Chapter 27
Zagen we zooeven, dat hij al zijn helpers en groote mannen bedacht en ze door allerlei middelen aan zijn persoon trachtte te binden, op de lange lijst van beloonden zoeken we tevergeefs den naam van de Cambacérès. Zelf had de oud-consul voor elke onderscheiding van dien aard bedankt.
Hij was aartskanselier, bleef in deze positie gehandhaafd en verlangde niet meer. Bij het aanvaarden van de keizerskroon had Napoleon tegen hem gezegd, dat hij nu nog meer dan ooit door intriges en valsche of baatzuchtige raadgevers zou worden omgeven, dus had hij hem nog dichter in zijn omgeving gebracht, dewijl hij, Cambacérès, het doorzicht en de oprechtheid bezat om hem de waarheid te doen hooren en tevens zijn volle vertrouwen genoot.
Aangenaam kon diens ambt echter niet worden genoemd; bij afwezigheid des Keizers was hij de raads- en leidsman van Joséphine en tevens degene, die de overige leden der keizerlijke familie dan "binnen de perken der betamelijkheid" houden moest, een taak welke niet altijd even gemakkelijk was te vervullen.
Bijna ongeloofelijk waren de eischen van Napoleons naaste bloedverwanten, maar ook valt het moeilijk te begrijpen, dat de Keizer hen telkens weer tevreden stelt en aan hun eischen tegemoet komt.
Jozef is naar Napels gezonden in Januari 1806 en voor het einde van de volgende maand is hij te Rome en kan hij zijn broer melden, dat zijn bevelen vervuld zijn en de Bourbons naar Sicilië de wijk hebben genomen. In Napels wordt hij goed ontvangen, maar hij handelt geheel in strijd met Napoleons inzichten, die niet kan dulden, dat het leger op kosten van Frankrijk wordt gevoed, evenmin, dat Jozef zich omringt door Napolitanen, uit hen een leger wil vormen en zich door allerlei middelen van Frankrijk los wil maken en een eigen dynastie wil vestigen. Toch geeft Napoleon toe en wordt aan Jozef bij decreet van Maart het koninkrijk Napels door recht van verovering gegeven. Wel wordt daarbij bepaald, dat deze kroon niet met die van Frankrijk kan worden verbonden, maar Jozef doet geen afstand van het recht van opvolging in Frankrijk, een voorwaarde, waarop vroeger de Italiaansche zaak had schipbreuk geleden. Jozef treedt zeer vreemd op in zijn nieuwe koninkrijk, neemt voor zijn leger Bourbonsche officieren, neemt leegloopers in soldij en stelt de in 1799 gevangen genomen bendehoofden in vrijheid. Hij is slechts met één gedachte bezield n.l. dat het volk het een geluk zal vinden door hem te worden bestuurd! Aan zijn broer zendt hij de meest overdreven berichten en aan de waarschuwingen van den Keizer stoort hij zich volstrekt niet, maar als in 't midden van 1806 de Engelschen in Calabrië landen en een algemeene opstand ontstaat, ja dan ziet Jozef zijn fouten in en.... broerlief moet helpen met een leger van 50.000 man en subsidie van 3 millioen per maand.
Is Jozef veeleischend, zijn zuster Caroline houdt nooit op met vragen, zelfs wanneer aan Murat in Maart 1806 de hertogdommen Kleef en Berg worden gegeven met een zuiver inkomen van vier ton 's jaars is Caroline nog niet tevreden. Had dan Eugène de Beauharnais niet het onderkoningschap van Italië en deze was niet eens van de familie. Dat Murat niet naar Napoleons wensch optreedt in de nieuwe hertogdommen, dat hij Wezel niet van proviand en wapens voorziet, zooals de Keizer hem beveelt, dat hij onhandig optreedt in een geschil met de Pruisen over de bezetting van grondgebied, het hindert Murat niet en met steun van Talleyrand zien we Murat straks bij de vorming van de Rijnconfederatie zijn zin krijgen.
Niet alleen ontvangt hij den titel van Groot-Hertog, onmiddellijk in rang volgende op den Groot-Hertog van Baden, maar uitbreiding van grondgebied is ook zijn deel, terwijl nog tal van kleine voorrechten en gunsten door Napoleon worden verleend. Maar trots dit alles geen verbetering ook met Murat. Dezelfde quaestie over Wezel komt weer op den voorgrond; eigenaardig treedt Murat ook nu op, heeft twist met tal van hertogen, graven en prinsen, die niet aan zijn hof willen komen. Zijn gedrag is allervreemdst en Napoleon slaakt in een brief aan zijn broer Louis de verzuchting, dat Murat niets dan dwaasheden doet. Napoleon laat hem maar begaan, want als cavalerieaanvoerder heeft hij hem spoedig noodig.
Louis blijft trots alle rangen en titels ontevreden; hoeveel geld Napoleon hem ook geeft er is niets met hem te beginnen. Dat vindt ook Hortense, die veel in de Tuilerieën verschijnt, feestjes organiseert en zich verder onledig houdt met teekenen, schilderen en muziek. De kinderen blijven de eenige band tusschen de echtgenooten; verbetering in hun verhouding blijkt niet mogelijk, het ligt in Louis' natuur; hij is ziek, althans zoo gelooft hij nu eenmaal.
Nu kwam de quaestie van Holland op den voorgrond. De Bataafsche republiek had van haar nadere kennismaking met de Fransche begrippen niet veel genoegen beleefd. Frankrijk was een zeer dure vriendin gebleken. Engeland had een geweldigen hap uit de koloniën gebeten; de handel had geduchte schade geleden en tengevolge van dit alles was het ijveren van de patriotten voor Frankrijk aanmerkelijk bekoeld.
Tevergeefs had graaf Schimmelpenninck, die het jaar te voren op uitdrukkelijk verlangen van den Keizer als Raadpensionaris de teugels van het bewind in handen had genomen, getracht, in den toestand verbetering te brengen. Thans moest ook deze verdienstelijke man heengaan; hij begon zwak van gezicht te worden, werd beweerd. Hoewel admiraal Verhuell, die bij den Keizer zeer in de gratie stond, ter elfder ure nog had beproefd, dezen tot andere gedachten te brengen, had het niet mogen baten. Het pleit was toen reeds beslist. De republiek werd een koninkrijk Holland en kreeg.... Louis Napoleon als hoofd. Alsof de vernedering nog niet voldoende was, werd de natie gedwongen den Keizer die benoeming van zijn broeder, als een hooge gunst, door een commissie te Parijs te gaan vragen. Willem Six was een der leden van genoemde commissie, zoodat spotters beweerden, dat Willem VI er zelf om gevraagd had.
Was deze schande verdiend?--Stellig! Zoodra het volk ontrouw wordt aan zijn traditiën, moedwillig de banden verscheurt, welke het eeuwenlang, in voor- en tegenspoed innig hebben samengehouden met een vorstenhuis, waaraan het eenmaal zijn opkomst, zijn grootheid, zijn macht had te danken gehad, een vorstenhuis, dat nooit had geaarzeld het bloed van zijn edelste telgen er voor ten offer te brengen; zoodra, om kort te gaan, een volk ontrouw wordt aan de groote beginselen, die het vroeger huldigde, en lamlendigheid, kleinzieligheid en eigenbelang hiervoor in de plaats treden, geeft het zijn recht van bestaan als zelfstandige natie prijs.
Louis had er niet veel zin in en wilde liever gebied in Italië, maar hij begreep, dat hij zich niet kon verzetten; dat Hortense zich weinig verheugde, haar omgeving te Parijs vaarwel te zeggen en alleen met haar man naar Holland te vertrekken laat zich gemakkelijk begrijpen.
Met een geheele hofhouding waaronder zes doctoren en drie chirurgen begeeft Louis zich naar het nieuwe koninkrijk en daar aangekomen doet hij direct voorkomen of hij zijn kroon aan Holland heeft te danken en door de Hollanders tot koning is gekozen. Hij is er juist 8 dagen of hij meldt zijn broeder, dat hij voor zijn gezondheid naar Wiesbaden vertrekt; of Pruisen zich tot den oorlog gereed maakt, Rusland troepen verzamelt en de hoop op vrede met Engeland verdwijnt, wat maalt Louis erom; hij voelt zich niet lekker en reist af. Ook deze broer zal niet anders doen dan de oudste en Napoleon weerstreven, al zal Holland niet in opstand komen zooals Napels doet en al zullen de Hollanders van dezen weerstand tegen den Keizer tegelijk de voordeelen genieten.
Terwijl de Keizer zijn familieleden en getrouwen dus zoo goed bedacht en aan Holland en Napels koningen schonk uit zijn eigen geslacht, ging hij in Duitschland nog een stap verder. Hier bracht hij het Rijnverbond tot stand en benoemde zichzelf tot beschermheer er van. Dit verbond omvatte al het grondgebied tusschen de Sieg, de Lahn, de Main, den Neckar, den Boven-Donau, de Isar en de Inn, dus Nassau, Baden, Frankenland, Zwaben, en Boven-Paltz en Beieren. Elke vorst, wiens naam niet in de acte van oprichting voorkwam, had opgehouden regeerend vorst te wezen en werd zoogenaamd "gemediatiseerd."--Ook de prinses van Thurn en Taxis, de zuster der koningin van Pruisen, behoorde onder deze. Den 12en Juli werd het bestaan van dit verbond plechtig afgekondigd.
Alleen de vorsten van Baden, Wurtemburg en Beieren waren bij de samenstelling geraadpleegd. Het verbond was of- en defensief met Frankrijk één, leverde bij een mogelijken oorlog 63.000 man hulptroepen, besliste over alle zaken op den Rijksdag, die te Frankfort zou vergaderen, en verklaarde zich voor altoos gescheiden van den Duitschen Bond.--Terstond gaf Napoleon hiervan kennis aan den Rijksdag te Regensburg.
Keizer Frans II, die zag, dat het Duitsche keizerrijk hierdoor werd uiteengescheurd, legde de kroon hiervan neder en deed zich voortaan alleen Frans I van Oostenrijk noemen.
Door de stichting van dit Rijnverbond was Napoleons invloed natuurlijk sterk toegenomen en door een eed van trouw, welke alle onderdanen moesten afleggen, werd de afhankelijkheid van Frankrijks Keizer bevestigd. Natuurlijk waren de bloedverwanten door hun keizerlijke waardigheden ook aan hem verbonden, maar om ze allen goed onder zich te houden, al zou dat blijken slechts schijn te zijn, waren zij verplicht zich te onderwerpen aan het Bonapartistische familiestatuut.
Napoleon werd hierin als het hoofd van de familie aangewezen, terwijl nauwkeurig was omschreven, wie tot het keizerlijk huis behoorde. Ze mochten geen huwelijk zonder zijn toestemming sluiten, terwijl de kinderen gedurende hun minderjarigheid, wat hun opvoeding betreft, aan den Keizer werden toevertrouwd. Niemand mocht zonder zijn toestemming buiten 't land of de residentie vertoeven, terwijl Napoleon zelfs het recht had, hen hoogstens één jaar te verbannen en ze met advies der familie zelfs twee jaar in een staatsgevangenis kon doen opsluiten. Trots alle vroegere twisten meende de Keizer nog altijd, dat geen politiek verbond hecht was, wanneer het niet gesteund werd door het familieverbond.
Te midden van al den arbeid, dien zijn betrekkingen tot het buitenland medebrachten, verloor Napoleon de belangen van het binnenland niet uit het oog. In de kerk van St. Denis, tijdens de omwenteling door het grauw geschonden, deed hij de graven herstellen en er vier nieuwe grafkapellen bij bouwen, één bestemd voor de vorsten van zijn eigen dynastie. Met den bouw van den triomfboog aan het einde der Champs-Elysées deed hij een begin maken, het aantal openbare fonteinen, die voortaan ook des nachts water zouden geven, aanzienlijk uitbreiden en een nieuwe brug over de Seine bouwen. Het kanaal van de Rhône en van de Schelde naar den Rijn kreeg een begin van uitvoering; de arbeid aan dat van l'Ourcq, van St. Quentin en van Bourgogne werd voortgezet, terwijl met den weg van Roanne naar Lyon en met dien langs la Corniche, tusschen Nizza en Genua werd begonnen. Eindelijk kregen Antwerpens tuighuizen een nieuwe uitbreiding en naderden de werkzaamheden aan de wegen langs de boorden van den Rijn, over den Simplon en over den Mont-Cenis hun voltooiing.
Onder leiding van de Cambacérès kwam een nieuw deel van het wetboek, dat van de Burgerlijke Rechtspleging gereed. Aan den Raad van State werd met het oog op den toenemenden administratieven arbeid een langgewenschte uitbreiding gegeven en dus een kern van bekwame administrateurs in 't leven geroepen. Een bijzondere rechtspraak werd ingesteld voor de rijks-leveranciers en voor de aannemers van openbare werken, doch de kroon op zijn werk zette de Keizer door de stichting van de universiteit.
Reeds vroeger had hij 29 rijks middelbare scholen, lycea of gymnasia, al naar men ze noemen wil, opgericht, waar de jongelieden van rijkswege werden gevoed en gehuisvest en in de wiskunde en in de letteren werden onderwezen. Dit aantal werd op honderd gebracht en bij deze inrichtingen sloten 310 middelbare gemeente- en evenveel dergelijke particuliere scholen aan.
Tegen dezen nieuwen vorm van onderwijs, voerde de geestelijkheid, aan wie de leiding vrijwel uit handen werd genomen, heel wat oppositie. Zoo beweerde zij, dat thans alleen onderwijs werd gegeven in wiskunde, omdat men van de leerlingen uitsluitend soldaten wilde vormen, dat de zeden op de nieuwe scholen werden bedorven, en de godsdienst verwaarloosd.--Niets was minder waar en het meer ontwikkelde gedeelte der natie, dat bij ondervinding wist wat povere onderwijzers de paters in den regel waren, aanvaardde dit nieuwe geschenk van den Keizer met groote dankbaarheid.
Doch waar nu de noodige leeraren te vinden, zonder dat men bij de geestelijkheid ter markt behoefde te komen?--De Keizer begreep, dat hij hiertoe voornamelijk moest zoeken in de breede schaar van jongelieden zonder fortuin, die den mannelijken leeftijd intraden, lust hadden in studie en, zonder zich te willen schikken naar de gestrenge regelen eener kloosterorde, toch niet ongenegen waren in ordelijke samenleving met anderen, onder een wet met vrijzinnige bepalingen gezamenlijk tot onderwijzer te worden opgeleid.
In stilte deed de geestelijkheid alles om dit grootsche plan te doen mislukken. Doch het vertrouwen, door de natie in hem gesteld, sterkte den Keizer en ondanks dit verzet verwezenlijkte hij zijn plan en schonk Frankrijk zijn Keizerlijke Universiteit, een instelling, die als een glansrijke ster van de eerste grootte door alle tijden heen zal stralen boven zijn naam als heerscher over een groot volk.
HOOFDSTUK XVII.
Jena. Berlijn. Eylau.
Zooals we vroeger zagen, zou Haugwitz, de Pruisische gezant aan zijn koning de keuze laten tusschen de bekrachtiging van het met Napoleon gesloten verdrag of oorlog, maar de gezant werd naar Parijs gezonden om nogmaals de onderhandelingen met Napoleon te openen, ten einde gunstiger bepalingen te bedingen. Dit gelukte en op het einde van Februari 1806 werd een tractaat gesloten, waarbij werkelijk minder drukkende voorwaarden werden gesteld, hoewel het hof te Berlijn, in 't bijzonder de omgeving van de koningin, het volstrekt niet met dezen "bepleisterden vrede," zooals het tractaat door de diplomaten werd genoemd, eens was.
Dat Napoleon milder was gestemd, vond vooral zijn oorzaak in de hoop, die hij koesterde om een algemeenen vrede te verkrijgen, vooral na het optreden van den nieuwen minister van Buitenlandsche Zaken in Engeland n.l. Fox. Dat deze Napoleon had gewaarschuwd voor den aanslag van een sluipmoordenaar, die zich bij den minister had vervoegd, maar door hem direct was gevangen gezet, maakte natuurlijk op den Keizer een bijzonder goeden indruk. De onderhandelingen waren door den Keizer geopend en niets liet hij onbeproefd om tot den vrede te geraken, al gaf Engeland te kennen, zonder Rusland niets te willen doen. "Ik bied Engeland Hannover aan voor de eer van de kroon, Malta voor de eer der marine en de Kaap de Goede Hoop voor de eer van den handel" liet Napoleon zelfs door Talleyrand aan Engeland zeggen.
Met Rusland was de vrede reeds voorloopig gesloten; alleen de handteekening van Alexander moest nog onder het verdrag worden geplaatst. Alles scheen dus op vrede te wijzen en Napoleon had reeds bevelen gegeven om het Groote Leger terug te voeren naar een reusachtig kamp, dat bij Meudon in gereedheid werd gebracht, toen in begin September de politieke horizon in Europa eensklaps weer werd verduisterd.
Fox, reeds weken ziek, was door de geneesheeren opgegeven; de oorlogspartij in Engeland, onderricht van Ruslands vredesplannen, had dit rijk nadrukkelijk in herinnering gebracht, dat, indien er sprake was van vrede met Frankrijk, deze volgens de bestaande verdragen door de beide mogendheden tegelijk moest worden gesloten; Engeland had bij de loopende onderhandelingen met Napoleon ditzelfde beginsel vastgehouden en dit verlangde zij nu ook van zijn bondgenoot.
Het voorloopige tractaat met Rusland kwam dus ongeteekend terug. Engeland begon de onderhandelingen op de lange baan te schuiven; allerlei geruchten van groote krijgstoerustingen in Pruisen deden tegelijkertijd de ronde; een bevel tot mobilisatie werd gegeven en alles was reeds in volle werking om zich tot den oorlog voor te bereiden. Toch reeds achterdochtig van aard, begon Napoleon aan verraad te denken, gaf dus contra-order en liet zijn leger blijven, waar het was.
Aan den Pruisischen gezant gaf hij op diens vragen onomwonden te kennen, dat er van al de praatjes, die de dagbladen betreffende zijn plannen uitstrooiden, slechts één waar was. Hannover had hij terwille van den vrede inderdaad aan Engeland aangeboden met het plan Pruisen voor dit verlies schadeloos te stellen. Ook was hij bereid zijn leger over den Rijn te doen teruggaan, mits ook Pruisen zich ontwapende, niet vroeger.
Pruisen dacht er niet over. Reeds ontstemd over de tot standbrenging van het Rijnverbond, waarbij Napoleon nooit de meening van Pruisen had gevraagd en over het mislukken van een Noord-Duitsch Verbond, waarvan de Keizer niet veel meer wilde weten, nadat de Rijnconfederatie was gevormd, wilde dit land nu eenmaal den oorlog. Schotschriften bij duizenden werden verspreid, in de dagbladen in Pruisen werd de haat tegen de Franschen aangewakkerd, in 't bijzonder door de artikelen van von Gentz. Het was een ware oorlogskoorts, zelfs de kazernes waren politieke clubs, waar de officieren zich met groote heftigheid uitlieten over Napoleon, "die niet waardig was korporaal te wezen in 't Pruisische leger!" Inmiddels was Fox den 13en September overleden. "Was hij blijven leven, de vrede zou tot stand zijn gekomen," zei Napoleon; thans waren alle kansen daarop verdwenen en de oorlog was aanstaande. De verantwoordelijkheid van het uitbreken van dezen oorlog droeg de keizer van Frankrijk niet; nog was hij niet ontrouw aan hetgeen hij na den vrede van Presburg Europa had toegeroepen: "De militaire glorie heb ik uitgeput." Europa kon nu eenmaal Frankrijks grootheid en Napoleons invloed niet dulden en het vasteland had den vrede leeren beschouwen als een tijdelijk bestand, waarvan Albion den duur regelde. Thans was het Pruisen, dat den strijd begon en welk land dan ook volgens de meeste historieschrijvers, ook de Duitsche, de verantwoordelijkheid droeg.
Dagelijks trokken nieuwe regimenten onder het zingen van vrijheidsliederen door Berlijn naar de grenzen. Enkele officieren van de garde gingen in hun overmoed zoo ver, dat zij hun sabel scherpten op de trappen van het gezantschapshotel. De koningin kon men telkens in de uniform van haar lijfregiment te paard bij de troepen zien; prins Ludwig zette openlijk tot den oorlog aan. Geheel Berlijn blaakte ten slotte van krijgsvuur en vaderlandsliefde en eischte met het leger samen met luider stem den oorlog.
Wel had de koning getracht den naderenden storm te bezweren en zijn omgeving tot kalmte te stemmen, maar ten slotte was hij bezweken voor den drang van alle zijden op hem uitgeoefend.
Den 18en September vertrokken de koning en de koningin uit Berlijn, zooveel personen met zich meevoerende, dat een ooggetuige het "een ware diplomatieke colonne noemde." Behalve de troepen waren ongeveer 2000 personen aan het hoofdkwartier verbonden; het was alsof men een "galamanoeuvre" ging bijwonen. Overal werden feesten gegeven en men brandde van verlangen de tegenpartij te vernietigen. Dat de koningin met groot gevolg ook mee ging was natuurlijk tot schade voor de bewegingen, maar het had niet geholpen, haar daarvan te weerhouden.
Weldra volgde Napoleon het voorbeeld van den koning van Pruisen en vertrok, door Joséphine, Jérome en Talleyrand vergezeld, den 25en September uit Parijs naar Maintz, waar hij van zijn vrouw afscheid nam en naar het tooneel van den oorlog vertrok. Alleen de keizerlijke prinsessen met de Cambacérès bleven achter, terwijl aan Junot het bevel over de krijgsmacht in Parijs was opgedragen.
Jérome had toch eindelijk ingezien, dat er met Napoleon niet viel te spelen en het noodzakelijk was, wilde hij niet geheel uit de gratie komen, naar Frankrijk terug te gaan. Het was hem reeds ter oore gekomen, dat hij van het erfrecht was uitgesloten en hierover had hij zich bij Talleyrand beklaagd. Mocht hij nog zonder Miss Patterson in Frankrijk terugkomen, had Napoleon laten weten, dan zou alles vergeven en vergeten zijn. Jérome kwam bovendien in een moeilijke positie, want in alle couranten was het publiek gemaakt, dat het huwelijk niet werd erkend en waardeloos was. Door onverwachte overkomst hoopte Jérome nog, dat Napoleon eenmaal voor 't feit geplaatst, wel zijn goedkeuring zou verleenen, maar daar was geen sprake van, want alle maatregelen waren genomen om te beletten, dat zijn vrouw in Frankrijk kwam. Zoo zien we Jérome in Parijs terug, terwijl zijn vrouw zich nabij Londen vestigt, waar zij Juli 1805 het leven schenkt aan Jérome Napoleon Bonaparte. Terwijl de Keizer zijn broer weer in genade aanneemt en hem royaal uit de "grande cassette" bedenkt, gaat zijn vrouw naar Amerika terug, onder het genot van een jaargeld, dat de Keizer haar schenkt en dat ook tot 1814 aan haar is uitbetaald.
Hopende, dat Jérome zijn Amerikaansche Miss maar spoedig zal vergeten, zendt Napoleon zijn broer weder naar zee, met de bestemming in de toekomst vloten te dirigeeren. Jérome is echter nog niet veel verbeterd en hangt de groote heer uit, gebruik makende van zijn naam en van de wetenschap, dat hij bij Napoleon goed staat aangeschreven. Eerst belast met het afhalen van vrijgemaakte slaven uit Algiers, zien we hem daarna ingedeeld bij een eskader onder bevel van den vice-admiraal Willaumez, dat gedurende eenige maanden zee moet kiezen om den handel van den vijand afbreuk te doen. Jérome heeft eerst niet veel zin en leidt in Parijs en daarna te Brest een leventje van den vroolijken Frans, totdat Napoleon hem eindelijk dreigt voor schulden te laten gevangen zetten als zijn toelage niet toereikend is, waarop hij als kapitein van een der schepen met het eskader zee kiest. (December 1805). Wel zijn de orders voor de behandeling van Jérome zeer streng, maar Willaumez kan het ook niet best met hem vinden en ondervindt al spoedig, dat Jérome toch niet naar hem luistert.
Reeds in Augustus keert Jérome naar Frankrijk terug en wordt door Napoleon, die het al erg prachtig van hem vindt, dat hij eenige schepen van een Engelsch convooi heeft genomen, uitstekend ontvangen. Intusschen is Napoleon druk bezig geweest om zijn huwelijk met Miss Patterson door den paus nietig te doen verklaren, maar deze vindt tot groote ontstemming van den Keizer, geen termen aan het verlangen van hem te voldoen. Toch moet het geschieden, want een huwelijk met de dochter van den koning van Wurtemburg is in voorbereiding en in afwachting van de nietigverklaring, hetgeen den 6en October 1806 door een doctor in het canonieke recht geschiedt, vergezelt Jérome zijn broer naar Maintz en maakt hij een gedeelte van den a. s. veldtocht mede als commandant van een der legerkorpsen.
Bewonderenswaardig zijn de maatregelen thans in enkele weken door Napoleon getroffen, om zelfs voor een oorlog tegen een nieuwe coalitie gereed te wezen.--De garde infanterie transporteert hij in zes dagen van Parijs naar den Rijn op duizenden karretjes, die ieder tien man kunnen vervoeren. Ieder man is voorzien van drie paar schoenen. De meegevoerde bagage is gering. Twee voertuigen per bataljon, één per escadron transporteeren brood, voldoende voor verscheidene dagen. De voorraad wordt telkens aangevuld.--Overigens leven man en paard van 't geen het land oplevert, zoogenaamd "van den waard." Massa's graan, bergen beschuit werden langs den Rijn bijeengebracht, naar Maintz en van hier, de Main op, naar Würtzburg verscheept en in magazijnen opgeslagen.