Chapter 24
Het slot was, dat Napoleon hem gaf te verstaan, dat dit zoo niet kon gaan en Lucien zich had te onderwerpen. Deze wilde dit niet en op het einde van December 1803 vertrok hij uit Parijs naar Italië, zooals hij aan Jozef schreef "met haat in het hart." Wel kwam hij het volgend jaar in Parijs terug, wel gaf hij te kennen geen afstand te doen van zijn aanspraken wat het erfrecht betreft, wel deed Napoleon een uiterste concessie door hem te beloven in het erfrecht ook hem een plaats te geven, onder beding dat zijn kinderen uit het tweede huwelijk voor altijd bleven uitgesloten, het baatte alles niets; Lucien eischte opname in de familie en in het erfrecht, Napoleon weigerde beslist. Met Lucien werd gebroken; deze vestigde zich te Rome en de poging van mama om Lucien weder in Napoleons gunst te doen opnemen, nog eenige weken voor de kroning aangewend, had geen resultaat.
Was Lucien dus niet bij de plechtigheid op 2 December tegenwoordig, ook Napoleons jongste broer Jérome ontbrak. Met het oog op het groote verschil in leeftijd, Napoleon was 15 jaar ouder, kunnen we ons begrijpen, dat Napoleon de zorg voor zijn opvoeding geheel op zich moest nemen en tijdens het Consulaat zien we Jérome dan ook in de omgeving van Napoleon en Joséphine; deze vond hem blijkbaar een aardigen jongen, maar verwende hem in den grond en Jérome maakte daar flink gebruik van en leidde een gemakkelijk en lui leventje. Uitgaan en pret maken waren zijn hoofdbezigheden, terwijl het koopen van een reisnecessaire voor de som van 15000(!) francs wel voldoende bewees, dat hem de waarde van het geld niet erg bekend was.
Reeds waren er klachten van de broers ingekomen bij Napoleon over de verkeerde wijze, waarop hij door Joséphine werd opgevoed en zoo werd besloten hem eene opleiding voor zeeofficier te geven. Hij werd naar de vloot gezonden om onder leiding van den admiraal Gautheaume, die zeer strenge instructies van Napoleon kreeg, aan orde en tucht te gewennen. Misschien, dacht Napoleon, zou hij een groote rol ter zee kunnen vervullen evenals zijn broers in het leger en in de politiek! Aanvankelijk ging het goed en kon Gautheaume gunstige rapporten over zijn discipel aan Napoleon zenden. Jérome viel het niet moeilijk aan de nieuwe omgeving te wennen en voelde zich ook ter zee geheel op zijn plaats. Dat hij de ernst van het leven nog niet goed begreep, was met het oog op zijn jeugdigen leeftijd te verklaren en dat hij na zijn aanstelling tot luitenant ter zee, in Parijs teruggekeerd, deze bevordering duchtig vierde, eveneens. Toch schijnt hij het wat al te bont te hebben gemaakt, want Napoleon zond hem spoedig weer naar Nantes met bevel op een der schepen, de Epervier, te embarkeeren. Wel duurde het nog eenigen tijd, voor hij aan den last voldeed en zette hij in Nantes de festijnen van Parijs voort, maar eindelijk zien we hem weer zee kiezen.
Zoo treffen we Jérome op zijn brik de Epervier in het begin van 1803 in de West-Indische wateren aan; zelfs werd hij bij ontstentenis van zijn kapitein door den vlootvoogd tijdelijk met het commando over een der schepen belast, voorwaar voor Jérome, die het schip meer als een plezierjacht, dan als een oorlogsschip beschouwde en op zijn schip nu en dan als huzarenkapitein gekleed ging, een te verantwoordelijke betrekking. De gevolgen bleven dan ook niet uit. Niettegenstaande de admiraal Villaret hem beval, ook met het oog op den uitgebroken oorlog met Engeland, te vertrekken, haastte Jérome zich niet, bleef lang op Martinique, zond ten slotte de Epervier naar Frankrijk terug, maar ging zelf met enkele vrienden naar... de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, zoodat we hem in Juli van het jaar 1803 in Washington aantreffen. Dit uitstapje kostte geld, maar Jérome wist raad. Hij nam den vertegenwoordiger van Frankrijk aldaar, zekeren Pichon, in den arm en deze moest hem geld geven, wat ook geschiedde. Zoo leefde hij er te Washington en Baltimore lustig op los en dacht niet aan vertrekken, ook niet toen een Fransch schip zich in de haven bevond en de gelegenheid voor vertrek hem dus werd geboden.
In Baltimore had hij kennis gemaakt met de nog jeugdige en mooie Miss Elisabeth Patterson. De jongen, hij was pas negentien jaar, was spoedig doodelijk verliefd en wilde huwen met de schoone Amerikaansche. De consul trachtte hem er van af te brengen en waarschuwde Jérome, dat hij de toestemming van zijn moeder moest hebben en dat dit huwelijk volgens de Fransche wetten ongeldig zou wezen, maar het gelukte noch Pichon, noch anderen hem te bewegen van het huwelijk af te zien. En Miss Patterson zelf? Geen raadgevingen baatten, ook haar tot andere gedachten te brengen. "'t Was beter één uur de vrouw van Jérome Bonaparte te zijn, dan van een ander gedurende het geheele leven," gaf ze als bescheid. Zoo werd de verbintenis gesloten en zorgde vader Patterson wel, dat het huwelijkscontract de duidelijke bepaling inhield, dat bij scheiding, hetzij door Jérome, hetzij veroorzaakt door de verwanten, de dochter het recht had op het eigendom en het volle genot van een derde der goederen van Jérome en tevens, dat bij afwezigheid van Elisabeth dit aan de erfgenamen kwam!
Napoleon, dit alles vernemende, was ten hoogste ontstemd en wilde natuurlijk het huwelijk niet erkennen. Ook eischte hij onmiddellijken terugkeer naar Frankrijk, doch wel schrijft Jérome een zeer onderworpen brief aan Talleyrand met belofte van terug te komen, maar in een brief aan zijn moeder, waarin hij haar het huwelijk mededeelde, vermeldt hij niets over den terugtocht, noch roert hij daarin het ernstige feit aan, dat hij vrijwel desertie heeft gepleegd. Jérome neemt nu eenmaal alles nog al licht op; hij blijft, viert feest, maakt pret en... schuld.
We kunnen dus niet zeggen, dat de verhouding tusschen Napoleon en zijn broers tijdens de kroningsdagen zoo bijster goed was, aan de eene zijde stil verzet met schijnbare onderwerping, aan den anderen kant volkomen opstand en verwijdering.
Drie dagen later vierde Parijs wederom een luisterrijk feest, doch thans een van zuiver militairen aard. Aan al de regimenten in de hoofdstad in garnizoen en aan al de korpsen daar buiten, door den kolonel en een keurbende zijner soldaten vertegenwoordigd, reikte Napoleon de nieuwe adelaars uit, die kostbare veldteekens, zwaar van zijde, borduursels en goud, de zinnebeelden van eer en trouw, welke binnen weinige jaren zegevierend door Europa zouden gaan om ten slotte in den reuzenslag van Waterloo weg te zinken in een zee van bloed.
HOOFDSTUK XV.
Oorlog in Duitschland.
Napoleons geduchte krijgstoerustingen aan 't Kanaal hadden de onrust in Engeland sterk doen toenemen, doch Pitt was weder in het kabinet getreden. De partij van den vrede had het onderspit gedolven.
Den 5en October had een Engelsch eskader weder het bewijs geleverd, dat zeeroof nog altoos een zijner geliefkoosde middelen was tot vermeerdering van zijn gezag op den oceaan. Vier Spaansche fregatten met een lading van circa zeven millioen gulden aan boord waren zonder oorlogsverklaring buit gemaakt en prijs verklaard, omdat Spanje geweigerd had aan de Fransche schepen den toegang tot zijn havens te verbieden. Uit niets was dus af te leiden, dat Engeland naar vrede verlangde.
Voor de grondvesting zijner dynastie dezen vrede vóór alles wenschende, deed Napoleon in de eerste dagen van Januari 1805 toch nog een poging om tot dezen te geraken. Voor de tweede maal schreef hij een brief aan Engelands koning en bezwoer hem hierin "zelf aan de wereld vrede te schenken en deze zoete voldoening niet over te laten aan een volgend geslacht." Bovendien wees Napoleon op het hooge punt van welvaart en voorspoed, waarop Engeland stond; een oorlog was zonder nut en "de wereld is toch groot genoeg, dat onze beide volken er kunnen leven." Het antwoord was koel en ontwijkend. Verschillende teekenen wezen zelfs er op, dat het Pitt was gelukt den Frankrijk vijandigen geest op Europa's vastland weder tot oorlogswoede te prikkelen. Inmiddels verliep de gunstige periode voor een landing; alles werkte tegen en machteloos tegenover de elementen, die hij niet voor zijn wil kon doen bukken, moest Napoleon toezien, dat het leger aan 't Kanaal wederom een tijd tot werkeloosheid was gedoemd. Een oogenblik rees in zijn machtig brein het plan op, een legermacht van dertigduizend man om de Kaap de Goede Hoop heen naar Britsch-Indië te voeren, met de Mahratten tot bondgenoot dit land te veroveren en Albion op die wijze te treffen, doch de hierbij te overwinnen bezwaren waren te groot. Ten slotte bedacht hij een middel, dat wel uitvoerbaar was en waar hij terstond een begin mee deed maken.
Bij zijn plan voor een landing op de Engelsche kust hing alles af van tweemaal vier en twintig uur goed weer en van de aanwezigheid eener Fransche vloot in 't Kanaal, sterk genoeg om het daar onafgebroken kruisende Engelsche eskader van vijftien schepen in toom te houden. Dus ontving de admiraal de Villeneuve, opperbevelhebber over de circa zestig Fransche en andere schepen, in de havens van Brest, van Rochefort, van Le Ferrol en van Cadix verspreid, den last met die vloot in zee te steken en den steven te wenden naar Martinique in West Indië.
Natuurlijk zouden de Engelsche eskaders in den Atlantischen Oceaan hem dan derwaarts volgen.--Hun komst aldaar moest hij echter niet afwachten doch, Martinique verlatende, naar Europa terugkeeren, noordwaarts om Schotland heen naar het Nauw van Calais stevenen en het Kanaal-eskader vernietigen. Dan kon de landing geschieden. Voordat de Engelsche vloot, van Martinique terugkeerende, zijn spoor had gevonden, zou het pleit zijn beslist.--
Aanvankelijk liep alles naar wensch. Alleen had Villeneuve slechts ruim dertig schepen kunnen bijeen brengen; de Spaansche waren niet gereed. Martinique werd bereikt, ook vroegtijdig genoeg weder verlaten, maar nu richtte de admiraal den steven niet naar 't noorden, naar Schotland, doch naar 't zuiden, naar Cadix, om hier de bij de uitreis nog niet slagvaardige bodems af te halen. Een kort gevecht voor Ferrol volgde. De vloot leed schade en nu bleef de admiraal te Cadix liggen "timmeren," zoodat de vijand al den tijd had om eveneens naar Europa terug te keeren. Toen kwam het slechte weder, dat uitzeilen belette en ten slotte werd de vloot in de haven van Cadix geblokkeerd.
Voorloopig zag Napoleon van verdere landingsplannen af.
Opnieuw wijdde hij zijn aandacht aan de stoffelijke en zedelijke belangen van zijn volk. Het Burgerlijk Wetboek kwam gereed, terwijl ook voor het onderwijs maatregelen werden genomen om dit te verbeteren. In zijn jeugd had hij de ondervinding opgedaan van hoe luttele waarde het onderwijs van pastoors en geestelijken op de scholen was; ook had hij de onverdraagzaamheid dier mannen tegenover andersdenkenden leeren kennen. Hierin moest een radicale verandering komen en de eerste schreden hiertoe had hij al gedaan. Het Concordaat had de positie geregeld van de Fransche geestelijken tegenover den staat; zij waren door het land bezoldigde, doch door den paus in hun geestelijk ambt bevestigde dienaren geworden. Staatskerk was die van Rome niet geworden. Aan Pius gaf hij onomwonden te kennen, dat hij van de Roomsch-Katholieke kerk als staatskerk niet wilde weten; ieder geestelijke zou bij schending van de wetten van den staat evenals ieder Fransch burger aan de bestaande rechtbank worden overgegeven; bovendien deelde hij den paus mede, dat er in de rijksscholen wel geestelijken zouden worden toegelaten tot het geven van godsdienstonderricht, maar dat alleen de staat op de scholen gezag moest uitoefenen, terwijl het onderwijs alleen door mannen van het vak mocht gegeven worden. Als een balsem op deze wond beloofde hij den kerkvorst op diens vraag of hij niets zou terugkrijgen van 't geen hij in grondgebied, o.a. de legatiën en inkomsten had verloren, dat hij in den materieelen toestand van den Heiligen Stoel langzamerhand verbetering zou brengen; ook wilde Napoleon zelfs terstond geldelijke steun verleenen, maar hij gaf daarbij te kennen, dat hij geen verraad kon plegen tegenover een staat, die hem gekozen had tot hoofd.
Dit laatste doelde op het nieuwe koninkrijk, dat uit de Italiaansche republiek was voortgekomen en waarvan hem de kroon in het midden van Maart 1805 was aangeboden. Napoleon had pogingen aangewend om deze kroon aan Jozef te geven, dit zou dan een soort compensatie zijn geweest voor zijn afstand van het erfrecht in Frankrijk, waarvan Napoleon dan hoopte een bepaalde afstandsacte in handen te krijgen; na eerst zoo goed als aangenomen te hebben, had Jozef ten slotte toch bedankt tot groote ontstemming van zijn broeder, die daarna nog een vergeefsche poging had aangewend om de Italiaansche kroon voor een kind van Louis te bestemmen, terwijl het regentschap gedurende de minderjarigheid aan Napoleons beslissing zou zijn gebleven.
Dat de geheele intrige van de aanbieding van dit koningschap over Italië door Napoleon en Talleyrand was op touw gezet en uitgewerkt, vordert zeker geen nader betoog. Europa had deze gedaantewisseling van Noord-Italië verwacht; daar was men hem met plannen maken zelfs reeds voor. Zoo heette het in die dagen reeds, dat hij aan Louis in Holland, aan Jozef in Napels een kroon wilde geven, dat hij zijn oom Fesch tot Paus zou verheffen en Zwitserland en Genua met Frankrijk wilde vereenigen; Spanje heette al bestemd voor een derden broer. Zoo werd de publieke opinie vaak reeds voor hem bewerkt, zonder dat hij hiertoe aanleiding gaf.
Toen alle toebereidselen gemaakt waren en de ijzeren kroon der Lombardische koningen uit de schatkamer van Monza te voorschijn was gebracht, ging Napoleon, vergezeld van Joséphine en een groot deel der hofhouding, den laatsten April op reis naar Italië en gaf ook nu weder een bewijs van zijn belangstelling in al wat de bevolking zelve of het algemeen belang ten goede kon komen. Zoo liet hij o.a. te Lyon den last achter een bewaarplaats te bouwen voor niet verboden handelsartikelen van vreemden oorsprong, een brug over de Saône te hernieuwen, een graanhal te stichten benevens een teekenschool. Acht dagen later hield hij zijn plechtigen intocht in Milaan.
"God geeft ze mij. Wee hem die ze aanraakt!" werd het devies der orde van de IJzeren Kroon. 't Waren de woorden, door hem met luider stem gesproken, terwijl hij zich in de hoofdkerk te Milaan de kroon der Longobarden op de slapen drukte en zich tooide met den koninklijken ring, den mantel en het zwaard. (26 Mei 1805.) Italië werd geschoeid op de leest van het keizerrijk. Beslist was echter nog niet, wat met Italië zou geschieden, wie n.l. Napoleon aldaar zou vervangen.
Terwijl hij zich te Milaan bevond werd er een geregelde correspondentie met Pesaro gevoerd, waar Lucien vertoefde. Reeds vroeger had deze broer een soort poging gewaagd met Napoleon op beteren voet te komen en de gansche familie was in de weer om Lucien weder in genade te doen aannemen, maar Napoleon bleef bij zijn vroegeren eisch, dat Mme Jouberthon niet den naam van Bonaparte mocht dragen, terwijl Lucien wel wilde beloven, dat zijn vrouw niet aan 't hof zou komen en het ook goedkeurde, dat zij geen titel zou ontvangen, maar de twee dochters uit het eerste huwelijk moesten deel uitmaken van de keizerlijke familie. Hierover loopt in die dagen de briefwisseling van de broers, welke echter het gewenschte resultaat niet heeft.
Vlijmend scherp is Napoleons antwoord aan de familieleden, waarin hij in krasse bewoordingen Luciens gedrag afkeurt en hem verwijt de eer van zijn naam en van zijn familie op te offeren aan een "oneervolle" vrouw. Toch valt de beslissing over Italië nog niet. Nog hoopt hij op onderwerping en dan, zoo had Napoleon beloofd, wachten hem schitterende vooruitzichten. Lucien volhardt en den 7en Juni valt de beslissing over Italië, waar Eugenius de Beauharnais tot onderkoning wordt aangewezen. Ofschoon pas vier en twintig jaar oud, in administratief werk niet thuis en van de politiek nog niet op de hoogte, benoemt Napoleon zijn stiefzoon tot dit belangrijk ambt, maar waar broers renonceeren blijft hem niet veel anders over en Eugenius, die het volkomen vertrouwen van zijn stiefvader genoot en bekend stond als een ridderlijk, trouw soldaat, een der nobelste figuren uit die dagen van intrige en onbetrouwbaarheid, zou onder leiding van Napoleon spoedig de bewijzen geven, dat de keuze van zijn stiefvader niet zoo verkeerd was geweest.
De republiek Genua verzocht nog vóór Napoleons vertrek uit Milaan bij het koninkrijk Italië te worden gevoegd.
De regeling der Italiaansche zaken had tusschen Napoleon en Jozef een groote verkoeling doen ontstaan, terwijl de breuk met Lucien nu volkomen was geworden. Tevergeefs had Jozef bij zijn plannen op zijn zuster Caroline gerekend, deze had zich geheel van de broers afgescheiden, daar er met hen niets was te verkrijgen en zij beter alleen, gesteund door haar man, Murat, die als gouverneur van Parijs in de nabijheid van Napoleon vertoefde, van de goede gelegenheid kon gebruik maken om van broerlief een en ander gedaan te krijgen. Het gevolg was dan ook, dat aan Murat steeds meer waardigheden werden opgedragen en hij o. a. tot prins van het keizerrijk benoemd werd. Ook Caroline ondervond in stoffelijke dingen de groote voordeelen met Napoleon op goeden voet te wezen, zooals bleek uit de groote toelagen, die haar en Murat ten deel vielen en het kostbare geschenk van bijna een millioen francs na de geboorte van een kind aan Caroline bij haar eersten kerkgang gegeven.
Had Elisa reeds vroeger Piombino, in Toskane, van Napoleon gekregen, thans werd haar de kleine republiek Lucca als een prinsdom nog toegewezen, terwijl haar gemaal Bacciochi den titel van prins van Lucca en Piombino ontving. Dat Napoleon zijn zuster, die zich ook aan de politiek begon te geven daardoor uit Parijs verwijderde was zeker ook een hoofdmotief van deze benoeming. Elisa kon nu in haar gebied met de 130.000 inwoners naar hartelust aan de politiek doen en ze liet zich ook niet onbetuigd, terwijl ze wel zorgde, dat haar onbeduidende man tevreden bleef met den titel te voeren, zonder ook maar iets in het bestuur te zeggen te hebben.
Dat de verhouding van Napoleon weer hersteld was en aan Borghese het Fransch burgerrecht was verleend, had Pauline in hoofdzaak te danken aan haar moeder, die nooit ophield in de bres te springen voor die kinderen, welke in ongenade waren gevallen of die naar haar meening door Napoleon niet werden behandeld zooals dat behoorde.
In de eerste maanden na de kroning vinden we de moeder in Parijs, eigenlijk in afwachting van hetgeen Napoleon aan haar zou geven, want zij had noch een titel, noch een of andere bezitting ontvangen en hierover had ze meermalen haar ongenoegen te kennen gegeven en oom Fesch had er vroeger reeds met Napoleon over gecorrespondeerd. Niet alleen kostte het dezen nog al hoofdbreken welken titel aan haar te geven, maar het wekte Napoleons ontstemming ook op, dat zij voor Lucien telkens opnieuw opkwam in plaats van er voor te zorgen, dat Lucien zich onderwierp en het huwelijk verbrak. Ook tegenover Jérome moest zij voor Napoleon partij kiezen. Aan haar wensch werd echter voldaan en behalve den titel van Madame-Mère werd haar een groot jaargeld toegewezen, terwijl ze een mooi kasteel aan de Seine ter bewoning ontving, en haar zoon nog een aardige som voor de meubileering verstrekte. Toch was het er verre van af dat mama zich bijzonder dankbaar toonde; haar wenschen en begeeren reikten veel verder. Ze was te veel Corsicaansche om niet te pogen, dat de Corsicanen in Frankrijk in betrekkingen werden geplaatst, maar zooals we vroeger reeds zeiden, Napoleon dacht er niet over Frankrijk aan de clan over te leveren; zorgvuldig waakte hij ervoor dat de verspreiding der Corsicanen over Frankrijk werd voorkomen en bij de inrichting van de hofhouding van het huis zijner moeder werden wel tal van personen van het oude en nieuwe regime daaraan verbonden, maar aan de enkele Corsicanen in de omgeving van zijn moeder, werden zelfs geen officieele functies gegeven. Het was, vond Napoleon, al mooi genoeg, dat hij zijn broers en zusters zoo bedacht; nog verder te gaan, daar dacht hij niet over en de tijd zou hem leeren, dat hij zelfs met dit te doen, al veel te ver was gegaan en het woord van Stendhal: "Het was gelukkiger voor Napoleon geweest geen familie te hebben gehad" waarheid zou bevatten.
Intusschen meende Oostenrijk, dat zich bij den vrede van Lunéville zooveel van zijn invloed op het lot van Europa had zien ontnemen, in Frankrijks krijgstoerustingen tegen Engeland een geschikte gelegenheid te vinden om weder de tanden te laten zien.
Reeds in Januari was de verhouding tusschen Napoleon en Frans II een korte poos zeer gespannen geweest. Nu de eerste voor het kroningsfeest te Milaan Fransche afdeelingen hierheen had samengetrokken, achtte de laatste dit een aanleiding om zijn leger in Carinthië en Venetië op 40.000 man te brengen. In Juli d. a. v. sloot Frans met Alexander van Rusland een bondgenootschap. Deze zou twee legers, samen 100.000 man, vormen; het eene zou den 20en October bij Braunau aan de Inn staan het andere naar Bohemen marcheeren. Voorts zouden twee sterke landingskorpsen worden gevormd, bestemd zoowel voor Napels als voor Pommeren om hier samen te werken met de Zweden. Ook Engeland en Rusland waren vroeger reeds tot een overeenkomst gekomen om Frankrijk tot zijn oude grenzen terug te brengen. Napoleon was van dit alles wel op de hoogte en schreef o.a. aan Cambacérès in Augustus, dat als Oostenrijk met de ontwapening geen begin maakte Napoleon haar met 200.000 man een duchtig bezoek zou brengen, dat haar lang zou heugen; door Talleyrands bemiddeling werden aan den Oostenrijkschen gezant alle brieven ter inzage gegeven over de geheime bewapening en Napoleon gaf duidelijk te verstaan alles terug te brengen tot op den voet van drie maanden te voren, anders binnen een maand oorlog. "Indien uw meester den oorlog wil, mij best, maar zeg hem dat hij Kerstmis niet te Weenen zal vieren," zei Napoleon aan den Oostenrijkschen gezant.
Door Engelands millioenen gesteund, stonden in het najaar van 1805 met uitzondering van Turkije weer dezelfde mogendheden tegenover Napoleon als vroeger; hun doel was aan de steeds toenemende veroveringszucht van den Franschen Keizer, getuige Italië en Genua, paal en perk te stellen. Dit verbond, de 3e coalitie genoemd, was de kroon op het werk van Engelands regeering, die niets onbeproefd had gelaten de mogendheden voor het verbond te winnen. Alleen Pruisen, waar de koning binnen twee dagen na mededeeling omtrent het instellen van het keizerrijk reeds antwoord had gezonden aan zijn, "bon frère et ami" bleef voorloopig nog onzijdig. Geheel alleen stond Frankrijk ditmaal niet; in Beieren, Wurtemberg en Baden vond het steun.
Het plan van aartshertog Karel, den opperbevelhebber der Oostenrijkers, was eenvoudig. Terwijl een leger van circa 60.000 man in naam onder aartshertog Ferdinand, feitelijk onder den veldmaarschalk Mack, in Duitschland de komst der Russen afwachtte, wilde hij met een macht van de dubbele sterkte in Tyrol, doch hoofdzakelijk in Italië, aanvallend te werk gaan en hier een beslissende overwinning trachten te behalen.
Napoleon bevond zich sedert den 3en Augustus weder in het kamp van Boulogne, toen hij de tijding ontving, dat de Oostenrijkers, de Inn, de grens van Beieren, den 16en waren overgetrokken. Een korte poos hoopte hij nog, dat het eskader van Villeneuve het Kanaal zou binnenstevenen, de Engelsche vloot vernietigen en hem zoodoende gelegenheid geven zou zijn grootsche landingsplannen toch nog te verwezenlijken.--In de voornemens der bondgenooten zou dit dan natuurlijk een geduchte verandering hebben teweeg gebracht.--Eenmaal echter de zekerheid verkregen hebbende, dat de Villeneuve niet naar 't noorden maar naar Cadix was gezeild om te "repareeren," was zijn besluit genomen.