Napoleon

Chapter 26

Chapter 263,907 wordsPublic domain

Aan tafel in een kleine boerenwoning met Murat, Caulaincourt, Rapp, Junot, de Ségur en nog eenige andere officieren, op houten banken gezeten om zich heen, begon hij met Junot een gesprek over dramatische poëzie en over Egypte; daarna sliep hij een paar uur en begaf zich door een adjudant gewekt, in 't holst van den nacht op weg naar de hoogten van Pratzen, omdat hij uit de richting van Telnitz heftig hoorde vuren.

Weinig had het gescheeld of hij was door een kozakkenpost, waarop hij in 't donker stiet, gevangen genomen of gedood. IJlings langs de wachtvuren terug loopende naar zijn eigen bivak, struikelde hij over een boomwortel, waarop een grenadier een bos stroo greep, die ineendraaide en er een fakkel van maakte om hem voor te lichten.

't Is 2 December, de verjaardag zijner kroning.

"Lang leve de Keizer!" roept eensklaps een stem, terstond door tienduizenden kelen herhaald. De regimentsmuziek begint te spelen. Duizenden fakkels van het ligstroo gemaakt, verlichten plotseling den omtrek. De grenadiers zijner garde dringen om hun afgod heen. "U zelf behoeft morgen niets te doen, Majesteit," roepen zij hem toe. "De vaandels en de gevangenen zullen wij u wel hier komen brengen."

Wat moeten de Russen, die juichtoonen hoorende, toen hebben gedacht?

Nog is het den volgenden morgen half duister; nog onttrekt een dichte nevel de troepen in de laagte aan de Goldbach aan het oog, als Napoleon reeds te paard zit op een heuvel achter 't midden der slaglinie, Oudinots grenadiers vóór, de garde achter hem. De aanval op Telnitz en Sokolnitz in den nacht begonnen, wordt doorgezet. Voortdurend schuift Kutusof zijn macht verder naar links, naar de overgangen bij de meren en ontbloot hij de hoogten van Pratzen van troepen. Alleen de Russische afdeelingen van den rechtervleugel met haar talrijke cavalerie blijven voorloopig nog bij den straatweg naar Brünn om, eenmaal de overwinning op den linkervleugel behaald, daar eveneens in 't gevecht te treden, de Franschen bij en op den Santon te omvatten en de zegepraal te voltooien.

Napoleon zag Kutusofs bewegingen. 't Was alles volkomen naar zijn zin; de vijand wil de overgangen van Telnitz en Sokolnitz vermeesteren en dan de Franschen overvleugelen, terwijl Napoleon juist zooals hij wenscht dan de hoogten van Pratzen, het centrum van de gecombineerde legers, wil nemen. "Zij loopen in de val!" roept hij van vreugde uit.

't Was half acht, in de dalen hangt nog een nevel.

"Hoeveel tijd heb je noodig om met je divisiën de hoogten van Pratzen te bereiken?" vraagt hij aan Soult.

"Geen twintig minuten," antwoordt hij.

"Dan wachten we nog een kwartier."

Omstreeks acht uur hebben de Russen Telnitz en Sokolnitz vermeesterd. De Franschen onder Legrand zijn teruggeworpen. Maar thans nadert Davoust met zijn divisiën, deze hebben den vorigen dag een geforceerden marsch van achttien uur afgelegd en tellen dus nog veel achterblijvers, die echter langzamerhand aansluiten als zij 't kanon in de verte hooren dreunen.

Van de zijde der Russen dringen de afdeelingen voortdurend verder de laagte in, naar de defilé's tusschen de meren en Telnitz. Om 9 uur staat hier het halve leger der bondgenooten in dichte drommen in 't gevecht, maar Davoust wijkt niet.

Om 8 uur is Soult den marsch naar de hoogten begonnen. Ook aan den straatweg is beweging gekomen. Daar grijpt Lannes reeds aan. Als een levende muur beweegt zich zijn macht: gedeploieerde bataljons voorop, in de intervallen er achter gesloten massa's. Op het golvende terrein ten zuiden er van stooten de ruiterdrommen van Murat op die van Lichtenstein.--Thans breekt de zon door de wolken, de zon van Austerlitz! Kutusof, bij zijn centrum gebleven, ziet het gevaar, dat hem bedreigt, indien het Soult gelukt de hoogten van Pratzen te nemen. Daar komen ze al met hun lichten, vluggen pas, de Fransche tirailleurs!--IJlings werpt hij twee bataljons infanterie in Pratzen zelf, maar reeds is het te laat. De bajonet drijft ze uiteen. Ook de Russische garde, die in 't centrum bij Austerlitz in reserve stond en nu oprukt, kan den onwederstaanbaren aanval der grenadiers niet afweren. Tegen het middaguur is hier het lot der Russen beslist. Hun centrum is doorgebroken; ook de afdeelingen onder Bagration en Lichtenstein hebben het reeds afgelegd tegen Lannes en Murat; hier vlucht reeds alles in wanorde naar het oosten. De beide keizers worden medegesleurd. De troepen in de laagten bij Telnitz en Sokolnitz zien zich afgesneden van hun terugtochtsweg, want op de hoogten van Pratzen staat thans Napoleon en grijpt hen in den rug!

Om twee uur is de slag gevallen, ook in de lage terreinen, die door de zonnestralen van een ijsvloer is veranderd in een dikke, taaie pap, waarin man en paard blijven steken. Zich bijna omsingeld ziende, trachten de Russen zich in massa te redden over de meren, over het ijs. Dit kan dezen zwaren last niet torsen; het breekt. De volkogels der Fransche garde vernielen het; geheele colonnes met paarden, voertuigen en bagage zinken onder een hartverscheurend gegil in de diepte weg. Slechts enkelen ontkomen.

Keizer Frans verzoekt een wapenstilstand, maar Napoleon wil er niet van hooren.--Over twee dagen zal hij den vorst ontvangen aan de voorposten; tot zoolang zal hij den vijand met het staal in de ribben doen vervolgen. Niet hij heeft den oorlog gezocht; hij is er toe gedwongen.--Aan Soult schrijft hij van het kasteel Austerlitz, zijn hoofdkwartier: "Zooals de zaken thans staan, heb ik slechts één algemeene order: Breng den vijand zooveel mogelijk nadeel toe en trek partij van de zege."--Hij zelf wijdt het overige deel van den dag aan de gewonden; hij zoekt ze op, spreekt ze toe, beurt ze op en doet ze naar de ambulances vervoeren. Reeds dienzelfden nacht zijn allen verbonden.

Inmiddels zocht de cavalerie de richting, waarin de hoofdmacht der bondgenooten was teruggegaan en die door Murat met zijn gewone onbesuisdheid aanvankelijk verkeerd--naar Olmütz was aangegeven. Ten slotte bleek, dat men den weg naar Hongarije was ingeslagen.

Den 4en had bij de voorposten de ontmoeting plaats tusschen Napoleon en Frans II.

"Ik hoop dat u dezen stap van mij om den vrede te bespoedigen zult op prijs stellen," zei deze en vervolgde toen met een gedwongen lachje: "U heeft toch, hoop ik, geen plan mij van mijn staten te berooven?"

Het onderhoud duurde een uur en werd staande gevoerd. Alleen de prins van Lichtenstein was er bij tegenwoordig.

"Dus heb ik uw woord, dat u den oorlog niet opnieuw begint?" vroeg Napoleon ten slotte. "Dit zweer ik en mijn woord zal ik houden."

Toen omarmden de monarchen elkaar en scheidden. Bij zijn staf teruggekeerd zei Napoleon: "De vrede is gesloten. We zullen Parijs weerzien." In een kernachtige proclamatie had hij zijn leger dank gezegd voor 't geen het had gedaan: "Soldaten! ik ben tevreden over U!" luidde de aanhef en aan het slot: "Mijn volk zal U met vreugde terugzien en wanneer een van u zal zeggen: "Ik ben bij Austerlitz geweest," zal hij direct ten antwoord krijgen: "Dat is een dappere kerel.""

Met den slag bij Austerlitz kwam aan den veldtocht een einde. Een wapenstilstand werd gesloten, waarbij Napoleons eerste voorwaarde was, dat de Russen naar hun land zouden terugkeeren. Hieraan voldeed Alexander terstond; voorloopig had hij genoeg van den oorlog. Binnen weinige dagen volgde de vrede van Presburg. Het tractaat behelsde o. a. dat Oostenrijk veertig millioen oorlogskosten zou betalen, Venetië afstaan aan Italië, Tyrol aan Beieren en een groote strook grondgebied aan Baden en Wurtemburg, voorts zou aan den voormaligen keurvorst van dit laatste land en aan dien van Beieren de koningstitel worden verleend. Baden werd een groothertogdom. Guastalla kwam aan Pauline Borghèse; Kleef en Berg aan Murat; Berthier werd prins van Neufchâtel. Van een poging om ten gunste van het trouwelooze Napels iets van Napoleon gedaan te krijgen, hadden de Oostenrijksche onderhandelaars moeten afzien. Over het lot van dit land had hij reeds beslist.

Voor de vierde maal had de koningin daar verraad gepleegd; voortdurend had zij met den vijand geheuld; een Engelsch-Russisch leger was er geland en volkomen welkom geheeten, ofschoon men zich bij verdrag verbonden had neutraal te blijven en de havens voor Engeland te sluiten. Het huis der Bourbons hield in Napels op te regeeren, zoo luidde het decreet, reeds den dag na den vrede door Napoleon geteekend. Was Jozef daartoe genegen, dan zou hij daar gaan regeeren en einde Maart 1806 zien we Jozef Napels binnenrukken.

Terwijl Napoleon zich nog op Schönbrunn buiten Weenen bevond, het prachtige kasteel, waar hij na Austerlitz zijn hoofdkwartier gevestigd had en zijn leger zich in de omstreken verzamelde, kwam Napoleon ook tot een verklaring met Pruisen.

Dat Frederik Willem III in den laatsten tijd een zeer dubbelzinnige rol had gespeeld was hem niet onbekend; dat de koning en keizer Alexander in tegenwoordigheid der koningin bij de graftombe van Frederik den Groote een eed van trouw en vriendschap hadden gezworen, evenmin; ook wist Napoleon wel, dat Pruisen zich in het geheim bij de coalitie had aangesloten en het leger gemobiliseerd was, maar dat het land een maand tijd had gevraagd om te beslissen of het aan den oorlog zou deelnemen of niet. Vier dagen voor den slag bij Austerlitz was de Pruisische minister graaf von Haugwitz in het hoofdkwartier te Brünn aangekomen tot groote verbazing van Napoleon. Deze had hem ijskoud ontvangen en hem niet onduidelijk te kennen gegeven, dat deze aanbieding tot bemiddeling van de zijde van een land, dat nog wel een tractaat had geteekend tot levering van 80.000 man, al zeer vreemd was. Von Haugwitz vertrok naar Weenen, liep hier met het groote lint van 't Legioen van Eer rond, totdat het oogenblik zou zijn gekomen om het masker af te werpen.

Toen kwam 2 December, "de dag der drie keizers" maar die men, zegt Levy, wel "de dag der vier souvereinen" kon noemen, want ook Pruisen was door Austerlitz verslagen en Haugwitz, die Napoleon zijn gelukwenschen kwam aanbieden, kreeg het bijtende antwoord: "Dat is een compliment, waarvan de fortuin het adres heeft veranderd." Napoleon wist nu van het gunstige oogenblik gebruik te maken en stelde von Haugwitz eenvoudig de keuze: oorlog en dan terstond of--vrede en een verbond met Frankrijk. In het laatste geval zou het keurvorstendom Hannover aan Pruisen worden afgestaan in ruil voor het hertogdom Kleef.

Wel wist de gezant, dat Pruisen Hannover altijd had geweigerd tegen een verbond met Frankrijk, maar hij had den tijd gehad Napoleon met zijn leger aan het werk te zien, hij had kunnen opmerken hoe gedrukt de stemming te Weenen was, zoodat het resultaat was, dat hij den vrede verkoos boven den oorlog, een politiek, die hij zijn koning tot nog toe telkens had aanbevolen; het gevaarlijke geschenk werd aanvaard voorloopig en von Haugwitz keerde naar Berlijn terug, zijn vorst nog de keus latende tusschen de bekrachtiging van het verdrag of den oorlog.

Steeds bedacht op middelen om zijn relatiën met de Duitsche hoven een vasteren vorm te geven, had Napoleon tegelijk met den vrede de toestemming verkregen tot een huwelijk tusschen zijn stiefzoon Eugène en een dochter van den nieuwen koning van Beieren.

Reeds vóór Austerlitz had hij zijn verlangen naar deze echtvereeniging te kennen gegeven; toen had men te München weinig ooren hier naar gehad, ook omdat prinses Augusta reeds was verloofd met den zoon van den keurvorst van Baden. Thans werden er geen bezwaren gemaakt en kreeg Beauharnais een gemalin, die hij alleen kende van een portret op een porseleinen theekopje! maar Napoleon wilde en dat was genoeg, terwijl Augusta op de smeekbede van haar vader toestemming verleende mits de vrede was gesloten en Eugène koning van Italië zou worden. Het onderhoud van den Keizer met de aanstaande bruid had tot uitwerking, dat Napoleon aan zijn stiefzoon kon melden, dat alles in orde was.

Den 14en Januari 1806 op zijn doorreis naar Parijs woonde de Keizer de huwelijksplechtigheid te München bij en kon hij zich verheugen, dat hij door dit huwelijk zich verbonden had met een der oudste geslachten uit Europa. Deze verbintenis met de bevallige, schrandere Augusta-Emilie is voor Eugène een geluk geweest; toen geheel Europa in woede was ontstoken tegen al wat Bonaparte heette of met het geslacht was verwant, heeft hij aan het hof van zijn schoonvader een ontvangst gevonden, zijn edele hoedanigheden als mensch en echtgenoot waardig.

Den 26en Januari was Napoleon in Parijs terug. Drie dagen te voren was zijn doodsvijand William Pitt, slechts zeven en veertig jaar oud, op zijn landgoed bij Londen overleden. Een familiekwaal, verergerd door de miskenning en de verguizing, in de laatste jaren zijns levens van de zijde der Engelsche natie bij herhaling ondervonden, had zijn gestel ondermijnd. Een tijdlang was hij, schoon niet in naam, feitelijk koning van Engeland geweest. Fox, de leider der vredespartij in Engeland, volgde hem op.

De hoofdstad huldigde haar Keizer ook nu weder op de glansrijkste wijze. Het Groote Leger, dat met kleine dagmarschen naar het vaderland op weg was en inmiddels leefde op kosten van de landstreken, die het passeerde, een voor Frankrijk zeer goedkoope manier van voeden, stond de veroverde vuurmonden af--eenige honderden--om daarvan op de place Vendôme een zuil te doen verrijzen met in brons gegoten voorstellingen uit de laatste oorlogen versierd en met het standbeeld van den Keizer op den top.

Waren de gevolgen van den vrede van Presburg vooral voor Oostenrijk van belang, Napoleon meende nu ook het oogenblik gekomen om zich te omringen met een gordel van rijken met zijn naaste familieleden, zijn broers op den troon en achter hen een heele reeks van prinsen, hertogen, graven, allen voortgekomen uit zijn leger of uit de diplomatie. Bovendien wilde de Keizer in de staatkundige verhoudingen van het Duitsche Rijk groote verandering brengen en het groote aantal kleine staten tot een geringer getal terug brengen. Zijn plannen gingen ver, hij droomde van de vorming van één groot rijk in het Westen met Frankrijk als middelpunt, een rijk waarover eens een Karel de Groote en een Karel V hun schepter hadden gevoerd. Zoo ooit, dan deed zich thans het geschikte oogenblik voor tot het vestigen van een dergelijk gebied, maar de tijd zou leeren, dat ook dit groote plan zou mislukken en het duidelijk zou blijken, dat de Galliër en de Germaan te veel in karakter zouden verschillen om samen te gaan. Zeker, de omstandigheden waren den man, die alles meende te kunnen, gunstig en dit blijkt reeds uit een opsomming van de voornaamste gekroonde hoofden, zijn tijdgenooten, wier tegenstand hij had te overwinnen. In Zweden was Gustaaf IV Adolf reeds jarenlang door zinsverbijstering niet bij machte zelf te regeeren; Christiaan VII van Denemarken was "zwak van geest"; de koning van Pruisen Frederik Willem III besluiteloos en toegevend. In Napels regeerde Ferdinand IV, die geheel onder de heerschappij van zijn vrouw stond; zijn neef Karel IV van Spanje maakte het nog erger; slaaf van de luimen zijner gemalin duldde hij zelfs Godoy, haar amant, een voormalig soldaat van de garde, als eersten minister. Eindelijk was Maria van Portugal niet toerekenbaar.

De eenige, die op al deze erfelijk of niet erfelijk belasten een gunstige uitzondering maakte was de Duitsche keizer Frans II, maar de laatste veldtocht had hem dermate verzwakt, dat verzet van zijn kant voorloopig althans niet was te duchten. Bijna overal zag Napoleon dus zwakheid, halfheid of volslagen onbekwaamheid bij de hoofden, overal verdrukking, knevelarij en misbruik van gezag aan de zijde der ambtenaren. Hier verkocht een Hessisch vorst zijn onderdanen voor klinkende munt aan de Engelschen, daar ontzag zich een ander gekroond hoofd niet de vette baantjes aan den meestbiedende te verpachten; ginds in Pruisen speelden de ronselaar en de werfsergeant op de dorpen de afschuwelijkste comedies en maakten honderden gezinnen ongelukkig.

Voor een man als Napoleon, zoo wars van al wat geleek op knevelarij, dus een reusachtig arbeidsveld; wat had hij een afkeer van elke poging om zich door ongeoorloofde middelen te verrijken; nog altijd was hij bedacht op het welzijn van zijn onderdanen, nog werd hij niet geheel beheerscht door dien machtigen drang, dien toomeloozen hartstocht naar veroveringen, die ten slotte zijn ongeluk werd en die zijn naaste omgeving, zijn trouwste aanhangers half wanhopig deed uitroepen, dat hij niet alleen zich zelf maar ook hen en met hen geheel Frankrijk in 't verderf zou storten.

Toen hij aan eenige zijner oude krijgsmakkers den titel schonk van prins of hertog was zijn doel hierbij niet alleen hen te beloonen voor hun aandeel aan zijn verheffing, maar ook om hen de handen te doen houden uit de zakken der overwonnenen. Van de gestrenge, eerlijke gedragslijn van de eerste generaals der republiek als Pichegru, Hoche, Dumouriez en anderen was bij hun opvolgers als o.a. Massena, Augereau en Solignac, die in Italië overwinningen hadden behaald, niets te bespeuren geweest. Die hadden hun hebzucht den vrijen teugel gevierd en vaak "genomen," wat niet terstond goedschiks werd "gegeven." Vooral in Venetië was gruwelijk door hen gestolen. Met ongeloofelijke wakkerheid had Napoleon het geheim dier knevelarijen nagegaan en ontdekt en te beginnen met den opperbevelhebber de onverwijlde teruggave van al de geroofde millioenen geëischt.

Thans onder Eugène en Jozef, bevonden veel van die heeren zich daar wederom bij het leger.

"Zegt hun, dat ik hun allen veel meer zal geven dan zij ooit zouden kunnen nemen," schreef hij aan die beiden; "voegt er bij, dat 't geen zij "nemen" hun tot schande, dat 't geen ik hun "geef" hun tot eer strekt en de onsterfelijke getuigenis van hun roem zal wezen. Steken zij zelven de handen uit, dan treft Frankrijk de vloek der overwonnenen; geef ik hun rijkdommen en vermeerder ik die zelfs, dan knevel ik niemand."

Geen titels alleen toch waren 't, die hij schonk; ook de daaraan verbonden rijke inkomsten, niet echter het grondgebied. Zoo werd Soult hertog van Dalmatië, Bessières van Istrië, Duroc van Frioul, Victor van Belluno, Moncey van Colegniano, de Caulaincourt van Vicensa, Savary van Rovigo, alle onderdeelen van het grondgebied van Venetië. Het prachtige prinsdom Benevento, vroeger een deel van den Kerkelijken Staat, kwam aan Talleyrand, die nog altoos gevoelig was, omdat zijn heer hem geen plaats onder de grootwaardigheidsbekleeders had gegeven. Eindelijk zag zich verheven tot prins van Ponte-Corvo de generaal Bernadotte. Hoe was 't mogelijk! Bernadotte, die den 18en Brumaire geweigerd had zich aan zijn zijde te scharen, die als opperbevelhebber van het leger in het Westen een complot tegen hem had gesmeed en die letterlijk voortdurend zijn vijand was geweest. Maar die man was de zwager van Jozef en gehuwd met dezelfde Désirée Clary, naar wier hand Napoleon indertijd had gedongen, die kort daarna te Parijs door hem was losgelaten, die hem bij zijn huwelijk met Joséphine een brief had geschreven, waaruit haar blijvende genegenheid voor hem duidelijk bleek. Désirée was voor hem een vrouw om nimmer te vergeten en telkens werd zij door Napoleon met gunstbewijzen overladen.

Aan het hof kwam zij bijna nooit, want ze had een afschuw van de Beauharnais, maar de Keizer schreef haar en zond haar allerlei kostbare geschenken o.a. een van de drie kostbare pelzen, die keizer Alexander hem na Erfurt ten geschenke gaf en toen zij kroonprinses van Zweden werd regelde hij zelf in bijzonderheden haar voorstelling aan 't hof, schonk Bernadotte een millioen uit zijn eigen kas, kocht hem zijn prinsdom af, terwijl Napoleon hem reeds vroeger een hotel ter waarde van 400.000 francs had gegeven.

De middelen voor het doen van al deze schenkingen, die in de volgende jaren ook aan de laagste rangen zijner legers werden verleend, vond hij o.a. in Venetië uit de inkomsten van 30 millioen waarde aan nationaal domein, in Parma en Piacensa eveneens, benevens 1.2 millioen francs rente van een inschrijving op 't grootboek van Italië enz. gezamenlijk makende een bedrag van 34 millioen rente van rijksdomeinen, 2.4 millioen rente van kapitalen en eindelijk de opbrengst van de krijgskas, die na de eerste oorlogsschatting reeds 70 millioen francs groot was en voortdurend grooter werd.

De persoonlijke schatkist van den Keizer de z.g. groote cassette, die op enkele tijdstippen meer dan 250 millioen, voor 't grootste gedeelte in goud bevatte, vormde bovendien een kapitaal, door hem zelf in den loop der jaren samengebracht, hoofdzakelijk door bezuinigingen op zijn civiele lijst van 40 à 50 millioen francs. Reusachtig is het cijfer der millioenen door hem in die jaren besteed aan werken van openbaar nut. Hij vond dit uit de oorlogsbelastingen aan de veroverde landen opgelegd. Nooit werd voor zijn oorlogen een leening door hem uitgeschreven.

Bij dit alles was hij in zijn eigen huishouden een zuinig, bijna krenterig huisvader, die zelf van alles boek hield, die geen verkwisting kon dulden, die op zijn jaarlijksch budget zelf het postje bracht van 1200 francs, zijn tractement als lid van 't Instituut.

Als in zooveel andere zaken was hij hierin volslagen een burgerman. Verkwisting in welken vorm ook kon hij niet uitstaan; die eigenschap was hem als 't ware ingeschapen evenals gevoelloosheid voor alle uiterlijk vertoon. Evenals rangen en titels behoorde dit laatste volgens hem bij het stelsel zooals Sire en Majesteit. Geen vorst heeft de holheid en de leegte dezer vormen zoo diep gevoeld als hij en dat nog wel, terwijl beroemde mannen als Monge, Chaptal, La Place, Séguier om van tientallen anderen als Fontanes en aanzienlijke prelaten niet eens te spreken, zijn lof op allerlei wijzen hebben bezongen.

"Ik ben geen operaheld. De toejuichingen der Parijzenaars heb ik nooit gezocht," heeft hij (1814) gerust mogen schrijven. "Ik heb een leven als een galeislaaf. Liever tien veldtochten dan mijn bestaan in de laatste vier weken," kreeg de Caulaincourt tijdens zijn reis door België en Holland in 1811 van hem te lezen. Als men hem in 1807 de teekening van de nieuwe munt voor Italië met het devies "Napoleon bescherme Italië" laat zien, schrijft hij er zelf naast: "Dit devies in plaats van het vroegere "God bescherme" is onbetamelijk."

"Keizer der Franschen" is mijn titel, geen bijvoeging van Augustus, Germanicus of zelfs van Cesar verkies ik," geeft hij het Instituut te verstaan, als de inschriften voor den triomfboog aan de orde zijn (1809).

Doch genoeg om aan te toonen, dat, al tooide hij het "stelsel" tegenover de wereld en het buitenland met luister en pracht, hij ook in deze zaken een eenvoudig en burgerman bleef, die het liefste was op Malmaison of later te Compiègne om daar vrij van alle banden zichzelf te wezen en als een schooljongen met stuivertje verwisselen, blindemannetje en dergelijke spelen pret te hebben als een groot kind.

Zijn intieme leven had ook volstrekt niets van dat eens keizers. Etiquette, ho maar! Geen hoofsch leven met hovelingen, kamerdienaars en statige deftigheid. Niets van dit alles. Tegen zeven uur kwam Constant, zijn kamerdienaar, jaren achtereen als een oppasser bij zijn luitenant op de slaapkamer, raapte kleeren bijeen, die de Keizer zich den vorigen avond van 't lijf getrokken en links en rechts van zich afgegooid had, hier zijn grootkruis, daar een schoen, verder op een das of een zijden kous. Terwijl zijn heer dan een warm bad nam, moest Constant hem de laatste nieuwtjes uit de stad vertellen, waar hij zelf den vorigen dag had gegeten enz.

Kwam Corvisart, de eerste lijfarts dan binnen, dan kreeg deze vaak een lachend: "Zoo aartskwakzalver, ben je daar? Heb je er vandaag al veel doodgemaakt?"

Dan schoor de Keizer zich zelf, een bijzonderheid voor die dagen, besprenkelde zich flink met eau de cologne, kleedde zich aan, nam zijn snuifdoos, ging naar zijn kabinet, waar de secretarissen reeds wachtten en zette zich aan den reusachtigen stapel werk, die hem bijna dagelijks wachtte.