Chapter 21
Te Parijs hoorde Bonaparte nu de verschillende partijen. Bij Engelands onbetrouwbare politiek was het voorkomen eener nieuwe coalitie voor hem van 't meeste belang en een hecht bondgenootschap op het vasteland met Pruisen bijvoorbeeld, hiertoe van onberekenbaar nut, al mocht deze staat hierom toch ook weder niet zoo machtig gemaakt worden, dat hij Oostenrijk overheerschte, anders kon die op zijn beurt van een nuttigen bondgenoot een gevaarlijke mogendheid worden.
In het door hem ontworpen plan zouden Oostenrijk, Pruisen en Frankrijk drie groote staten vormen met ver van elkander verwijderde grenzen. Midden tusschen deze drie gelegen, zou de Duitsche Bond, tot één groot lichaam vereenigd, dan de even eervolle als belangrijke rol vervullen van scheidsmuur en van stootkussen tevens.
Het slot der onderhandelingen, door dit van grondige zaakkennis getuigende plan noodzakelijk geworden, was, dat met Pruisen en met Beieren, na Oostenrijk Duitschlands hoofdstaten, een overeenkomst werd getroffen, waarbij ook de belangen van het huis van Oranje-Nassau niet waren vergeten.
Het hoofd van dit huis zou de republiek erkennen; Pruisen zou ditzelfde doen ten opzichte van de Italiaansche republiek en het koninkrijk Etrurië en onvoorwaardelijk goedkeuren, dat Piëmont met Frankrijk werd vereenigd.
Wel kwam Oostenrijk een oogenblik tegen de uitvoering van het plan in verzet, dreigde er weder een oorlog, en stonden de Beiersche troepen bij 't bezetten der hun toegewezen landstreken, bij Passau een korte poos tegenover de Oostenrijksche, maar de energieke houding van Frankrijk, Pruisen en Beieren had tengevolge, dat feitelijke vijandelijkheden uitbleven, en dat de vrede in Duitschland niet werd verstoord. Den 25en Februari 1803 werd een beslissing verkregen. Beurtelings Pruisens eerzucht en Ruslands trots als middel bezigende om Oostenrijk te weerstaan, de macht van dezen staat verkleinende, zonder hem tot wanhoop te drijven, had Bonaparte voor Duitschlands welzijn en voor Europa's rust zijn wil in midden-Europa doen zegevieren.
Laten wij thans in 't kort nagaan, wat sinds 18 Brumaire door Bonaparte was verricht. Het Directoire eenmaal omver geworpen, had hij de teugels van het bewind met forsche vuist aangegrepen, de door Siéyès ontworpen grondwet ten deele gewijzigd, het staatsbeheer in allerijl geordend, het staatscrediet opgebeurd, voor de geregelde heffing en storting der belastingen maatregelen getroffen, de legers de eerste hulp doen toekomen, de Vendée onverhoeds met troepen overstroomd en den opstand hier ten deele bedwongen, uit diezelfde troepen daarna in stilte een reserveleger bijeengebracht; dit, toen Europa nog van geen vrede wilde hooren zelf over de Alpen naar Italië gevoerd, Oostenrijk hier bij Marengo verslagen en het verbijsterde Europa een wapenstilstand van een half jaar afgedwongen.
Deze tijdruimte had hij gebezigd om in de politiek van het vaste land een volkomen omkeer te brengen; de Ligue der Onzijdigen in 't leven te roepen, Pruisen tot vriend te krijgen, al de havens van Europa van Texel tot Otrante voor Engeland te doen sluiten en reusachtige toerustingen te maken tot hulp van Egypte. In 't binnenland had hij tegelijkertijd het financiewezen en het staatscrediet hersteld, de Fransche Bank in 't leven geroepen, de wegen vernieuwd, de rooverbenden uitgeroeid, over de bergen prachtige verbindingen met Italië aangelegd, allerwege aan kanalen en bruggen een ontstaan gegeven en de grondslagen gelegd voor een nieuw stelsel van wetten. Dan had hij Oostenrijk, dat nog altijd aarzelde met vrede sluiten, door Moreau's schitterende overwinning bij Hohenlinden gedwongen de door hem gestelde voorwaarden aan te nemen en het tractaat van Lunéville te onderteekenen. Eindelijk hadden zijn onverzettelijke wilskracht en de geduchte slagen, door zijn ijzeren vuist aan Engelands handel en industrie toegebracht, ook dit rijk genoopt in zijn vijandige houding tijdelijk verandering te brengen en had hij door het sluiten van den vrede van Amiens de kroon gezet op zijn werk tegenover het buitenland. Een Concordaat, waardoor Rome zich had verzoend met de Republiek, een amnestie voor de bannelingen, een reeks heilzame staatswetten, een krachtig stelsel voor openbaar onderwijs, een Legioen van Eer ter belooning van iederen Franschen burger, die zich jegens den staat verdienstelijk had gemaakt, hadden hem in drie jaar tijd in het hart der natie een plaats doen veroveren, zoo hoog, zoo verheven als vóór hem zelfs een vorst nog nooit had ingenomen. Voor Frankrijk was hij geworden l'Homme. Schooner eeretitel kon hem niet worden gegeven. Dat anderen dan hij, vrienden van hem als Tronchet en Cambacérès, zijn buitengewone werk- en wilskracht, zijn ver strekkende fantasie en grootsche bedoelingen opmerkende, beducht waren voor de toekomst; dat de eerste, hem vergelijkende met Cesar, de vrees uitsprak, dat hij ook als die Romeinsche Imperator eenmaal zou eindigen, deed niets af aan de glorie, welke zijn naam thans omgaf. Dat hij van de Republiek weinig meer dan een naam had overgelaten, zag ieder; dat hij Frankrijk de vrijheid niet had gebracht, eveneens. Maar de Republiek had Frankrijk aan den rand van den afgrond gevoerd, en de vrijheid waarvoor het tien jaar lang goed en bloed had veil gehad, was een droombeeld gebleken. Waarom den man, die rust, vrede en welvaart had doen wederkeeren, de oppermacht niet geschonken, waarnaar hij de hand uitstrekte? Niemand had die nog ooit zoo ten volle verdiend.
Zoo dacht de natie.
HOOFDSTUK XIII.
Oorlog met Engeland. Een nieuwe Samenzwering.
"Steeds heb ik, door alle met de waardigheid der Fransche natie vereenigbare middelen, gestreefd naar vrede met Engeland," heeft Napoleon op St. Helena gezegd. "Ik voedde haat noch naijver tegen dat land. Wat raakte het mij of het toenam in rijkdom en voorspoed, mits dit ook het geval was met Frankrijk. De heerschappij over den oceaan betwistte ik het niet, alleen verlangde ik, dat het de vlag van Frankrijk eerbiedigde op zee, zooals de keizer van Rusland en die van Oostenrijk dit deden te land."
Maar Engeland verkoos Frankrijks vlag niet te eerbiedigen. Het tegendeel was waar. Frankrijk moest, zoo beweerde o. a. lord Aukland, vernederd, klein gemaakt, zijn politieke invloed vernietigd worden om de Engelschen gelegenheid te geven hun zeemacht, hun handel en hun industrie zonder concurrentie uit te breiden. Alleen onder deze voorwaarde wilde Albion hooren van een wereldvrede.
Met al den hartstocht van zijn vurig temperament heeft Napoleon dit stelsel bestreden. Een jarenlange oorlog is hiervan het gevolg geweest, maar de verantwoordelijkheid voor dezen strijd draagt Engeland, want dit heeft al de coalities tegen Frankrijk in 't leven geroepen en ze met millioenen gesteund. Dat de vrede van Amiens zoo spoedig is verbroken, is in hoofdzaak alleen te wijten aan Engeland en zelfs een van Napoleons heftigste bestrijders [26] der laatste jaren, heeft dit in zijn biografie van Napoleon I erkend. "De Engelschen," schreef hij, "hadden gehoopt van den vrede te kunnen profiteeren om hun handel op te heffen uit zijn verval, doch zagen zich reeds enkele maanden later in hun plannen bedrogen. Napoleon had niet alleen niet bewilligd in een vernieuwing van het handelstractaat van 1786, dat den invoer van Engelsche koopwaren in Frankrijk begunstigde ten koste der Fransche nijverheid, maar zelfs een nieuwe overeenkomst gevorderd, die de ontwikkeling van Frankrijks handel onbelemmerd liet. De onderhandelingen werden slepende gehouden of leverden niets op; intusschen vaardigde Napoleon een decreet uit, waarbij de Engelsche koopwaren door hooge invoerrechten werden getroffen. Van stonde aan eischten fabrikanten en kooplieden toen den oorlog; voor hun belangen was deze nog minder nadeelig dan een vredestoestand, die hen ruïneerde."
Engeland wilde Frankrijk verarmd, onderworpen, Napoleon wilde het groot, machtig en geëerd zien. Van een botsing tusschen deze twee beginselen was een oorlog op leven en dood het noodzakelijke gevolg. Reeds in September 1802 achtte Bonaparte het raadzaam Pruisen, waarmede hij den 5en dier maand een militaire conventie had gesloten, te waarschuwen voor "de Engelsche kuiperijen." Redenen hiertoe waren voor 't grijpen. De voornaamste bepalingen van het tractaat o. a., het binnen drie maanden ontruimd hebben van Malta en Egypte waren door de Engelschen nòg niet nagekomen; de pretendent, de graaf van Artois, de Condé's werden nog geregeld uit de Engelsche schatkist ondersteund, droegen nog de vervallen Fransche decoraties en vertoonden zich hiermede zelfs bij wapenschouwingen, genoten vorstelijke eerbewijzen en spanden openlijk samen tegen de bij den vrede officieel erkende Republiek. Dan stond George Cadoudal, Napoleons belager, te Londen in hoog aanzien, leefde er op staatskosten als een grand seigneur; eindelijk ging er geen dag voorbij, waarin de Engelsche pers en die der émigrés geen variatie leverden op het grondthema, dat tirannenmoord geen misdaad was en regende het pamfletten, waarin Bonaparte en zijn familieleden op de gemeenste manier in woord en beeld werden gehoond en belasterd.
Had Napoleon die aanvallen op zijn persoon met hooghartig zwijgen beantwoord, dan zou hij hierdoor niet alleen Europa achting hebben afgedwongen, maar zijn aanvallers tevens geen voldoening hebben geschonken. Voor het volgen van zulk een gedragslijn was hij echter veel te opvliegend en te lichtgeraakt. Dat in Engeland vrijheid van drukpers bestond en zelfs de persoon des konings daar in schotschriften vaak belachelijk werd gemaakt en over den hekel gehaald, telde hij niet, maar greep zelf naar de pen, gaf in verschillende dagbladen lucht aan zijn verbolgenheid, stelde het Engelsche gouvernement verantwoordelijk voor 't geen tegen hem werd geschreven en vorderde op hoogen toon een verbod, dat aan dien schimp een einde kwam.
Onder allerlei voorwendsels begon Engeland in November, dus in vollen vrede, zich weder te wapenen. Dat Frankrijk Louisiana, waarop het zelf was belust geweest, in ruil voor klinkende munt wilde afstaan aan Noord-Amerika; dat het Piëmont in 1801 bij zijn grondgebied had ingelijfd; dat de Eerste Consul in Zwitserland als bemiddelaar was opgetreden; dat de kolonel Sebastiani, belast geweest met een zending naar het Oosten, over den toestand van Egypte een omstandig rapport had uitgebracht, dat echter volstrekt niet geheim gehouden doch in extenso in den Moniteur opgenomen was, waren feiten, zoo beweerde de minister Hawkesbury, die ieder op zich zelf wel geen casus belli vormden, maar te zamen genomen blijk gaven van vijandige bedoelingen bij Frankrijk. Het bezit van Malta was des Pudels Kern; dat Engeland dit eiland onder geen beding meer wilde loslaten, nu Napels en Tarente door de Fransche troepen waren ontruimd en het den sleutel der Middellandsche Zee hiermede had in handen gekregen, zei de minister niet, maar was voor niemand een geheim. Wel bleef geheim, dat het Engelsche gouvernement om een schikking mogelijk te maken, Bonaparte door bemiddeling van Jozef verschillende persoonlijke voordeelen als zijn erkenning tot consulaire Majesteit met de erfelijkheid van dezen titel in zijn familie, deed aanbieden, mits hij niet langer aandrong op Malta's ontruiming.--
Wat kenden de Engelsche diplomaten nog weinig van dien eenvoudigen soldaat, die op alle politiek gedraai antwoordde met heldere, onverbiddelijke logica, die nooit doekjes wond om zijn voornemens, hen met hun diplomatiek gebazel deed versteld staan en o. a. den gezant Whitworth de uitdrukking ontlokte, "dat hij bij zijn onderhoud met hem (1803) veeleer gedacht had een Franschen ritmeester tegenover zich te hebben dan het hoofd van een der machtigste staten van Europa." Oorlog met Engeland wilde hij bepaald niet. Toen de ontruiming van Malta nog altoos niet volgde, verzocht hij de bijeenroeping van een Europeesch congres om de uitvoering van het tractaat van Amiens te waarborgen, noodigde keizer Alexander, in de quaestie van Malta scheidsrechter te wezen, verpandde bij voorbaat zijn eerewoord, dat hij zich aan diens beslissing zou onderwerpen, zelfs al zou Malta ten eeuwigen dage aan Engeland toebehooren, maar dat zijn eer en plicht hem verboden het af te staan uit vrije beweging en dwong door deze fiere en ridderlijke taal den Russischen gezant Markoff eerbied af. [27]
Van een congres, zooals hij dit voorstelde, wilde Europa niets weten; dan had het hierdoor niet alleen het door Frankrijk gekozen gouvernement erkend en bevestigd, maar ook de verheffing gesanctionneerd van dien soldaat van onbekende afkomst, die de roem en de grootheid der schoonste dagen van Lodewijk XIV aan Frankrijks horizon deed gloren. Dit wilde Europa juist niet. Frankrijk moest liever klein en zwak dan groot en machtig gemaakt worden.
En keizer Alexander? Deze stond te zeer onder den invloed van Engeland, waaraan hij waarschijnlijk in hoofdzaak zijn vroegtijdige troonsbeklimming had te danken, om in dezen scheidsrechter te willen wezen. Ook Pruisens houding was niet bijster vriendschappelijk.
"Mijn hof wil zeker van zijn oogenblikkelijk zoo gunstige positie gebruik maken om Frankrijk zeer gevoelige slagen toe te brengen zonder dat het zelf er iets van heeft te duchten," mocht Whitworth wel schrijven aan zijn Russischen collega te Parijs en Bonaparte was zoo overtuigd van zijn onmacht ter zee en wist daarbij zoo goed hoe de zaken loopen zouden, dat hij den minister van financiën Marbois vroeg "of de Fransche reeders niet te bewegen zouden zijn hun ladingen te verzekeren bij Engelsche maatschappijen."
In Maart 1803 werd het duidelijker dan ooit, dat Engeland den oorlog wilde. In dezelfde maand had Bonaparte op een receptie den Engelschen gezant in heftige bewoordingen te verstaan gegeven, wat hij van Engelands houding dacht.--"Gijlieden zijt tot den oorlog besloten; gijlieden verlangt oorlog. Reeds vijftien jaar hebben wij dien gevoerd; een tijdperk van nog vijftien wilt gij er aan toevoegen en gij dwingt mij er toe!" had hij Lord Withworth letterlijk toegesnauwd, zoodat al de aanwezigen over dien uitval versteld stonden. Geen twee maanden later was het zwaard reeds weder uit de scheede gerukt. Engeland dacht er niet aan Malta los te laten en voor Bonaparte was de Middellandsche Zee dan gesloten; hij bleef dus bij zijn eisch volharden het tractaat van Amiens na te komen en Malta te ontruimen. Ja, Engeland ging nog verder en eischte zelfs Lampedouze tusschen Malta en Tunis gelegen, hoewel dit in het tractaat van 1802 niet eens genoemd was. Deze laatste eisch kon als een soort ultimatum worden opgevat en nog voor het midden van Mei vertrok de Engelsche gezant.
Wederom oorlog dus en met den erfvijand! Weg waren de gedachten aan welvaart en voorspoed, aan dagen van vrede. Al zijn droomen van voorheen, de visioenen van grootheid, van een reusachtig rijk in het Westen van Europa's vastland rezen weder bij Bonaparte op.--Engeland moest overwonnen, vernederd, verlaagd en als het kon vernietigd worden, dit werd van af dit oogenblik de hartstocht van zijn leven en in de eerstvolgende twee jaren zien wij hem met al den ijver, met al het vuur van vroeger bezig om van Den Helder tot Brest een transportvloot en een leger bijeen te brengen, zoo geducht, zoo geweldig, dat geheel Europa er van versteld stond en Albion de schrik om 't hart sloeg.
Nog voor de gezant het Fransche territoir had verlaten, waren de vijandelijkheden van Engelsche zijde reeds begonnen met het in bezit nemen van tal van handelsschepen. Bij een decreet van den 22en Mei, den dag waarop Frankrijk haar oorlogsverklaring deed, werd bepaald, dat al de Engelschen, die zich op Fransch grondgebied bevonden, in hechtenis moesten worden genomen.
Bovendien kreeg Mortier last van uit Nijmegen met een leger naar Hannover te gaan en dit keurvorstendom, dat aan den koning van Engeland behoorde, binnen te rukken en te bezetten. De pas 35jarige generaal kweet zich goed van zijn taak, want reeds negen dagen na ontvangst van het bevel tot den inval, had het Hannovraansche leger van bijna 40 000 man zich overgegeven, een succes, dat Napoleons bewondering opwekte. Tevens begon de generaal Saint-Cyr dwars door den Kerkelijken Staat naar de haven van Otranto te marcheeren om deze te wapenen. Moest Mortier zorgen het Pruisisch territoir ongeschonden te laten, Saint-Cyr kreeg in opdracht de grootste gematigdheid tegenover de Italiaansche bevolking aan den dag te leggen; bovendien moesten alle leveringen contant worden betaald, terwijl alle oproerige bewegingen terstond onderdrukt dienden te worden.
Vergezeld van Joséphine begon Bonaparte zelf in Juni een militaire en politieke inspectiereis door het noorden der Republiek en België langs Antwerpen en Vlissingen. Hier bezocht hij alle scheepstimmerwerven, tuighuizen en magazijnen en vond te midden van alle feestelijkheden, welke hem overal doch voornamelijk te Brussel wachtten en waarvan zijn vrouw volop genoot, nog tijd om aanteekeningen te maken betreffende 't geen hij had gezien en verkeerd bevonden.
Ternauwernood te Parijs terug van dezen vermoeienden tocht door dat bij uitstek roomsche land, waarheen hij uit staatkunde ook den stokouden, pauselijken legaat Caprara had meegenomen, begon hij naar aanleiding van die opmerkingen een reeks van bevelen te geven.--Hier had de schatkist verzuimd, tijdig genoeg fondsen te zenden voor de aannemers; daar had het departement van marine nagelaten de benoodigdheden voor de vloot te bezorgen; verderop was de directie over de bosschen te laat met den aankoop en de levering van hout; nog verder was 't de artillerie geweest, die vergeten had vuurmonden of munitie af te geven en zoo meer.
Voor dit alles zorgde hij thans zelf. Voor hem bestonden geen bezwaren. Ten slotte begaf hij zich naar Boulogne, het middelpunt van de beweging tegen Engeland, de plaats, waar de hoofdtoebereidselen nu werden gemaakt om 120 000 soldaten, 15 000 paarden en circa 400 bespannen vuurmonden met hun voertuigen in te schepen en over het Kanaal, dat daar ongeveer tien zeemijlen breed was, naar de Engelsche kust te voeren. Het plan was, dat ook van Brest en van Texel tegelijkertijd een groot eskader, elk met 15 000 man aan boord, zou uitzeilen. De oorlogs- en de transportvloot, voor het geheel benoodigd, zou ongeveer 2300 vaartuigen omvatten. Het was inderdaad een reusachtige onderneming. Daar deze geweldige massa schepen van allerlei soort en grootte niet in drie havens gebouwd en bijeengebracht kon worden, werd in alle kustplaatsen van Bayonne tot Texel met onverdroten ijver dag en nacht gearbeid.
Van dit reuzenwerk was Bonaparte de ziel. Omgeven door een staf van ingenieurs en marineofficieren, de bekwaamsten van hun wapen, zag hij persoonlijk alles. IJverig en trouw stonden de minister Decrès en de admiraal Bruyes hem hierbij ter zijde.
Het is te begrijpen, dat het kabinet van St.-James ongerust werd, toen ze die geweldige toebereidselen tot een verpletterenden aanval op zijn grondgebied dagelijks zag toenemen. De oud-minister Pitt nam weder zitting in het Lagerhuis; een reserveleger werd bijeengebracht en een oproeping gedaan tot het vormen van vrijwilligerskorpsen. Tegelijkertijd begon Albion Pitts tactiek van vroeger weder te volgen door samenzweringen der émigrés opnieuw te steunen. Te Londen werd alles voorbereid tot een aanslag; daar vertoonde zich zelfs een Bourbon in een vergadering der chouans, die gezworen hadden den Eersten Consul, hoe dan ook, uit den weg te ruimen. Deze Bourbon, de Graaf van Artois, gaf dus openlijk zijn instemming met het laaghartige plan en compromitteerde zich daardoor voor zijn geheele leven.
Een hertog de Polignac, een markies de Rivière waren erbij betrokken. George Cadoudal, de ons reeds bekende aanvoerder der chouans, stond ditmaal aan het hoofd van de onderneming, die niets minder beoogde dan Bonaparte op den weg tusschen Malmaison en Parijs met honderd gewapenden aan te grijpen, zijn klein escorte van gewoonlijk twaalf guides over de kling te jagen en hem zelf?--Och hem zelf in het hierbij ontstane gevecht overhoop te steken. Dan was hij immers niet gevallen door de handen van een troep moordenaars, maar in een eerlijk gevecht! Dan kon het niet heeten dat de koningsgezinden hun tegenstander door een moord uit den weg hadden geruimd, dan was de eer tegenover Europa gered!
Ook generaal Pichegru, de dappere veroveraar van de Republiek der Vereenigde Nederlanden, eenmaal Bonaparte's leermeester te Brienne, later wegens verraad naar Cayenne verbannen, doch ontsnapt en nu te Parijs verscholen, had zich laten vinden bij deze nieuwe poging om de Bourbons weder op den troon te brengen. Zelfs Moreau, die zich op het oorlogstooneel steeds dapper toonde, maar in het burgerlijke leven zwakheid verried en zich geheel door zijn vrouw liet beheerschen, was niet onkundig aan de kwade bedoelingen van Pichegru. Als altijd jaloersch op Bonaparte zou Moreau niet ongenegen geweest zijn bij den val van den Eersten Consul een staatkundige rol te spelen.
Het nieuwe complot omvatte dus personen van verschillende richting, agenten van de Bourbons, voormalige aanvoerders der chouans, ontevredenen als Moreau; maar de ziel, de kern er van vormden de émigrés, de royalisten, dezelfde mannen dus die Bonaparte uit de verdrukking geholpen en met behulp van den grooten ijver van Joséphine uit de ballingschap teruggeroepen had. Niet alleen hadden zij de hoedanigheid van Franschman en staatsburger teruggekregen maar zooveel mogelijk waren hun, de tijdens de omwenteling verloren bezittingen, teruggeschonken. Tot dank voor dit alles hadden ze in 1800 getracht hem door middel van een vat buskruit in de lucht te laten vliegen; thans wilden ze hem op den openbaren weg door een bende struikroovers--want een andere benaming verdienen Cadoudal en zijn aanhangers toch zeker niet--laten vermoorden. Dat zij zelven hierbij geen werkdadige rol speelden, doet ter beoordeeling van hun moreele schuld weinig af, want zij die de moordenaars van goud en wapens voorzien, achten we even misdadig als den moordenaar zelf. Zij zijn bovendien nog lafaards.
Reeds maanden lang wist Bonaparte, dat er in de Vendée iets tegen hem broeide; enkele chouans waren reeds in hechtenis genomen en zijn voormalige adjudant Savary, kolonel der gendarmerie geworden, had daar zelfs duidelijk de sporen ontdekt van een geheime beweging; ook had hij eenige verspreide benden deserteurs en kwaadwilligen uiteengedreven, die, zooals later bleek, handelden op aanstoken van Cadoudal. Voorzien van een massa Engelsch goud, hield deze zich met eenige makkers sinds maanden te Parijs verborgen en stond in rechtstreeksche gemeenschap met Pichegru en Moreau.
Van het bestaan van een complot tegen Bonaparte's leven was echter nog niets gebleken, toen achtereenvolgens door een samenloop van omstandigheden, waarin Fouché en zijn agenten zeer waarschijnlijk een rol hebben gespeeld, in 't begin van Februari 1804 eerst Picot, een bediende van Cadoudal, en daarop Bouvet de Lozier, diens voornaamste onderbevelhebber, te Parijs met de wapens in de hand en beiden met een zeer aanzienlijk bedrag aan goud op zak werden gearresteerd. De eerste bekende, dat hij zich reeds sinds Augustus met Cadoudal in de hoofdstad bevond. Bouvet zweeg doch poogde zich in zijn cel op te hangen.
Nog juist bijtijds door den cipier gered, deed Bouvet den minister Real daarop een omstandig verhaal van al 't geen hij wist, n.l., dat Pichegru zich te Parijs bevond en tegelijk met Cadoudal en diens bende aan de klip van Biville bij Saint Leu in Bretagne was geland; dat een prins van den bloede van het komplot wist en naar Frankrijk zou komen, zoodra hier alles voor den aanslag was voorbereid; dat Pichegru, Cadoudal en Moreau op de boulevard de la Madeleine een nachtelijke bijeenkomst hadden gehad, en dat alleen Moreau's besluiteloosheid de oorzaak was geweest, dat nog niet tot handelen was overgegaan.