Chapter 31
Altoos bezig, zich nooit meer rust gunnende dan hij strikt noodig had, een voorwerp van de verbazing zijner omgeving, die hem aan den arbeid zag, zich nooit verdiepende in détails, die door anderen konden worden uitgewerkt, het hoofd vol duistere plannen, welke hij nog aan niemand mededeelde, maar waarin Londen en de Spaansche troon de hoofdrol speelden, begaf de Keizer zich half November weder op reis. Thans waren Italië en de militaire werken bij Allessandria, Mantua en Venetië het doel.
Bij deze gelegenheid nam hij Eugène met zekere plechtigheid aan tot zijn zoon en opvolger in Italië, schonk hem den titel van prins van Venetië en had te Mantua voor het eerst na jaren weder een ontmoeting met Lucien. Gaarne had hij gezien, dat deze zich met hem verzoend had, want hoewel Lucien zich te Rome onverzoenlijk had getoond, kon hij dezen broeder, die hem feitelijk den 18en Brumaire door zijn manmoedig optreden den weg naar het oppergezag had gebaand, niet vergeten.
Hij vorderde echter te veel. In ruil voor de kroon van Portugal zou Lucien zijn tweede vrouw Alexandrina de Bleschamps, weduwe Jouberthon, moeten verstooten en hij wilde zijn huiselijk geluk niet opofferen aan het bezit eener kroon onder de heerschappij van zijn broer.
Met bitterheid in 't hart scheidden de twee broers.
Wel werden er daarna nog pogingen aangewend tot verzoening, wel zou de breuk tusschen hen nog ernstiger worden, maar ze zouden elkaar niet weerzien, voordat de oudste neergeveld door het noodlot bijna door allen verlaten was en de ander hem zijn hulp kwam aanbieden.
HOOFDSTUK XIX.
Het drama in Spanje.
"Een opstand van monniken" heeft de Keizer in zijn verholen gramschap het verzet op het Iberische schiereiland in den beginne smalend genoemd; toch is deze uitdrukking onjuist. Aanvankelijk was de geestelijkheid hem zelfs niet ongenegen, omdat ze in hem een bestrijder meende te zien van den zoo gehaten Godoy. Eerst later, toen zij zijn ware bedoelingen, de onderwerping van Spanje, had leeren kennen is ze van houding veranderd en heeft ze door het opzweepen van den geloofshaat der bevolking den strijd tegen de Fransche overheersching ontzettende vormen doen aannemen.
Napoleon leefde nu eenmaal in de waan, dat het godsbestuur hem op deze wereld een grootsche taak had te vervullen gegeven en reeds lang liep hij met plannen rond ook Spanje in zijn systeem op te nemen; dat hij een groote fout beging zich in de familieaangelegenheden der Spaansche Bourbons te mengen is even waar als zijn met Tilsit begane fout, Pruisen zoo diep te vernederen. Wel was het waar, dat Napoleon reeds tijdens den veldtocht in Pruisen voldoende bewijzen van verraad van zijn ouden bondgenoot had ontvangen; de nachtelijke bijeenkomsten van Godoy met de Pruisische en Russische gezanten waren den Keizer niet onbekend gebleven, maar dit verontschuldigt evenmin zijn inmenging in de familiequaesties der Spaansche Bourbons als het verzoek zoowel van Karel IV en diens zoon Ferdinand, den Prins van Asturië, om zich met hun particuliere aangelegenheden te bemoeien en hun scheidsrechter te zijn.
Ferdinand ging hierin zelfs nog verder; die riep zijn bescherming in "tegen een bende doodvijanden" en verzocht zijn aangenomen zoon te mogen worden door een huwelijk met een prinses uit zijn huis.--Deze had dan een dochter van Lucien kunnen wezen.
Dat Talleyrand, wel niet meer in naam doch steeds nog in de daad Napoleons rechterhand in diens aangelegenheden met het buitenland, dezen uit aangeboren zucht tot intrige aanhoudend prikkelde om in Spanje krachtig op te treden, mag hierbij evenmin worden vergeten.
Wetende dat Godoy in stilte tegen hem samenspande en Junots troepen bij hun opmarsch in den steek had gelaten, voor hun verpleging en voeding niet de minste zorg gedragen had, gaf Napoleon aan twee korpsen bevel de Spaansche grenzen te overschrijden, het land ten noorden van de Ebro te bezetten en in Barcelona, Sint-Sebastiaan en Pampeluna garnizoen te leggen. Een derde korps dirigeerde hij naar Cadix en eischte toen (Februari 1808) afstand van het bezette grondgebied in ruil voor Portugal.--Karel IV durfde dezen eisch, toch een aanslag op zijn gebied, niet met klem van de hand te wijzen.
Verontwaardigd over het ellendige bestuur van Godoy, gerugsteund door de bevolking, beducht voor de gevolgen, als Spanje nog verder door Fransche troepen werd bezet, wisten eenige aanzienlijken Ferdinand, ook al een zwak en besluiteloos wezen, te bewegen bij zijn vader aan te dringen op Godoy's ontslag. Karel weigerde aan dit verzoek te voldoen. Toen een nieuw Fransch leger onder Murat de grenzen overtrok en langzaam Madrid begon te naderen; toen het bericht kwam dat de koning wilde vluchten naar Cadix en dus Aranjuez verlaten had, geraakte de bevolking te Madrid in opstand. Het paleis van Godoy werd bestormd. Terwijl diens rampzalige gemalin, een prinses van Bourbon nog wel, door het grauw werd geëerbiedigd, werd hij zelf, nadat hij zes en dertig uur onder eenige rollen stroomatten op een zolder verscholen had gezeten doch door honger en dorst verplicht was geworden te voorschijn te komen, gepakt en had hij aan een paar gardes te danken dat hij, met wonden overdekt, eindelijk in een kazerne terecht kwam.
Om zijn "dierbaren vriend en gunsteling" het leven te redden, deed Karel IV den 19en Maart afstand van den troon ten behoeve van zijn zoon. Murat stond toen nog maar één dagmarsch van Madrid.
De tijding van dezen troonsafstand was hem maar half aangenaam, want hij had zelf wel koning van Spanje willen worden. Hierover dacht Napoleon echter niet en had reeds lang Louis, Jérome en Jozef gepolst. Had de eerste met het oog op zijn gezondheid altijd aangedrongen om in meer zuidelijke streken geplaatst te worden, nu het er op aankwam bedankte hij voor de eer. Ook Jérome meende niet te moeten aannemen, daar zijn huwelijk met Catherine van Wurtemburg, een protestante, een beletsel zou zijn en hij haar niet wilde opofferen. Dan Jozef! Deze was reeds vóór de andere broers gepolst, maar had bedankt, want slechts een gedeelte van Spanje was aangeboden; nu herhaalde de Keizer het verzoek doch Spanje in haar geheel en Jozef aanvaardde thans de kroon, die eens een Karel V had bezeten!
Den 23en trok Murat de hoofdstad binnen en werd hier door Ferdinand, dien hij niet als koning erkende en dien hij prins van Asturië bleef noemen, zoowel als door de bevolking, die in de Franschen thans de bevrijders zag van Godoy's tirannie, voorkomend ontvangen. Godoy, die reeds met ketenen beladen per kar van Aranjuez op weg was naar een gevangenis te Madrid, zond hij naar Bayonne.
Intusschen had Karel IV zijn daad herroepen en Napoleon verzocht scheidsrechter tusschen hem en zijn zoon te zijn. Ferdinand verliet Madrid, begaf zich naar Bayonne, waar Napoleon zich reeds bevond, en vond hier zijn ouders, die hem reeds den 20en April hierheen waren voorafgegaan, waar ze door Napoleon met vorstelijken praal werden ontvangen.
Te Madrid waren de broeder van Karel IV, zijn dochter de ex-koningin van Etrurië en zijn jongste zoon Francisco de Paolo, een kind van dertien jaar, achtergebleven.--Misschien hadden de gebeurtenissen een bevredigenden loop genomen, als Murat niet den last had ontvangen ook deze leden der koninklijke familie naar Bayonne te doen geleiden en als de kleine Francisco het paleis had willen verlaten. Den 9en Mei brak er nogmaals een ontzettend oproer uit. Uit alle huizen vielen schoten. Een dragonder van Murats garde, wiens paard door een kogel was neergeveld, zou zelfs voor de oogen zijner kameraden zijn vermoord, als deze niet met de blanke sabel op de menigte waren ingestormd en hem hadden ontzet.
Murat deed geducht wraak nemen. Vooral het escadron Mamelukken der garde hield met kromsabel en donderbus een gruwelijke opruiming.
Toen Karel IV van Napoleon vernam wat er in zijn hoofdstad was geschied, werd hij woedend, ontzag zich niet in 't bijzijn van Joséphine en de geheele keizerlijke hofhouding zijn zoon toe te roepen: "Ellendeling, je kunt tevreden zijn. Jouw misdadig verzet tegen je vader is oorzaak geweest, dat Madrid thans baadt in bloed. Dit bloed kome over jou hoofd!"--De koningin hief zelfs de hand tegen haar zoon op en overlaadde hem met scheldwoorden.
Denzelfden avond nog,--6 Mei--stond Ferdinand, die op dit alles geen syllabe antwoord had gegeven, de kroon weder af aan zijn vader; nog twee dagen later deed deze met al zijn mannelijke nakomelingen ten gunste van Napoleon afstand van den troon, "om daarover in het belang van Spanje naar goedvinden te beschikken," en begaf zich met zijn vrouw, zijn dochter en den "vriend" naar Rome. Aan Ferdinand en zijn broertjes werd het kasteel van Valencay, een bezitting van Talleyrand, als verblijf aangewezen.
In 't midden van Mei riep Napoleon nu een Junta van 150 Spaansche afgevaardigden bijeen om een nieuwe grondwet samen te stellen en den 9en Juli verliet Jozef Bayonne op weg naar Madrid. In 't begin ging het goed, maar al spoedig hield het enthousiasme van de bevolking op, ja werd hem zelfs de weg versperd door een leger van 40.000 man, meest geregelde troepen, onder den generaal Guesta. Wel werden de troepen teruggedreven en deed Jozef den 20en Juli zijn intocht in Madrid, maar 't was er alles behalve veilig voor den nieuwen koning, die dan ook elf dagen later voorzichtigheidshalve de stad weder verliet en te Vittoria achter de Ebro een veiliger verblijf zocht.
Was Murat misschien wat teleurgesteld Spanje niet te krijgen, Napoleon wilde toch zijn zwager beloonen voor de uitstekende diensten op militair gebied aan hem verleend en daarom had de Keizer hem de keuze gelaten tusschen Portugal en Napels; Murat koos het laatste en in September zien wij hem zijn intrede in Napels doen, waar hij de schatkist leeg vond en het leger vertrokken.
Jozef had er duchtig huis gehouden en deze, die altijd geld en troepen noodig had in zijn eerste koninkrijk zou nu nog veel erger dingen ondervinden.
Geheel Spanje was in vollen opstand. In de nog niet door de Fransche troepen bezette provinciën als Asturië en Arragon, te Sevilla en te Badajoz had de bevolking naar de wapenen gegrepen; overal hadden zich junta's gevormd. De reden was, dat den 19en Juli generaal Dupont verplicht geweest was bij Baylen in Andalusië tusschen de Sierra Morena en de Guadalquivir te capituleeren. Al de Spaansche grandes hadden Jozef daarop zelfs zonder afscheid verlaten; Mexico en het geheele vasteland van Zuid-Amerika van Peru tot aan de monden van de Rio de la Plata, de koloniën dus, waarop Napoleon zoo tuk was geweest, hadden hun havens voor Engeland geopend en zich bij de partij van het gevallen koningshuis aangesloten.
Hoe Jozef zelf over zijn toestand dacht, kan blijken uit een fragment van zijn brief van 9 Augustus aan zijn broeder:
"De gansche wereld zonder uitzondering heb ik hier tegen mij. Zelfs de hoogere standen zijn na eenige aarzeling de beweging der volksklasse gevolgd.--Als generaal zou mijn taak draaglijk, zelfs gemakkelijk zijn, want met een korps van uw oude soldaten zou ik de Spanjaarden overwinnen; als koning is mijn rol echter niet vol te houden. Om over mijn onderdanen de baas te worden, zou ik een deel er van moeten verdelgen. Ik verkies dus niet langer te heerschen over een natie, die niet van mij is gediend. Als overwonneling heengaan, wensch ik echter ook niet. Zend mij dus een van uw legers: aan de spits er van keer ik dan terug naar Madrid, en onderhandel hier met de bevolking.--Wenscht gij dit, dan schenk ik haar in uw naam Ferdinand VII als koning; maar ik zelf wensch terug naar Napels, naar een volk, dat door mijn zorgen gelukkig wil wezen. Ik ben uw broeder, uw eigen bloed; en Murat heeft van zijn nieuw rijk nog geen bezit genomen."
De nederlaag bij Baylen was niet de eenige slag, die de Fransche wapenen in diezelfde dagen trof. Aan de Mondego was een Engelsch leger van 16.000 man onder generaal Arthur Wellesley de Portugeezen te hulp gekomen en door Junot tevergeefs aangevallen. In het daarop gevolgde gevecht bij Vimeira waren de Engelschen overwinnaar gebleven. Van het bij Baylen gebeurde onderricht, beducht voor zijn leger, dat op de positie van Torres Vedras ten noorden van Lissabon was teruggegaan, trof Junot den 30en Augustus bij Cintra met Wellesley een overeenkomst, waarbij werd bepaald, dat zijn troepen met Engelsche schepen naar een Fransche haven zouden worden overgebracht.
De tijding van Duponts nederlaag ontving de Keizer, die Bayonne had verlaten, op den terugweg naar Parijs. Terstond begreep hij dat de terugtocht van zijn macht tot achter de Ebro hiervan het gevolg zou moeten wezen; dat het leger aan gene zijde van de Pyreneën thans te zwak was geworden voor het beoogde doel, de vermeestering van het land, en dat zijn tegenwoordigheid ginds op het gevechtsveld dringend werd vereischt, want het zou gaan om de eer van het groote keizerrijk. Een gedeelte van zijn troepen uit Duitschland zou hij naar Spanje moeten verplaatsen en aan Ruslands wensch ten opzichte van Pruisen, n.l. om de aan deze mogendheid opgelegde oorlogsschatting te verminderen en een deel zijner in Duitschland staande regimenten terug te nemen, leende hij dus thans een meer gewillig oor dan vroeger. Den 8en October sloot hij met Frederik Wilhelm een tractaat o.a. behelzende, dat deze de eerstvolgende tien jaar niet meer dan ruim veertigduizend man onder de wapenen zou houden en geen onderhandelingen met Engeland openen, voordat hij zelf met dit rijk had vrede gesloten. Door dit tractaat kreeg hij (8 October) de vrije beschikking over ruim 150.000 geoefende soldaten, die dwars door Duitschland naar den Rijn zouden terugkeeren. Alleen in Silezië zou hij drie vestingen bezet houden tot de oorlogskosten geheel waren afbetaald.
Met dien dreigenden toestand in Spanje voor oogen trok hij naar Erfurt om keizer Alexander op diens verzoek nogmaals te ontmoeten. De vorsten van het Rijnverbond en een drom andere gekroonde hoofden, vooral uit Duitschland, zouden hier tevens bijeenkomen.
Niet voor zijn genoegen ging de Keizer derwaarts, al omgaven luister en pracht zijn komst, en al schonk het hem voldoening, toen hij, bij een galavoorstelling in den schouwburg met zijn keizerlijken vriend de hofloge binnentredende, al die groote en kleine potentaten van hun zetels zag rijzen en staan blijven, tot hij was gezeten. Geen feestelijkheden en vermaken, de groote politieke vraagstukken van het oogenblik waren het, welke hem naar 't stille stadje hadden geroepen. Met Alexander wilde hij nogmaals overleggen en--dezen tot geduld aanmanen, nu de Donau-vorstendommen Wallachije en Moldavië hem niet zoo gemakkelijk in den schoot waren gevallen, als zijn weelderige fantasie hem dit te Tilsit had voorgetooverd, en nu ook de zaken in Finland nog niet naar wensch vlotten.
Dagen achtereen beraadslaagden die twee onder vier oogen; het slot er van was, dat, terwijl Alexander zijn vriend de vrije hand liet in het westen van Europa hij zelf naar willekeur in Finland en op het Scandinavische schiereiland zou kunnen handelen. Op het vasteland zou geen mogendheid zonder hun beider toestemming zich mogen wapenen; als bemiddelaars in alle zaken zouden zij zich gezamenlijk tegenover Engeland voordoen, en in geval van oorlog elkander steunen. Den 12en October werd een door beiden onderteekend schrijven gericht aan George III om mede te werken tot herstel van de rust in Europa.
Binnen acht dagen kwam het antwoord. Engelands gedragslijn stond onherroepelijk vast. In geen geval kon het de partij van den koning van Napels, Ferdinand IV, die Sicilië nog altoos bezet hield, of die van het huis van Braganza loslaten.--Deze verklaring maakte iederen verderen stap tot verzoening overbodig.
Den 13en October nam Alexander afscheid van zijn bondgenoot en keerde Napoleon terug naar Parijs.--Het Congres van Erfurt behoorde tot het verledene. Niet alleen was er met Alexander over de politiek gesproken, want in deze dagen leed Napoleon een groot échec met het oog op zijn persoonlijke plannen omtrent een tweede huwelijk, waarop we later terugkomen.
Te St. Cloud terug, ontving hij de bevestiging van het gerucht, dat aartshertog Karel op uitgebreide schaal krijgstoerustingen deed maken. Duizenden artillerie- en treinpaarden werden daar aangekocht, groote militaire magazijnen aangelegd en groote troepenbewegingen verricht.
Om dit alles bekreunde Napoleon zich voorloopig echter niet. Aan de overzijde van den Rijn had Napoleon nog altijd een machtig leger staan, dat telkens versterking ontving, op kosten van de bewoners der bezette streken leefde, en snel was bijeen te trekken. Al zijn aandacht was gevestigd op Spanje. Den 5en November reeds bevond hij zich te Vittoria, nam hier het bevel op zich over een korps, dat rechtstreeks naar Madrid zou marcheeren en den 6en November klonk het Voorwaarts! voor de geheele armee, die, ingedeeld in acht groote korpsen, de Ebro in waaiervorm begon te passeeren.
Enkele dagen later waren de onder Castanos en Palafox verzamelde afdeelingen uiteengeslagen en verstrooid, en was de stad Burgos genomen. Den 30en November werd de nauwe pas van de Somo Sierra onder de oogen des Keizers bestormd en genomen. Den 3en December, dus nog geen maand nadat hij Vittoria had verlaten, was het paleis van Buen-Retiro te Madrid onder zware verliezen vermeesterd en de hoofdstad weder in Fransche handen; Jozef werd in zijn waardigheid hersteld.
Plechtig deed deze zijn intocht in Madrid en hield daarbij in een der kerken een rede waarin hij deed uitkomen, dat hij de kroon uit handen van de Cortes te Bayonne had ontvangen. Nu zou alles wel goed gaan als Napoleon hem nu maar de vrije hand liet, zoo dacht de nog altijd eigenzinnige oudste, die zich nu eenmaal boven zijn keizerlijken broeder stelde.
Een beslissing was nochtans nergens verkregen. Waar de troepen in de provinciën binnentrokken, legde de bevolking het hoofd in den schoot; daarbuiten was alles in vollen opstand. Deze was plaatselijk geworden en ontaard in een partijgangers-, een guerillakrijg met al zijn sombere, bloedige gevolgen. Koeriers, alleen reizende militairen, achterblijvers, gekwetsten werden onderweg overvallen en op afschuwelijke wijze afgemaakt; bronnen werden vergiftigd, in één woord al de gruwelen gepleegd, waartoe fanatisme en priesterdwang een domme, onbeschaafde doch hartstochtelijk aan zijn vorstenhuis en zijn land gehechte natie kunnen opzweepen.
De cathechismus, welke aan iederen oprechten Spanjaard in die dagen onderwezen werd, teekent den toestand.
"Wat zijt ge, mijn kind?--Spanjaard bij de genade Gods.--Wie is de vijand van ons geluk?--De keizer der Franschen.--Hoeveel naturen zijn er?--Twee; de menschelijke en de duivelsche.--Hoeveel keizers der Franschen zijn er?--Één echte in drie gedaanten.--Hoe heeten deze?--Napoleon, Murat en Godoy.--Wie is de slechtste?--Ze zijn alle drie even slecht.--Van wie stamt Napoleon af?--Van de zonde.--Murat?--Van Napoleon.--En Godoy?--Van beiden.--Wat is het karakter van den eerste?--Hoogmoed en heerschzucht.--Van den tweede?--Roofzucht en wreedheid.--En van den derde?--Hebzucht, verraad en onwetendheid.--Wat zijn de Franschen?--Voormalige christenen, ketters geworden.--Is het dooden van een Franschman zonde?--Neen, padre; als men één dier honden doodt, verwerft men den hemel.--Welke straf verdient een Spanjaard, die te kort schiet in zijn plicht?--Den dood en de eerloosheid des verraders.--Wie zal ons bevrijden van onze vijanden?--Ons onderling vertrouwen en de wapenen."
Terwijl zijn onderbevelhebbers streden op zijn flanken, en Saragossa werd ingesloten, wendde Napoleon zich naar het westen, naar Valladolid om het Engelsche leger, dat uit Portugal, onder generaal Moore namelijk, naar Madrid op marsch was, aan te grijpen.
De Sierra de Guaderama moest hierbij gepasseerd; het vroor, dat het kraakte; de wegen waren spiegelglad; vooral de cavalerie kon bijna niet vooruitkomen. In 't gebergte werden de troepen bovendien overvallen door een sneeuwstorm, die menschen en paarden half blind maakte. Maar de Engelschen, bevreesd te worden afgesneden, waren thans in vollen aftocht naar de haven van La Corunna; hen wilde Napoleon volstrekt inhalen. Hoewel het reeds liep tegen Januari, de dagen kort, en de wegen zeer slecht waren, maakten de soldaten dagelijks nog marschen van tien uren en meer, waarbij de infanterie, want alle bruggen waren door de Engelschen afgebroken, zich vaak vier of vijf keer per dag naakt moest uitkleeden, om met de uniform en de wapens boven het hoofd door het ijskoude water der gezwollen beken te waden.
Op die wijze werd op oudejaarsavond van het jaar 1808 Astorga, in Leon, bereikt, maar in welk een toestand! Alleen de spits der regimenten en een paar honderd ruiters hadden Napoleon tot zoover kunnen volgen. De rest lag langs den weg, uitgeput, doodaf. Drie grenadiers der garde hadden onderweg zelfmoord gepleegd, omdat zij niet verder kònden en niet in 's vijands handen wilden vallen.
Te Astorga nam de Keizer eensklaps afscheid van zijn getrouwen; onrustbarende berichten over Oostenrijks voortgezette wapening maakten zijn tegenwoordigheid te Parijs noodig; doch eerst verrichtte hij nog een daad van barmhartigheid tegenover ruim duizend Engelsche vrouwen en kinderen, die generaal Moore bij zijn overhaasten aftocht in een schuur buiten de stad met niets dan droge gerst tot voedsel, had achtergelaten. Hij liet ze in de stad onder dak brengen en van voedsel voorzien en deed Moore door een parlementair verwittigen, dat deze huisgezinnen zijner soldaten hem, zoodra het weder dit toeliet, zouden worden teruggegeven. Tevens gaf hij Soult last de vervolging voort te zetten en keerde met zijn garde terug naar Valladolid.
In de bergen van Leon haalde Soult de Engelschen in, dwong hun achterhoede tot wijken en bracht Moore, die door zwaar stormweder belet werd zich in te schepen, bij La Corunna ten slotte een geduchte nederlaag toe, waarbij deze generaal zelf het leven liet.
Terwijl de Engelschen aan de noordwestkust van het schiereiland dus een les ontvingen, die hun lang zou heugen, voldeed Lannes aan den last, hem te Astorga gegeven, om het bevel over de troepen vóór Saragossa op zich te nemen.--Versterkt door het overschot der troepen van Castanos, die bij Tudela de nederlaag hadden geleden, had de geheele krijgszuchtige bevolking van Arragon, in 't geheel circa 80.000 man, zich binnen de muren dezer goed versterkte stad opgesloten met het vaste voornemen zich te verdedigen tot het uiterste.--Vooral de boeren waren verwoed. Met hun vrouwen, hun kinderen en hun vee stadwaarts getogen, hadden zij in een der stadswijken een huis of onderkomen gekregen onder voorwaarde zich in geen geval over te geven. Hier leefde dat volk in een poel van drek en vuil met het vee samen als beesten in één hok. In deze wijken brak weldra een epidemie uit, waarbij de lijken der gestorvenen onbegraven in de straten en stegen bleven liggen.
Een stad met een bevolking, die in haar fatalisme nog veel van de Arabieren had overgehouden, was met storm niet te nemen. Zoodra de buitenste versterkingen gevallen waren, moesten de huizen dus voet voor voet door mijnen en buskruit worden opgeruimd. Toch verlieten de bewoners ze niet. Terwijl de bijlslagen der sappeurs buiten weergalmden, kon men hen binnen litaniën hooren zingen. Vloog ten slotte een huis in de lucht, dan schaarden de niet gevallen bewoners zich op de puinhoopen om die weder te verdedigen en uit hun met allerlei ontuig geladen donderbussen op de aanvallers te vuren.
Middelerwijl gierden dagelijks honderden granaten over de hoofden der verdedigers.
Vooral de kloosters met hun geweldig dikke muren leverden een ernstig beletsel op; die waren niet te ondermijnen. Men paste dit middel dus alleen toe op een deel van den buitenmuur en maakte hierin een bres; dan moest een gereedstaande stormcolonne de rest doen.