Chapter 23
Wel mag de laatste helft van het jaar 1804 een tijdperk heeten van groote plechtigheden en schitterende feesten. Den 14en Juli, den gedenkdag van Frankrijks vrijmaking, werd de instelling van het Legioen van Eer in de kerk van het hotel der Invaliden plechtig ingewijd. Vier dagen later vertrok de Keizer, vergezeld van een reusachtigen stoet grootwaardigheidsbekleeders en groot-officieren der kroon, waaronder Jozef en Louis, naar het kamp van Boulogne, om de versierselen der Orde daar zelf aan het leger uit te reiken. Meer dan een maand bleef hij aan den oever der zee, voortdurend te midden van zijn soldaten, vervuld met trots over de snelheid, waarmede de toebereidselen tot een overtocht naar Engeland vorderden, terwijl hij door zijn tegenwoordigheid allen tot nog meer inspannning opwekte, en niet schroomde zich als de geringste matroos bloot te stellen aan al de gevaren, die de vaak woelige zee en de nabijheid der Engelsche oorlogsschepen opleverden.
Eenmaal nam hij zelfs deel aan een aanval, door een flottille van kanonneerbooten gewaagd op eenige vijandelijke fregatten, die de Fransche kust te dicht waren genaderd en thans de ondervinding konden opdoen, dat die kleine, vlugge schepen hun reusachtigen romp heel wat schade konden toebrengen, doch zelf door hun laag boord zoo goed als ongedeerd bleven.
Tevens werden toebereidselen gemaakt voor de plechtigheid der ordeverleening zelve, die den 15en Augustus, den verjaardag des Keizers, zou plaats grijpen.--Met den rug naar de zee, op een heuvel, die het omliggende terrein geheel beheerschte, werd een ijzeren zetel geplaatst, die afkomstig heette van koning Dagobert. Achter dezen zetel verhief zich een reusachtige tropee van wapenen en op den vijand veroverde vaandels. Een geweldige kroon van gouden lauwerbladeren, waarboven paardenstaarten en veldteekens der mamelukken golfden, bedekte het geheel. Op het schild en in een helm van Bayard en Duguesclin, de helden uit Frankrijks roemrijk verleden, gedragen door adjudanten-generaal, lagen de uit te reiken eereteekenen.
Voor dezen troon schaarden zich in een halven cirkel al de regimenten, te zamen meer dan tachtigduizend man, die onder maarschalk Soult in het kamp van Boulogne en in dat van Montreuil waren bijeengebracht; de nieuwbenoemde ridders, in pelotons geformeerd, stonden het dichtste bij den Keizer.
Om den indruk te verhoogen was als verzamelpunt gekozen de plek, waar eeuwen te voren Cesars legioenen het strand zouden hebben bereikt, en waar de bouwvallen van een toren, naar hem genoemd, nog zichtbaar waren. Die omgeving, die praal, die pracht, dat grootsche militaire vertoon werkten electriseerend op het licht ontvlambare gemoed der soldaten. De verschijning eener vloot van zeven en veertig oorlogsschepen, die, van Havre komende, bij hooge zee, onder het dreunen van 't kanon naar de haven van Boulogne zeilde, werkte mede om de plechtigheid nog aangrijpender te maken. Toen de Keizer, na het afnemen van den eed aan de gedecoreerden, zich tot de troepen wendde en met luide, boven alles uit klinkende stem vroeg: "En gij, soldaten, zweert gij de eer van Frankrijks naam, uw vaderland, uw Keizer zelfs met gevaar van uw leven te zullen verdedigen?" klonk uit tachtigduizend kelen een allesoverweldigend: "Dit zweren wij!" boven het loeien van de verbolgen zee uit, terstond gevolgd door een even indrukwekkend: "Leve de Keizer!"
Dit oogenblik moet ook voor den imperator te midden van zijn trouwe krijgers, waarvan velen reeds jaren onder hem dienden, even onvergetelijk zijn geweest als voor allen, die er van getuige waren. Zijn gelaat glansde van voldoening. Zijn oog straalde van trots.
Nog enkele dagen bleef hij in het kamp, inspecteerde de batterijen langs de kust, opgeworpen om de transportvaartuigen te beveiligen tegen een coup de main der vijandelijke vloot, bracht toen een bezoek aan België en de nieuwe departementen langs den linker Rijnoever, vond te Maintz de keizerin, die zich baadde in het genot van schitterende feestelijkheden en openbare huldebetuigingen, bereidde hier de vorming voor van een Duitschen Statenbond en de ontbinding van het eeuwenoude Roomsche Keizerrijk en keerde in het midden van October naar de hoofdstad terug.
Ondanks het vele werk, dat dit alles hem gaf, had hij toch nog tijd gevonden aan Frankrijks wetenschappelijke instellingen te denken en de organisatie van de Polytechnische school, die der school voor burger-ingenieurs en die voor de Studie van het Recht ter hand te nemen en te voltooien.
Nog wachtte den pas benoemden keizer een zeer belangrijke gebeurtenis welke de bevestiging van het keizerrijk moest zijn: de kroning.
Ten einde het indrukwekkende van de plechtigheid te verhoogen en wel wetende dat dergelijke ceremoniën de verbeelding van de natie treffen, wilde Napoleon den paus doen tegenwoordig zijn bij die groote gebeurtenis.
De correspondentie met den paus was begonnen door eene briefwisseling van Joséphine met hem; de onderhandelingen, welke hierop volgden met den Heiligen Stoel, werden gevoerd door den reeds genoemden kardinaal Fesch. Deze "oom Fesch," evenals meer andere leden zijner naaste familie, in het geheim geen groot vriend van zijn neef Bonaparte, was een ijdel en bekrompen, maar stoutmoedig man. Hij had een eigenaardig leven achter den rug. Tijdens de Republiek had hij den priesterrok uitgetrokken en was zelfs onder la Terreur commissaris van oorlog in Italië geworden. Zijn gedragingen in dien tijd deden niet erg aan den oud-priester denken, want groote rijkdommen wist hij zich toen te verwerven door aankoop van meesterstukken uit de oude Italiaansche school, door de Fransche generaals uit de musea gestolen en vaak voor een appel en een ei aan den sluwen Corsicaan, die een goed kunstkenner was, overgedaan. Na den 18en van Brumaire was hij, die door zijn afzondering en vrome houding vergiffenis van zonden had verworven, weder geestelijke geworden en op voorspraak van zijn neef door den paus tot kardinaal benoemd.--
Met zijn plaatsing in Rome, nog wel ter vervanging van den gematigden en zeer voorzichtigen Cacault was de paus wel niet bijzonder ingenomen, maar, hoewel op diplomatiek gebied een volslagen leek, kon Fesch in handen van Napoleon een zeer bruikbaar werktuig worden voor de taak, welke Napoleon in Rome voor hem bestemd had. De Chateaubriand, die in alles ver boven hem stond, werd hem daar als secretaris toegevoegd.
Na de onderhandelingen had Napoleon in September van uit Keulen schriftelijk den wensch te kennen gegeven van de overkomst. "Die daad zou den zegen des Heeren, die in zijn raadsbesluiten over het lot der volkeren en der huisgezinnen beschikt, op hem en op zijn volk doen nederdalen."
Met eenige verbazing had men in Rome eerst dit verzoek ontvangen en al was Pius VII een der eersten, die Napoleon met zijn keizerskroon had gelukgewenscht, hij had er wel wat op tegen voor een dergelijk menschelijk motief Rome zoo lang te verlaten. Ook bij het Heilige College vond Napoleons uitnoodiging ernstige tegenkanting. Daar was men de hoofdartikelen van het Concordaat en die inmenging van het wereldlijk gezag in "zoogenaamd" geestelijke belangen nog volstrekt niet vergeten en was de achterdocht tegen den nieuwen monarch zeer levendig.
Zelfs de gezant Cacault, die zooals we zagen te Rome voor Fesch had moeten plaats maken, schudde over al die grootsche plannen het hoofd.--"Zie nu eens aan!" zei hij, "de Keizer acht zich zelf een Karel de Groote. Een zoon van hem zou zoo'n figuur kunnen worden, ja, doch hij zelf zal ten allen tijde een Pepijn de Korte blijven. Met Albion zoo dicht bij de poorten van Parijs is geen Karel de Groote denkbaar. Caprara (de kardinaal) heeft hem het hoofd op hol gebracht. Wat hebben ze mij mijn generaal en mijn Eersten Consul bedorven! Hij luistert niet meer naar mij. Hij heeft mij senator gemaakt--mij dus met stomheid geslagen."
Toch zwichtte de paus ten slotte voor de bijna brutale betooggronden van Fesch en voor de wel niet eerbiedige, doch tevens bevelende brieven van den Keizer, die zich in een der laatste dezer o, zoo sluw en voorzichtig gestelde epistels "zijn vrome zoon" had genoemd. Noch de lange reis, noch het protest van Lodewijk XVIII of van de te Londen aanwezige, uit Frankrijk gevluchte bisschoppen, weerhield den paus om aan het verzoek te voldoen. Wat den paus er toe bewoog? Zeker niet eigen belang maar alleen het belang van de kerk en de vrees, bij weigering haar bloot te stellen aan onherstelbare slagen. Ook de angst voor bezetting van Rome door Fransche troepen had hem zeker tot toegeven genoopt. In een college van kardinalen werd onder zekere voorwaarden bij groote meerderheid van stemmen het plan goedgekeurd, maar we kunnen ons voorstellen, dat velen onbewimpeld hun afkeuring er over te kennen gaven.
Vooral de vermaarde pamfletschrijver de Maistre viel 's pausen zwakheid heftig aan en stelde deze nog beneden de misdaden van een Alexander Borgia. Zelfs hoopte hij dat "die goedzak" het onderweg zou afleggen en zijn "afschuwelijke geloofsverzaking" met den dood zou bekoopen.
Doch aan het besluit viel niets meer te veranderen. Alle bijkomende bezwaren waren door Napoleon uit den weg geruimd.
De kosten van de reis zouden door Frankrijk worden gedragen; aan al de eischen van etiquette, voor den Heiligen Stoel altijd een zaak van het allerhoogste gewicht, zou worden voldaan. Ook was door Napoleon uitdrukkelijk bedongen, dat de kroning door hem zelf verricht zou worden.
Vol angst voor allerlei denkbeeldige gevaren, die hem in dat "goddelooze" Frankrijk wachtten, maar tevens innig overtuigd, dat hij dit offer moest brengen ter verhooging van de glorie der kerk, aanvaardde Pius VII, vergezeld van een aantal kardinalen, in de eerste dagen van November 1804 den langen tocht over de bergen. Een massa paternosters voor de dames der hofhouding, een paar antieke vazen voor Joséphine en voor Napoleon twee antieke cameeën, eenig van bewerking en teekening, voorstellende Achilles en Scipio's zelfbeheersching, bracht hij als geschenken mede. Was zijn angst op de reis over Piacenza, Parma en Turijn reeds eenigermate begonnen te wijken bij het zien van den eerbied, waarmede hij overal werd begroet, te Lyon verdween die volkomen om plaats te maken voor een nameloos gevoel van verrukking.--Zijn oude raadsman Caprara had dus de waarheid gesproken, toen hij beweerde, dat deze reis de kerk tot heil strekken en hem zelf overgroote voldoening schenken zou!--
Te Lyon was de gansche bevolking van Provence, van Dauphiné en Bourgogne samengestroomd om hem, den kerkvorst te zien, te eeren en geknield zijn zegen te ontvangen.
Was dàt nu het volk, dat steeds in opstand heette tegen God en zijn gebod, dat tronen omvergeworpen en een vorigen paus gevangen gezet had!
Den 25en November had in het bosch van Fontainebleau de eerste ontmoeting met Napoleon plaats en hier werd de paus door de keizerin en de leden der keizerlijke familie enz. opgewacht. Drie dagen later zegende de kerkvorst van het balkon der Tuilerieën in 't bijzijn van Napoleon de buiten geknielde menigte. Welk een schouwspel in de Tuilerieën, waar twaalf jaar geleden de meest gruwelijke tooneelen hadden plaats gehad. Dat alles voor den paus was ingericht op de wijze als in het Vaticaan, een attentie van Napoleon, trof den kerkvorst bijzonder. Welk een ontvangst te Parijs! Het scheen half een droom voor den vromen man, die zelfs te midden van de groote weelde, waarmede Napoleon hem deed omringen, in levenswijze en voeding aan allen, die hem zagen, tot voorbeeld had kunnen strekken. Een paar schoteltjes met in olie toebereide groenten vormden o. a. zijn middagmaal.
Het is te begrijpen, dat de a. s. plechtigheid van de kroning voor tal van familieleden, die daarbij zouden tegenwoordig zijn, reeds weken lang een onderwerp van bespreking vormde en het vooral een zeer gewichtige zaak was, welke rol ieder daarbij zou moeten vervullen. Bij het verdeelen van die rollen tusschen de schoonbroeders en de zusters was in de eerste plaats de vraag besproken, of Joséphine ook zou worden gekroond. Napoleon had met zijn antwoord geaarzeld. De hartstochtelijke drift harer schoonzusters vooral van Murats vrouw Caroline, om bij de plechtigheid een hoofdrol te vervullen, had de jaloezie van Joséphine in zoo hooge mate opgewekt, dat zij, zich niet langer meester, op deze schoonzuster een toespeling maakte, in haar wezen gelijkstaande met de afschuwelijke verdachtmakingen waarvan niet de koningsgezinden alleen zich in dien tijd tegenover Napoleon bezondigden, en die ook later door allerlei letterkundig gespuis zijn gebezigd om den Keizer in de oogen der nakomelingschap te verlagen tot een monster, voor wie zelfs de banden des bloeds niet heilig waren. Lodewijk XVIII vond een beetje cronique-scandaleuse, waarvan zijn gevallen vijand het onderwerp was, zelfs wàt aardig.
Verwoed was Napoleon opgestoven; zijn drift had over zijn liefde gezegevierd; dreigend had hij haar het woord "echtscheiding" toegeslingerd. Hortense en Eugène hadden ridderlijk de partij hunner moeder gekozen, doch de Bonapartes hadden gejuicht over deze nederlaag der gehate Creoolsche, "die haar man geen nakomelingen schonk." Hierdoor was Napoleon tot bezinning gekomen; hij had de kracht gemist de gezellin zijner jeugdige jaren en haar twee kinderen, die hij zoo bijzonder genegen was, in ballingschap te zenden; een omhelzing was gevolgd en daarbij de belofte, dat Joséphine tegelijk met hem zou gekroond worden.
Schier kinderlijk blij was zij nu terstond voor haar toilet gaan zorgen.
IJdel en wuft, spilziek en lichtzinnig, een echt kind der tropen, doch medelijdend en zielsgoedhartig tevens, werd zij volkomen terecht door de Parijzenaars "de goede keizerin" geheeten en door hen letterlijk op de handen gedragen. Vaak bedrogen, vaak misleid, bleef ze niettemin in haar goeddoen volharden. Zij kon geen tranen zien en vergoot er zelve zooveel! Ook haar hebben de jaloezie en de haat aan al wat met het huis Bonaparte verwant was, niet gespaard. Niet geheel ten onrechte is haar verweten, dat zij als de weduwe de Beauharnais onvoorzichtig is geweest en met den verwaanden cynieken Barras op al te intiemen voet verkeerd heeft, niet ten onrechte ook, dat haar gedrag in de eerste maanden van haar huwelijk tegenover Bonaparte verkeerd was. De tijd echter, waarin die behaagzieke jonge vrouw, de vriendin van mevrouw Tallien, later bijgenaamd Nôtre Dame de Thermidor, leefde, was een tijd van algemeene verdorvenheid van zeden en zeker waar is het, dat uit diezelfde vrouw door haar innige liefde voor Napoleon, een levensgezellin is geboren even vlekkeloos van levenswandel als eenmaal de vrouw van Cesar Augustus. Zelfs de boosaardige steken door Barras in zijn gedenkschriften op haar gericht, zijn niet bij machte geweest dit feit te ontzenuwen. Voor den Keizer is zij een brave, trouwe echtgenoote geweest, die hem aanhing met hart en ziel, die hem daarbij dermate vereerde, dat zij hem nooit anders dan met "U" en "Sire" toesprak.
Dat zij later om staatkundige redenen is verstooten, zij, die zooveel leed gelenigd, zooveel smart verzacht had, hebben velen Napoleon nooit kunnen vergeven.
Men houde ons deze kleine uitweiding ten goede, zij was hier, dachten wij, niet misplaatst.
Joséphine had dus gezegevierd, ze zou worden gekroond, maar voor dit geschiedde, behaalde ze een tweede overwinning. We zagen vroeger, hoe ze bij het huwelijk van Louis en Hortense het verzoek achterwege liet om evenals Murat en Caroline de kerkelijke wijding van haar huwelijk te ontvangen. Thans echter wist ze het zoover te brengen. Nog altijd vreezende voor een scheiding, bang voor de intriges aan het hof en die van Napoleons broers, ook om godsdienstige redenen, vroeg zij een dag voor de kroning een audientie bij den paus. Dezen vertelde ze, dat ze nooit voor een priester gehuwd was en de paus gaf haar daarop ten antwoord, hetgeen zij wel had voorzien, dat hij dan noch den Keizer, noch haar kon zalven overeenkomstig de wetten en hoewel vertoornd op zijn vrouw, was Napoleon wel genoodzaakt toe te geven. Zoo werd het huwelijk den 1en December in het diepste geheim en zonder getuigen door "oom" Fesch nog kerkelijk gewijd. Joséphine zorgde er wel voor van Fesch een certificaat te ontvangen en eenmaal kerkelijk ingezegend, duchtte ze geen echtscheiding meer, want een kerkelijk gesloten huwelijk kon immers niet meer worden ontbonden! We weten, hoe de tijd haar anders leerde.--
2 December 1804 was de groote dag!
Onder klokkengelui stroomde het volk door de met vlaggen getooide stad naar de plaats der plechtigheid, de Nôtre-Dame. Voorafgegaan door den paus kwam Napoleon, gevolgd door de keizerin, de prinsen en prinsessen de kerk binnen, daarop volgden de maarschalken, dragende de kroon, de schepter, degen enz. Met plechtige toespraken werden de verschillende initialen door den paus aan den Keizer overhandigd, daarna zette hij zich zelf de kroon op het hoofd en ontving daarop den pauselijken zegen.
Vervolgens nam Napoleon de kroon en plaatste deze op het hoofd van Joséphine, die met tranen in de vriendelijke oogen voor het altaar geknield lag; het was het meest aangrijpende oogenblik, alleen verstoord door den perfiden glimlach van Talleyrand. Wat moet dit moment voor haar wel geweest zijn, maar ook welk een gebeurtenis in het leven van den Corsicaan, die zoo echt eenvoudig maar begrijpelijk tijdens de ceremonie zijn broer Jozef aanstootende, zeide: "Jozef, als vader ons nu eens zag."
De mooie rede van den kerkvorst, zijn waardige verschijning, verhoogde nog de plechtigheid en toen Napoleon ten slotte den eed had afgelegd, daverde een "Leve de Keizer" door de kathedraal.
De kroning maakte zoowel in als buiten Frankrijk grooten indruk en in zoover had Napoleon dus volkomen zijn doel bereikt.
Pius VII vertrok niet direct na de kroning, maar bleef nog enkele maanden in Frankrijks hoofdstad, het scheen den kerkvorst goed te bevallen en ten onrechte heeft men wel beweerd, dat er niet de noodige egards voor hem werden in acht genomen. Na in April van 't volgende jaar nog het kind van Louis en Hortense te hebben gedoopt, vertrok hij weder naar Rome, waar hij in Mei aankwam, zoo al niet verheugd over den afloop der onderhandelingen met Napoleon dan toch uiterst voldaan over de hartelijke ontvangst hem allerwege bereid en de groote piëteit, die de Franschen voor hem als hoofd der kerk hadden aan den dag gelegd.
Het kind, dat de paus had gedoopt en welke plechtigheid met groot ceremonieel was gevierd en waarvan aan alle hoven bericht was gezonden, bracht, evenals het eerste kind, in het droevige huwelijksleven van Hortense en Louis een lichtstraaltje; reeds van het begin af was de verhouding slecht geweest. Louis, in den regel afwezig, had reeds in de eerste dagen van hun huwelijk de weinige kieschheid gehad, Hortense in te lichten over het vroegere leven van haar moeder en men zal erkennen, dat deze volstrekt onnoodige mededeelingen niet bevorderlijk waren voor een goede verhouding. Zijn hard en dikwijls onbillijk optreden tegen Hortense hadden bovendien de uitwerking, dat zij in stilte leed en in de afwezigheid van haar man, zonder haar hart uit te storten, in de omgeving van Napoleon en Joséphine eenige vergoeding trachtte te vinden, voor 't geen ze met Louis samenwonende, volkomen miste. Wel scheen de komst van het eerste kind eenige verandering ten goede te brengen, maar het was van korten duur en de melancolieke man van vroeger, die het nergens kon vinden, telkens voor ziekte naar het Zuiden moest en zich ook op politiek gebied niet bewoog, zooals zijn broers, maakte het leven van Hortense inderdaad ongelukkig. Wel nam hij ten slotte zijn betrekking van divisiegeneraal en lid van den Staatsraad aan, maar noch het een, noch het ander had zijn belangstelling.
Geheel anders Jozef! We weten, hoe deze altijd in oppositie was tegen zijn jongeren broer; wat had het Napoleon een hoofdbreken gekost bij de regeling van het erfrecht, Jozef te voldoen. Nauwelijks was het hem bekend, dat Napoleon het kind van Louis als zijn opvolger wilde aanwijzen of Jozef ging direct aan het werk om voor zijn rechten op te komen en hierin vond hij zoowel bij Lucien als Louis steun, zoodat deze zelfs door hem werd overgehaald de aanwijzing van zijn kind als opvolger te weigeren. Napoleon was geëindigd met Jozef naar Boulogne te zenden, waardoor hij niet in Parijs kon komen en Napoleon de gelegenheid kreeg het erfrecht te regelen op de wijze, zooals hij dat wilde, zonder dat Jozef hem hierin kon weerstreven en tevens aanhangers kon winnen om zich tegen de plannen van zijn broer te verzetten.
Ten slotte was Jozef gezwicht. 't Was dan ook al te verleidelijk; de waardigheid van Prins met een tractement van één millioen, die van Groot-Keurvorst met 333.333 francs en dan nog als woning een paleis, wie zou er niet wat voor laten loopen, vooral als men dan nog binnen 6 weken twee gratificaties ontvangt uit de "grande-cassette" van 300 en 50.000 francs! 't Was de moeite waard, doch 't verzet van Jozef tegen zijn broer eindigde er toch niet mee. Dat zat nu eenmaal in 't bloed.
Dat Jozef zoo intiem was met Bernadotte, die ook al door zijn toedoen o.a. maarschalk was geworden, hinderde den Keizer geweldig; dat hij zijn huis inrichtte op zoodanige wijze dat daaraan lieden werden verbonden, die Napoleon niet gezind waren, eveneens en toen Napoleon in October 1804 o.a. met Jozef overleg pleegde over de regeling der kroning, kwam het tot een hevige uitbarsting tusschen de broers. Napoleon wist wel waar hem de schoen wrong. Jaloezie tegenover Eugenius de Beauharnais en Hortense speelde een hoofdrol en in het bijzijn van anderen kwam het soms tot heftige scènes, waaruit Napoleons groote genegenheid voor zijn stiefkinderen ten duidelijkste bleek. Ten slotte stelde Napoleon zijn broer voor de keuze òf zich geheel uit het publieke leven terug te trekken, òf te blijven voortgaan hem tegen te werken, òf zich openlijk met hem te verbinden. Napoleon zegt hem openhartig, dat hij het laatste hoopt, maar geeft hem ook duidelijk te verstaan, dat hij het tweede niet zal dulden en dat hij hem dan ook openlijk als vijand zal beschouwen. Jozef onderwerpt zich en kiest het laatste; we zullen zien, dat het meer schijn dan werkelijkheid was.
Van de zijde van Jozef dus verzet, met Lucien was de band reeds geheel verbroken! Zagen we vroeger hoe deze broer in Portugal goede zaken had gemaakt en van het aldaar verkregen geld goede sier maakte in Parijs en zich grandioos inrichtte, een tweede huwelijk van Lucien met Madame Jouberthon was de oorzaak van de verwijdering tusschen hem en Napoleon. Juist in den tijd, dat Napoleon het plan had hem te doen huwen met een Spaansche Infante, weduwe van den vorst van Etrurië, kwam Napoleon tot de ontdekking, dat hij in alle stilte gehuwd was met Mme Jouberthon, een toch al niet te gunstig bekend staande dame en dat niet alleen, maar zelfs was er voor de sluiting van het huwelijk reeds een kind geboren. Het is te begrijpen, dat de huwelijksvoorstellen van Napoleon bij Lucien weinig ingang vonden, maar eveneens, dat zijn broer, alles van het tweede huwelijk hoorende, in woede ontstak. Aanvankelijk van plan ernstige maatregelen te nemen, begreep Napoleon, dat deze toch weinig zouden uitwerken en het wijzer was niets meer te doen, daar noch hij, noch ook zijn moeder eenigen invloed op Lucien zou hebben. Eenmaal voor dit fait-accompli geplaatst, eischte hij echter, dat Luciens vrouw niet den naam van Bonaparte zou dragen. De jongere broer dacht er niet over naar den anderen te luisteren, eischte wel degelijk dien naam voor zijn vrouw op en dat niet alleen, hij wilde ook voor haar een plaats in de familie.