Napoleon

Chapter 2

Chapter 23,849 wordsPublic domain

Den 10en October 1785, dus nauwelijks zestien jaar oud, werd hij als de 42e op een ranglijst van 58 cadetten bevorderd tot tweede-luitenant,--zijn brevet dagteekende echter van den 1en September--ingedeeld bij het artillerie regiment la Fère en aangewezen om garnizoen te houden te Valence, een stadje aan de Rhône in het zuiden van Frankrijk. Binnen een jaar had hij met succes een examen afgelegd, waarvoor een ander meestal drie- of viermaal zooveel tijd noodig had.

Reeds aan de Militaire school had hij een bewijs geleverd van zijn scherpen blik op militaire aangelegenheden. Deze school was een koninklijke instelling, telde jongelieden van den hoogsten adel onder haar leerlingen, waarvoor jaarlijks twee duizend francs kostgeld werd betaald, zoodat er groote weelde heerschte. In een hervormingsontwerp, dat hij aan den directeur, markies de Timbrune, ter beoordeeling gaf, schreef hij o. a.: "Zou het niet beter zijn, als de cadetten zich zelf leerden bedienen en munitiebrood tot ontbijt kregen? Zou het geen aanbeveling verdienen, als zij hun kleeding en schoeisel zelf leerden schoonmaken? De meesten zijn arm; de dienst wacht hen. Aan een matigen leefregel onderworpen, zouden zij hierdoor krachtiger worden, de weersveranderingen beter kunnen verdragen, de vermoeienissen van den oorlog moedig doorstaan en aan hun soldaten eerbied en blinde trouw inboezemen."

Zelf heer en meester geworden, deed hij deze beginselen terstond in practijk brengen. Aan de school te St. Cyr bewoonden de aanstaande officieren der infanterie b.v. gezamelijk één kamer en aten uit de militaire keuken. De cadetten aan de cavalerieschool te St. Germain poetsten zelf hun paard en leerden het zelf pakken, zadelen en beslaan.--"Voordat men over soldaten bevel voert, moet men zelf eerst soldaat worden, en al de technische onderdeelen van het vak nauwkeurig kennen; dan wordt hierdoor het onschatbare voordeel verkregen, dat men zijn ondergeschikten in al hun diensten nagaan en tot gehoorzaamheid kan dwingen."

Op denzelfden grondslag van eenvoud en degelijkheid vestigde hij later ook de meisjesscholen te St. Dénis, Ecouen en elders, bestemd om dochters van leden van het Legioen van Eer, een orde in 1802 door hem ingesteld, een behoorlijke opvoeding te geven. Al de op die scholen benoodigde kleedingstukken moesten door de leerlingen zelven worden vervaardigd. Stemmig, geheel in den trant der geestelijke zusterscholen, was het costuum. Van het bezoeken van schouwburgen of andere publieke vermakelijkheden was geen sprake. Hij verlangde, dat de meisjes "eerbare vrouwen en goede huishoudsters zouden worden."

Niet weinig trotsch op zijn luitenantsrang bij het wapen, spoedde hij zich in zijn nieuwe uniform naar de familie Permon, die hij reeds te Ajaccio had leeren kennen en die nu te Parijs woonde, maar de ontvangst viel niet mee, want Cécile, de jongste dochter des huizes, zei lachend, dat hij met zijn spillebeenen in die geweldig groote modellaarzen wel wat geleek op de Gelaarsde Kat en Laure, de oudste, die later met Junot huwde en door Napoleon tot hertogin van Abrantès werd verheven, stemde met haar in. Toch werd hij niet boos, want een dag of wat later zond hij haar als speelgoed een koets met een gelaarsde kat er voor en het sprookje van Perroult ten geschenke.

Met zijn kameraad en vriend, den eveneens nieuw benoemden luitenant des Mazis, kwam hij begin November 1785 te Valence, huurde bij juffrouw Bou, een oude vrijster, in 't Café du Cercle naast de biljardzaal voor acht francs per maand een kamer, zoo armoedig gemeubeld dat "zelfs een blind paard er geen schade kon aanrichten" en hij begon hier het leven van den onbemiddelden officier in een klein garnizoen. Door den abt de Saint-Ruff, een kennis van de Marbeufs, werd hem echter den toegang geopend tot de voornaamste salons en vooral mevrouw de Colombier was zeer vriendelijk voor hem, terwijl, naar men zegt, Napoleon korten tijd een oogje had op haar dochter Caroline. In weerwil van zijn armoede, want van een tractement van ongeveer elfhonderd francs, vielen niet veel kromme sprongen te maken, genoot hij in dien eersten tijd volop van hetgeen zijn nieuwe positie hem aanbood. Hij at met zijn kameraden aan één tafel, leerde dansen, ging veel uit, werd overal vriendelijk ontvangen, was voorkomend en beleefd, babbelde mee over alles en nog wat en liet een jaar later bij zijn vertrek met verlof naar Ajaccio niets dan aangename herinneringen achter; alleen had men hem zeer beschroomd en nu en dan zwaarmoedig gevonden.

Hoe goed hij zich later, toen hij tot grootheid en macht was gekomen, de personen herinnerde, die zich tegenover hem welwillend hadden betoond; hoe erkentelijk hij zelfs nog was voor ieder blijk van genegenheid, hem in zijn jeugd geschonken, valt op te maken uit de lange lijst van personen uit dien tijd, aan welke hij een stoffelijk, tastbaar bewijs hiervan gaf. Noch zijn leermeesters uit Brienne, noch die van de Militaire School te Parijs, heeft hij vergeten; aan allen heeft hij een positie geschonken, die een aanmerkelijke verbetering bracht in hun lot!

De weduwe van zijn weldoener de Marbeuf verleende hij een jaargeld van 15000 francs; haar zoon benoemde hij tot baron van het Keizerrijk en kolonel van een regiment lichte cavalerie; Caroline de Colombier schonk hij de functie van hofdame bij zijn moeder, den heer Bressieux, met wien zij in 1792 huwde, die van administrateur bij het boschwezen. Camilla Hari, zijn min, de vrouw van een Corsicaanschen schipper, gaf hij rijke geschenken en deed haar tegenwoordig zijn bij zijn kroning en zelfs op zijn sterfbed beval hij haar nog aan bij de uitvoerders van zijn laatsten wil, opdat zij en haar kinderen toch nimmer gebrek zouden lijden.

Aanvankelijk door ziekte verplicht tot tweemaal toe verlenging van verlof aan te vragen, bleef hij van half September 1786 tot Juni 1788 op Corsica en keerde toen eerst naar zijn inmiddels naar Auxonne verlegd regiment terug; alleen van October tot December 1787 was hij tijdelijk naar Frankrijk opgeroepen met het oog op de vrees van oorlog met Pruisen ten behoeve van Nederland.

Toen hij na een afwezigheid van zeven jaar in zijn ouderlijk huis terugkeerde, had hij zich eensklaps omringd gezien door een troepje broertjes en zusjes, die hij vroeger slechts kort of in 't geheel niet had gekend. Alleen Marianne-Elisa was afwezig, door haar plaatsing als leerlinge op de Koninklijke meisjesschool te St. Cyr; Lucien was dertien, Louis tien, Pauline acht, Caroline zes en Jérome vier jaar. Met dat clubje speelde en ravotte hij als een schooljongen, die met vacantie is; vooral Paulette, zooals Pauline door hem altijd genoemd werd, was zijn lieveling en deze kon met haar guitig, mooi gezichtje, haar aangeboren bevalligheid en looze streken geen kwaad bij hem doen.

Terwijl hij te Ajaccio dus eenige vergoeding vond voor de volslagen vreugdelooze jaren zijner jeugd, met volle teugen kon genieten van het zoolang ontbeerde familieleven, terwijl hij zelf weder half Corsicaan werd, ontdekte hij tevens, dat kommer en zorg zijn moeder met den dag meer terneer drukten en dat de armoede haar aangrijnsde. Met den dood van zijn vader was de steun, die de familie zoo lang van de Fransche gouverneurs en ambtenaren had genoten, langzamerhand verdwenen; verleende voorrechten waren ingetrokken, contracten niet meer nagekomen; bovendien zagen de oude, Paoli trouw gebleven aanhangers in de Bonapartes en hun aanhang thans geen echte patriotten meer, doch slechts francisés, zooals ze werden genoemd. Hulp was voor hen, ook van die zijde dus niet te verwachten.

Na Carlo's dood had oom Lucien, de aartsdiaken, het beheer der geldzaken op zich genomen, maar sinds eenige maanden leed hij aan heftige jichtaanvallen, zoodat hij het bed niet meer kon verlaten. Zuinig, bij het gierige af, toonde hij zijn belangstelling in het lot zijner nicht thans nog alleen door het bijeenschrapen en in zijn matras verstoppen van elken franc, dien hij kon machtig worden. Wel zou Jozef de aangewezen persoon zijn geweest, om als oudste zoon de leiding der zaken thans in handen te nemen, maar Jozef studeerde te Pisa in de rechten en Napoleon bleef dus alleen over.

Met dezelfde ijver en toewijding, welke hij tot nu toe had aan den dag gelegd bij al wat hij op zich nam, toog hij dus aan den arbeid, schreef brieven en verzoekschriften, diende zijn moeder als secretaris en was haar tolk bij al haar onderhandelingen met de Fransche regeering. In het najaar van 1787 in Frankrijk tijdelijk terug, trok hij naar Parijs om hier met dezelfde onverzettelijke driestheid en taaiheid, welke zijn vader hadden gekenmerkt, voor haar te solliciteeren en toen in Juni 1788 zijn verlof om was, verliet hij zijn moeder slechts noode om zich te Auxonne weder aan zijn beroep te wijden. Van den jeugdigen, overmoedigen luitenant, die de pretjes najoeg en op iedere danspartij werd gezien, was intusschen weinig meer overgebleven. 't Geen hij in zijn ouderlijk huis had gezien, vervulde hem met zorg; zooveel schulden, zooveel mondjes te vullen, wat moest daarvan het einde wezen! Reeds vroeg had hij den ernst van het leven leeren kennen; thans had hij begrepen, dat hij, de oudste zoon bijna, de eenige, die een bezoldigde betrekking bekleedde, al zijn krachten moest inspannen om zijn moeder te steunen. Werken, studeeren, kennis verzamelen waren hiertoe de middelen en wel wetende, dat aan zijn wetenschappelijke opvoeding nog zoo goed als alles ontbrak, begon hij van meet af aan te studeeren.

Eerst wilde hij zijn vak volkomen onder de knie hebben, want aan de school te Parijs was hem hiervan weinig meer onderwezen dan het infanteriereglement en de grondbeginselen van den dienst in vestingen, zelfs het gebruik en de bediening van een kanon kende hij niet eens. Met grooten ijver begon hij dus aan zijn verdere ontwikkeling en uit dien tijd is de stapel geschriften afkomstig, die hem toen reeds stempelden tot een man van studie en ernstig nadenken. De 38 cahiers met aanteekeningen en opmerkingen van zijn land, zijn geschiedenis van Corsica, zijn studiën over de Sorbonne, over de bul Unigenitas, zijn Memorie over het opstellen van kanonnen tot het verkrijgen van worpvuur, zijn kort begrip der geschiedenis van Engeland, zijn uittreksels uit Herodotus, Buffon, Plato en anderen, zijn aanteekeningen op Neckers economische en wetgevende theorieën en over Rousseau's leerstellingen zijn bewijzen te over voor zijn leer- en werklust. Geen meteoor, geen plotseling te voorschijn getreden wondermensch is hij geweest, geen man, wien de mantel van het genie was om de schouders geworpen zonder meer. Van 't geen hij later als krijgs- en als staatsman, als administrateur en als bewindvoerder, in één woord op elk gebied heeft gewrocht, heeft hij zelf in die eerste jaren als officier den grondslag gelegd; zijn aangeboren schranderheid, zijn genie hielpen hem verder.

Te Auxonne trok hij weldra de aandacht van generaal du Teil, directeur der artillerieschool en hieraan had hij te danken, dat hij, hoewel piepjong officier door dezen werd aangenomen als lid eener commissie van proefneming, een onderscheiding, die hem zoo verheugde, dat hij zijn oom Fesch, een halfbroeder van zijn moeder, hierover een brief schreef (Augustus 1788), maar hetgeen de jaloezie zijner kapiteins tegelijkertijd niet weinig opwekte.

Intusschen leefde hij zoo armoedig en voedde hij zich zoo slecht, dat de regimentsdokter zich over hem ongerust begon te maken. Om zijn moeder te doen gelooven, dat hij volmaakt gezond was, schreef hij deze intusschen: "Werken en nogmaals werken is al wat ik hier tot ontspanning kan doen. Slechts eenmaal in de acht dagen kleed ik mij om uit te gaan. 't Is ongeloofelijk zoo weinig ik sinds mijn ziekte slaap. Om tien uur naar kooi, ben ik om vier weder op. Eens per dag eet ik, om drie uur. Hierbij bevind ik mij zeer wel."

Zijn gezondheidstoestand en zijn brandend verlangen naar huis deden hem in 1789 opnieuw zes maanden verlof vragen; de slechte verbindingswegen, de groote afstanden en de zeereis in aanmerking genomen, was een zoo lang verlof in die dagen niets vreemds. In September te Ajaccio gekomen, vond hij al zijn broertjes en zusjes, Elisa, die zich nog te St. Cyr bevond, uitgezonderd, bijeen en de bevolking in gisting door al hetgeen inmiddels te Parijs was gebeurd en door de gedachte, dat een omwenteling, in naam der vrijheid ondernomen, ook haar van de vreemde overheersching zou bevrijden.

Van jongsaf volbloed-republikein, door 't geen hij aan de School te Parijs had verduurd nog in die begrippen versterkt, trouw aanhanger der stellingen van Rousseau, wierp hij zich te Ajaccio terstond midden in den strijd, sprak luid en levendig in de revolutionnaire clubs, en wist te bewerken, dat er alom nationale gardes werden opgeroepen en dat de witte cocarde werd vervangen door de driekleurige. Dit succes eenmaal verkregen, miste hij echter het noodige kapitaal om stemmen te werven en zijn invloed te bevestigen; de afgunst kwam in 't spel. Men werd bevreesd, dat hij en zijn bloedverwanten de families, die op het kussen zaten, zouden verdringen. Zijn vroegere relaties met de Marbeuf en zijn jarenlang verblijf in Frankrijk werden hem thans tot een verwijt gemaakt; de Bonapartes heetten geen echte Corsicanen, geen patriotten meer en van al de materieele voordeelen, welke de nieuwe toestanden meebrachten, kwam het leeuwenaandeel aan de vrienden van Paoli. Zoo kreeg Jozef slechts een ondergeschikt baantje van 900 francs bij het directoire van het district Ajaccio en werd oom Fesch slechts groot-vicaris; Lucien en hij zelf kregen niets.

Toch gaf hij de hoop niet op zijn familie vooruit te helpen. Na een ballingschap van twintig jaar teruggekeerd, was Paoli overal met geestdrift ontvangen en letterlijk oppermachtig geworden. Napoleon zond hem zijn te Valence geschreven "Geschiedenis van Corsica" waarvan Mirabeau o. a. had gezegd, dat die kleine historie een genie van den eersten rang scheen aan te kondigen en tevens zijn "Open brief aan Matteo Buttafuoca" een gloeiend smaadschrift op dezen adellijken landgenoot "die Paoli kort te voren in de Nationale Vergadering had gebrandmerkt als een man, die aristocraat, democraat, noch royalist, in staatszaken slecht was te vertrouwen en in alles arglistig te werk ging."

Zijn verloftijd was inmiddels half October verstreken, doch hierom bekreunde hij zich niet, want de aanbevelingsbrieven, welke hij van het districtsbestuur van Ajaccio had weten te verkrijgen en o. a. inhielden, dat hij tot tweemaal getracht had naar Frankrijk terug te gaan, doch dat tegenwind dit telkens had belet, waren zoo vleiend, dat zijn kolonel bij zijn terugkeer (Januari 1791) hiermede volkomen tevreden was en hem aan den minister zelfs voordroeg voor de uitbetaling van zijn traktement tot den dag van terugkomst.

In Auxonne was hij thans niet meer alleen, want Louis, toen even dertien jaar, had hij meegebracht. "Dan had zijn moeder een zorg minder," had hij gezegd en hij zou hem wiskunde en latijn leeren en later ook een artillerieofficier van hem trachten te maken. [2]

Een hokje van een kamertje met een slecht bed zonder gordijnen, een tafel, een koffer, een kast en twee stoelen vormden in de kazerne te Auxonne het verblijf van den toekomstigen Keizer, daarnaast in een nog schameler gemeubeld vertrekje sliep de latere koning van Holland. Zelf kookte Napoleon zijn potje, droog brood was zijn ontbijt, maar hij had geen centime schuld; zelf overhoorde hij Louis zijn vragen voor de Heilige Communie; trouw vergezelde hij hem naar de mis. Overigens vertoonde hij zich slechts zelden in het openbaar. Zijn dienst, Louis' lessen en zijn eigen studiën namen te veel tijd in beslag om veel uit te gaan, maar wanneer hij zich een enkele maal ten huize van kapitein de Gassendi of van de familie Chabert vertoonde, kon hij zeker zijn van een hartelijke ontvangst, waartoe zijn gedrag tegenover Louis in niet geringe mate bijdroeg. Wie zijn brieven uit dien tijd over zijn broertje leest wordt getroffen door hun liefderijken, bijna vaderlijken toon; hij prijst hem over zijn ijver, zijn werklust, zijn goede vormen in gezelschap, waarin hij zich zoo gemakkelijk beweegt, hetgeen juist Napoleon zelf niet bezat, ja, hij voorspelt wonderen van hem en schreef aan Jozef. "Hij zal de beste worden van ons vieren."

In diezelfde dagen stelde hij zijn Dialogue sur l'amour op schrift met den voor een jong officier vrij zonderlingen uitval, dat de liefde meer kwaad doet dan goed en schadelijk is voor de gemeenschap en het persoonlijk belang der menschen; zelf zal hij daar later wel eens anders over denken dan als luitenant van de artillerie.

Een kleine verbetering in zijn omstandigheden kwam door zijn benoeming tot eerste-luitenant (Mei 1791); tevens werd hij naar Valence teruggeplaatst. Hier betrok hij terstond zijn vroeger kwartier bij juffrouw Bou weder; hij werd een ijverig bezoeker van de club der vrienden van de Constitutie en zette zich aan de beantwoording eener prijsvraag, uitgeschreven door de Academie te Lyon en tot onderwerp hebbende: "Het bepalen der waarheden en gevoelens, den mensch in te prenten, ter bevordering van zijn eigen geluk."

Zijn arbeid werd niet bekroond; een der beoordeelaars noemde dien een in krasse bewoordingen uitgedrukt droombeeld; een ander vond het geheel te slecht gesteld en geschreven, om de aandacht te verdienen. Toch bevatte het geschrift een reeks oorspronkelijke denkbeelden en verheven gevoelens, en teekende het den vurigen aanhanger der republikeinsche beginselen.

Door bemiddeling van generaal du Teil, die zijn beschermer was gebleven in weerwil van Napoleons sterk geavanceerde begrippen, kreeg hij in October 1791 weder eenige maanden verlof. De verkiezingen waren op handen en hij wilde zijn broeder Jozef met alle macht ter zijde staan om een goed bezoldigde staatsbetrekking--het doelwit van elken rechtgeaarden Corsicaan--te veroveren. Door den dood van oom Lucien, 16 October, was het kleine kapitaal, dat de man door jarenlange spaarzaamheid had bijeengeschraapt, aan de kinderen gekomen; er was dus geld om stemmen te koopen en helpers te werven; in de woning van moeder Laetitia stroomde de wijn, de gansche familie der Bonapartes kwam in 't geweer en door een daad van geweld, die in een goed geordenden staat als volkomen onwettig zou zijn beschouwd, doch die op Corsica gold voor een wonder van handigheid en durf, wist Bonaparte zich te doen verkiezen tot luitenant-kolonel van een der nieuw opgerichte bataljons vrijwillige nationale garde, op een tractement gelijkstaande aan dat van kapitein bij zijn wapen, honderd twee en zestig francs in de maand.

Wat een overwinning op de tegenpartij, die Pozzo di Borgo gekozen had willen zien, wat een blijdschap in de woning der weduwe! Dat Bonaparte die betrekking aanvaardde, was geheel in overeenstemming met den inhoud eener wet, waarbij de officieren van het staande leger hiertoe werden gemachtigd.

Nu begon Paoli weder met de Bonapartes te rekenen. Wel had hij over Napoleons open brief aan Matteo Buttofuoco zijn afkeuring te kennen gegeven en hem bronnen geweigerd voor zijn geschiedenis van Corsica, maar in dien toestand was verandering gekomen, want Paoli begreep voor zijn plannen de Bonapartes noodig te hebben. Na jarenlang verblijf in Engeland met zijn parlementaire staatsinrichting had Paoli een afkeer gekregen van de in Frankrijk heerschende toestanden en, hoewel hij zijn plannen nog verborgen hield, streefde hij naar Corsica's onafhankelijkheid, hetgeen Napoleon reeds had begrepen.

Onder deze omstandigheden was het verklaarbaar, dat Napoleon niet veel lust had naar zijn standplaats terug te keeren, toen zijn verlof ten einde liep en onder voorwendsel van zijn benoeming tot luitenant-kolonel, bleef hij te Ajaccio. Toch begreep Napoleon, die wel wist, dat zijn onmiddellijke chef, zijn kolonel, hem volstrekt niet genegen was, dat hij gevaarlijk spel speelde en daarom zond hij een langen brief aan zijn vriend, den Commissaris van Oorlog te Valence en zette hem den stand van zaken uiteen. "Heiliger en dierbaarder plichten dan die van den dienst strekken tot mijn rechtvaardiging en maken, dat ik geen zelfverwijt gevoel," schreef hij o. a. en later nog weder: "Onder zulke bedenkelijke omstandigheden behoort een goed Corsicaan zich op zijn eerepost, dus in zijn land te bevinden."

Men leefde onder abnormale omstandigheden. De regeering te Parijs zag dat stoutmoedig optreden van den Corsicaanschen artillerieofficier, die zijn opleiding geheel aan Frankrijk had te danken, Fransch sprak en op zijn eiland voor haar dus van groot nut kon wezen, waarschijnlijk niet ongaarne, doch zijn kolonel dacht er anders over en deed hem schrappen van de lijst der actief dienende officieren; Napoleon had zijn betrekking verloren.

Bovendien was in April te Ajaccio een oproer uitgebroken, waarbij niet alleen bloed had gevloeid, doch waarbij Napoleon een zeer vreemdsoortige rol had vervuld en dit verergerde zijn toestand nog; hij werd daarom naar Parijs geroepen om zich te verantwoorden.

Inmiddels was hij tot kapitein benoemd en in dien rang bleef hij gehandhaafd, terwijl het hem niet zooveel moeite kostte zijn houding bij het oproer te rechtvaardigen; ook voor het eigendunkelijk wegblijven van zijn regiment werd een oog dichtgeknepen. Al was hij in zijn rang gehandhaafd toch gelukte het hem niet in de eerstvolgende maanden een plaats bij de artillerie te herkrijgen en zien we hem van Mei tot September 1792 doelloos en arm te Parijs. Wel woonde hier de familie Permon nog; wel vond hij zijn vriend de Bourrienne, die intusschen gehuwd was, terug, maar zijn trots en zijn neiging tot alleen zijn, beletten hem veel gebruik te maken van de gastvrijheid, welke beiden hem aanboden. Eenige malen ging hij Elisa bezoeken te St. Cyr; voorts leefde hij veel op straat, vervuld met de vraag wat hij, op Corsica teruggekeerd, doen zou, een aanhanger worden van Paoli en dan met de Engelschen heulen, of Frankrijk getrouw blijven. Dat ijdelheid, eerzucht en gouddorst bij de meeste menschen ook te Parijs de drijfveeren hunner daden waren, was hem niet lang verborgen gebleven; doch te Parijs was het strijdperk ruimer; de kans van slagen dus grooter. Bovendien bezat Frankrijk een leger, hier zou hij dus echte soldaten te commandeeren krijgen, terwijl op Corsica hoogstens eenige vrijwilligers onder zijne bevelen zouden staan.

In de Juni- en Augustusdagen van 1792 woonde hij te Parijs tooneelen bij, die hij nimmer zou vergeten en hem een grooten afschuw van de anarchie deden krijgen; op de journée van den 20 Juni volgde hij de menigte en verbaasde zich er over, dat men het volk de Tuilerieën had laten binnengaan; hoe gaarne zou hij toen artillerie tot zijne beschikking hebben gehad. Op gevaar af van zelf te worden gevangen genomen sprong hij den 8en Augustus bij den heer Permon zelfs ridderlijk in de bres, toen een troep kerels, onder leiding van een lid van het comité der sectie, waarin de woning van dezen heer lag, zonder lastgeving een huiszoeking wilden doen.

Hoe hij over den toestand dacht, toonde hij in een brief aan Jozef. "Een ieder zoekt zijn voordeel; laaghartiger dan ooit wordt er geïntrigeerd en lasteren is een der middelen om op het kussen te komen. Die hier aan 't hoofd staan zijn povere kerels; wie dat gedoe van nabij bekijkt, moet bekennen, dat de volkeren slechts half de moeite waard zijn, om hun gunst te verwerven. De geschiedenis van Ajaccio ken je; die van Parijs is precies dezelfde; alleen zijn de menschen hier misschien nog kleinzieliger en boosaardiger en zijn ze nog grootere bedillers en vitters dan daar.."

Voorts schreef hij aan Lucien, die ook in de politiek was getreden en op zijn zeventiende jaar reeds in de volksvergadering te Ajaccio stond te wauwelen en een proclamatie tot de Corsicanen had gericht, "dat zijn stuk een prul was met woorden te veel en ideeën te weinig en dat men met hoogdravenden bombast bij het volk niet moest aankomen."