Napoleon

Chapter 28

Chapter 283,770 wordsPublic domain

Aan Eugène schreef Napoleon uitvoerig wat hij had te doen, als Oostenrijk hem mocht aanvallen. Louis moest tegenover een inval der Engelschen bij Utrecht een leger van ± 20.000 man, Hollanders en Franschen, bijeenbrengen, dan te Wezel een divisie van 10.000 man bijeenbrengen en met deze en de Hollanders te zamen een aanval op Westphalen voorwenden. Eindelijk zou Mortier bij Maintz met Louis bij Wezel verbinding onderhouden en door zijn tegenwoordigheid aldaar de vorsten van het Rijnverbond geruststellen.

Ook de verdediging der kust werd niet vergeten. Hiertoe dienden o. a. Brune met 18000 man bij Boulogne en een afdeeling van circa 6000 nationale gardes bij St. Omer.

Ten slotte hield de Keizer nog de beschikking over bijna 200.000 soldaten, die uit de lijn Bamberg-Bayreuth door de passen van het Thüringerwoud Saksen zouden binnenrukken.--De keurvorst, een verstandig, eerlijk man, was door het hof van Berlijn vrijwel gedwongen geworden voor Pruisen partij te kiezen.

Te Würtzburg hield Napoleon inspectie over zijn korpsen. Nog nooit had hij tegenover de Pruisen in 't veld gestaan; hun leger had een goeden naam, vooral de ruiterij moest uitstekend wezen, veel beter dan de Fransche; de officieren heetten dapper en volkomen berekend voor hun taak. Deze zwetsten er op los, dat het kraakte.--"Gevormd in de school van den grooten Frits zouden zij aan die Fransche benden, die tot nog toe alleen Oostenrijkers en Russen, dus ongeoefende, laffe soldaten tegenover zich gevonden en daarom bij Ulm en Austerlitz overwonnen hadden, nu eens laten kijken wat de Pruisen waren!"

Napoleon geloofde wel iets van al die geruchten, en niet wetende of hij tegen Pruisen alleen of tegen dit land, vereenigd met Oostenrijk en Rusland zou moeten strijden, maakte hij zijn macht dus zoo sterk mogelijk en marcheerde in een driehoek met de top gericht op den onzekeren vijand, Oostenrijk en met de basis naar den zekeren tegenstander Pruisen. Op deze wijze kon hij in zeer korten tijd het eene onderdeel steun laten verleenen aan het andere, al naarmate dit noodig zou blijken.

Telkens als hij zijn eigen troepen zag, wekte hij ze met enkele hartelijke woorden op om ook hen te wijzen op den gewichtigen strijd, die aanstaande was.

"Ha, mijn oud 44e!" klonk het o.a. tegen dit brave regiment van Augereau. "In jelui gelederen zie ik de meeste chevrons (voor dienstjaren en veldtochten). Jelui drie bataljons tellen bij mij dan ook voor zes."

"Dit zullen we u voor den vijand bewijzen!" was het antwoord. Tegen het 7e, bijna alle mannen uit Languedoc en de Pyreneën zei hij: "Dit zijn nu de beste loopers van mijn armee; achterblijvers hebben ze nooit, vooral niet als 't op den vijand in gaat. Maar grooter schreeuwers en brutaler stroopers dan jelui ken ik óók niet!"--"Dat is waar! Dat is waar!" riepen de soldaten in koor, want allen hadden een kip, een gans of een eend op den ransel, gestroopt bij de boeren onderweg.--'t Was een ernstig misbruik, doch magazijnen voerde de Keizer op zijn snelle tochten niet mede, en de soldaat moest toch eten!

Die massa krijgers samen te trekken op één punt, den aanvoer van levensmiddelen, fourage, paarden enz. te regelen vorderde veel arbeid. Een blik op de machine, die dezen verrichtte, op Napoleons generalen staf, mag hier dus een plaats vinden.

Duroc, de hofmaarschalk, was chef van het personeel van het hoofdkwartier en vergezelde evenals de opperstalmeester de Caulaincourt, die voorzien was van de kaarten van het terrein, den Keizer overal. In het rijtuig van dezen kon men liggen. Berthier of Murat zat meestal bij hem; naast het portier reed de Caulaincourt. In lederen tasschen voerden twee garde-jagers te paard kaarten en papieren mede. Een piket jagers vormde de bedekking; daarachter kwamen de stalmeesters met de rijknechts en de bedienden. Voor zijn persoonlijken dienst had de Keizer meestal 9 paarden bij zich. Maakte hij een langen tocht in den zadel, dan stonden om de twee uur afstand versche paarden gereed.

De eigenlijke generale staf stond onder Berthier. Deze had 13 adjudanten en voorts, onder drie afdeelingchefs met vijf adjuncten, 31 officieren van den staf en 30 ingenieurs-geographen. De chef der artillerie, der genie en der intendance hadden eveneens een aantal beambten tot hun dienst. Door zulk een talrijk personeel was Napoleon bij machte officieren met bijzondere opdrachten te belasten en het verband met de onderdeelen zijner armee geheel te verzekeren.

Eenmaal ter plaatse, waar nachtkwartier zou worden gehouden, was de inrichting van het arbeidslokaal de eerste zorg. In 't midden kwam een tafel met de beste terreinkaart, die er te krijgen was geweest, georiënteerd, de stand der korpsen met de gekleurde spelden er op aangegeven. In de hoeken kwamen de tafels voor de vier secretarissen, de eigenlijke organen voor de bevelgeving. Uit 't geen de Keizer, heen- en weergaande, hun zeer snel in de pen gaf, moest Berthier de legerbevelen samenstellen.--Dan kwam het slaapvertrek aan de beurt; de mameluk Rustan sliep hier altoos voor de deur; vervolgens de kamer voor de officieren van dienst. De rest van het gevolg moest maar zien, hoe het onder dak kwam. Alleen voor Berthier moest steeds in dezelfde woning als de Keizer een slaapgelegenheid en een bureau gevonden worden. Werd er gebivakkeerd, dan werden vijf tenten opgeslagen, een werk- en een woontent voor den chef, één voor Berthier, twee voor het gevolg.

Ging de Keizer in vredestijd zelden na elf uur ter ruste om tegen zeven uur op te staan, te velde veranderde hij dezen regel. Na het middagmaal, dat nooit langer duurde dan een kwartier, want hij at weinig doch schielijk en was zeer matig, ging hij liggen, stond tegen één uur op en begon dan zijn bevelen te geven. Op dit uur waren de rapporten zijner generaals ingekomen; hij kon den toestand van het geheel dus overzien; den volgenden morgen kwamen de nieuwe bevelen dan meestal zoo tijdig bij de bivakkeerende troepen, dat deze terstond in beweging konden worden gezet.

"Terwijl de vijand beraadslaagt, marcheert de Fransche armee," schreef de Keizer den 13en October, den dag, voordat bij Jena èn bij Auerstadt tegelijk de voor Pruisen noodlottige beslissing zou vallen. Te Erfurt, waar zich de koning bevond met zijn hof en zijn leger, in totaal ongeveer even sterk als het Fransche onder bevel van den hertog van Brunswijk, een ouden man, werd in de eerste dagen van October weinig anders gedaan dan beraadslaagd. Zou men door de passen van het Thüringerwoud oprukken tegen den vijand of een positie innemen op den linkeroever van de Saale, tusschen Jena en het defilé van Kösen bij Naumburg, om den vijand daar af te wachten, als hij over Weimar naar Dresden mocht willen marcheeren? Of zou men,--en dit was de vraag des konings, die het bloedvergieten tot het laatste oogenblik wilde voorkomen;--of zou men Napoleon, die scheen te aarzelen en niet aanviel, een voorstel doen om tot een overeenkomst te geraken?

De koningin en prins Ludwig, die met een ongeveer zelfstandig gebleven afdeeling bij Saalfeld stond, pleitten met de geheele oorlogspartij, veelal jonge edelen, voor den aanval; de wil des konings werd ten slotte toch gevolgd. Den 4en October verneemt Napoleon, dat Pruisen niet gesteund wordt en nu richt hij zijn legers alleen tegen Pruisen, terwijl hij zijn hoofdkwartier naar Bamberg verlegt. Hier ontvangt hij den 7en een nota, waarin hem als ultimatum verzocht wordt "tot Duitschlands geruststelling met zijn armee terug te gaan tot achter den Rijn en deze beweging den 8en te doen aanvangen."--De Keizer werd boos.--"Prins, men daagt ons uit. We zullen zorgen bijtijds present te zijn. Den 8en gaan we niet naar Frankrijk maar naar Saksen," zeide hij tegen Berthier.

Bevelen tot den opmarsch werden gegeven.

Nu het Pruisisch-Saksische leger zich in de lijn Jena--Weimar--Erfurt--Gotha scheen te bevinden, front naar het Thüringerwoud, besloot hij, met Murat en zijn escadrons aan de spits der middelste colonne, tot een aanval in den rug en op de flanken der tegenpartij.--"Daar lagen de aanvoerlijnen, dus de spieren des legers; deze eenmaal doorgesneden, was dit leger verlamd."

Hij rukte met zijn hoofdmacht naar Gera, om den vijandelijken linkervleugel heen. Wel stond bij Maagdenburg een Pruisisch reserve-leger van 18000 man, doch hulp verleenen kon dit niet; daarvoor stond het te ver af. Bleef het waar het stond, dan liep het gevaar afzonderlijk te worden verslagen, wat den 17en October bij Halle dan ook is geschied.

Tegenstand ontmoette men voorloopig bijna nergens. Den 9en viel Hof met zijn groote magazijnen zonder slag of stoot in Fransche handen. Den 10en stiet Lannes met de linkervleugelcolonne bij Saalfeld op prins Ludwig en wierp hem uit zijn slecht gekozen stelling krachtig terug. Voor een gewonen generaal aangezien en tevergeefs gesommeerd zich over te geven, werd de prins, wien het aan persoonlijken moed niet ontbrak, zelf hierbij doodgestoken.

Den 13en bereikte Lannes het kort te voren door de Pruisen verlaten Jena, vernam hier, dat de linkeroever van de Saale en de smalle bergpas naar Weimar sterk waren bezet en rapporteerde dit ijlings aan Napoleon. Deze had reeds bevelen gegeven, dat zijn geheele macht den 14en de Saale zou passeeren en aanrukken op Erfurt.--Davoust had Naumburg bereikt.

"Eindelijk is de sluier weggescheurd. De vijand gaat terug op Maagdenburg!" zeide de Keizer bij de ontvangst van Lannes' eerste, zoo belangrijke rapport.--Naar alle richtingen jagen thans zijn ordonnansofficieren,--"al rijden zij hun paarden dood," zegt hij;--met het bevel onverwijld op te rukken naar Jena. Davoust en Bernadotte, die reeds naar het noorden zijn doorgemarcheerd, ontvangen order, als zij den 13en kanonvuur hooren, eveneens de Saale te overschrijden, want Lannes meldt thans in een tweede rapport, dat hij ieder oogenblik kan worden aangegrepen, en dat hij wel 50.000 man tegenover zich heeft.--Dan galoppeert Napoleon zelf naar Jena.--De vijand heeft het gewicht dezer plaats zeker ingezien, wil ze heroveren en hem dienzelfden dag dus nog aanvallen, denkt hij.

Prins van Hohenlohe, die den Pruisischen linkervleugel aan de Saale commandeert, heeft dit gewicht echter niet ingezien en is met zijn armee, die de laatste dagen weinig te eten doch voor een vredesleger veel te marcheeren heeft gehad, zelfs teruggegaan in de richting van Weimar. Alleen detachementen voortroepen houden den westelijken uitgang bezet van den langen, nauwen pas langs den voet van den steilen Landgrafenberg, welke den eenigen toegang vormt van Jena naar Weimar.

Moet Lannes den volgenden morgen door deze engte aanvallen, dan zal dit veel bloed vorderen. Maar het geluk dient den Keizer.--Verbitterd dat Pruisen zijn vaderland in dezen oorlog heeft betrokken en dat Jena dientengevolge half in brand staat, nadert hem een Saksisch priester; die wil hem een pad wijzen, steil en zwaar doch beklimbaar en die naar den top van den ontoegankelijk geheeten Landgrafenberg voert.

Terstond wordt verkend en om vier uur staan de Keizer, Lannes en de priester op den top.

Een leger, wel 50.000 man, zooals Lannes heeft geschat, ligt, slechts door een terreinplooi van hen gescheiden, in de vlakte gebivakkeerd. De Keizer meent, dat dit de vijandelijke hoofdmacht is en geeft bevelen. Terstond wordt het steile bergpad bij fakkellicht onder zijn persoonlijk toezicht met bijl en houweel zoover verbreed en verbeterd, dat zelfs de paarden en voertuigen er langs kunnen, en lang vóór het aanbreken van den volgenden dag staan op een klein plateau, dat afdaalt naar de vlakte, de korpsen van Lannes en Soult, de infanterie der garde en de voorste divisie van Augereau, zoo dicht opeen, dat de ransels elkander bijna raken, zoo beperkt is de ruimte. De veldheer zelf bivakkeert midden in een carré zijner garde.

Nog heden wordt dit plateau Napoleonsberg genoemd. Een hoop rotsblokken wijst de plaats aan, waar de Keizer sliep.

Nog lag een dichte nevel over alles, toen zijn leger zich begon te ontwikkelen, om voor de eerstvolgende divisie ruimte te maken; weldra brak de zon door en kon Hohenlohe zien, dat de Keizer, dien hij alleen door den bergpas van 't Mühlthal had verwacht, met een dichte zwerm tirailleurs voorop, een vechtwijze, bij de Pruisen toen zoo goed als onbekend, snel op hem aanrukte.

Weldra was het gevecht algemeen. In weerwil van het voorbeeld hunner officieren vocht de Pruisische infanterie slecht; de cavalerie maakte het niet veel beter. Bij herhaling bracht een chargeerend regiment, onder luid geschreeuw aangezet, het niet verder dan tot op vijftig pas van de Fransche carré's. Dan hield het halt. Die Fransche infanterie, onwrikbaar als een levende muur den storm afwachtend, oefende een overweldigenden indruk op de ruiters; ze maakten "keert." Dit oogenblik verbeidden de carré's--Aan! Vuur!--Het doodende salvo kraakte, een hoonend gelach volgde en de escadrons spatten uiteen.

De Saksers maakten het heel wat beter; doch toen Ney naderde, toen Murat met zijn cavalerie ten slotte eveneens in het gevecht trad, en de reserves oprukten, was het pleit ook hier weldra beslist. Een wilde aftocht naar Weimar begon. Wel trachtte de dappere generaal Ruchel met zijn korps de krijgskans nog te keeren, maar een kogel velde hem neder.

Om vier was alles afgeloopen. In onbeschrijfelijke wanorde vloden de Pruisen. Geheele batterijen gaven zich over. De weg naar Weimar, het nieuwe Athene met zijn bevolking van geleerden en kunstenaars, was bedekt met vluchtelingen van alle wapens; daar tusschen in Murats kurassiers, met den zwaren pallas alles neerstekende wat hun in den weg kwam.--Het leger van Hohenlohe was vernietigd. Honderden officieren waren, strijdende als helden, aan het hoofd hunner mannen gevallen.--Van het Fransche leger, op het gevechtsveld aanwezig, had weinig meer dan de helft aan den strijd deelgenomen; de garde in 't geheel niet.

Te Jena ontving Napoleon de tijding van een tweede nog luisterrijker overwinning, dienzelfden dag door Davoust bevochten.--Niet de Pruisische hoofdmacht had hij verslagen, slechts een sterke achterhoede, bij Jena achtergelaten om den aftocht te dekken van het gros. Dit was den 13en van Weimar naar Freiburg op marsch getogen en had dien avond pas Auerstadt bereikt.

Het défilé van Kösen in de rechterflank aan de Saale zou men den volgenden dag wel nemen, dacht men; dit was door de Franschen slechts zwak bezet.

Maar bij Naumburg stond Davoust; ook Bernadotte naderde hier eveneens met zijn korps.--Wel ontving Davoust dienzelfden nacht nog een order uit het bivak bij Jena om naar Apolda te rukken en, bevond Bernadotte zich bij hem, met dezen gezamenlijk, maar aan deze order stoorde de prins van Ponte-Corvo zich niet. Zijn order luidde: naar Naumburg, en als een bekrompen soldaat, niet als een denkend maarschalk van Frankrijk, ging hij derwaarts op weg en liet zijn krijgsmakker den volgenden morgen alleen staan tegenover de overmacht.

In dichten nevel gehuld, begint Davoust den 14en om zes uur door het defilé van Kösen naar Apolda te marcheeren, stuit bij Hassenhausen op de cavalerie van Blücher, die ongeveer op hetzelfde uur is opgebroken en nu ontspint zich daar een gevecht, zoo verwoed en zoo verliesrijk, als nog bijna niet is voorgekomen. Ook hier leggen de logge Pruisische liniën en diepe colonnes het af tegen de zooveel beweeglijker Fransche infanterie, tegen de zwermen vlugge tirailleurs, welke deze legerdrommen met hun vuur van alle zijden verliezen toebrengen. Zij bieden zelf een zeer weinig kwetsbaar doel aan en terwijl zij overal dekking vinden, verdedigen zij Hassenhausen urenlang als helden. Ook hier rennen de Pruisische ruiters, al tellen ze duizenden, al voert Blücher, een tweede Murat, ze zelf aan, zich te pletter tegen die als uit graniet gehouwen carré's, die de charge bedaard en zwijgend afwachten, hun doodende salvo's dan op den kortsten afstand afgeven, zich zoodoende vaak door een dam van doode mannen en paarden omsluiten, maar die niet zijn neer te sabelen, omdat ze niet uiteengaan, en die eerst ineenzinken, als het kanon ze te pletter schiet.

In weerwil van Blüchers voorstel om met zijn gansche cavalerie nog één beslissenden aanval te doen en de, door het ongelijke, urenlange gevecht, zwaar geschokte tegenpartij, onder den voet te rijden, geeft de koning, die zich met zijn hof in de nabijheid ophoudt, bevel tot den aftocht naar Weimar, onbewust dat Murat op datzelfde uur alles neersabelt wat de Pruisische uniform draagt en dus zelfs de Hessen niet spaart, die toch strijden aan Frankrijks zijde, maar in kleeding niet van de Pruisen verschillen.--

Als de overblijfselen der twee bij Jena en bij Auerstadt geslagen legers op den weg naar Erfurt op elkander stuiten, ontaardt de terugtocht in een teugelooze vlucht. Moed, gehoorzaamheid, discipline, alles verdwijnt; het komt tot tooneelen, waarvan de later zoo beroemd geworden Pruisische generaal von Gneisenau zeide: "Liever duizendmaal sterven dan nog één zoo'n nacht doorleven."

De Pruisische generaals, kort te voren nog zoo prat op hun eigen onoverwinnelijkheid schenen eensklaps alle vertrouwen, alle weerstandsvermogen te hebben verloren. Binnen een maand tijd vielen al de groote vestingen van Pruisen tot aan de Oder bijna zonder slag of stoot in de handen der Franschen. Den 7en werd de vrije stad Lübeck, waarheen Blücher geweken was, door Bernadotte met storm genomen en geplunderd, den 8en gaf Maagdenburg zich over. 't Kwam in één woord tot een reeks van die smadelijke capitulaties, welke den Keizer terecht deden zeggen: "Belegeringsartillerie hebben wij niet noodig; huzaren veroveren hier de vestingen."

Alle historieschrijvers zijn het erover eens, dat verraad, lafhartigheid en gebrek aan plichtsgevoel de oorzaken waren van de overgave van steden en legerkorpsen.

Tevergeefs vroeg de koning om vrede. Diep terneergeslagen zocht hij met zijn half wanhopig geworden gemalin eindelijk een toevlucht binnen de citadel van Graudentz aan de Weichsel.

Den 25en kwam Napoleon te Potsdam, bezocht het grafgewelf, waar in een eenvoudigen, houten kist zonder eenig versiersel het stoffelijk overschot van den Grooten Frederik rustte, en legde beslag op den koppel met degen, door dien vorst in den Zevenjarigen Oorlog gedragen, alsmede op het groote lint zijner decoraties, op de kist aanwezig.--"Die voorwerpen geef ik aan 't Hôtel der Invaliden," zeide hij. "Ik heb ze liever dan twintig millioen francs; en de oude soldaten uit den oorlog in Hannover zullen met vromen eerbied de eereteekenen aanvaarden, die toebehoord hebben aan een der eerste veldheeren, van wie de geschiedenis de herinnering zal bewaren."

Door Davoust als voorhoedecommandant voorafgegaan, gevolgd door zijn maarschalken in hun rijk met goud bestikten rok, hij zelf in de eenvoudige uniform van kolonel der jagers te paard, trok hij twee dagen later Berlijn binnen. De adel was gevlucht; maar het volk stond van af de Charlottenburgerpoort tot aan het koninklijk paleis in breede rijen, de vensters der huizen waren dicht bezet met dames en heeren uit den rijken burgerstand, begeerig den man te zien, die de vorsten van Europa deed sidderen op hun troon, en zijn soldaten, zijn grenadiers der garde, de reusachtige kurassiers van Hautpoul vooral, die, tot aan den gordel in 't staal, op hun forsche paarden aan riddergestalten uit de oudheid deden denken.

Geen vleiend gejuich maar ook geen enkele kreet van haat ging op uit dien menschendrom bij 't zien van al die vreemde soldaten met hun gebronsde gezichten, en kloeken, fieren stap, de half aan flarden geschoten vanen boven hen wapperende in den wind. Doch toen de gevangenen voorbijtrokken, de adellijke garde des konings, enkele dagen te voren nog zoo vol trots en overmoed, te paard de sabel zwaaiende en zwetsende tegen de Franschen, thans met neergeslagen oogen, te voet en ontwapend den overwinnaar volgende op zijn zegetocht, schoten menigeen de tranen in de oogen. Hoe grenzenloos diep was 't vaderland vernederd!--Doch één gebleven was de natie, één met zijn vorst! Dit schonk nog hoop op een betere toekomst.

Napoleon was edelmoedig te Berlijn. Onverbiddelijk gestreng moest Davoust optreden tegenover iederen aanslag op het eigendom der burgerij. Weldra waren de winkels dus weder geopend en hernam alles ongeveer zijn gewonen loop. Maar de adel moest boeten.--"Deze alleen is de schuld van Duitschlands rampen, die heeft het gewaagd mij uit te dagen tot den strijd en zal ik tuchtigen, tot hij zijn brood moet bedelen in Engeland," zeide hij.--"U ziet nu eens wat de oorlog beteekent, mevrouw," had de groot-hertogin van Saksen reeds te Weimar van hem moeten hooren, toen zij, verdacht van aanzetten tot den krijg, haar onderdanen in zijn genade aanbeval. Even ijskoud was zijn antwoord geweest aan den gezant van den bij Auerstadt zwaargekwetsten hertog van Brunswijk, die iets dergelijks kwam verzoeken.--"Zeg uw heer, dat ik hem zal behandelen met al de onderscheiding, waarop hij als een terecht beroemd doch door het ongeluk getroffen legerbevelhebber kan aanspraak maken, maar in een Pruisisch generaal zie ik geen regeerend vorst."

Weldra ontbood hij Talleyrand bij zich; weder trad de staatsman voor den veldheer in de plaats.--Terwijl een deel van het leger na een korte rust opbrak maar Silezië, een ander naar Posen om front te maken tegen Bennigsen, die met zijn Russen op Warschau aanrukte, vaardigde hij den 21en November te Berlijn een decreet uit tot blokkade van Engeland, het zoogenaamde Continentale Stelsel. Alle briefwisseling, alle gemeenschap, alle handel met dit rijk werd hierbij in zijn staten verboden; iedere Engelschman, aangetroffen in een door Fransche soldaten bezette streek, werd krijgsgevangen gemaakt, alle koloniale waren van Engelschen oorsprong werden verbeurd verklaard.

Deze maatregel, die geheel Europa deed ontstellen en aan den handel voor millioenen schade toebracht, was zijn antwoord op Albions voortdurend streven om, al miste het hiertoe de noodige schepen, de andere mogendheden den handel op Frankrijks havens en de vrije vaart ter zee te beletten.--Op alle gebeurlijkheden voorbereid, vroeg hij Oostenrijk, dat zich in Bohemen op verdachte wijze begon te wapenen, tevens hiervan rekenschap, beduidde het, dat een strijd tusschen hem en Rusland, Oostenrijks belangen niet kon schaden, zette sultan Selim aan tot een oorlog met Rusland, schiep hierdoor tevens een bedreiging voor Oostenrijks belangen in het Oosten, gaf Eugène order het leger in Italië te mobiliseeren en riep een nieuwe lichting,--die van 1807--onder de wapenen. 't Was een half jaar te vroeg, doch "dan leerden de jongens al vast iets."--Daarop begon hij Rusland onder handen te nemen.

Reeds was een groot deel zijner armee op weg naar de Weichsel. Versterkingen aan troepen en reusachtige voorraden schoeisel, kapotjassen en ondergoed volgden denzelfden weg.

Eindelijk vertrok hij zelf naar Posen, hier hoopte hij den Rus slag te leveren.

Te Berlijn liet Napoleon een goeden indruk achter. De prins von Hatzfeld, hoofd van 't civiele bestuur aldaar en door hem in zijn functie gehandhaafd, had den eed van trouw aan hem verbroken, verraad gepleegd en den prins van Hohenlohe per brief ingelicht omtrent de opstelling der Franschen in den omtrek der stad.

Hij had dezen brief in handen gekregen en Berthier bevolen den prins te laten arresteeren en te doen vonnissen, "als een les voor andere adellijke burgemeesters," die zijn voorbeeld mochten willen volgen. Voor Berthiers vergoelijkende woorden was hij volkomen doof geworden.