Chapter 3
Maar nadat hij den 10en Augustus heeft bijgewoond, die bergen lijken in de straten, die stapels doode Zwitsers voor de Tuilerieën heeft gezien, als trouwe soldaten gevallen bij de verdediging van het paleis van hun Koning; nadat hij tot de ontdekking is gekomen hoe geweldig de dierlijkste hartstochten bij het volk der hoofdstad zijn ontketend, bevangt hem bange bezorgdheid voor het leven zijner familie, want ook op Corsica is het oproer.
Een paar dagen later komt het decreet, dat de school te St Cyr wordt gesloten, dat de leerlingen zijn ontslagen en onder het genot van reiskosten--20 sou per uur--naar haar woonplaats kunnen terugkeeren. Geen bruidschat dus van drieduizend francs, geen uitzet heeft Elisa meer te wachten en zij is al vijftien jaar.
In de eerste dagen van September grijpen te Parijs moordtooneelen plaats, die in afschuwelijkheid al het tot nu toe gebeurde overtreffen; en nog altoos heeft Napoleon zijn aanstelling niet en laat het departement van oorlog bedolven onder stapels gewichtiger werk, hem wachten. Waar moet hij met het meisje heen! Bij zich houden kan hij haar niet.
Eindelijk wordt het lang verwachte brevet hem uitgereikt; nu vraagt hij verlof zijn zuster naar Ajaccio terug te geleiden. Dit wordt hem toegestaan; ook ontvangt hij de machtiging het bevel over zijn bataljon nationale vrijwilligers weder op zich te nemen.
't Werd een reis met hindernissen; van Lyon moest ze per schip, de Rhône af, worden voortgezet. Te Marseille was geen scheepsgelegenheid en wachten dus de boodschap; maar eindelijk (October) werd Ajaccio toch bereikt, en voor de eerste maal in dertien jaar zag Laetitia al haar kinderen bijeen. Wel heerschte er vreugde, doch de toekomst was donker. Jozef was niet verkozen tot afgevaardigde naar Parijs. Liever lui dan moe, prat op zijn rechten als hoofd der familie, aangenaam geprikkeld als de broertjes hem "graaf" noemden, daarbij tamelijk onwetend, was hij blijkbaar niet in den smaak der kiezers gevallen.
Wederom had Napoleon over Paoli's ontvangst niet te klagen, doch hij zelf was koel en geretireerd; reeds had hij een keuze gedaan. In hem zou de oude demagoog geen partijgenoot vinden. In dit besluit werd hij nog versterkt na terugkomst van een expeditie naar het eiland Sardinië, welks vorst, de Koning van Savoije, met de Fransche Republiek in oorlog was (28 Februari 1793).
Overtuigender dan ooit was hem op dezen totaal mislukten tocht, waarbij hij de artillerie gecommandeerd had, gebleken, dat Paoli heulde met de Engelschen en verraad pleegde.
Toch had deze bijna ongelooflijke toestand, waaraan Frankrijk alleen door het zenden eener troepenmacht een einde had kunnen maken, nog lang kunnen voortduren, wanneer Lucien door een dollen zet de bom niet had doen barsten.
Vol eigenwaan, oordeelende over menschen en zaken, alsof hij een ervaren man was, het hoofd vol stopwoorden en holle phrasen, die hij met veel aplomb debiteerde en die zijn onwetende omgeving en vooral zijn vrouwelijke familieleden in hem een ster van de eerste grootte, een genie, deden zien, had deze mislukte leerling van Brienne en van het gymnasium te Aix op zijn vijftiende jaar de studie er aan gegeven, omdat er voor hem geen beurs meer beschikbaar was.
Hij was toen thuisgekomen en begonnen met het volkladden van stapels papier en de politiek was alles voor hem, waarin hij dan ook spoedig een heel heer meende te wezen. Bij Paoli was het hem mislukt diens secretaris te worden, maar omdat hij vloeiend Italiaansch en Fransch sprak, goed zijn woordje kon doen en een gunstigen indruk maakte, was hij door den Franschen gezant de Sémonville bij diens komst te Ajaccio als tolk gekozen en met dezen was hij later naar Toulon gereisd.
Nauwelijks hier, was hij naar zijn politieke club geloopen en had daar een krachtige speech afgestoken tegen Paoli, hem beticht van landverraad en tevens een adres opgesteld aan de Nationale Conventie. Deze ontving dat juist in de dagen, toen het verraad van Dumouriez ook bekend werd. (April)
"Ik heb onze vijanden een beslissenden stoot toegebracht. Daarop hadt jelui niet gerekend" schreef hij aan zijn broers. Maar op hetgeen thans volgde had hij zeker niet gerekend.
Opgeroepen voor de rechtbank te verschijnen op last der Nationale Conventie, wierp Paoli het masker af, beval de inhechtenisneming der gansche familie Bonaparte en legde beslag op haar eigendommen. Terwijl Lucien kalmpjes te Toulon zat, zag zijn moeder haar huis dus plunderen en in vlammen opgaan, konden Jozef en Napoleon ternauwernood het leven er afbrengen en achtten zich allen gelukkig, toen ze na dagen lang omzwerven onder de hoede van eenige hun trouw gebleven herders en bergbewoners aan boord konden komen van een Fransch schip, dat voor de bezetting van Calvi te Toulon munitie zou gaan halen.
Geld, papieren, brieven, eigendomsbewijzen, alles was met één slag verloren. Laetitia was straatarm geworden en 't was wel zeer hard voor haar na vier en twintig jaar in vrede geleefd te hebben nu alles verstrooid en verwoest te weten, maar als echte Corsicaansche toonde ze haar rouw aan de buitenwereld niet, bleef kalm en bedaard en schonk haar achttienjarigen zoon, die haar dit alles berokkend had, volkomen vergiffenis.
Eerst te Toulon, later als het ook hier niet meer veilig is, in een aangrenzend gehucht, zocht ze een onderdak en leefde in de eerstvolgende drie maanden met haar kroost uitsluitend van rations levensmiddelen, die haar als vluchtelinge door de Nationale Conventie werden verstrekt en van hetgeen Napoleon, die terstond naar Nizza was vertrokken, van zijn traktement als kapitein der artillerie kon missen. Meer dan de helft stond de zoon haar af.
Napoleon was het meegeloopen, want door generaal du Teil, die te Nizza commandeerde, was hij terstond belast geworden met de bewapening der kustbatterijen aldaar, later met het transport van munitie daarheen. Zijn achterstallig tractement, ongeveer drie duizend francs, zou hem worden uitbetaald, terwijl hij door een vriend te Ajaccio weder in het bezit kwam van eenig nog te vorderen geld en van een deel van zijn goed.
Bij dit alles was hij een heftig republikein gebleven, hetgeen o.a. bleek uit zijn Souper de Beaucaire, een later voor rijks rekening in druk verschenen vlugschrift, waarin hij o.a. de onmacht van den federalistischen opstand aantoont en de Marseillanen aanraadt weder één te worden met de Conventie.
Ook Jozef had intusschen niet stilgezeten; terstond was hij naar Parijs vertrokken en had hier van de Conventie gedaan gekregen, dat een bedrag van 600.000 francs ter beschikking werd gesteld van de uitgeweken Corsicaansche families. Door den afgevaardigde Saliceti, uit Bastia afkomstig en een vriend van den huize, waarschijnlijk hierin gesteund, had hij tevens kunnen zorgen, dat het aandeel der Bonapartes hierin niet het kleinste was.
HOOFDSTUK II.
Een blik op de Fransche omwenteling.
Reeds een paar maal spraken we van opstanden te Parijs, waarbij de Tuilerieën door het volk werden bestormd; mogelijk bewijzen wij den lezers een dienst met in 't kort na te gaan, wat er in de jaren 1789-1795 in Frankrijk voorviel.
De oorzaken van de Fransche Omwenteling voeren ons terug naar den tijd van Lodewijk XIV (1643-1715), onder wien Frankrijk tot een der machtigste staten van Europa werd gemaakt. Getrouw aan zijn eenmaal gesproken woorden "l'Etat, c'est moi" [3] regeerde hij volkomen absoluut en had den adel, die in den Frondeoorlog reeds veel geleden had, tot uitsluitend hofadel teruggebracht. Colbert zorgde voor de uitbreiding van de handelsvloot, een krachtige oorlogsmarine en het stichten van groote havens als Duinkerken, Brest, Toulon enz.; Louvois, zijn minister van oorlog, wist het leger tot een groote kracht te maken, waarmede ongeveer een kwart eeuw de strijd werd aangebonden met de staten van Europa.
Wel waren uitbreiding van het land naar 't Noorden en Oosten, het stichten van koloniën in de verschillende werelddeelen hiervan o.a. het gevolg, maar die voordeelen werden gekocht voor groote opofferingen, welke het land uitputten, terwijl de wreede vervolgingen der protestanten Frankrijk nog beroofden van 400.000 harer beste onderdanen, meenemende een schat op het gebied van kapitaal en industrie, hetgeen aan Pruisen, Nederland en Engeland, waar de emigranten zich vestigden, ten goede kwam. De zonnekoning deed Europa verbaasd staan door zijn overwinningen in de oorlogen, door de luxe aan zijn hof, door de prachtige werken, die in 't land werden aangelegd, maar Frankrijk droeg er de lasten van en Lodewijk XV aanvaardde de regeering met een schuld van bijna een milliard. En deze vorst?
Toen hij nog jong was, opende zijn gouverneur eens de vensters van het paleis en zei, het kind op de menigte wijzende, die zich voor het paleis had verzameld: "Al dat volk is voor U." Opgevoed in een omgeving, waar men doordrongen was van het beginsel, eens door zijn voorganger uitgesproken, kon men wèl hopen, niet veel verwachten.
De toestand werd er niet beter op; de financieele operaties van John Law vernietigden het crediet van den staat en ruïneerden tal van kleine renteniers; de zevenjarige oorlog kostte Frankrijk behalve veel menschenlevens en geld, nog haar beste koloniën in Amerika en Azië; de zedeloosheid van het hof werd het schandaal van dien tijd en het volk, dat den vorst eens den naam van "Louis le Bien aimé" had gegeven, werd met haat en afkeer vervuld van den koning, die niet minder tiranniek als zijn voorganger regeerde.
Groot was de blijdschap, toen zijn dood in Frankrijk bekend werd en de teugels van het bewind in handen kwamen van zijn kleinzoon Lodewijk XVI (1774-1792), van wien men in het begin nog al goede verwachtingen had.
Zou hij veranderingen aanbrengen? Wat viel er niet te verbeteren! De macht van den vorst was onbeperkt, uitvoerende en wetgevende macht berustten bij den koning; het volk had geen invloed op de regeering, kende evenmin staatkundige rechten; de rechterlijke macht was niet onafhankelijk en meermalen werd in de rechtspraak door den vorst ingegrepen, terwijl de beruchte "lettres de cachet" zonder eenigen vorm van proces iemand in de gevangenis brachten; ze werden wel in blanco verstrekt, zoodat men ze dan zelf kon invullen! De belastingen waren drukkend, ongelijk verdeeld en werden geïnd door middel van een pachtstelsel; soms moesten ze twee keer in een jaar worden opgebracht, terwijl het grootste gedeelte van de opbrengst niet in de schatkist vloeide, maar door hof en adel werd opgemaakt.
Het volk was verdeeld in standen met verschillende rechten en plichten; allereerst kwamen adel en geestelijkheid, die, hoewel zij minstens twee derden van het land bezaten, niet alleen geen belastingen opbrachten, maar nog tal van privileges bezaten en tevens heerlijke rechtspraak uitoefenden; zij waren eigenaars van de molens, de ovens en de wijnpers; ze mochten tollen, marktrechten, belastingen in natura en corveeën eischen. Kortom zij genoten wel al de voordeelen, maar het dragen van de lasten der maatschappij kenden ze niet. Kenmerkten ze zich door uiterlijke vormen en beschaving, ook door zedelijk bederf; weelde, genotzucht en eerzucht waren hun hoofdeigenschappen en aan hun roeping, voorgangers en leiders van het volk te zijn, voldeden ze niet meer. Alleen de lage geestelijkheid maakte hierop een uitzondering, maar deze was te arm en te weinig ontwikkeld om grooten invloed uit te oefenen. Behalve deze bevoorrechten had men nog den 3en stand, waartoe zoowel ambtenaren, groothandelaren en industrieelen, als handwerkers, vrije boeren en loonarbeiders behoorden. Wel kon men onder deze 25 millioen twee elementen onderscheiden, n.l. de bourgeoisie en het lagere volk, maar zij waren bij het begin der omwenteling onverdeeld, gingen samen strijden tegen de privileges en misbruiken van hof, adel en geestelijkheid, bewust als zij zich waren van hun gemeenschappelijken vijand.
De toestand onder het ancien régime was wel ellendig en werd vooral aan het licht gebracht door den invloed van groote denkers en schrijvers als Voltaire, Rousseau, Montesquieu en de Encyclopedisten Diderot en d'Alembert, mannen, meest allen overleden, voordat de omwenteling begon, maar die in hun geschriften de bestaande toestanden aanvielen en middelen gaven ter verbetering.
Het was zoo waar, wat Lord Chesterfield reeds in 1754 zei:
"Kortom alle verschijnselen, die ik ooit in de geschiedenis als voorboden van groote staatsveranderingen en omwentelingen aangetroffen heb, worden thans in Frankrijk gevonden en nemen nog dagelijks toe."
Was Lodewijk XVI nu een verlichte, krachtige figuur geweest, die den toestand juist inzag, zich wist te omringen door kundige, doortastende raadslieden, die de nooden des volks begrepen, hierin verbetering wilden brengen en hierbij door hem werden gerugsteund, dan was de omwenteling waarschijnlijk niet door stroomen bloeds onteerd. Aan deze voorwaarden voldeed de koning echter niet.
Goedhartig en zwak, wel vervuld met de gedachte aan zijn verplichtingen, doch onbeduidend en wankelmoedig, zullen we hem nooit flink zien doortasten, wanneer dit noodig is. Hij, die wel een steuntje noodig had, werd ook niet door zijn omgeving geholpen. Zijn vrouw Marie Antoinette, een dochter van Maria Theresia, als Oostenrijksche reeds weinig bemind, was veel te onnadenkend en te hooghartig om hem in zijn moeilijke taak bij te staan; zijn jongste broer de Graaf van Artois, een levenslustig edelman, vormde steeds het hoofd der oppositie tegen alle hervormingen en ook de Graaf van Provence, hoewel veel gematigder van karakter, werkte den koninklijken broeder tegen.
Lodewijk XV 1715-1774. | +-------------------------+--------------------+ | | | Lodewijk XVI Graaf van Provence Graaf v. Artois 1774-1792 1793 Lodewijk XVIII Karel X geh. met Marie Antoinette. 1814-1824. 1824-1830 | | +-------+-----------+ +------------------+--+ | | | | Lodewijk (XVII) Maria Theresia Hertog van Hertog van Berry 1795. 1851 Angoulême 1844. vermoord 1820. geh. met Hertog | van Angoulême. Hendrik (V) Hertog v. Bordeaux. Graaf v. Chambord 1883.
Lodewijk XVI begon met de ministers van zijn voorganger te ontslaan, benoemde wel tot controleur-generaal van de financiën Turgot, een rechtschapen, eerlijk man, die zich reeds tevoren door zijn geschriften had bekend gemaakt, doch droeg de leiding der buitenlandsche zaken op aan Maurepas, "de Papegaai van het Regentschap," een volbloed hoveling, uit welke benoeming al dadelijk de besluiteloosheid van den koning bleek.
Een reeks van hervormingen volgde spoedig op elkaar, maar hoe kon Turgot heerendiensten afschaffen, tolrechten opheffen enz., wanneer niet de bevoorrechte standen inzagen, dat zij ten bate van het algemeen van vele hunner privileges afstand moesten doen. Zij dachten er niet over en ofschoon de koning eens had gezegd:
"Er zijn maar twee menschen, die het goed meenen met Frankrijk, dat zijn Turgot en ik," kreeg deze in 1776 zijn ontslag en werd vervangen door Necker, een bankier uit Genève. Deze had met dezelfde bezwaren als zijn voorganger te kampen, maar het gelukte hem eenige millioenen te leenen, die in den Noord-Amerikaanschen Vrijheidsoorlog verdwenen, en toen hij in zijn Compte Rendu au Roi den slechten financieelen toestand van Frankrijk openbaar maakte, was het met zijn rijk uit en viel ook hij door het verzet der hoogere standen. Inmiddels duurde de oorlog in Amerika voort en zagen vele Franschen als Lafayette e.a., hoe de nieuwe ideeën daar hun toepassing vonden bij de stichting van de Republiek der Vereenigde Staten, doch Frankrijks regeering trok er geen les uit.
Calonne, die Necker was opgevolgd, wist nog honderd millioen te leenen, waarvan nauwelijks een vierde in de schatkist terecht kwam. "Wanneer ik iedereen de hand zie ophouden om wat te krijgen, houd ik mijn hoed bij," zei de Graaf van Provence; in zijn hoed kwamen vijf en twintig, in dien van den Graaf van Artois zes en vijftig millioen!
Een vergadering der notabelen, in 't begin van 1787 bijeengeroepen om over den toestand te beraadslagen, bracht geen verbetering. Samengesteld uit de bevoorrechte klassen, was zij tot het brengen van offers aan de schatkist niet te vinden. Zelfs vergrootte zij het gevaar, want door haar werd thans wereldkundig, dat de staatsschuld meer dan anderhalf milliard bedroeg en dat er op de begrooting een jaarlijksch tekort was van honderdveertig millioen.
Het eenige middel om Frankrijk voor een staatsbankroet te vrijwaren scheen nu te zijn de bijeenroeping der Etats-Généraux, waarop reeds meermalen was aangedrongen. De koning had den adel verzocht te bezuinigen, de parlementen belastingen in te schrijven, de kapitalisten leeningen te sluiten; ten slotte had hij zich tot de notabelen gewend, om een deel der staatslasten te dragen; allen hadden geweigerd. Nu was hij wel gedwongen zich tot geheel Frankrijk te richten en riep daarom de Etats-Généraux tegen den 5en Mei te Versailles bijeen, terwijl de koning na lang aarzelen, op voorstel van Necker, die inmiddels was teruggeroepen, had bepaald, dat de derde stand evenveel leden zou afvaardigen als de adel en de geestelijkheid te zamen.
Uit de vaststelling van dit aantal moest nu ook, wilde de verdubbeling van den 3en stand eenige waarde hebben, de stemming per hoofd volgen, maar deze quaestie was echter nog niet door Necker opgelost. Het gevaarlijke van deze besluiteloosheid zag men pas later in.
Door deze regeling stond de omwenteling voor de deur.
De verkiezingen, waarop van regeeringswege geen invloed werd uitgeoefend, hadden plaats ongeveer op de wijze, zooals dat in 1614 was geschied; directe keuze van adel en geestelijkheid, trapsgewijze voor den 3en stand.
De afgevaardigden kregen lastbrieven, z.g. cahiers mee, waarin de wenschen der kiezers waren uitgedrukt; in die van den 3en stand vroeg men stemming per hoofd, waarborgen voor beter financieel beheer, opheffing of verplichte afkoop der feodale rechten, gelijkheid op 't gebied der belastingen, afschaffing van de pijnbank en de doodstraf; in enkele van hun cahiers eischte men de erkenning, dat de 3e stand het volk, de natie is, een idee uitgedrukt in de bekende brochure van Siéyès. "Wat is de 3e stand? Niets. Wat moet hij zijn? Alles."
Opmerkelijk, alle cahiers erkenden, dat de koninklijke macht, erfelijk in mannelijke lijn, moest worden behouden. De 3e stand was dus in 1789 volkomen royalistisch.
De cahiers van adel en geestelijkheid droegen sporen van verdeeldheid; wel waren er, die ook belasting voor de hoogere standen inhielden, maar stemming per stand, niet hoofdelijk stond op hun programma. De groote dag brak aan. Een ontzettende menigte stroomde den 5en Mei naar Versailles, om van het schouwspel getuige te zijn; alle tribunes in de vergaderzaal waren stampvol. Daar traden ze binnen, de afgevaardigden, samen bijna 1200 in getal. Reeds deed het verschil in costuum tusschen de drie standen pijnlijk aan; de geestelijkheid in plechtgewaad, de adel in 't zwart met goudlaken vest en mouwopslagen en witte pluimen op den hoed; de derde stand eenvoudig in 't zwart zonder eenig versiersel. De koning had dit bevolen. Gevolgd door het geheele hof en bij zijn komst geestdriftig toegejuicht, opende de koning de vergadering met eenige nietszeggende woorden, hield evenals Necker een redevoering, waarin over groote hervormingen niet werd gesproken, de stemming per stand of per hoofd wel werd aangeroerd, doch niet opgelost; tegen "gevaarlijke nieuwigheden" moest worden gewaakt; alleen bleek, dat de Etats-Généraux vooral waren opgeroepen om in den bestaanden geldnood te voorzien.
Welk een teleurstelling! Waren ze daarvoor naar Versailles gekomen? Of zou Mirabeau's woord: "Het tekort is de schat der natie" in vervulling gaan en de geldnood benuttigd worden om een Constitutie te krijgen?
Reeds den volgenden morgen begon de strijd over het onderzoek der geloofsbrieven. De derde stand verlangde, dat dit zou plaats hebben in de volle vergadering, dus samen met adel en geestelijkheid. Deze, in een afzonderlijk lokaal vergaderd, verzette zich hiertegen. Pogingen om tot een vergelijk te komen mislukten; intusschen wachtte de derde stand, op aanraden van Mirabeau, geduldig maar vastberaden en dicht aaneengesloten op een beslissing.
Vastbesloten zich te verklaren tot een vergadering, die het geheele volk vertegenwoordigde, bezwoer de derde stand in de ochtendzitting van den 28en Mei de geestelijkheid, in naam van den God des vredes en van het algemeen belang, mede te werken.
Het hof bevreesd geworden, dat de geestelijkheid aan dezen oproep zou voldoen, deed weder onderhandelingen beginnen. Zoo verliepen eenige weken. 't Werd 10 Juni.
Op dezen datum begon de lawine der omwenteling haar val.
Begrijpende, dat de tijd tot handelen was gekomen, nam de derde stand toen van den abt Siéyès, een zijner vertegenwoordigers, een motie aan, die aan de zaak een einde maakte. Adel en geestelijkheid werden n.l. uitgenoodigd in de zittingzaal te verschijnen, om tegenwoordig te zijn bij het onderzoek der geloofsbrieven, "welk onderzoek in elk geval, mèt of zònder hun bijzijn, thans zou plaats hebben."
Dit stoute optreden werd den 17en Juni weder op voorstel van Siéyès, door een krachtiger besluit gevolgd. De derde stand constitueerde zich tot een Nationale Vergadering; geen statenvergadering was er meer, voor het gansche volk trad hij op.
Weg waren de drie standen, verdwenen uit het staatsbestuur! Zoolang het onderzoek der geloofsbrieven niet had plaats gehad in den door hen verlangden vorm, erkende de derde stand de beide andere niet meer.
Het eerste besluit, dat de Vergadering nam, was een daad van souvereiniteit, want ze stelde de ondeelbaarheid vast van het wetgevende lichaam en maakte de twee bevoorrechte standen hiermede van haar afhankelijk.
Hoe het hof voorloopig in bedwang moest worden gehouden, was nu de vraag. De Vergadering verklaarde de uitgeschreven belastingen daarom voor onwettig, maar--beval die te blijven innen, zoolang zij zitting hield. Tevens garandeerde zij de nationale schuld en stelde de kapitalisten daardoor gerust, eindelijk voorzag ze in den nood der volksklasse door het benoemen van een comité voor levensbehoeften.
Nam de bevolking vol geestdrift kennis van dit bedachtzame, doch krachtige optreden, het hof en de hoogere standen voelden zich voor de keuze gesteld: onderwerpen of toevlucht nemen tot geweld en ze raadden den koning tot dit laatste; wat dacht men nu wel, een koning bij de gratie Gods de wet te kunnen stellen?
Na lang beraad besloot de vorst nogmaals een koninklijke zitting te houden en vreezende, dat de meeste geestelijken, in den tijd, noodig om de zalen in orde te brengen, gemeene zaak zouden maken met den derden stand, liet de koning de vergaderzaal zoolang sluiten.
Den 20en Juni vond de derde stand de deuren gesloten, de gewapende macht ervoor!
Niet hier, dan ergens anders, was terstond het wachtwoord. Met den president Bailly voorop, toegejuicht door het volk, zelfs begeleid door enkele soldaten, toog de derde stand reeds versterkt door tal van geestelijken, naar een nabijgelegen kaatsbaan. Hier zwoeren alle afgevaardigden, het hart vol van de heiligheid hunner zending, met opgeheven hand, "niet uiteen te gaan, voordat ze aan Frankrijk een Grondwet hadden geschonken."
Den volgenden morgen was ook de kaatsbaan gesloten; de prinsen hadden die afgehuurd. Thans richtte de stoet zich naar de kerk van St. Louis. Voor het hof was de bom verkeerd gesprongen.