Napoleon

Chapter 22

Chapter 223,715 wordsPublic domain

Uit al de hierna volgende verhooren bleek hoe langer hoe duidelijker, dat het geheele komplot uitsluitend door de koningsgezinden en de émigrés in Engeland was op touw gezet, terwijl de groote hoeveelheden Engelsch goud, in 't bezit der gearresteerden gevonden, genoegzaam aanwezen welk een aandeel Engeland zelf er aan had. De émigrés waren arm; zij hadden door de omwenteling alles verloren.

Was het te verwonderen, dat Bonaparte, die terwille van diezelfde uitgewekenen zijn populariteit en, wat in die dagen van heel wat meer beteekenis was, het vertrouwen van alle oprechte en eerlijke aanhangers der omwenteling had op 't spel gezet, ziende, wie hier achter de schermen zaten, woedend werd, zoo woedend zelfs, dat hij dagen achtereen zijn plannen te Boulogne, Brest en Texel vergat?

Een voorbeeld zou gesteld worden en den Bourbons moest worden duidelijk gemaakt, dat men niet ongestraft zich in verbinding stelde met lieden als Cadoudal en anderen. Bovendien, die voortdurende onrust nagejaagd te worden en elk oogenblik misschien door een sluipmoordenaar zijn leven te verliezen, daaraan diende voor goed een einde te komen; in drie jaar tijd waren er reeds zeven samenzweringen geweest. Uitgebreide maatregelen werden genomen en Savary lag weken achtereen, met een sterke brigade gendarmes op de loer bij de klip van Briville, nabij Dieppe aan 't Kanaal, een bij de smokkelaars in die dagen welbekende landingsplaats. Volgens getuigenis van Picot en van Bouvet de Lozier was daar de plek, waar een der prinsen zou landen, zoodra te Parijs alles voor den aanslag gereed was. Op diezelfde plaats waren maanden te voren Pichegru en Cadoudal ook op Fransch grondgebied gekomen en vandaar waren ze langs boschwegen en afgelegen paden naar Parijs gegaan, waar zij zich hadden verscholen.--

Ofschoon uit de verhalen van eenige der gevangen genomen chouans vernomen werd, dat Moreau aan de samenzwering niet wilde meedoen, werd hij den 15en Februari toch gevangen genomen. Niet lang daarna vielen ook Pichegru en tal van bij het komplot betrokken edelen en chouans in handen der politie. Den 9en Maart werd ook Cadoudal na een woedend verzet op straat gevangen genomen.--

Terwijl het proces tegen deze samenzweerders in vollen gang was en men nog niet wist in hoever Fouché en zijn gewetenlooze agenten in deze zaak een rol hadden gespeeld, werd Bonaparte, zoowel misleid door verkeerde voorstellingen en door de inblazingen van zijn vleiers en enkele verdorven of blindelings gehoorzamende personen uit zijn omgeving, tot een daad gebracht, die ten eeuwige dage als een bloedvlek op zijn naam zal blijven kleven.

Wij bedoelen de terechtstelling van den jeugdigen hertog van Enghien, den kleinzoon van den prins van Condé.

In het Badensche plaatsje Ettenheim ten N. W. van Freiburg, niet ver van de Fransche grenzen woonde deze Bourbon reeds sinds het voorjaar van 1801. Had hij vroeger in de gelederen der émigrés als kolonel van een Oostenrijksch regiment tegen Frankrijk gestreden, na den vrede van Lunéville had hij zich in Ettenheim gevestigd uit genegenheid voor de aldaar vertoevende prinses Charlotte de Rohan-Rochefort; tevens om in het Zwarte Woud van de jacht te kunnen genieten. Nog steeds stond hij met Engeland in betrekking en ontving zelfs van dit land een maandelijksche toelage van 150 pond sterling. In zijn omgeving bevonden zich o. a. de markies de Thumery en eenige andere uitgewekenen van minder beteekenis.

In tegenwoordigheid van Talleyrand werd Napoleon door Fouché ingelicht betreffende de aanwezigheid van dezen Bourbon zoo dicht bij de Fransche grenzen.

Bonaparte liet daarop in stilte door een sluwen wachtmeester der gendarmerie, die Enghien van vroeger kende, een onderzoek ter plaatse instellen en daardoor kwam hij onder meer te weten, dat de hertog, hoewel zijn vader hem tegen dergelijke onvoorzichtigheden van uit Engeland ernstig gewaarschuwd had, zich wel eens te Straatsburg vertoonde. Tevens werd meegedeeld, dat ook de generaal Dumouriez (een naamsverandering met Thumery) zich vaak te Ettenheim bevond.

Dit rapport van den gendarme, waarin de naam van den gedeserteerden generaal Dumouriez voorkwam naast dien van Enghien, bracht Bonaparte in verband met de verklaring van Cadoudal voor den rechter, dat een prins van den bloede, wiens naam nog niet zeker bekend was, met Cadoudal te Parijs zou samenwerken tot het volvoeren van den aanslag.--

Hij verweet den minister Real, het nieuwe hoofd der politie op heftigen toon zijn onbekendheid met het feit, dat een Bourbon zich zóó dicht bij de grenzen ophield en belegde daarop terstond tegen den 10en Maart een buitengewone vergadering, waarin de twee andere consuls, de ministers en ook Fouché tegenwoordig waren.

De minister van Justitie deed verslag van 't geen het verhoor van Cadoudal en diens medeplichtigen had aan 't licht gebracht. Talleyrand volgde met een lang rapport over de vertakkingen van het komplot, onder anderen in Baden en besloot met het voorstel den hertog van Enghien op te lichten en aan de zaak een einde te maken.

Cambacérès was de eenige, die zich ernstig tegen dit plan verzette, daar hij ook vreesde, dat deze schending van Badens grondgebied op de kabinetten van Europa een ongunstigen indruk zou maken. Maar Napoleon riep hem toe: "Denkt gij dan mijnheer, dat ik mij zal laten vermoorden als een hond? Dat ik niet anderen de verschrikkingen zal laten ondervinden, waarmee zij mij mijn leven willen omringen? Neen, neen, ik zal een slag toebrengen, die hen allen zal doen sidderen."

Het voorstel van Talleyrand werd met algemeene stemmen, op die van Cambacérès na, aangenomen.

Onmiddellijk werden maatregelen genomen; aan den Badenschen minister werd door Talleyrand bericht gezonden van den voorgenomen aanslag en uit het decreet van den keurvorst van Baden, waarbij aan alle émigrés het verdere verblijf in de staten werd ontzegd, uitgevaardigd een dag na de arrestatie van den hertog, blijkt voldoende, dat er bij den keurvorst niet over werd gedacht te protesteeren wegens de schending van grondgebied. Dat de keurvorst zijn waardigheid aan Napoleon dankte en tevens dat zijn grondgebied onder de kanonnen van Straatsburg lag, werkten zeker mede tot deze zachte stemming.

In den morgen van 15en Maart werd Enghien te Ettenheim door den majoor der gendarmerie Charlot zonder verzet gevangen genomen. Zijn papieren werden in beslag genomen en hij zelf onder bewaking van Charlot eerst naar Straatsburg, vervolgens naar Verdun gevoerd.

De bevelen werden stipt uitgevoerd en het bevelschrift van Charlot was even kort als duidelijk:

"Op last van den Eersten Consul. 14 Maart 1804.

"Begeef u terstond bij nacht naar Ettenheim, neem den hertog van Enghien gevangen en leg beslag op al zijn papieren. Met uw hoofd staat gij voor hem in.

Moncey, generaal der gendarmerie."

Van Verdun bracht men hem naar Parijs en hier kwam het bevel, dat de hertog naar Vincennes moest worden overgebracht, waar hij den 20en Maart aankwam. Alles ging met de grootste geheimzinnigheid, want aan niemand mocht iets omtrent den gevangene worden meegedeeld en in Vincennes, waar men niets wist van zijn komst, moest in allerijl een kamer voor hem in gereedheid worden gebracht. Het bevel tot opsluiting was inmiddels verschenen.

Dienzelfden nacht nog, want alles moest, volgens Bonaparte's last aan Savary, voor het aanbreken van den dag zijn afgeloopen, kwam onder voorzitterschap van generaal Hulin op het kasteel een krijgsraad bijeen. Murat, gouverneur van Parijs, had dezen krijgsraad op de gebruikelijke wijze samengesteld; over den beklaagde moest onverwijld een vonnis worden geveld naar aanleiding van de punten van beschuldiging, welke in een bijgevoegd besluit van het gouvernement waren vervat. Dit besluit luidde:

"Vrijheid.--Gelijkheid.

Parijs, 29 Ventôse, jaar XII der Één en ondeelbare Republiek.

"Het gouvernement der Republiek besluit als volgt:

"Artikel I.--De voormalige hertog van Enghien, verdacht van het dragen van de wapenen tegen de Republiek, van ook nu nog in Engelsche soldij te staan, van deel uit te maken van de komplotten, door deze mogendheid gesmeed tegen de binnen- en de buitenlandsche veiligheid der Republiek, zal worden gebracht voor een krijgsraad, samengesteld uit zeven leden, te benoemen door den generaal-gouverneur van Parijs en zitting nemende te Vincennes.

"Artikel II.--De groot-rechter, de minister van oorlog en de generaal-gouverneur van Parijs zijn belast met de uitvoering van dit besluit.

De Eerste Consul Bonaparte."

Voor dezen krijgsraad erkende Enghien ruiterlijk, dat hij de wapenen tegen de Republiek had gedragen, het laatst als bevelhebber der voorhoede van het leger van zijn grootvader Condé; ook deelde hij mede maandelijks van Engeland geld te ontvangen, maar nooit had hij in eenige betrekking gestaan tot Pichegru of Dumouriez en gaf zelfs zijn afkeer te kennen van de verachtelijke middelen, waarvan de eerste zich, naar hij gehoord had, wilde bedienen. Dat hij bereid was wederom de wapens op te nemen ontkende hij niet, integendeel, hij deelde zelfs mede, dat hij bij het uitbreken van den oorlog aan Engeland had gevraagd dienst te mogen nemen in het Engelsche leger; de Engelsche regeering had hem echter geantwoord hem daartoe niet de gelegenheid te kunnen geven, maar dat hij aan den Rijn moest blijven, waar hij een rol te vervullen zou hebben.

Ten slotte vroeg hij om een onderhoud met den Eersten Consul, "mijn naam, mijn rang, mijn wijze van denken en het gruwelijke van mijn toestand doen mij hopen, dat hij mijn verzoek niet zal afwijzen," voegde hij erbij.--

De nachtelijke beraadslaging had een paar uur geduurd en daarna ging de krijgsraad tot beraadslaging over met het gevolg dat de krijgsraad hem met algemeene stemmen schuldig verklaarde en hem ter dood veroordeelde. De wetten op het dragen van wapenen tegen de Republiek waren zeer streng en dat de jonge hertog er prijs op stelde de eerste te zijn, die de degen zou trekken in den oorlog van Engeland tegen Frankrijk, dit laatste had vooral op de leden van den krijgsraad, allen oude soldaten, o. a. de kolonels van de Parijsche regimenten, een zeer ongunstigen indruk gemaakt.

Onmiddellijk moesten de maatregelen worden genomen om het vonnis te voltrekken, want de last was zeer duidelijk geweest, dat alles voor het aanbreken van den dag moest zijn afgeloopen. Wel had Enghien verzocht om een onderhoud met den Eersten Consul te hebben, doch de krijgsraad had zich niet gerechtigd geacht eigenmachtig op te treden en de executie van het vonnis uit te stellen.

Nog voor het daglicht aanbrak, was de laatste telg der Condé's in een der grachten van het kasteel door Fransche soldaten gefusilleerd! Het drama was afgespeeld en tegen zes uur had Savary van af de borstwering van het slot zich overtuigd, dat aan het bevel van zijn meester was voldaan.

Nog denzelfden morgen deed Savary rapport over hetgeen was voorgevallen aan Bonaparte, die zich echter ontstemd toonde over de groote haast, die gemaakt was en over de mislukking van de opdracht aan Real gegeven om Enghien te hooren omtrent punten, die in verband stonden met het proces tegen Cadoudal en Pichegru.

Met betraande oogen kwam Joséphine daarna zijn kabinet binnen.--"Och, och, wat heb je gedaan! Wat heb je gedaan!"

"Die ongelukkige kerels hebben te veel haast gemaakt," gaf hij driftig ten antwoord.--

Bij het bekend worden van het vonnis ging er in Europa een kreet van verontwaardiging op.

De Chateaubriand, de schrijver van Atala en van Génie du Christianisme was door Bonaparte benoemd tot gevolmachtigd minister in Wallis (Zwitserland). Toen hij kennis kreeg van hetgeen er in Vincennes had plaats gehad, vroeg hij zijn ontslag alsof hij hiermee zeggen wilde: "Gij hebt een misdaad gepleegd. Een gouvernement, dat zich bevlekt met het bloed van een Bourbon, verkies ik, oud-uitgewekene, niet langer te dienen."

"In Frankrijk," zegt Talleyrand "verhief zich geen enkele stem tegen deze daad van snood geweld. Dit is bedroevend doch waar; het kan alleen worden verklaard door de angst van de natie voor het schokken van een gouvernement, dat Frankrijk aan de anarchie had ontworsteld." De moordaanslag in de Rue Nicaise was blijkbaar nog niet vergeten.

Aan de hoven was men bewogen met het lot van den jongen hertog en vertoornd op Bonaparte, maar van een krachtig protest was geen sprake. Zagen we dat Baden een decreet uitvaardigde, waarbij aan de émigrés het verder verblijf in het land werd ontzegd, ook Beieren en Hessen volgden dit voorbeeld. Was men in de omgeving van de Pruisische koningin hevig verontwaardigd op de gewelddaad van den Eersten Consul, de koning liet door zijn minister aan de Fransche regeering zeggen, dat hij hoopte dat het Bonaparte zou gelukken de samenzweringen tegen zijn persoon en het gouvernement voor goed te vernietigen!

Rusland, juist met Engeland in onderhandeling over een verdrag om geldelijke steun, verzette zich meer officieel. Een uitnoodiging aan Oostenrijk om zich bij het protest aan te sluiten werd beantwoord met een veelbeteekenend: "Nous sommes à la bouche du canon," zoodat Rusland alleen te Parijs om opheldering vroeg. Het kwam van een koude kermis thuis, want Bonaparte gaf een vlijmend scherp antwoord terug, daarbij doelende op den geheimzinnigen dood van Paul I. Terecht, want Rusland, met zijn historie zoo vol van gewelddaden, had zeker het minste recht een protest te doen hooren.

Aan Zweden verschafte de zaak een mooie gelegenheid om zijn haat eens flink te luchten en sinds dien werd er altijd gesproken van "Mijnheer Napoleon Bonaparte."

Meer dan een eeuw ligt er tusschen het heden en den dag waarop de hertog van Enghien het leven liet. Veel van hetgeen toen nog in het duister lag, is thans bekend. Intusschen hebben wij ook het tweede keizerrijk leeren kennen met zijn heirleger van mouchards en agents provocateurs, een bende uit de geheime middelen betaalde, gewetenlooze ellendelingen, die menigmaal een onschuldig gezegde tot een misdaad tegen den staat wisten op te blazen. Hoe dieper men doordringt in de bijzonderheden dier laatste dagen van het Consulaat, hoe meer zich de overtuiging vestigt, dat de agent provocateur en de betaalde spion onder de opperste leiding van den gewetenloozen oud-Jacobijn, den gehaten en gevreesden minister van politie Fouché, ook in het drama van Cadoudal en in de verdachtmaking van Moreau en den hertog van Enghien een rol hebben gespeeld. Niets ontzag Fouché om zijn persoonlijk belang te bevorderen en bij Bonaparte in het gevlei te komen om weder tot minister van politie te worden benoemd, hetgeen hem inderdaad ook gelukt is.

En niet alleen Fouché, maar ook Talleyrand heeft in deze zaak een belangrijke rol vervuld en meegewerkt tot de afwikkeling van het drama. Hij heeft er zich zelfs op beroemd, Napoleon tot een krachtig optreden te hebben aangespoord. Was deze dan misleid? Naar onze meening, wat betreft Enghiens aandeel in het komplot, wel, wat zouden anders zijne woorden: "Mijn God, wat hebben de ellendelingen mij laten doen!" voor zin hebben, toen hij later vernam, dat de hertog in die dagen nooit te Parijs was geweest en dat hij ook nooit met Dumouriez in eenige relatie had gestaan.

Maar dit alles neemt niet weg, dat ook Bonaparte schuld treft, want de schending van het neutrale grondgebied vindt geen verdediging met een beroep op het meer voorkomen in de geschiedenis van dergelijke gevallen. Deze schending was in hooge mate af te keuren.

Toch nam Bonaparte de verantwoordelijkheid ook van het vonnis geheel op zich en dat standpunt heeft hij ook nog op St. Helena ingenomen, want in zijn testament lezen wij: "Ik heb den hertog van Enghien doen gevangen nemen en vonnissen, omdat dit voor de veiligheid, het belang en de eer van het Fransche volk noodzakelijk was, nadat was gebleken, dat de graaf van Artois zestig moordenaars op mij had afgezonden. In een soortgelijk geval zou ik wederom zoo handelen."

Het echt Corsicaansche begrip van de vendetta kwam ook bij deze terdoodbrenging terstond aan het licht, de Bourbons tegen de Bonaparte's; het leven van Bonaparte was op het spel gezet, men schoot op hem, welnu hij eveneens op hen. De samenzweringen moesten eindigen, men hoort er de eerste jaren ook niet meer van; het voorbeeld had geholpen; "het is misschien een misdaad," zegt Masson, "het is niet een fout."

Al is het overtuigend gebleken, dat de hertog van Enghien, noch met Dumouriez, noch met Pichegru in verbinding stond, al wist hij van het komplot niets dan toen het iedereen bekend was, dit alles wist Bonaparte niet, hij was door al wat hij had gehoord overtuigd, dat Enghien wel degelijk daarbij was betrokken.

Dat Cadoudal en zijn chouans het op Napoleons leven hadden toegelegd staat vast; dat Engeland dezen struikroover met goud steunde, valt niet te loochenen en dat Drake, de Engelsche gezant aan het hof van Beieren, een diplomaat van hoogen rang dus nog wel, eveneens tegen Bonaparte samenspande is bewezen.

Persoonlijk heeft hij meegewerkt om dezen schavuit in een geborduurden rok te ontmaskeren.

Vernemende, dat ook nog anderen den Eersten Consul naar het leven stonden, had Drake o. a. durven zeggen, "dat het onverschillig was door wien het beest werd neergeveld, als allen slechts terstond gereed waren om aan de jacht deel te nemen."

Bemerkende, welken indruk de moord van Enghien alom in het buitenland teweegbracht, zond Bonaparte aan al de hoven van Europa een afschrift van de correspondentie, tusschen dezen Drake en diens agenten gevoerd, om hierdoor het bewijs te leveren, welke ellendige rol Engeland tegenover hem speelde.

HOOFDSTUK XIV.

De Keizerskroon.

Het is zeker, dat Bonaparte nooit zoo'n hoog standpunt heeft ingenomen in de oogen van de natie dan na den vrede van Amiens. Zoowel de boer op het land als de bezitter van goederen, zoowel de niet-beroepssoldaat als de middenklasse in stad en provincie, ja allen, alleen enkele onverzadelijken en ontevredenen uitgezonderd, wenschten den vrede. Bonaparte had hem gebracht en hij verscheen daardoor in de oogen van de natie als de overwinnaar en de vredestichter! Geschikter oogenblik was er dus niet om zijn gezag voor goed te vestigen en Bonaparte was er de man niet naar, dit juiste moment te laten voorbijgaan. Het Consulaat voor het leven werd gevestigd en aan de inrichting van het staatsbestuur, maar ook aan tal van andere maatregelen, als de instelling van het Legioen van Eer en den terugkeer van vele emigranten, was het duidelijk zichtbaar, dat dit alles slechts een overgang was tot nog hoogere macht en titel. De instelling van een hof werd aangekondigd en al wat er geschiedde, duidde op de uitwerking van het monarchale idee.

Dat echter het aanbieden van de keizerlijke waardigheid aan den Eersten Consul een uiting is geweest van de dankbaarheid van het Fransche volk tegenover den man, die na den val van het Schrikbewind en het Directoire welvaart, voorspoed en rust had gebracht, kan niet worden gezegd. Alles werkte er toe mede en reeds maanden waren de gemoederen in Frankrijk op een verandering van den staatsvorm voorbereid.

De ontdekking van de samenzwering van Cadoudal veroorzaakte een bijzonder gunstige stemming van de natie ten opzichte van Bonaparte en hiervan werd door hem gebruik gemaakt om thans de vervulling van een zijner liefste wenschen te verkrijgen. Fouché, de man, dien hij verachtte, doch dien hij noodig had, al wilde hij dit niet erkennen, dreef hem uit eigenbelang letterlijk de trappen van den troon op, zijn omgeving zag er een middel in tot vermeerdering van haar inkomsten en aan de meeste familieleden was het niet onwelkom in de grootheid en de eer van Bonaparte te deelen.

Het voorstel van het Tribunaat om hem als hoofd van de Republiek de keizerskroon te schenken, deze erfelijk te verklaren en het goedkeurend adres in denzelfden zin van het Wetgevend Lichaam, werden gevolgd door de opdracht van den Senaat. (Mei 1804.)

Dat de natie, die eenige jaren te voren het hoofd van haar koning had geëischt, thans eenstemmig dacht met den Senaat, bewees de uitslag van het plebisciet van 1 December 1804. De vraag op Napoleons uitdrukkelijk verlangen daarbij aan haar voorgelegd, was: "of ze de erfelijkheid der keizerlijke waardigheid verlangde in de rechte, natuurlijke, wettige en adoptieve lijn van Napoleon Bonaparte en van Louis Bonaparte, zooals die was geregeld bij besluit van den Senaat van 29 Floréal van het jaar XI."

Van de ruim drie en een half millioen thans uitgebrachte stemmen waren er nog geen 2600 "tegen."

Nauwelijks had Napoleon zijn nieuwe waardigheid aanvaard (18 Mei) of hij begon met zijn gewone voortvarendheid te werken aan de inrichting van het bestuur en aan het vaststellen der met deze verbonden waardigheden.

Het eerst dacht hij aan zijn vroegere ambtgenooten. Cambacérès werd aartskanselier, Lebrun aartsthesaurier. Zijn broeder Jozef benoemde hij tot groot-keurvorst, Louis tot connétable. Achttien zijner oude krijgsmakkers, zooals Augereau, Lannes, Massena, Davoust, Murat, Berthier, Bernadotte, Soult, Ney en Bessières werden maarschalk en ontvingen voor 't meerendeel tevens den titel van prins, hertog of graaf naar de plaatsen, waar zij hadden gezegevierd.

Tot groot-officieren der kroon werden voorts benoemd: tot groot-aalmoezenier zijn oom, de kardinaal Fesch, tot opperkamerheer Talleyrand, tot hofmaarschalk Duroc, tot opperjagermeester Berthier, enz. De titels van Hoogheid, Excellentie, Majesteit en Keizerlijke Hoogheid kwamen weder in gebruik. Het geheele arsenaal van betrekkingen, vormen en ceremoniën van den vroegeren tijd werd tegelijkertijd met den geborduurden rok, den staatsiedegen en den gegalonneerden steek weder te voorschijn gehaald. Het is te begrijpen, dat al die nieuwe baantjes tevens goed werden betaald, zelfs kreeg Talleyrand later jaarlijks 495.000 francs, ja de dotaties gedurende het keizerrijk gegeven aan chefs van korpsen en ministers overtroffen voor enkelen zelfs het bedrag van 1.000.000 francs!

De eenige, die protest indiende tegen den nieuwen toestand, was de broeder van den onthoofden koning, Lodewijk XVI, maar Napoleon nam van dit protest geen notitie en duchtte het zoo weinig, dat hij het in zijn geheel in den Moniteur liet opnemen.

Den 10en Juni 1804 wees het crimineele gerechtshof van de Seine vonnis in de zaak van George Cadoudal. Het veroordeelde hem en negentien van zijn medeplichtigen ter dood; de overigen tot gevangenisstraf, Moreau tot twee jaar detentie. Pichegru had zijn vonnis niet afgewacht maar, heette het, zelfmoord gepleegd en zich in het begin van April in zijn cel opgehangen, hetgeen niet best te verklaren is, want het was hem bekend, dat Bonaparte plannen met hem had in Guyana en hij kon dus begrijpen, dat er voor hem geen doodvonnis was te wachten. Napoleon, zooals hij van nu af aan zou heeten, begon zijn regeering als zoodanig met een daad van grootmoedigheid en genade. Acht van de twintig ter dood veroordeelden, waaronder Lozier, generaal Lajolais, de markies de Rivière en Armand de Polignac kregen gratie. De hechtenis van Moreau werd veranderd in verbanning naar Noord-Amerika. Zijn goederen werden verbeurd verklaard.

Met elf man van zijn bende liet Cadoudal het leven op het schavot. Zijn familie werd na den val van Napoleon door Lodewijk XVIII in den adelstand verheven!!