Chapter 25
"Ik hef mijn kamp op, laat mijn veldbataljons door mijn derde bataljons vervangen, houd aldus bij Boulogne nog een sterke macht over, sta den 23en September met 200.000 man in Duitschland, met 25000 in Napels, marcheer naar Weenen en steek het zwaard niet op, voordat ik Napels en Venetië in mijn macht en Beierens grondgebied zoodanig vergroot heb, dat er van Oostenrijk niets meer is te vreezen," zeide hij.
Murat, Bertrand en Savary kregen in opdracht een verkenningsreis te maken langs den Neckar en den linkeroever van den Donau, de dwarswegen tusschen de rivieren onderling en den Rijn hieronder begrepen. In enkele uren dicteerde Napoleon aan Daru het gansche marschbevel van de geweldige macht, die onder den naam van het "Groote Leger" nog verspreid stond langs de kust over een frontlijn van tweehonderd uren gaans en welke den 23en September moest staan in het vak Mannheim--Straatsburg.
De verschillende korpsen wel eens "de zeven stroomen" genoemd, onder bekwame aanvoerders als Davoust, Soult, Lannes, Ney e. a. begaven zich op marsch om het tot in onderdeelen vastgestelde plan van den Keizer na te komen met als einddoel Weenen, waar men den Oostenrijkschen keizer het beloofde bezoek zou brengen.
Zoolang Napoleon niet zelf het commando op zich had genomen zou Murat hem vervangen.
Ten einde de aandacht van het buitenland uitsluitend op Boulogne gevestigd te houden, bleef hij hier nog vertoeven en veranderde oogenschijnlijk niets aan den toestand, doch verbood de dagbladen langs den linker Rijnoever over de troepenbewegingen aldaar te spreken.
Het geheele leger met inbegrip van de hulpkorpsen der bondgenooten (te zamen nog geen 30.000 man) telde ongeveer 219.000 krijgers. "Zeker bestaat er in gansch Europa geen mooiere armee dan die, welke ik thans bezit," zei Napoleon en hij had gelijk. Een keur van oudgediende soldaten vormde de minderheid ervan; het meerendeel behoorde tot de conscriptie van 1804. Anderhalf jaar lang waren die mannen dus reeds onder de wapenen, uitstekend geoefend, goed georganiseerd en nog niet door de ontberingen, de gevaren en de uitputtende diensten van den oorlog verzwakt.
Jonge uitmuntende generaals voerden hen aan. Van de zeven korpscommandanten waren alleen Augereau en Bernadotte de veertig gepasseerd.
Drie er van, Lannes, Soult en Ney waren zoo oud als de Keizer zelf. Davoust was nog één, Marmont zelfs nog vijf jaar jonger. Van de divisiegeneraals had de helft den veertigjarigen leeftijd nog niet bereikt. Al die mannen, in de volle kracht van het leven, zagen een toekomst vol grootheid en roem tegemoet, waren vol energie en krijgsvuur, kenden den oorlog en Napoleons wijze van aanvoering en waren gewoon zijn bevelen onvoorwaardelijk te gehoorzamen.
Een enkel woord over het ontstaan dezer bevelen, ontleend aan Jomini, den grooten strateeg, die langen tijd Ney's chef van den staf was, vinde hier zijn plaats.--De eigenlijke chef van zijn generalen staf was Napoleon zelf. Gebogen of liggende over een kaart, waarop de standplaatsen zijner korpsen en de vermoedelijke stellingen der tegenpartij door spelden met koppen van verschillende kleur,--rood en zwart--waren aangegeven, gewapend met een passer, die steeds openstond voor een afstand van zeven of acht uur gaans in rechte lijn, dus, rekening houdende met de krommingen der wegen, voor een marschdag van negen of tien uur, beoordeelde hij in een oogwenk het aantal dagen, voor ieder korps vereischt om op een bepaald tijdstip een zeker punt te bereiken. Terwijl hij spelden in die nieuwe punten stak en de voor elke colonne gevorderde snelheid in verband bracht met het hiervoor zoo mogelijk te stellen uur van afmarsch, dicteerde hij zijn "aanwijzingen."
Een algemeen legerbevel vaardigde hij zelden uit, want het kon den vijand in handen vallen.--Zijn onderbevelhebbers lichtte hij betreffende zijn operatieplannen meestal niet in, uit vrees, dat het geheim er van in het leger niet zou bewaard blijven.--"Den vijand verrassen in ruimte en tijd" was zijn stelregel.--Iedere korpscommandant kreeg dus meestal alleen kennis van 't geen hij zelf in verband met den algemeenen toestand had te verrichten en van 't geen zijn nevenkorpsen zouden doen.
Ongeëvenaard zijn de kracht en de oorspronkelijkheid, door hem hierbij in zijn woorden gelegd. Men voelt als 't ware de onmogelijkheid om aan zulk een bevel niet te gehoorzamen.--"Niet naar bed, voordat u mij al die détails hebt gemeld," schrijft hij aan Bernadotte.--"Ik wensch u geluk met uw succes. Maar geen rust nemen nu; den vijand achterna met het staal in de ribben en hem van al zijn verbindingen afgesneden," krijgt Murat van hem in last.--"Is de vijand niet te Memmingen, dan als de bl... terug tot op onze hoogte," kan Soult in zijn order lezen, daarna in een tweede: "Ik geef u in overweging uw adjudanten en ordonnansen hun paarden desnoods te laten doodrijden. Verdeel ze in relaisposten langs den weg naar Weissenhorn, maar bericht moet ik zoo snel mogelijk van u krijgen."
De uitwerking van de bevelen, het regelen van de bijzonderheden en de zorg, dat de orders aan de armee werden bekend gemaakt, dit alles was het werk van den Chef van den Generalen Staf Berthier. Gedurende tal van jaren heeft deze werkzame man onschatbare diensten in deze functie aan Napoleon verleend, daarbij altijd zorgende nooit in de plaats van zijn meester te treden, maar stipt zijn bevelen uit te voeren. Niets was den Chef van den Generalen Staf ooit te veel, geen werk was hem te zwaar en toen Napoleon eens tegen Daru zei, dat hij een werkezel was, gaf deze ten antwoord, dat hij in negen dagen en nachten niet had geslapen, maar dat Berthier hem ver overtrof, want deze had in dertien dagen en nachten geen oog dicht gedaan.
Den 21en September vernam de Senaat door Talleyrand in tegenwoordigheid des Keizers de grieven, welke deze tegen het Kabinet van Weenen had. De Senaat beantwoordde deze mededeeling met het beschikbaar stellen van 30.000 conscrits der lichting van 1806 en met een plan tot reorganisatie der nationale garde. Zoolang het leger zich op vreemd grondgebied bevond, zou deze zorgen voor de handhaving der orde en voor de verdediging van de grenzen en de versterkte plaatsen.
Vergezeld van Joséphine, die hem tot Straatsburg uitgeleide zou doen, vertrok Napoleon den volgenden dag naar den Rijn, terwijl Jozef, die ook naar het leger moest vertrekken, ten slotte, geheel naar zijn zin in Parijs bleef, om tijdens Napoleons afwezigheid in zijn plaats te treden, meer echter in naam, dan in werkelijkheid.
In den loop van September had Mack de rivier de Iller en de positie van Ulm verkend en besloten de komst der Russen niet af te wachten, doch achter die rivier en bij Ulm een verdedigende stelling in te nemen, terwijl hij zijn onderbevelhebbers order had gegeven in die lijn bij hem aan te sluiten.
Deze order zou nimmer tot uitvoering komen. Den 5en October stond zijn leger nog verspreid langs de Iller in Vorarlberg, in Tyrol en bij het meer van Constanz. Van het plan zijner tegenpartij had hij nog geen flauw begrip.
Uit het bevel tot samentrekken tusschen Mannheim en Straatsburg viel reeds af te leiden, wat het plan des Keizers was. Terwijl zijn cavalerie Mack in den waan bracht, dat hij, den Rijn gepasseerd, door de passen van het Schwarzwald vooruitrukte, moest de hoofdmacht de passen van dat zware bergterrein rechts laten liggen, in oostelijke richting marcheeren en daar een rechtsche zwenking verrichten, front naar den Boven-Donau. Bleef Mack dan achter de Iller staan, trok hij niet terug naar Tyrol dan moest die hoofdmacht hem insluiten en tot capitulatie dwingen.
"Wee den Oostenrijkers, als ze mij eenige dagmarschen op hen laten winnen! Dan kom ik met mijn geheele leger tusschen de Lech en de Isar," zei de Keizer een der laatste dagen van September, toen zijn cavalerie reeds lang op marsch was. En de volgens Napoleon, "zeer middelmatige" Mack liet zijn tegenpartij, onbewust van het dreigende gevaar, dien voorsprong krijgen; steeds nauwer werd de kring, waarin Ney, Lannes en Soult hem sloten; den 15en October vermeesterde Ney de Michelberg ten noorden van Ulm en vijf dagen later capituleerde Mack met het overschot van zijn leger. Zoo had Napoleon in vijftien dagen met een verlies van nog geen 2000 man een leger van bijna 100,000 strijders uiteengeslagen of gevangen genomen.
Onmenschelijk zwaar was de taak van de infanterie geweest. Van den 8en af had het onophoudelijk zoo geweldig geregend, dat de wegen grondeloos waren geworden, de paarden stervende neervielen voor de voertuigen en alleen maraude op groote schaal en een gestadige jacht op het in die streken zeer talrijke wild de soldaten in 't leven deden blijven.
Napoleon had zich door dit hondenweer niet laten weerhouden en was zelf overal in het dichtste gedrang geweest. Den 15en bij de brug van Elchingen een zwaar gewonden artillerist ziende, die hem niettemin nog salueerde, schonk hij hem zijn eigen kruis van het Legioen van Eer. Een grenadier uit Egypte, die met doorschoten lichaam en naar boven gewend gelaat in den slagregen lag en toch nog: En avant! riep, dekte hij toe met zijn eigen overjas: "Breng mij die terug en het kruis en pensioen zijn je deel," voegde hij er bij. Een kleine gewonde tamboer, die half bewusteloos in een boerenwoning naast den brandenden kachel lag en begon te mopperen, toen men hem wilde wegjagen, omdat men daar voor den Keizer een onderkomen had gemaakt moest op zijn last met rust worden gelaten. Dus sliepen Napoleon en een tamboer bij één vuur, terwijl een drom van generaals over dien slaap waakten.
Zoo leefde de veldheer met zijn krijgers. Wie zou hem niet hebben gevolgd, overal waar hij voorging?
Dat de Keizer voldaan was over dit begin van den veldtocht laat zich begrijpen. Aan Joséphine schrijft hij den 19en: "Ik heb mijn doel bereikt, ik heb het Oostenrijksche leger vernietigd eenvoudig door marschen. Ik heb 60,000 gevangenen gemaakt, waaronder 30 generaals, 120 kanonnen genomen, terwijl 90 vaandels in onze handen zijn gevallen. Ik ga mij nu op de Russen werpen, ze zijn verloren. Ik ben tevreden over mijn leger..." Dat mocht hij zijn en wat zijn infanterie vermocht zou weldra nog krachtiger blijken, want de veldtocht was niet ten einde; deze begon nu eerst.--"De Russische armee, die door Engelsch goud van de uiterste grenzen der wereld herwaarts is gevoerd, moet hetzelfde lot ondergaan," had Napoleon in zijn proclamatie aan de troepen gezegd. Een gedeelte van die armee onder Kutusof stond reeds bij Braunau aan de Inn.
Terwijl Massena met zijn kleine macht in Italië den strijd aanbindt met aartshertog Karel, dezen, nu Mack geslagen is, op zijn terugtocht over de Etsch, de Brenta en de Tagliamento nazet en hem eindelijk bij Castel Franco het zwaarste verlies toebrengt, terwijl Marmont eerlang door het bezitten van Leoben het leger van den aartshertog belet iets van belang tegen Napoleons rechterflank te ondernemen, breekt deze van Ulm op. Van de Lech wordt een tijdelijke nieuwe operatiebasis gemaakt en nu begint hij in een zoo breed mogelijk front,--om aan den kost te komen, want magazijnen had hij niet--den zwaren tocht naar het Oosten, dwars door Beieren en Oostenrijk heen, niet langs goede, harde wegen, maar langs zandwegen, mul en slecht, of, zooals de rechtervleugel onder Ney en Marmont langs bergpaden, steil en ongelijk. Het doel is Weenen.
Ging de veldtocht voor de Franschen zeer voorspoedig, ter zee was op den dag na de capitulatie van Ulm een nederlaag geleden zóó groot, dat daarmee voorloopig over de heerschappij ter zee ten voordeele van de Engelschen was beslist. Den 21en October was het admiraal Nelson gelukt de vereenigde Fransche en Spaansche vloot onder de Villeneuve bij Kaap Trafalgar, niet ver van de haven van Cadix, een nederlaag toe te brengen, zoo geducht, dat Frankrijk de gevolgen ervan in jaren niet zou te boven komen. Een zware storm had het overschot der ontredderde schepen ten slotte overvallen. De Villeneuve had zich moeten gevangen geven. Alleen de wetenschap, dat Engelands grootste vlootvoogd te midden van de zegepraal was gesneuveld, kon den Keizer eenigen troost schenken. Aan zijn grootsche plannen tegen Engeland was nu met één slag een einde gemaakt; zijn reusachtige toebereidselen te Boulogne en langs de kust waren vergeefsch geweest.
Dat de Keizer ontstemd was over den geleden nederlaag laat zich begrijpen, maar hij ging in zijn verbittering over dit verlies veel te ver. Aan de couranten liet hij verbieden over Trafalgar te schrijven. Niet aan het beleid van Nelson, aan den storm na den slag was de ondergang van zooveel schepen te wijten, beweerde hij. Tegen de scheepskapiteins, die het gevecht ontweken of door hun verkeerde manoeuvres tot de ramp hadden bijgedragen, deed hij geen vervolging instellen, maar ook weigerde hij halsstarrig eenige belooning toe te kennen aan die honderden andere officieren en schepelingen, die zich als helden hadden gedragen, die de eer der vlag hoog gehouden en hun totaal ontredderde schepen ten slotte nog in een der Spaansche havens gebracht hadden. Een pijnlijk contrast maakte hij zoodoende met de manier, waarop de koning van Spanje aan zijn zeemacht niettemin bewijzen van achting en erkentelijkheid schonk.
Den 13en November wordt Oostenrijks hoofdstad bereikt. Nergens heeft Kutusofs achterhoede ernstigen wederstand geboden; zelfs Braunau met zijn magazijnen vol buskruit en schietvoorraad is zonder slag of stoot door hem ontruimd; alleen zijn de bruggen overal vernield. "De menschen hier hebben geen aanvoerders meer. Een panische schrik heeft zich van hen meester gemaakt," zei Napoleon terecht. De Russische generaal was in vollen aftocht naar het noorden de Donaubrug bij Krems over, naar Brünn en Olmütz, naar het tweede Russische leger in Moravië.
Den 1en November hadden Lannes en Soult de boorden van de Inn verlaten; in dertien dagen had hun infanterie 32 Duitsche mijlen, in rechte lijn gemeten, afgelegd en Davoust in zestien dagen, dwars door het gebergte, 40 mijlen.
Slechts één verlies was onderweg geleden. Door een minder juist inzicht in den toestand had Napoleon aan Mortier bevel gegeven van af Passau den linker Donauoever te volgen. Den 11en door Kutusof bij Dürrenstein aangegrepen, had dat korps, dat van den rechteroever niet kon worden ondersteund, zwaar geleden; een der divisiën was zoo goed als vernietigd.
Maar Weenen was bereikt!
Dit succes was Napoleon echter niet voldoende. Het Russische leger moest worden verslagen!--Hiertoe moesten de bruggen ten oosten van Weenen over den Donau, die door de Oostenrijkers bezet en wel tot vernieling voorbereid doch niet vernield waren, in zijn bezit komen. Aan Murat, die de voorhoede commandeerde, en aan Lannes had hij hiertoe bevel gegeven. Een zooal niet bloedig, in elk geval langdurig gevecht om 't bezit er van was dus te verwachten, toen een krijgslist van deze maarschalken--een ongeoorloofde zet--hun dien overgang zonder slag of stoot in handen speelde.
Een paar dagen te voren had keizer Frans, die het overschot van zijn leger onder Kienmayer aan Kutusof had toegevoegd, een adjudant naar Napoleon gezonden om te onderhandelen. Wel was er van deze onderhandelingen niets gekomen, doch het praatje van een wapenstilstand had bij beide partijen toch reeds de ronde gedaan.
Van dit losse gerucht maken Murat en Lannes thans gebruik.
Door slechts enkele Duitsch sprekende officieren vergezeld, hun infanterie een weinig achter zich latende, wandelen zij de voorste Donaubrug op. Wel vallen er enkele schoten, maar op hun roepen, dat er wapenstilstand is, wordt dit vuur gestaakt. Bedaard blijven zij voortgaan, praten met den sergeant, die tijdelijk aan 't begin van de langste brug het bevel voert en niet durft handelen, bereiken de overzijde, rukken een onderofficier, die de zaak toch niet vertrouwt en de brug in brand wil steken, de lont uit de handen, gaan op een der vuurmonden zitten, welke den overgang in de lengte bestrijken, en maken ten slotte generaal Auersperg, die daar commandeert en in allerijl is gewaarschuwd, zelfs wijs, dat de bruggen aan hen moeten worden overgegeven.
Intusschen zijn Oudinots grenadiers vooruitgegaan; zij beginnen de kanonnen in te sluiten; en als Auersperg ten slotte aan al die mooie praatjes van Murat geloof slaat, zijn troepen verzamelt en afmarcheert, is Napoleon meester van 't terrein.
Cassatie met eerloosverklaring, gevolgd door sleuren op een horde naar 't schavot om hier te worden onthoofd, was de straf die de krijgsraad over Auersperg uitsprak. Keizer Frans veranderde ze in levenslange gevangenisstraf.
Een paar dagen later liet Murat zich op zijn beurt door den sluwen Kutusof verschalken. Deze zond n. l. prins Bagration als parlementair naar Hollabrünn deed Murat hier de stellige verzekering geven, dat er te Weenen tusschen de twee keizers een wapenstilstand was gesloten, en deed hem voorstellen het zwaard voorloopig nu ook in de scheede te steken.
Murat stemde toe en onder achterlating eener sterke achterhoede tegenover Hollabrünn trok Kutusof, van 't terrein gebruik makende, nu met zijn uitgeputte mannen zoover weg in de richting van Znaim, dat van inhalen geen sprake meer was, en hij zich vereenigen kon met het tweede Russische leger, dat hem was te gemoet getrokken en Olmütz reeds naderde.
Toen Napoleon hoorde hoe leelijk zijn zwager zich had laten beetnemen, werd hij boos.--"Hij doet mij de vruchten van den ganschen veldtocht verliezen," zeide hij. Oogenblikkelijk moest Kutusof met alle kracht worden nagezet.
Thans begon die bij Hollabrünn staan gebleven Russische achterhoede echter een woord mede te spreken. Verwoed werd daar den ganschen dag gevochten; in het geheele stadje bleef geen enkel huis overeind; alles verbrandde, ook honderden zwaar gekwetsten, die dezen helschen oven niet hadden kunnen ontvlieden.
Eenmaal Brünn met geforceerde marschen bereikt, altoos Kutusof achterna, deed Napoleon zijn uitgeputte soldaten halt houden. Door die onafgebroken zware marschen was het aantal achterblijvers en maraudeurs bij de verschillende korpsen reusachtig toegenomen. Van het regiment gardejagers te paard alleen mankeerden niet minder dan vierhonderd ruiters, ruim een derde van de sterkte. Wel sloten die achterblijvers zich in de eerstvolgende dagen grootendeels weder bij hun regimenten aan, doch in de sterktestaten, welke Napoleon ontving, was het cijfer "present onder de wapens" veel te hoog, dus onbetrouwbaar. De regimentscommandanten wisten dit; alleen de omstandigheden, waarin zij verkeerden, vergoelijkten dit misbruik eenigermate. Door de snelle marschen zonder magazijnen of voertuigen kon lang niet altijd in het onderhoud van man en paard worden voorzien; dan moest vaak ver van den marschweg gefourageerd worden op een manier, die vrijwel met stroopen gelijk stond. Oogluikend werd zelfs toegelaten, dat geheele detachementen, in strijd met 's Keizers bevelen, in den omtrek gingen maraudeeren.--De menschen en paarden moesten toch eten, werd gezegd; maar de krijgstucht leed er onder.--Dit euvel heeft Napoleon nooit kunnen meester worden. Zijn wijze van oorlogvoeren zonder magazijnen of nasleep had les défauts de ses qualités.
HOOFDSTUK XVI.
Austerlitz. Vrede van Presburg.
Elf dagen verliepen, voordat de wapenen opnieuw beslisten, een betrekkelijk lange tijd, welken Napoleon gebruikte om alle korpsen bij zich aan te trekken, die niet ten zuiden van den Donau noodig waren om aartshertog Karel in het oog te houden en voor de veiligheid der verbinding met Weenen te zorgen.
Toen hij zijn hoofdkwartier te Brünn vestigde, stond zijn leger, front naar het noordoosten, over een breedte van circa 50 Duitsche mijlen verspreid. In vier dagen kon hij echter ongeveer 85.000 man bij Brünn bijeenbrengen. Ongeveer dezelfde sterkte had het Oostenrijksch-Russisch leger onder keizer Alexander bij Olmütz.
Den 28en zond hij Savary met een onbeduidend schrijven naar dezen om te weten te komen, wat er ginds voorviel. Ditzelfde wilde de Russische keizer op zijn beurt ook doen; terwijl Savary werd ontvangen in 't midden van het leger, dus een indruk ontving van 't geheel en zien kon, dat de opmarsch in de richting van Brünn was begonnen, ging Napoleon den adjudant zijner tegenpartij tegemoet tot aan de uiterste lijn der voorposten en trachtte hem zelfs een ongunstigen indruk te doen krijgen van de tenue, de uitrusting en de houding zijner soldaten.
De bondgenooten rukten dus voorwaarts. Zij wilden blijkbaar aanvallen op hèm en niet--wat in hun geval veel verstandiger zou zijn geweest--in hun sterke stelling bij Olmütz afwachten, tot hij afkwam op hèn.
Onder die omstandigheden besloot Napoleon om niet een "gewonen" veldslag te leveren maar een, die, bracht hij de overwinning, voor de tegenpartij met vernietiging zou gelijk staan. De prachtige stelling, die de hoogten van Pratzen ten westen van het dorp Austerlitz hem aanboden, bezette hij dus niet, wel het meer westelijk en lager gelegen terrein hiervan achter de Goldbach, een beek, die van het noorden naar het zuiden tusschen tamelijk steile oevers doorloopt, in het meer van Menitz valt en o.a. bij Sokolnitz en bij Telnitz nabij dit meer verscheiden overgangen heeft. Het terrein was daar wel zeer moerassig, het meer van Satschan, dicht bij dat van Menitz gelegen, vrij diep, maar 't was winter; de laatste dagen had het hard gevroren, en het ijs was sterk genoeg om menschen en paarden, zelfs voertuigen te dragen.
Napoleons rechtervleugel bij Telnitz en Sokolnitz nu vertoonde den vijand slechts de divisie Legrand, maar kreeg het korps van Davoust, opgesteld achter heuvels en houtgewas, op grooten afstand rechts achter zich. Soult, Oudinot, Murat en de garde zouden 't centrum recht tegenover de hoogten van Pratzen vormen. Suchet zou op den linkervleugel komen en ten noorden van den straatweg Brünn--Olmütz een hoogte bezetten, die de soldaten, denkende aan een dergelijke positie, indertijd in Egypte door hen ingenomen, met den naam van Santon betitelden. Hier was het steunpunt van den linkervleugel.
Had Napoleon bij den marsch naar Brünn front gemaakt naar het noorden, thans was dit gericht naar het oosten. Zijn rechtervleugel had hij ver achteruitgebracht en schijnbaar zwak bezet met slechts één divisie; dit hadden de Russen kunnen waarnemen.
In den krijgsraad der verbondenen, waar eenige jonge, onervaren generaals den boventoon voerden tegenover Kutusof en allerlei onzinnige praatjes verkochten over het Fransche leger, zijn gebrek aan voedsel, kleeding en discipline, was dagen tevoren besloten het hooge terrein van Pratzen te bezetten, den Franschen rechtervleugel van daar uit met overmacht aan te grijpen, en Napoleon aldus van Weenen af te snijden.
Slecht was dit plan in geenen deele, maar het moest worden uitgevoerd en Napoleon, de tegenpartij, was geen gewoon veldheer.--Hij had eveneens een plan, grootsch en vermetel als hij zelf, alleen door hem uitvoerbaar. Het luidde: "Terwijl de Rus naar Telnitz marcheert en mij daar tracht te omvatten biedt hij mij zijn rechterflank; op dezen val ik."
Met onuitsprekelijke vreugde ziet hij dus, dat zijn tegenpartij in den loop van den 1en December in bovenbedoelden zin zijn maatregelen treft. Zóó innig overtuigd is hij nu reeds van het succes, dat hij zijn soldaten de "manoeuvre" voor den volgenden dag vooraf mededeelt en hen allen zoodoende bezielt met hetzelfde vertrouwen, dat hem vervult. Den dag besteedt hij aan de zorg voor de te verwachten gekwetsten. Ambulances, verbandmiddelen, alles ziet hij zelf na, vult aan, verbetert nog wat te verbeteren is en toont ook nu weder hoe hij als altijd met zijn troepen medeleeft.
't Wordt avond, een donkere, koude avond zonder maan of sneeuw.