Chapter 29
Toen hadden Rapp, Caulaincourt en Savary een middel bedacht den prins, met wiens vrouw zij medelijden hadden, te redden. Reeds was de krijgsraad bijeengeroepen en wachtte die nog alleen op den bewusten brief om te handelen, toen mevrouw Hatzfeld, onderricht van het gevaar, dat haar man dreigde, door Duroc geleid, in de vestibule van het paleis voor Napoleon verscheen, op een oogenblik, dat deze terugkeerde van een rit om de stad. Verrast en thans gedwongen haar te ontvangen, verleende hij haar gehoor in zijn kabinet.
Hier bezwoer de prinses hem, dat haar man onschuldig was. Napoleon kreeg medelijden met haar en gaf haar den geduchten brief.--"Onschuldig, mevrouw? Herkent u het schrift van uw man?" Toen de arme alleen met tranen wist te antwoorden vervolgde hij: "Werp dat stuk in 't vuur, dan heeft de krijgsraad geen bewijzen meer."
Berlijn had dit vernomen; het was den als zoo bloeddorstig en zoo wreed geschetsten man erkentelijk.
Tegenover den keurvorst van Hessen-Kassel, dien vorstelijken, maar verradelijken handelaar in soldaten, was hij niet zoo genadig geweest.
"Dit keurvorstendom heeft opgehouden te bestaan!" was al wat de generaal Mortier bij 't binnenrukken van Kassel op zijn last aan den prins had te verstaan mogen geven; Mortier had Kassel bezet en het leger ontbonden. "Dit was een verrader minder in zijn rug" zei Napoleon.
Thans zou het dus gaan tegen de Russen, een winterveldtocht weder.
De indruk, dien de soldaten van Pruisisch-Polen ontvingen, was alles behalve gunstig. Ten oosten van de Oder vonden ze geen straatwegen meer, voortdurend moest door los, mul zand gemarcheerd worden of, als het weder omsloeg door taaien modder. Een groot deel van het land lag braak; reusachtige wouden wisselden af met lage, moerassige terreinen, waarin man en paard vaak reddeloos wegzonken. De weinige bewoners, die zij er aantroffen, waren zoo in-morsig en in-smerig, dat er bijna geen woorden voor waren te vinden. Midden November werd het weer, aanvankelijk zeer mooi, plotseling afschuwelijk; het regende of sneeuwde voortdurend. Bij enkele korpsen begonnen de levensmiddelen schaars te worden. Van een slok wijn was reeds lang geen sprake meer; het bier was ondrinkbaar; de kwartieren waren nauwelijks goed genoeg voor een varken; daarbij werd er geen brood meer verstrekt, en het drinkwater was half slijk. Toch verloren de soldaten hun opgewektheid, hun humor nog niet.--"Wat blief? Noemen de Polen dit een vaderland? Je moet maar durven!" zeiden ze lachend.
Na het gevecht bij Golymin (26 December) en bij Pultusk veranderde de stemming echter. Geen scherts was het toen meer, als Napoleon onder het voorbijrijden hoorde zeggen: "Dat 't in zijn bovenkamers zeker niet pluis was, om hen zonder brood langs zulke wegen te laten marcheeren."--Aardappelen en sneeuwwater waren reeds het gewone voedsel; het gansche land was letterlijk één reusachtig, ondoorwaadbaar moeras geworden. Wel werd er gevochten doch tot een beslissing kwam het niet; de schier grondelooze wegen beletten elke beweging. Tijdens het gevecht bij Golymin had Napoleon zelf ondervonden wat "dat Poolsche slijk" beteekende; met zijn garde was hij over een afstand van nog geen twee uur gaans in rechte lijn toen een ganschen nacht onderweg geweest. De vuurmonden waren bijna niet meer te bewegen; de troepen hadden bijna niet meer te eten; ook aan schoeisel was groot gebrek en de mannen waren uitgeput van vermoeienis en ellende.--Dit kon zoo niet langer. Van de poorten van Warschau tot bij Dantzig, waar de oude, onversaagde veldmaarschalk von Kalkreuth de vaan van zijn ongelukkigen koning nog altijd hoog hield, werden dus kantonnementen betrokken. Napoleon keerde terug naar Warschau, waar hij vroeger reeds een tijdlang zijn hoofdkwartier had gevestigd.
In zijn verwachtingen was hij teleurgesteld; hij had gemeend, dat zijn komst in Polen de bevolking tot geestdrift opwekken en een reusachtigen opstand tegen Pruisen en Rusland ten gevolge hebben zou. Zelfs had hij den ouden patriot, Kosciusco schriftelijk verzocht zich aan het hoofd der beweging te komen stellen; en nu was er van een opstand zelfs geen sprake geweest! Alleen was een talrijke commissie uit den adel hem te Posen komen smeeken hen te verlossen van het juk der Pruisen en het land zijn onafhankelijkheid terug te geven, hierbij was het gebleven.
Met het voornemen den troon van Sobieski te herstellen en Polen zijn plaats in de rij der staten van Europa terug te geven, had hij Berlijn verlaten; doch in stilte had hij hieraan de voorwaarde verbonden, dat de bevolking eerst zelve het gehate juk zou afschudden. Nu hiervan niets was geschied, nu Kosciusco, die zijn wufte, ijdele en onstandvastige landgenooten van ouds kende, niet aan zijn uitnoodiging had voldaan, beloofde hij zelf ook niets, doch gaf alleen den wensch te kennen, dat Polen weder uit zijn asch mocht verrijzen.--Voor die terughoudendheid had hij gegronde reden. Hij diende rekening te houden met Oostenrijk, dat bij de 3e verdeeling van Polen ook een fermen brok had mede gekregen, en nu het hem in zijn plannen tegen Rusland geen belemmeringen in den weg legde, mocht dit land niet opzettelijk tot openlijke vijandschap worden geprikkeld.
Met zijn prachtige figuur en bonte uniform had Murat, de Franconi der ruiterij, zooals hij wel eens genoemd werd, te Warschau grooten indruk gemaakt. Zelfs was hij hier reeds genoemd als de aanstaande koning van Polen. Wat zou Caroline dan hebben gejuicht, als dit visioen was verwezenlijkt! Zoo ver kwam het dus nog niet. Toch had Napoleon door zijn woorden alle hoop op een dergelijke oplossing echter niet den bodem ingeslagen. Nu nog niet, dan later, werd geredeneerd en in afwachting van dien gulden tijd stroomden nu reeds dichte drommen jonge mannen naar Napoleon om bij hem dienst te nemen tegen den vijand. Generaal Dombrowski, die reeds jaren lang onder zijn vanen streed, vormde ze tot die prachtige onverschrokken Poolsche ruiterregimenten, welke later in Spanje en in Rusland de belangrijkste diensten bewezen hebben en die den Keizer tot zelfs na den slag bij Leipzig getrouw zijn gebleven.
Nog in een anderen zin vond Napoleon zich teleurgesteld. Zijn voorwaarden tot een wapenstilstand had de koning van Pruisen als te bezwarend afgeslagen, dus moest ook in Silezië de strijd worden voortgezet; eindelijk bleef Dantzig met zijn rijken voorraad wijn en graan, evenals verscheidene andere steden langs de Oostzee, voorloopig voor hem een niet bereikbare prooi.
Eenige vergoeding vond hij in het tractaat, dat hij den 11en December sloot met den keurvorst van Saksen. Hij kreeg hierdoor een vijand minder in den rug. Vrede, een koningskroon, een plaats onder de vorsten van het Rijnverbond en een unie met Frankrijk, waren het loon voor den keurvorst, die de huzaren van Murat reeds als overwinnaars in zijn hoofdstad had gezien. Ook de hertog van Saksen-Weimar verzocht thans vrede.
Napoleon deed de troepen de kantonnementen betrekken.
Opmerkelijk is 't dat, terwijl de Egyptenaren en de Italianen zooals de opperofficieren veelal werden genoemd, die met hem aan de oorlogen in het zuiden hadden deel genomen, en vele anderen ginds allen ziek werden, hij zelf in die dagen (Januari 1807) een uitstekende gezondheid genoot. Zijn ijzeren gestel werd in dezen zwaren veldtocht letterlijk gestaald. Vaak genoeg legde hij te paard in de sneeuw op een dag dertig uur afstand af. Moest Murat met zware koortsen te bed blijven, werd Augereau door rheumatiek gekweld en was Lannes zelfs verplicht tijdelijk het commando over zijn korps over te geven, Napoleon kon Jozef schrijven, "dat zijn gezondheid nog nooit zoo goed was geweest, dat hij zich krachtiger gevoelde dan ooit, voorts dat hij dikker was geworden en ook galanter dan vroeger." Dat hij de liefde eener vrouw slechts zelden had versmaad, was reeds bekend in Egypte, toen hij daar het hof maakte aan de vrouw van den luitenant Fourès. "Wat wilt ge? Zij was zeventien jaar, ik opperbevelhebber," zei hij later op St. Helena, toen die minnarij ter sprake kwam. Thans te Warschau had hij door Talleyrands bemiddeling kennis gemaakt met de Poolsche gravin Walewska.
Welken indruk de Poolsche blondine met haar blauwe oogen en melancolieke trekken op den Keizer had gemaakt, blijkt wel uit zijn verzoek aan haar, bij hem te komen. "U alleen heb ik gezien, U alleen bewonderd, U alleen begeer ik" meldt hij o.a. Doen deze woorden ons niet denken aan de brieven uit Italië aan Joséphine geschreven? De rollen waren thans omgekeerd, nu is de jaloezie aan de zijde van haar, die telkens aandringt om de goedkeuring voor haar reis naar Polen; ze wil naar Napoleon gaan, bij hem zijn, ze vertrouwt de zaak niet goed; de gedachten aan een mogelijke scheiding worden weer levendig. Maar Napoleon vindt de afstanden zoo groot, het jaargetijde zoo slecht, de wegen zoo onbegaanbaar en hij weet haar ten slotte te overreden in Parijs te blijven!
Volgens vele schrijvers ondervond Napoleon van Mme Walewska die echte gedeelde liefde, die werkelijke gehechtheid, die hij noch bij Joséphine noch later bij Maria Louise heeft gevonden.
We vinden haar met Napoleon op het slot Finckenstein, altijd in 't wit, zwart of grijs gekleed. "Zoodra mijn land herboren is zal ik immer rose dragen" geeft zij te kennen en hoewel die hartewensch van haar en haar landgenooten niet wordt vervuld, blijft ze Napoleon trouw; later gaat ze niet mee naar Parijs, al vinden we er haar in 't begin van 1808. Nooit zal ze den Keizer lastig vallen, ook niet als haar later in 1810 een zoon wordt geboren, waarvan Napoleon de vader is. Als allen den Keizer verlaten, op Elba, zullen we Mme Walewska nogmaals ontmoeten.
Tijdens deze idylle met de mooie Polin te Warschau, vergat hij zijn door slijk en sneeuw ingesloten armee echter niet, al liepen er in Parijs allerlei geruchten over de ellende, welke de soldaten leden. Vooral door het natte weer waren de eerste dagen voor allen natuurlijk zeer taai geweest. Tegen flinke vorst zou het brandhout uit de bosschen op de bivaks als een probaat middel hebben gediend; maar koud was 't juist niet. 't Regende bijna alle dagen en juist die nattigheid, die den bodem doorweekte, de wegen grondeloos maakte, het transport belemmerde, in één woord op alles storend werkte, was de oorzaak van ziekten, vooral van dysenterie. Tijdelijk gebrek aan brood en het eten van te veel varkensvleesch werkten ook hiertoe mede. Juist door de zorg voor zijn zieke soldaten heeft de Keizer in dien langen winterveldtocht uitgemunt. Te Warschau, te Thorn en te Posen alleen reeds deed hij zes duizend bedden in gereedheid brengen; in de plaatsen tusschen de Weichsel en de Oder eveneens. Matrassen leverde Berlijn uit wol van 't kroondomein en het door zijn broeder Jérome bezette Silezië gaf ruimschoots linnen voor hemden. Daru werd chef over de ziekenverpleging en werd hierin bijgestaan door een drom van geneesheeren, ziekenvaders en speciaal voor dit doel bezoldigde roomsche geestelijken. Te Warschau kwam een bakkerij voor 100.000 rations beschuit per dag, te Thorn en andere plaatsen eveneens; en levend vee was er genoeg te vinden. Langs de Oder, de Warthe, de Netze, ja, zelfs langs de Weichsel deed de Keizer wijn aanvoeren, een artikel, zoo noodig om bij de mannen den geest er in te houden en--de gezondheid. Dat de troepen langs de niet toegevroren rivieren het beter hadden dan b.v. die van Davoust en Soult, die meer in 't binnenland stonden, is te begrijpen; doch honger werd nergens geleden.
De troepen van den onvermoeiden Ney leefden zelfs in een soort van overvloed. Vlak bij het rijke Duitsche land gekantonneerd, gingen die op sleden "den boer op" tot Koningsbergen toe; 't was liefhebberij te zien hoe goed een echte Duitsche pompernikkel (grof brood) van een pond of wat met een gebraden ganzebout er bij aan zoo'n hongerige Fransche maag bekwam.
Bij een dier tochten in de laatste dagen van Januari 1807 stiet Ney op Bennigsen. Deze had beweerd bij Pultusk overwinnaar te zijn gebleven en had in 't begin dezer maand het plan gevormd, met zijn macht langs de Oostzeekust marcheerende, den linkervleugel van het Fransche kantonnement, waar Bernadotte stond, aan te vallen, dien vleugel op te rollen en het leger zoodoende van Thorn en van Posen af te dringen.--'t Plan was werkelijk goed, maar 't moest worden uitgevoerd, en--Bennigsen was nu eenmaal geen groot veldheer.
Door Ney uitvoerig ingelicht, heeft Napoleon het plan weldra doorzien. Den 27en geeft hij Bernadotte dus last, "als hij 't niet langer kan houden, terug te gaan op Thorn" en zich hieraan vast te bijten. Aan Savary geeft hij het commando van Lannes, die nog altoos ziek is. In de voeding voor enkele dagen wordt voorzien; en den 1en Februari worden de kantonnementen overal verlaten. Bij helder vriezend weder rukt Napoleon naar het noorden, in de richting der Oostzee, "om 's vijands centrum te doorbreken en de afdeelingen, die niet snel genoeg teruggaan, naar links en naar rechts uiteen te slaan."--Bennigsen heeft het geluk een Franschen ordonnans-officier met orders in handen te krijgen, ziet hierdoor het dreigende gevaar en maakt rechtsomkeert. Napoleon zet hem na. Kleine achterhoedegevechten zijn hiervan het gevolg, tot Bennigsen bij Eylau ingehaald en den 8en Februari gedwongen wordt front te maken.
Wel heeft Napoleon in den avond voor den slag nauwelijks 49.000 man met 200 vuurmonden te stellen tegenover een groote overmacht, die over 500 kanonnen beschikt, doch in geoefendheid zijn de artilleristen de tegenpartij verreweg de baas; alle kans bestaat tevens, dat Ney en Davoust het slagveld vroegtijdig genoeg bereiken, om de kansen minder ongelijk te maken.
Nauwelijks is de schemering voorbij, of reeds dreunt het kanon. Om 9 uur doet Bennigsen den Franschen rechtervleugel aangrijpen; deze gaat langzaam terug op Eylau. Tegelijkertijd ongeveer begint Augereau zijn beweging; maar de heftige sneeuwstorm, die zijn krijgers in 't gezicht slaat en hen bijna blind maakt, is oorzaak, dat hij uit de juiste richting geraakt en niet op den linkervleugel maar op 't centrum der Russen stoot. Half vernietigd door 't vuur, worden zijn bataljons daarop door de Russische cavalerie vervolgd juist in de richting van 's Keizers standplaats.
Hier begint onrust te heerschen. Berthier laat de paarden reeds voorbrengen. Bessières, nog meer ontsteld, schreeuwt: "Redt den Keizer!" en roept het escorte garde-jagers naar voren. Alleen Napoleon zelf blijft bedaard. Wrevelig wenkt hij al die toebereidselen terug en laat alleen een bataljon van zijn garde vooruitgaan.--"Wat een moed! Wat een moed!" zegt hij met een blik op de naar zijn standplaats stormende escadrons. Dat zij hem zullen bereiken, ducht hij niet; zijn nooit falende blik heeft hem reeds gezegd, dat de paarden den adem en de geslotenheid zullen missen, noodig om nog tegen den heuvel op te rennen.
Door de langdurige vervolging vermoeid, houden de ruiters bij 't zien van de infanterie der garde werkelijk hun dieren in en rijden terug.
Eerst de duisternis maakte aan de worsteling te midden van sneeuw en ijs een einde. Bennigsen trok terug; zijn verliezen waren ontzettend. Ook het Fransche leger had zwaar geleden en was zoo uitgeput, dat Murat eerst den 10en tot de vervolging kon overgaan. Het bivakkeerde, waar de duisternis het vond, op het reusachtige lijkenveld, zonder voedsel, zonder dekking, met gesmolten sneeuw tot drank. Toch waren de moed en de opgewektheid bij de mannen nog niet verdwenen.
Ook Napoleon bleef op 't slagveld. Geheel zonder zorg was hij niet.--"Gisteren is er bij Pruisisch Eylau zeer bloedig gevochten," schreef hij den volgenden dag aan Duroc. "Wij hebben het veld behouden; aan beide zijden is het verlies aanzienlijk. De groote afstand, die mij van Frankrijk scheidt, maakt dit voor ons toch gevoeliger.--Om gedekt te zijn tegen de kozakken en de Russische lichte troepen en om rustiger winterkwartieren te krijgen, is 't dus mogelijk, dat ik overga naar den linkeroever van de Weichsel."
Van dit voornemen kwam hij terug. De armee betrok kantonnementen achter de Passarge, een riviertje, dat uitloopt in 't Friesche Haff.
In een brief aan Jozef, gaf Napoleon den toestand op het einde van Februari weder.
"Veertien dagen lang ben ik niet uit de laarzen geweest. Mijn stafofficieren hebben in geen twee maanden van kleeren kunnen verwisselen. Wij zitten midden in de sneeuw en het slijk, zonder wijn, zonder brandewijn, zonder brood. Vleesch en aardappelen vormen ons maal; dagelijks marcheeren wij; dagelijks zijn wij in 't vuur en bezitten niets om ons te verkwikken. De gekwetsten moeten vijftig uur ver in open sleden worden vervoerd (na Eylau). Klaag jij dus maar niet, want dit komt niet te pas. In Italië heb je brood en wijn, zelfs beddelakens. Wij voeren den oorlog met alle kracht doch ook met al zijn verschrikkingen en vechten zelfs tegen kalmukken en kozakken, gewapend met pijl en boog."
Vooral de officieren leden veel; zij hadden het slechter dan de soldaten. Hun eenige troost was, dat het bij de tegenpartij nòg veel ellendiger was gesteld, want voor de Russische soldaten zorgde niemand; zij stierven letterlijk van honger. Menige rampzalige kozak kwam, aan wanhoop ten prooi, bij de Fransche voorposten een stuk brood bedelen. Welnu, aardappelen hadden de Fransche schildwachten genoeg; vaak deelden zij hun portie met den vijand.
In die dagen nam het maraudeeren reusachtige afmetingen aan. Onder voorgeven van ziekte verdwenen tijdelijk duizenden soldaten uit de gelederen, staken de Weichsel over, leefden daar in de nabijheid der groote wegen op kosten van "den boer" en keerden onder de wapenen terug, als 't weder er op los zou gaan. Enkele van die benden fricateurs hadden zich hier en daar in de dorpen zelfs verschanst en waren de schrik van de bevolking. Met de gendarmerie zijner garde zelfs kon Napoleon dien kanker in zijn leger niet de baas worden. De groote afstanden, het klimaat, het jaargetijde, de vele gevechten, kortom alles werkte mede om het kwaad te bevorderen.
HOOFDSTUK XVIII.
Friedland. Tilsit. Fontainebleau.
Had de Keizer voldaan aan den wensch van Berthier, dan had hij de Weichsel tusschen zich en den vijand gebracht. Zijn positie tegenover Europa had hem echter eerst Osterode, later (in Mei) het houten kasteel Finckenstein tot hoofdkwartier doen kiezen. Hier dekte hij tegelijkertijd het beleg van Dantzig, dat de maarschalk Lefebvre sinds half Maart had ingesloten en zich eerst in het laatst van Mei overgaf en Lefebvre den titel van hertog van Dantzig deed verwerven.
Het land was toen overal droog en begaanbaar geworden; reeds had de Keizer besloten den 10en Juni opnieuw aanvallend op te treden, toen Bennigsen hem hierin voorkwam. Den 5en Juni begon hij Ney, die ver vooruitgeschoven bij Gutstadt een barakkenkamp had betrokken, te overvleugelen en te dwingen op de bruggenhoofden der Passarge terug te gaan. Tot de ontdekking komende, dat hij hier zoo goed als het geheele Fransche leger tegenover zich had en dat hij dit lang niet in getalsterkte nabijkwam, besloot hij in de richting van Wehlau aan de Pregel te retireeren en hiertoe den loop van de Alle stroomafwaarts te volgen. Terstond scherp nagezet, bereikte hij den 10en Juni een bij Heilsberg aan de Alle in gereedheid gebrachte stelling, sloeg Soult en Murat, die hem het dichtste op de hielen waren, met zwaar verlies terug, doch begon in den nacht van den 12en den afmarsch opnieuw, omdat zijn rechtervleugel daar omgetrokken en zijn positie dus onhoudbaar werd.
In de meening, dat Bennigsen op weg was naar Koningsbergen, bezield met het voornemen hem in een grooten slag te wikkelen, om aldus aan dezen langdurigen veldtocht met één slag een einde te maken, gaf de Keizer nieuwe bevelen, hoofdzakelijk ten doel hebbende zijn hoofdmacht bij Pruisisch-Eylau bijeen te brengen. Tegelijkertijd begon Murat den Pruisischen generaal Lestocq, die aanvankelijk op Bennigsens rechtervleugel had gestaan en dezen ook reeds in Februari bij Eylau had ondersteund, terug te dringen naar bovengenoemde stad en bleef Lannes met zijn schier onvermoeide grenadiers, de divisie Oudinot voorop, Bennigsen dicht op de hielen. Reeds den 13en 's avonds kon hij zijn Keizer melden, dat de tegenpartij bij Friedland scheen stand te houden.
Omtrent diens bedoelingen verkeerde Napoleon echter nog in onzekerheid; dat die met zijn hoofdmacht stond bij Friedland, geloofde hij dus niet dadelijk; hij zond Lannes daarom aanvankelijk alleen de cavalerie-divisie van Grouchy tot steun, en beval hem Friedland te bezetten.
In den vroegen morgen van den 14en Juni verscheen de spits van Oudinots grenadiers dus bij den Molenvliet, een beekje, dat ten westen van de stad uitloopt in de Alle. Deze maakt op die plaats een scherpe bocht naar het oosten, wendt zich dan weder naar het noorden en doet aldus een driehoek ontstaan, met de stad ongeveer in den top. Op deze ruimte werd Bennigsen thans zelf de oorzaak van zijn ongeluk.
Niet kunnende aannemen, dat de Fransche infanterie in slechts twaalf uur tijd een afstand had afgelegd, die van zijn mannen een etmaal had gevorderd; niet wetende, dat de Keizer met zijn hoofdmacht hem reeds zóó dicht was genaderd, meende hij, dat het korps van Lannes alleen stond. Greep hij dezen aan dan dacht hij, hier een klein succes te kunnen behalen.
Hij begon zijn leger dus over de rivier en door Friedlands straten heen naar de basis van den bovengenoemden driehoek te brengen. Reeds dadelijk stieten zijn voortroepen echter op die van Lannes en op die van Mortier, die intusschen eveneens was genaderd. Zij gingen dus terug.--Uren liet hij onder een staand vuurgevecht nu voorbijgaan, zonder iets van belang te ondernemen.
Tegen den middag bereikte de Keizer het slagveld; om drie uur had hij zijn korpsen verzameld en gaf hij weder een gevechtsbevel uit, duidelijk, zakelijk en als altoos kort, de uitvoering geheel overlatende aan zijn korpscommandanten, in één woord een model van die soort van bevelen.--Om vijf uur zou een salvo uit al zijn vuurmonden het teeken geven voor den aanval.
Reeds heeft Bennigsen, die zijn gevaarlijken toestand inziet, bevel gegeven tot den terugtocht over de Alle, en is met dezen een aanvang gemaakt, als Ney, dicht langs den linkeroever van de Alle marcheerende, op Friedland afkomt en hem dwingt weer front te maken. Wel brengt het kanonvuur, van de overzijde van het water op Ney's troepen afgegeven, deze in massa tot wijken, doch de artillerie van Victor dooft dit vuur weldra. Diens voorste divisie (Dupont) breekt zich midden door Ney's wijkende afdeeling baan en werpt de Russen door het brandende Friedland terug op de bruggen. Deze geraken ten deele in brand.
Bij den rechtervleugel der Russen, die dit ontwaren, ontstaat een paniek; en als 't dien avond half elf slaat, is Bennigsen, ziek naar lichaam en ziel, met het overschot van zijn leger in vollen aftocht naar den Niemen. Tachtig vuurmonden heeft hij verloren; meer dan twintig duizend zijner soldaten zijn gekwetst, gesneuveld of in de Alle verdronken.
Had de Keizer al zijn cavalerie bij de hand gehad, dan zou er van het leger weinig zijn terecht gekomen; doch Murat stond bij Koningsbergen; en van de escadrons, die aan den slag hadden deelgenomen, was dat zware werk niet meer te eischen. Na een langen nachtmarsch om Friedland te bereiken, waren ze circa zestien uur in gevecht geweest. Een krachtige vervolging bleef dus achterwege. Bennigsen kreeg hierdoor een voorsprong van ruim twaalf uur, die niet meer was in te halen.
De tijding der nederlaag bij Friedland was oorzaak, dat Koningsbergen met zijn ontzaglijken voorraad graan en wijn, met 100.000 even te voren uit Engeland ontvangen geweren en honderden zieken en gewonden, afkomstig uit den slag bij Eylau, zich overgaf.