het slechts langzaam voorwaarts. De wegen waren slecht; de medegevoerde treinen reusachtig; en de Oostenrijksche soldaten, toegerust met een goede maag, die graag was gevuld, waren nu eenmaal geen soldaten van Napoleon, die, al waren ze jong, met een marsch van twaalf uur door 't slijk en een maag, zoo hol als een ledig vat, nog vochten als duivels een ganschen dag lang.--Zoo snel als voor het doel noodig was geweest, werd de Isar dus niet bereikt. Eerst den 16en kwam aartshertog Karel bij Landshut.--Nu moest hij op den Donau aan, naar Regensburg, midden door een chaos van bosschen, riviertjes, moerassen en heuvels. In twee hoofdgroepen ging hij op weg. Van den vijand, vooral van diens linkervleugel, was nog altoos weinig bekend. De aartshertog wist alleen, dat een groot korps stond bij Augsburg en een ander bij Regensburg; doch waar de hoofdmacht bleef en wat ze deed was een geheim.

Den 17en kwam Napoleon te Landshut, overzag den toestand, herstelde een grove fout van Berthier, die tijdelijk het commando had gevoerd en de legers niet samengetrokken had en werd toen van verdediger, aanvaller. Hij sloeg aartshertog Ludwig, die den Oostenrijkschen linkervleugel aanvoerde, drie dagen later bij Abensberg met zware verliezen terug naar de Inn, ijlde daarop Davoust te hulp, die het reeds even zooveel dagen bij Tengen zwaar had te verantwoorden gehad. Den 22en viel hij aartshertog Karel bij Eckmühl op 't lijf, drong hem bij Regensburg tegen den Donau aan en werd alleen door uitputting zijner cavalerie belet zijn tegenpartij te vervolgen.

Toen Napoleon den 23en tot vervolging wilde overgaan vond hij Regensburg bezet en kon Lannes na een langdurig en bloedig gevecht, waarbij deze als een gewoon grenadier aan de bestorming deelnam, zich pas van de stad en de brug meester maken.

Bij deze gelegenheid kreeg Napoleon zelf aan den rechterenkel een schampschot.--"Ik heb 't beet," zeide hij doodbedaard, gunde zich ternauwernood den tijd om zich te laten verbinden, maar zat terstond weder te paard om zich aan zijn juichende troepen te vertoonen. Dienzelfden avond trok hij het zwaar gehavende Regensburg binnen.

Het eerste bedrijf van den veldtocht was afgespeeld. In vijf dagen was het gros van het Oostenrijksche leger uit elkander geslagen, en aartshertog Karel naar Bohemen teruggeworpen. Ook op aartshertog Ludwig was de overwinning behaald; de weg naar Weenen stond open.

Reusachtig was de werkkracht van den Keizer geweest; zich nauwelijks den tijd gunnende iets te eten of een paar uur te slapen op een stoel, steeds tegenwoordig op de gewichtigste punten, geen oogenblik uit de kleeren, had hij wederom het bewijs geleverd hoe een ijzeren wil de stof kan beheerschen. "De arbeid is mijn element; voor den arbeid ben ik geschapen," zeide hij van zich zelf. "De grenzen van mijn beenen en van mijn oogen heb ik leeren kennen, die van mijn werkkracht nooit."--"De Keizer is welvarend en verdraagt als naar gewoonte den geestesarbeid en de lichamelijke vermoeienissen," schreef Berthier aan Eugène.

"Had ik vervolgd, zooals de Pruisen mij dit deden na Waterloo, dan zou de vijandelijke armee, tegen den Donau gedrongen, in de grootste verlegenheid zijn geraakt," zei hij later.

Nu hij dit had nagelaten, zou hij aartshertog Karel weldra opnieuw tegenover zich vinden.

Bij Regensburg regende het letterlijk belooningen aan hoog en aan laag. Gewone grenadiers ontvingen het Legioen van Eer met een dotatie van duizend francs en meer; de dappere Davoust, in 1807 reeds benoemd tot hertog van Auerstadt, werd prins van Eckmühl.

Met de snelle, geen bezwaren kennende marschwijze der Fransche infanterie uit die dagen, gaat Napoleon nu over Landshut rechtstreeks op Weenen aan.

Den 13en Mei, juist een maand, nadat Napoleon den veldtocht heeft geopend, capituleerde Weenen na een heftige beschieting van zes en dertig uur. Pogingen om te onderhandelen waren mislukt.

Door den majoor Marbot, die het gewaagd had met een lichte sloep bij nacht de breede, daar zeer gevaarlijke rivier over te steken om gevangenen te maken, had de Keizer reeds in 't klooster van Mölk bericht ontvangen, dat Hiller boven Weenen op den linkeroever stond en dat aartshertog Karel uit Bohemen in opmarsch was. Hoe kon hij dien linkeroever zoo spoedig doenlijk eveneens bereiken was nu de vraag, want de tijd drong. Dagelijks ontving het Oostenrijksche leger versterking van militie uit Bohemen en Hongarije. In Tyrol was de bevolking, trouw aan het huis van Habsburg, in vollen opstand; onder de aanvoering van den herbergier Andreas Hofer, een energieke heldenfiguur, had ze het gehate Beieren den oorlog aangedaan. Te Berlijn had de Pruisische majoor Schill aan het hoofd van al zijn cavalerie op klaarlichten dag de gehoorzaamheid aan den koning opgezegd en een partijgangerskorps gevormd. Om den dood zijns vaders en het verlies van zijn land te wreken, was ook de hertog van Brunswijk-Oels door een klein Oostenrijksch hulpkorps gesteund, in Saksen bezig den opstand te prediken. Alleen de schrik, dien Napoleons naam nog inboezemde, was oorzaak, dat de bevolking hem nog niet ondersteunde.

Dit alles teekende gevaar; en de weg van Parijs naar Weenen was lang. Wel deed Napoleon bij Passau, bij Lintz en op de verdere voorname overgangen over den Donau evenals langs de Enns, de Traun en de Inn, dus overal in zijn rug en flanken kleine en groote versterkingswerken aanleggen, hospitalen en depotplaatsen vestigen voor 't geval de oorlogskans keerde, maar zijn toestand bleef ernstig.

Eén lichtpunt was er. De zegepraal bij Regensburg had in Italië, waar Eugène commandeerde, een grooten ommekeer in den toestand daar ten gevolge gehad. Aanvankelijk door aartshertog Johann teruggeslagen, had de onderkoning de kans zien keeren, zoodra generaal Macdonald, die door zijn vroegere verhouding tot Moreau een tijdlang was achteruitgesteld, als onderbevelhebber naast hem was geplaatst, en toen aartshertog Johann, door Napoleons oprukken naar Weenen, gedwongen was zijn positie achter de Piave los te laten.

Macdonalds oorlogservaring en krijgsmansgeest hadden aan Eugène het vertrouwen teruggegeven; bij diens ontmoedigde troepen was het bewustzijn wedergekeerd, dat zij, mits goed geleid en aangevoerd, nog altoos iedere legermacht in Europa konden weerstaan.

In een reeks van gevechten, waarvan dat op den 8en Mei aan de Piave beslissend was, drongen Eugène en Macdonald steeds verder naar Carinthië en Stiermarken. Het gevecht bij Raab in Hongarije, den 14en Juni, bekroonde dezen veldtocht. Eugène vereenigde zijn leger met dat van zijn stiefvader.

In al die weken van spanning en gevaar had deze hem steeds vriendelijk en bemoedigend als een vader raad gegeven en voorgelicht.--Die ijzeren man met zijn hard, gestreng en strak gelaat, was innig aan hem gehecht; al zijn daden en zijn brieven bewijzen dit. Als de troepen van Napoleon en Eugène elkaar ontmoeten zegt de Keizer: "'t Is niet alleen Eugène's moed, die hem hierheen voert, ook zijn hart."

Eugène had dus succes gehad, doch ginds voor Napoleon lag nog altijd de Donau. Op den noordelijken oever verzamelden zich de Oostenrijkers aan den Bisamberg, een uur boven Weenen; om hen te bereiken moesten overgangen gemaakt, doch het benoodigde voor bruggenbouw als ankers, kettingen en vaartuigen ontbrak. Toch moest de rivier gepasseerd worden.

Gebruik makende van drie eilanden, die circa twee uur beneden de stad den vloed in vieren splitsten en van welke Lobau het grootste was, gelukte het eindelijk tegenover Ebersdorf drie pontonbruggen te doen slaan; kisten met kogels en oude vuurmonden deden hierbij dienst als ankers. In den nacht van den 20/21 Mei werd de overtocht begonnen, den 21en onverpoosd voortgezet, en het dorp Essling evenals Groot-Aspern terstond versterkt.

Al dien tijd had de vijand zich rustig gehouden, en zich zelfs niet vertoond. In den krijgsraad was namelijk besloten eerst een deel van het Fransche leger ongehinderd op den linkeroever te laten overgaan, de zwakke bruggen, die door den sterken stroom en het snel wassende water toch reeds veel hadden te lijden, dan door drijvende boomstammen en andere zware voorwerpen te vernielen en de aldus van hun terugtochtsweg afgesneden korpsen ten slotte te vernietigen.

Den 21en komt aartshertog Karel tegen vier uur in den middag werkelijk uit het noordwesten opdagen; maar slaagt er niet in Massena uit Aspern of Lannes uit Essling te verdrijven. De nacht maakt een einde aan den strijd. De troepen bivakkeeren in hun stellingen.--In den loop van den nacht komen de oude garde en een divisie kurassiers de macht van Massena versterken.

Nu keert Napoleon de rollen om en grijpt zelf aan. Reeds overschrijdt Davoust de zuidelijke brug en heeft de Keizer bevel gegeven tot het aangrijpen van 's vijands centrum, reeds wordt hieraan voldaan en doet heftig artillerievuur dit centrum wijken als aan die zegepralende beweging eensklaps een einde komt. Een groote drijvende molen is door een troep jagers in brand gestoken en door den fellen stroom medegesleurd met volle kracht tegen de hoofdbrug geslingerd en heeft deze middendoor gebroken.

Uit is het in eens met den aanvoer van munitie en van reserves van den rechteroever! Bij Essling wordt Napoleons toestand allergevaarlijkst. De munitie raakt uitgeput. Terstond geeft hij bevelen de vervolging te staken; het vuur verflauwt. Nu komen de Oostenrijkers weer opzetten. Lannes wordt doodelijk gewond; de Keizer zelf begeeft zich in 't heetste van het gevecht; zijn paard wordt onder hem doodgeschoten. Doch Massena, die Aspern niet loslaat en alle aanvallen hierop afslaat, redt de eer van den dag, want aan hem is het te danken, dat de garde, de cavalerie en de overige troepen, door de invallende duisternis beschermd, de brug weder kunnen passeeren, die den linkeroever van den Donau met het eiland Lobau verbindt.

Dan gaat ook Massena terug en de brug wordt vernield, maar niet voordat al de gekwetsten, de vuurmonden, in één woord elk bruikbaar wapen van het slagveld is weggevoerd.

Doch de zege is verloren gegaan. De elementen hebben gezegevierd over het beleid van den veldheer.

De eerste uren van den nacht is deze met een deel van zijn leger, zonder vivres, bijna zonder geneeskundige hulp op het hier en daar zeer lage moerassige Lobau opgesloten.

Maar dan is Davoust van den rechteroever ook reeds met hulp bij de hand. Sloepen, schuiten, aken, alles heeft hij bijeengebracht tot transport. Op Lobau blijft alleen Massena achter met zijn korps van circa 30.000 man. De rest der armee komt weder op den rechter-Donauoever.

Veel had Napoleon dien dag te danken gehad aan den buitengewonen moed en het beleid van generaal Mouton. Hij benoemde hem tot graaf van Lobau.

Bijna vijf en veertig dagen verloopen nu, voordat hij alle maatregelen heeft getroffen, om aartshertog Karel den slag te kunnen toebrengen, die Oostenrijk aan zijn genade zal overleveren.--Een zware, breede paalbrug, bovenstrooms door een staketsel gedekt, wordt over den hoofdarm der rivier geslagen; dwars door Lobau worden naar de overgangen wegen aangelegd; in de verschillende zijkanalen wordt een massa materieel bijeengebracht om binnen enkele uren zes, zeven bruggen tegelijk te kunnen slaan over den nauwsten arm tusschen het eiland en den linkeroever; alle troepen uit den omtrek ook die van Eugène en van Marmont, die uit Dalmatië is gekomen, worden bij Ebersdorf bijeengetrokken, terwijl langs den noordelijken rand van Lobau batterijen worden opgeworpen, met zwaar geschut uit Weenens goedgevulde arsenalen bewapend.--Zoo nadert de 4e Juli.