Napoleon

Chapter 20

Chapter 203,798 wordsPublic domain

Toch deed hij hem niet vervolgen; de ander was immers een zwager van Jozef en de echtgenoot van Désirée Clary, de eertijds door hem versmade geliefde en Bonaparte was nu eenmaal Corsicaan met een aangeboren sterk familiezwak en met een onfeilbaar geheugen voor personen, die door hem vroeger te kort waren gedaan en onder deze bekleedde de kleine Désirée volgens hem een eerste plaats. Schonk hij haar later (1808) niet een van de drie kostbare pelzen, welke keizer Alexander hem te Erfurt had aangeboden; regelde hij niet zelf al de bijzonderheden van haar vertrek, toen haar man als kroonprins naar Zweden was geroepen?

Juist die bij hem zoo sterk sprekende karaktertrek, zijn vaak onverklaarbare verblindheid en zwakheid voor zijn naaste familieleden, zijn jarenlang onverzettelijk vasthouden aan het geloof, dat zijn broeders even geniaal en even bekwaam, ja zelfs genialer en bekwamer waren dan hij zelf, dat Lucien, doch vooral Jozef een superieur man was en dat vooral die twee hem bij zijn grootsche plannen met al hun krachten zouden terzijde staan, dat waar zij te kort schoten geen onwil of kwade trouw doch alleen hun jeugd en hun onervarenheid hiervan de schuld droegen, heeft hem geleid tot daden, waarvoor ieder ander in zijn plaats zich zou hebben gewacht; eerst in 1810 had hij ingezien, dat zijn stelsel van familieregeering verderfelijk was geweest.

In deze dagen was er nog in de familie Bonaparte een belangrijke verandering voorgevallen, want het was Joséphine ten slotte gelukt, het reeds vermelde huwelijk tot stand te brengen van Bonaparte's broer Louis en haar dochter Hortense. Al is het onjuist, zooals Louis zelf later heeft beweerd, dat hij tot deze verbintenis was gedwongen, erg enthousiast waren de jongelui in het eerst volstrekt niet over hun huwelijksplannen. Louis had er aanvankelijk wel geen ooren naar gehad, met Hortense in het huwelijksbootje te stappen, maar na zijn Duitsche reis had de melancolieke man, die met de personen van zijn stand weinig omging en er alleen enkele obscure vrienden op na hield, in het huwelijk toegestemd. Ook was zijn verhouding tot Hortense wel wat veranderd, ja Masson zegt zelfs, dat Louis verliefd op haar was en zich dan ook volstrekt niet stoorde aan het verzet, dat hij ondervond van de zijde van Lucien en Jozef, die het huwelijk volstrekt niet goed konden keuren. En Hortense? Zij had gedwee de zachte drang van haar moeder, die zij vereerde, gevolgd en had ook haar toestemming gegeven, al kan men niet zeggen, dat daardoor een van haar hartewenschen werd vervuld. In de laatste maanden van 1801 was tot deze verbintenis besloten en in het begin van Januari 1802 werd het huwelijk voltrokken in tegenwoordigheid van tal van familieleden en van deze plechtigheid maakten Murat en Caroline gebruik om ook hun huwelijk nog kerkelijk te doen sluiten.

Een groote wensch van Joséphine was hiermede vervuld, want zij achtte deze verbintenis voor haar eigen plaats in de familie van groot belang, zoowel nu als later. En dan had ze hiermede nog wel Louis gewonnen; iemand die een zoo groote plaats in Bonaparte's hart innam en die zelfs in zijn gedachten in aanmerking kwam voor zijn opvolger. Joséphine had de kerkelijke wijding van haar eigen huwelijk tegelijk met die van Louis en Murat niet durven vragen, maar dit verdriet verduisterde geenszins den triomf, welken ze had behaald. Later, hoopte zij, zou ook dat nog wel gelukken en van de geestelijkheid verwachtte ze daarbij steun. De tijd zou leeren, dat ze gelijk had.

HOOFDSTUK XII.

Consul voor het Leven.

Van de "zuivering" in het Tribunaat en in het Wetgevend Lichaam, door allen een staatsgreep genoemd, welke die van den 18en Brumaire in stoutheid overtrof, maakte Bonaparte terstond gebruik om eenige reeds lang gereedliggende ontwerpen van wet, op welker aanneming hij bijzonder was gesteld, in behandeling te doen nemen. 't Waren die op het reeds zeven maanden te voren geteekende Concordaat, op de amnestie der émigrés, op de reorganisatie van het openbaar onderwijs, eindelijk op het vredestractaat van Amiens en op de instelling van het Legioen van Eer.

Den 5en April werd de nieuwe zitting geopend; een regeling, door Lucien voorgesteld, had het Tribunaat zoo goed als machteloos gemaakt; het Wetgevend Lichaam was bevreesd geworden, en de vooral bij het leger zeer onwelkome wet op het Concordaat, werd in twee dagen afgehandeld. Die op de émigrés, welke laatsten al de goederen terug ontvingen, die nog niet publiek verkocht en dus nog staatseigendommen waren, werd bij senaatsbesluit aangenomen, maar de bosschen, waarover Bonaparte de vrije beschikking aan zich behield, bleven uitgezonderd.

De wet op het onderwijs vond bestrijders genoeg. Roederer zeide o. a. dat ze niet alleen een zedelijke doch ook een politieke strekking had, dat men de ouders door de kinderen aan het gouvernement trachtte te verbinden, dat er niets in bepaald was voor de meisjes en dat er van zorg voor het allereerste onderwijs geheel niet werd gerept. "Voor dit laatste was de moeder ruimschoots voldoende; daarmede had de staat zich niet te bemoeien," beweerde echter Challan, een der voorstanders van de wet. Eenige stemmen gingen zelfs op om 't volk kosteloos lager onderwijs te geven, doch al deze voorstellen werden ter zijde geschoven. Het onderwijs werd een voorwerp van staatszorg, den reusachtigen invloed der geestelijkheid op de opleiding der jeugd werd hiermede tegelijkertijd een stevige breidel aangelegd.

Als een bekroning op zijn wetgevenden arbeid deed de Eerste Consul eindelijk in Mei zijn ontwerp van wet indienen tot instelling van een Legioen van Eer. Tijdens de omwenteling was aan militairen, die zich in den krijg hadden onderscheiden, van rijkswege een eeregeweer of een eeresabel uitgereikt; de instelling van het Legioen van Eer had een veel ruimere strekking; in de eerste plaats zou het voor het leger bovengenoemde eereteekenen vervangen door een decoratie met het devies: Honneur et Patrie; dan zou hierdoor een uit burgers en militairen samengesteld lichaam ontstaan, dat den Eersten Consul tot hoofd had en door een eed, een jaargeld en een reeks bijzondere verplichtingen aan hem was verbonden, tenslotte zou hierdoor zooveel doenlijk die hiërarchie van notabelen vervangen worden, welke haar ontstaan had te danken aan de grondwet van het jaar VIII. "Die notabelen zou hij, het hoofd van den staat, voortaan zelf wel aan de natie aanwijzen en ze stempelen met zijn eigen zegel."

Feitelijk schiep Bonaparte hiermede een zuiver persoonlijken adelstand, waarin men enkel en alleen kon worden opgenomen door verdiensten en die ook slechts verleend werd aan landskinderen, want wie niet kon bewijzen, dat hij in zijn woonplaats had gediend bij de nationale garde, werd er niet in opgenomen, al had hij overigens nog zoo groote verdienste. Niet de Eerste Consul benoemde, doch een Groote Raad van zeven leden, bestaande uit de drie consuls en één afgevaardigde uit ieder groot staatslichaam, terwijl het geheele Legioen zou tellen vijftien cohorten, ieder van zeven groot-officieren, eenige commandeurs en officieren en 350 ridders, te zamen zes duizend hoofden.

Wel weerde de oppositie, vooral de republikeinsche partij zich heftig tegen een instelling, die naar de dagen der monarchie terugvoerde, doch Bonaparte gaf niet toe. "Alles heeft men vernietigd, 't is zaak weder op te bouwen," zei hij o. a.; de wet werd aangenomen en het Legioen van Eer bestaat nog.

Vooral Lucien had als tribuun voor de wet in heftige, bevelende taal tot zijn collega's gesproken. Van den Jacobijn van 1793 was niets meer overgebleven. Van nu af was bij de republikeinen het verzet zoo goed als gebroken; zelfs de wet op het beheer der koloniën, welke de slavernij weder in 't leven riep, vond slechts weinig tegenstand.

Dat de omvangrijke arbeid, besteed aan de samenstelling van al die nieuwe wetten, niet ten doel had Bonaparte als Eerste Consul slechts een beperkt aantal bestuursjaren te schenken, maar veeleer om zijn gezag ten slotte onbeperkt te maken, was voor niemand meer een geheim. Een ieder sprak er over, alleen hij zelf zweeg. Dat een Consulaat van tien jaar hem niet langer bevredigde hield hij zelfs geheim voor zijn broeders. Onbevangen sprak hij met Cambacérès, die in hooge mate zijn vertrouwen bezat en met Talleyrand en Fouché, wier invloed hij zelf gestadig deed aangroeien over alle publieke belangen; zijn eigen persoon bracht hij echter nooit in 't debat. Zooveel te meer spraken zijn broeders en hun aanhang, de zoogenaamde monarchalen over en met hem. Vooral Lucien, nog steeds vervuld met erfelijkheidsbedoelingen, drong krachtig bij hem aan om de souvereine macht te grondvesten op de puinhoopen der Republiek en met de hem eigen autoriteit verkondigde Talleyrand telkens weder, dat er met Europa beter viel te onderhandelen uit naam eener monarchie, dan uit naam eener republiek.

Doch Bonaparte zweeg. Toen Joséphine zich met de quaeste wilde bemoeien en hem waarschuwde voor Lucien, die alleen zijn eigen belang op 't oog had, niet was te vertrouwen en steeds klaagde, dat hij niets kon worden, zoolang Napoleon slechts consul voor tien jaar was, snauwde hij haar een bits: "Blijf jij bij je spinnewiel" toe. Wel verlangde hij naar het oppergezag, doch voor een monarchie vond hij zoo kort na de omwenteling den tijd nog niet gekomen; voor zich zelf iets vragen wilde hij niet; wat hij wenschte moest hem worden aangeboden. Het oogenblik, waarop dit zou geschieden, verbeidde hij te Malmaison.

Den 6en Mei gaf hij in dezen een wenk. Bij monde van Cambacérès deed hij het Tribunaat weten, dat het vredestractaat met Engeland op het bureau zou worden nedergelegd om tot wet te worden verheven en dat het tijdstip gunstig was "om een wensch te uiten, die den Eersten Consul aangenaam kon zijn." Terstond werd nu de Senaat uitgenoodigd den Eersten Consul een schitterend bewijs te geven van de voldoening der natie.

Hiermede in kennis gesteld, sprak hij zich nog niet uit over de wijze, waarop dit kon geschieden; de man, die zijn meening anders altijd in zoo heldere, duidelijke taal wist te kennen te geven, antwoordde slechts met een paar ontwijkende woorden. "Anderen roem, dan dien, dat hij de hem opgedragen taak ten einde gebracht had, verlangde hij niet" en dergelijke. Hij speelde de Sfinx. Dit was gevaarlijk, want Fouché had hem doorzien en Fouché, die bij Joséphine steeds steun had gevonden, doch al zijn pogingen om bij den ouden adel en de aristocratie eenigermate in de gratie te komen, enkele contant betaalde edelen uitgezonderd, had zien mislukken, die de vijand was van Lucien en Talleyrand, Bonaparte's stuwkrachten naar het Consulaat voor het leven, besloot terstond een spaak in 't wiel te steken. Hij bewerkte ijlings den Senaat, betoogde, dat Bonaparte zelf geen hooge wenschen koesterde en wist zoodoende te bewerken, dat het senaatsbesluit van den 8en Mei alleen sprak van een verlenging van tien jaar.

Dit vernemende, werd Bonaparte geweldig boos, beraadslaagde met zijn broers en Cambacérès en deed den Senaat toen weten dat: "De natie hem had bekleed met het oppergezag en hij zich van haar vertrouwen niet zeker zou achten, als zij thans ook niet haar stempel drukte op de acte, waarbij men hem dat gezag voor langer tijd wilde verleenen" enz. De wenk was duidelijk genoeg en den 11en Mei bevatte de Moniteur het Senaatsbesluit, dat de natie zou worden geraadpleegd over de vraag: "Of Napoleon Bonaparte Consul zou worden voor het leven."

Van erfelijkheid of van het recht van aanwijzen eens opvolgers werd niet gesproken. Denkende ook den Eersten Consul hiermede een dienst te bewijzen, had Roederer een van Jozefs vrienden de woorden "en of hij de bevoegdheid zal hebben zelf zijn opvolger aan te wijzen" wel bij het oorspronkelijke ontwerp ingelascht, doch Bonaparte had ze geschrapt. Geen Jozef, geen Lucien zou hem de baas zijn of dwang op hem uitoefenen. Aan zijn hoofd behoefde Frankrijk geen babbelaar doch een soldaat en soldaat waren die twee niet; nog in andere opzichten schoten zij in zijn oog te kort; in geld en goed en vette baantjes was hij bereid hun een vergoeding te geven, verder verkoos hij niet te gaan. Bovendien had hij aan zijn intiemen reeds vaak genoeg ruiterlijk te verstaan gegeven, dat hij nog jong was, nog niet het minste plan had op te stappen en dat al die speculaties op zijn dood hem hartelijk begonnen te vervelen. Jozef verried zijn teleurstelling alleen aan zijn vertrouwelingen ; zijn broer, beweerde hij, was op zijn gezag zoo ijverzuchtig, dat hij het met niemand wilde deelen; dat zijn bestaan voor Frankrijk onmisbaar was, moest de natie diep beseffen; daarom wilde hij geen opvolger zien benoemd.

Dat de aard der dingen, de omstandigheden waarin Bonaparte verkeerde, de nieuwe wetten, welke in voorbereiding waren en die Jozef reeds kende, de zijdelingsche invloed der émigrés en der geestelijkheid ten slotte toch in de richting der erfelijkheid zouden wezen, was echter nu reeds te voorzien.

Nog voordat de uitslag van de stemming bekend was, die op Frankrijks lot van zoo onberekenbaren invloed zou worden, werd de instelling van het Legioen van Eer tot wet verheven, werden Jozef en Lucien, de eerste door den Raad van State, de tweede door het Tribunaat verkozen in den Grooten Raad en de Constitutie van het jaar VIII naar den nieuw te scheppen toestand omgewerkt en aangevuld. In den vorm van een organiek Senaatsbesluit tot wet verheven, bestemd "de vrijheid en de gelijkheid te beschutten tegen de grillen van het toeval en de onzekerheid van de toekomst," was deze grondwet toch voor velen, in de eerste plaats voor Joséphine een verrassing, zooals bleek, toen de Eerste Consul, die in alle staatsstukken voortaan Napoleon Bonaparte zou worden geheeten, den 2en Augustus met ruim drie en een half millioen stemmen tegen iets meer dan negen duizend, waaronder die van Massena, tot Consul voor het leven was uitgeroepen. Van de grondwet van het jaar VIII was weinig of niets overgebleven. Het Tribunaat werd teruggebracht tot vijftig leden; zelfs voor de behandeling der wet op de middelen behoefde het Wetgevend Lichaam geen verplichte zittingen meer te houden en de Raad van State zag zijn invloed op de staatszaken overgebracht naar een geheimen Raad, waarvan de samenstelling telkens naar behoefte kon worden gewijzigd.

Alleen de Senaat had nòg meer macht gekregen dan hij reeds bezat, o. a. het recht de grondwet aan te vullen en den tekst er van te verklaren, de vonnissen der rechtbanken te vernietigen, het Tribunaat en het Wetgevend Lichaam te ontbinden enz. Zijn voorzitters waren de Consuls, die alle drie voor het leven werden benoemd. De Eerste verkreeg bovendien het recht het ledental van den Senaat te brengen op 120 (dus 54 nieuwe leden te kiezen en de meerderheid naar willekeur te verplaatsen.) Ongeacht hun leeftijd--dit sloeg op Jozef en Lucien, die nog te jong waren--werden de leden van den Grooten Raad van rechtswege senatoren. Gratie verleenen, beslissen over oorlog en vrede zou voortaan eveneens tot Bonaparte's attributen behooren, eindelijk zou hij zelf zijn opvolger reeds bij zijn leven of bij testament kunnen aanwijzen.

Het recht, dat hij kort te voren had verworpen, had hij thans dus toch aanvaard. Waarom? Natuurlijk dacht ieder, dat hij voor zijn opvolger een zijner broeders op het oog had. Volstrekt niet; die twee had hij met zijn sluw berekenend brein zelf senator gemaakt, hen dus opgenomen in een groot lichaam, waarover hij zich meester achtte en hen met al hun geheime plannen hierdoor tot machteloosheid gedoemd en in zijn diepste diep waarschijnlijk toen reeds besloten, het kind dat Hortense, sinds 3 Januari de vrouw van Louis, reeds enkele maanden onder het hart droeg, mocht het een zoon wezen, tot zijn erfgenaam te bestemmen. Tegenover een zoo jeugdig wezen was alle achterdocht van zelf uitgesloten; op hem invloed uitoefenen kon het niet, hem weerstand bieden evenmin en tegen deze keuze konden zijn broeders, die zelf nog geen mannelijke nakomelingen bezaten, niet in opstand komen.

In Bonaparte's positie was dus opnieuw een groote wijziging gekomen, het oppergezag in den ruimsten zin des woords bezat hij reeds; van het republikeinsche beginsel was nog maar een schaduw overgebleven; nog niet in naam, wel feitelijk was hij reeds alleenheerscher. De eenige, die bij deze wijziging schade leed was Fouché. Bonaparte zag in hem alleen nog den man, die in den Senaat tegen hem had geïntrigeerd en hield geen rekening met de groote diensten, hem door Fouché den 18en Brumaire en later bewezen. Hij ontnam hem dus de portefeuille van Justitie, maar schonk hem tevens een zetel in den Senaat. Algemeen liep het praatje, dat hij aldus handelende, was gezwicht voor den invloed van Jozef en Lucien, met wie hij in de laatste weken (Augustus) druk had beraadslaagd, dat hij het gouvernement tusschen hen beiden en Talleyrand wilde verdeelen en Duroc in 't paleisbeheer vervangen zou worden door Louis; in één woord dat hij zijn broeders baas laten wilde.

Van kommer en angst voor de toekomst wist Joséphine niet, waar zij 't zoeken zou, tot Bonaparte haar met een enkel woord geruststelde: "Dien zotteklap kan ik niet smoren, maar ik ben niet gek genoeg mij afhankelijk te maken van mijn vijanden. Over Lucien krijg ik dagelijks klachten, onlangs nog weer uit Madrid," zei hij.--De nieuwe functionarissen, allen vrienden van haar, als Regnier, die als opperrechter de portefeuille van Justitie in naam overnam, doch deze terstond toevertrouwde aan den staatsraad Real, ook een intimis; Chaptal, die minister van Binnenlandsche Zaken bleef, en Fouvevoy, die den ook tot senator benoemden intrigant Roederer verving als directeur-generaal van het openbaar onderwijs, verrieden haar, dat zij bij deze omwenteling veeleer gewonnen dan verloren had. Bovendien bleek duidelijk, dat Bonaparte geen plan had het oppergezag met wien ook te deelen, dat hij zich van zijn broers had bediend om zich zelf te dekken en dat hij door Fouché te ontslaan zoowel hen als de monarchale partij slechts in schijn een offer had gebracht, want de nieuwgekozenen behoorden evenals Fouché tot de republikeinsche fractie; alleen waren zij minder berucht, minder verdacht en heel wat eerlijker dan de man, dien Bonaparte tijdelijk had op zijde geschoven om hem terug te roepen, zoodra hij hem weder noodig had.

Bij de nieuwe grondwet was het tractement van den Eersten Consul voor representatie- en reiskosten en voor het onderhoud van de Tuilerieën en van het paleis te St. Cloud [25] vastgesteld op zes millioen francs, doch door verschillende baten van allerlei aard was dit cijfer in het jaar X reeds gestegen tot bijna dertien millioen; in 't jaar XI klom het tot zestien millioen; de kosten der huishouding waren echter eveneens geweldig vermeerderd. Dat Bonaparte gehecht was aan uiterlijke pracht en praal, had hij reeds bewezen, toen hij in October 1801 den minister van Binnenlandsche Zaken de opdracht had gegeven voor hem een kort zwaard te doen vervaardigen om te dragen bij plechtige gelegenheden en dit wapen o. a. te doen versieren met den Regent en andere kostbare diamanten uit de schatkist. Voltooid vertegenwoordigde dit wapen alleen aan edelgesteenten een waarde van veertien millioen francs.

Op Paaschdag 18 April bij gelegenheid van het herstel van den eeredienst, was hij in een met acht paarden bespannen galarijtuig in een rood fluweelen rok met gouden palmen, het hoofd gedekt door een gepluimden hoed naar de Nôtre Dame gereden. De leden van den Raad van State, de gezanten, de ministers en de twee andere consuls in koetsen met vier en met zes paarden gingen voorop, omstuwd door een drom van lakeien in kostbare livrei. Zestig kanonschoten hadden het vertrek van dien meer dan vorstelijken stoet, te Parijs de eerste na de omwenteling, aangekondigd; met zes door mamelukken aan de hand geleide paarden voor zijn rijtuig uit, en de te Parijs bevelvoerende garde- en divisiegeneraals hier om hem, was hij het Te Deum gaan hooren; het publiek had dien praal en vooral dien drom van lakeien prachtig gevonden.

Nog vóór zijn benoeming tot Consul voor het leven had ook zijn omgeving een groote wijziging ondergaan. Had hij aanvankelijk slechts een militair huis gehad, gevormd door zijn adjudanten en had een voormalig minister de functie van kamerheer en ceremoniemeester vervuld, de gezanten binnengeleid en meer van die diensten van ceremonieel bewezen, zonder dat er op het punt van etiquette en vormen eenige regels waren vastgesteld, zelfs zonder dat er voor den Eersten Consul een officieele titulatuur bestond, dit alles veranderde thans geheel. Een civiel huis met kamerheeren, paleisprefecten en dergelijk personeel trad in functie; voor het costuum, het ceremonieel en de recepties kwam een uitgebreid voorschrift; een gestrenge etiquette, die o.a. zelfs het ten paleize gaan zitten en gedekt blijven verbood, werd ingesteld en de garde uitgebreid. Dat men den monarchalen regeeringsvorm snel tegemoet ging was voor niemand meer een geheim en wie dit nog mocht hebben betwijfeld, zou wel tot andere gedachten zijn gekomen bij het aanschouwen van den luister, waarmede de geboortedag van den Eersten Consul den 15en Augustus in de geheele Republiek voor de eerste maal werd gevierd.

Eenige dagen later aanvaardde Bonaparte het voorzitterschap van den Senaat. Begeleid door de consulaire garde te paard, omstuwd door een schitterenden staf, reed hij in een met acht paarden bespannen galarijtuig, gevolgd door de andere consuls, de ministers en verdere grootwaardigheidsbekleeders naar het paleis van het Luxemburg en zette zich op een soort van troon. Hier nam hij de nieuwgekozen senatoren Jozef en Lucien den eed af, deed zich de senaatsbesluiten voorleggen, waarbij o. a. het ceremonieel voor de hoogste staatsdienaren, de wijze van vernieuwing en ontbinding van het Wetgevend Lichaam en het Tribunaat werden vastgesteld en het eiland Elba met Frankrijk werd vereenigd en deed daarop door Talleyrand lezing geven van een hoogst belangrijk rapport over de schikkingen, onder zijn leiding in Duitschland in voorbereiding, om de vorsten langs den linker Rijnoever uit de kerkelijke goederen schadeloos te stellen voor het door hen bij de vredes van Campo Formio en Lunéville geleden verlies.

Een enkel woord moge dienen om den toestand duidelijk te maken.

Bij die verdragen was bepaald, dat Frankrijks oostelijke grens onder anderen zou worden gevormd door den Rijn, van Bazel tot een punt tusschen Emmerik en Nijmegen.

Zoodoende had Beieren het hertogdom Zwei-Brücken, Rijn-Beieren en het hertogdom Gülick, zoo hadden Wurtemberg en Baden het prinsdom Montbehard en andere domeinen moeten afstaan. De geestelijke keurvorsten van Maintz, Trier en Keulen hadden zoo goed als niets overgehouden. Ook Hessen, de bisschop van Luik en die van Bazel waren aan den dijk gezet. Pruisen had het hertogdom Gelre, een deel van dat van Kleef en het prinsdom Meurs moeten afgeven. In Italië hadden twee aartshertogen uit het Oostenrijksche huis respectievelijk Toscane en Modena verspeeld en in Holland was het huis van Oranje-Nassau, de bondgenoot van Pruisen, eveneens uit een aantal persoonlijke eigendommen ontzet.

Al deze vorsten nu, die van Nassau, van Toscane en Modena hieronder begrepen, zouden uit de verbeurd verklaarde kerkelijke bezittingen in Duitschland, gezamenlijk ongeveer één zesde van het geheele grondgebied, worden schadeloos gesteld. Vrij van alle lasten, zooals kosten van belasting heffen, van privileges en andere te betalen toelagen en tractementen, bedroeg de opbrengst van die goederen te zamen wel vijftig millioen gulden.