Chapter 19
Terwijl Lucien dus in Spanje zijn eigen beurs spekte, doch geen voet verzette om het ongelukkige leger in Egypte van Cadix uit van krijgs- en mondvoorraad te voorzien, was het brein van zijn broer met het lot van dat leger bijna onafgebroken vervuld. De verovering van Egypte was zijn werk. Het blijvend bezit van dit land vormde den grondslag van zijn verdere plannen tegen Engeland in het Oosten; voor het sluiten van den vrede was het vraagstuk, wie het zou bezitten, het grootste struikelblok. Door een laatste geweldige krachtsinspanning wilde hij Albion dus stellen voor een voldongen feit.
De omstandigheden waren hem echter niet gunstig. Reeds in Maart was een Engelsch leger bij Aboukir geland; generaal Menou, na Klébers dood opperbevelhebber geworden, doch voor zijn taak niet berekend en door zijn onderbevelhebbers telkens bevit en tegengewerkt, had verkeerde maatregelen genomen en was bij Heliopolis geslagen; in Mei waren Rosette en Ramanieh verloren gegaan; ten slotte bleven alleen Caïro en Alexandrië in Fransche handen. Toen de admiraal Ganteaume, die reeds tweemaal een echec had geleden, bevel ontving in de haven van Derne op de kust van Afrika een landingsleger aan wal te zetten en terwijl de admiraals Bruyx, Dumanoir en Linois zich te Cadix vereenigden en eveneens koers naar Egypte zouden zetten, was, rekening houdende met de machtige Engelsche vloot in de Middellandsche Zee, het resultaat van dit stoute ondernemen, reeds te voorzien.
Behalve bij Algesiras tegenover Cadix, waar Linois eenig succes behaalde, was de fortuin de Fransche zeemacht ongunstig; Ganteaume kon bij Derne slechts een paar honderd man aan wal zetten en moest toen wijken voor een vijandelijk eskader. Ook deze expeditie mislukte dus.
Toen greep de Eerste Consul het oude plan van het Directoire om Engeland met een groot landingsleger rechtstreeks aan te vallen, weder op. Al de havenplaatsen langs het Kanaal werden met Boulogne als middelpunt een tooneel van ongekende bedrijvigheid. Dag en nacht werd gewerkt aan den bouw van honderden schepen, licht en toch voldoende zeewaardig om met troepen en zwaar geschut aan boord het Kanaal te kunnen oversteken. Van Duinkerken naar Brest werd de geheele kuststrook één reusachtig legerkamp, waarin binnen enkele weken een krijgsmacht van bijna 100.000 krijgers werd samengebracht, om hier ook in zeilen, roeien en ander zeemanswerk te worden geoefend. Wel noemde Nelson het gansche plan dollemanswerk, maar beproefde niettemin tot tweemaal toe een landing om die oorlogsbodems te vernielen. Tot tweemaal toe leed hij een echec en moest zich verder bepalen tot een onverpoosde waarneming der Fransche kust.
De onrust, door al die dreigende krijgstoerustingen onder de bevolking in Engeland verwekt, de bij deze aanhoudend sterker wordende drang naar het einde van een oorlog, die nu reeds tien jaar duurde en Engeland hoe langer hoe meer van het vasteland isoleerde, de begeerte naar vrede, die in weerwil van zijn snoevend en hooghartig optreden in die dagen toch werkelijk bij Bonaparte aanwezig was, gevoegd bij tal van drijfveeren van moreelen aard bij beide partijen, waren ten slotte oorzaak, dat er tusschen de twee kabinetten meer overeenstemming ontstond en dat den 1en October 1801 tot groote vreugde van beide natiën de vredespreliminairen te Londen werden geteekend.
Hoogst belangrijk waren de voorwaarden. Met uitzondering van Trinidad en de voorheen Hollandsche bezittingen op Ceylon gaf Engeland o. a. aan de Fransche Republiek en haar bondgenooten al de in den loop des oorlogs veroverde koloniën terug. Egypte zou weder aan Turkije, Malta aan de Maltezer Ridders komen. Portugals grondgebied zou onschendbaar zijn, dat van Rome en Napels door de Franschen, terwijl de eilanden en havens aan de Middellandsche en Adriatische zee door de Engelschen ontruimd zouden worden.
Over de rechten der Onzijdigen, over Piëmont, Genua en Toscane alsmede over de moeilijkheden op handelsgebied, vraagstukken, die eenmaal onder handen genomen, ieder voor zich reeds tot een nieuwen oorlog konden leiden, werd wijselijk niet gerept. Men wilde vrede.
Bonaparte had Frankrijk tegenover het buitenland dus gevoerd naar een standpunt, tot heden ongekend. Reusachtig, overweldigend waren zijn invloed en zijn macht geworden. België en Savoye hadden zich bijna vrijwillig aan hem onderworpen; de Rijnprovinciën, te voren reeds tamelijk los van Duitschland, hadden tegen hun inlijving weinig bezwaar gemaakt; de Alpen en de Rijn vormden thans Frankrijks natuurlijke grenzen.
Alleen in 't binnenland liet de toestand nog veel te wenschen over, doch Bonaparte twijfelde niet of ook hier zou hij weldra zijn wat hij van half Europa reeds was, de oppermachtige gebieder, die geen ander gezag naast zich duldde. Hij sprak deze gedachte niet uit en liet zelfs zijn naaste omgeving betreffende zijn bedoelingen in 't onzekere, maar zijn tijdens de vredesonderhandelingen bij herhaling gebezigde uitdrukking, als Engeland een nieuwe coalitie begon: een tweede geschiedenis te zullen leveren van Rome's grootheid, verried wat er in hem omging. Lafayette had hem doorzien. Toen hij hem voor zijn bevrijding uit de gevangenis te Olmütz kwam bedanken, had hij o. a. gezegd: "Uw gansche streven is alleen het fleschje met heilige olie (de zalving) boven uw kruin te laten breken."
Men had mogen verwachten, dat Bonaparte na het reusachtige succes in de twee laatste jaren verkregen, thans eenige rust nemen en van het vredestijdperk gebruik maken zou om al de werken, die den welvaart van het land moesten bevorderen doch nog in hun kindsheid waren, gelegenheid te geven tot ontwikkeling te komen en dus de vruchten van zijn werk te zien rijpen; van rust nemen was bij dien ijzeren man geen sprake.
Reeds was zijn brein vervuld met nieuwe plannen. Holland, Zwitserland, Genua en de Cisalpijnsche republiek hadden de beginselen der omwenteling omhelsd en in de hoop op hun toekomstige vrijheid de zwaarste lasten geduldig gedragen; bij den vrede van Lunéville was hun onafhankelijkheid benevens de vrijheid om den regeeringsvorm te kiezen, die hun de meest gewenschte scheen, door beide partijen gewaarborgd, niettemin was hij reeds begonnen zijn invloed op die keuze krachtig te doen gelden. Op Fransche leest moesten die weerlooze staatjes worden geschoeid. Fransch moesten ze worden. Of Oostenrijk, of Europa hiermede genoegen zou nemen, of hieruit niet een nieuwe oorlog kon voortkomen, vroeg hij niet. De omwentelingsgezinde partij, de partij der vrijheid werd in die staatjes onderdrukt, beweerde hij niet geheel ten onrechte. Voor zijn persoonlijke inmenging vond hij dit ruim voldoende.
Dan moest Frankrijk weder een koloniale mogendheid van den eersten rang worden. Egypte was verloren gegaan. Sint Domingo zou dit verlies goed maken. Sinds den vrede van Rijswijk (1697) een Fransche kolonie, de parel der Antillen, had dit eiland met zijn achthonderd suiker- en katoen-, drie duizend indigo- en koffieplantages tot in het begin der omwenteling jaarlijks gemiddeld 280 millioen francs naar Frankrijk doen stroomen. Aan een opstand onder de zwarten, die hoofdzakelijk door wanbeheer en mishandeling was ontstaan en aan een massa blanken het leven had gekost, had de neger Toussaint-Louverture een einde gemaakt en als generaal de teugels van het bewind in handen genomen en het eiland vrij verklaard onder protectoraat van Frankrijk. Thans zou een expeditie onder Leclerc het eiland weder onder Fransch gezag terugbrengen. Dat Joséphine en haar creoolsche vrienden, de planters, die te Parijs hulp waren gaan vragen tegen de zwarten en steen en been klaagden over het verlies hunner eigendommen, op dit besluit invloed hadden uitgeoefend, is even aannemelijk als dat Bonaparte in de herovering van het eiland een prachtige gelegenheid heeft gezien om zijn zwager en zijn zuster Pauline een kolossaal fortuin en een schitterende positie te bezorgen. Van de gunsten, waarmede de fortuin voor de andere familieleden zoo kwistig was geweest, hadden die twee tot nog toe zeer weinig genoten.
Met graagte aanvaardde Pauline het voorstel om haar man te vergezellen. Ook bij het leger was met den vrede werkeloosheid in het verschiet en daarom de zucht om aan de expeditie deel te nemen en ginds fortuin te maken buitengewoon groot. Den 14en December stak de admiraal Villaret met een landingsleger van ruim 20.000 man en tal van particuliere belanghebbenden uit Brest in zee. Engeland opperde niet alleen geen bezwaren van beteekenis, maar achtte dien tocht zelfs in zijn eigen belang, omdat het daarin een krachtig middel zag tegen de uitbreiding van de emancipatie der negers [24] in zijn eigen koloniën.
Voor het slagen dezer expeditie hadden de maritieme toebereidselen echter te veel tijd gevorderd. Toussaint-Louverture was gewaarschuwd, dus op zijn hoede en geen licht, zelfs zeer zwaar werk wachtte Leclerc. Wel werden de zwarten op verschillende plaatsen verslagen en werd de negergeneraal ten slotte verplicht den vrede te vragen en zich naar Frankrijk te laten vervoeren, maar toch mislukte de tocht. De gele koorts brak uit onder de troepen en raapte duizenden soldaten weg en behalve Leclerc zelf ook bijna alle generaals. Opnieuw kwamen de negers in opstand. Ten slotte keerde het overschot der expeditie, 3000 van de 34000 naar Frankrijk terug (Januari 1803). Met deze Pauline en haar zoontje.
Het lange haar ten teeken van rouw kort afgesneden en tengevolge van haar bevalling nog altoos lijdende aan een ziekte, welke in die dagen ongeneeslijk werd geacht, die haar het gaan en reizen tot een foltering maakte en haar weldra dwingen zou bijna altijd te liggen, voerde de diepbedroefde, twee en twintigjarige weduwe het gebalsemde lijk van haar echtgenoot mede naar Toulon om het op het landgoed Montgobert te doen bijzetten. Op St. Domingo fortuin gemaakt, had zij stellig niet. Zonder Napoleons jaarlijksche toelage van 60.000 francs zou zij door al 't geen er nu te betalen viel, moeite hebben gehad rond te komen en al was zij zuinig op gierig af, rekenen had zij nooit geleerd. Al haar illusiën van grootheid en rijkdom waren in rook verdwenen.
Het echec in de Antillen geleden, mocht zwaar wezen, bijna zonk het in 't niet naast het reusachtige succes, dat Bonaparte intusschen op staatkundig gebied behaalde, niet met horten en stooten doch zeer geleidelijk om Europa geen aanstoot te geven of bezorgd te maken, voordat de vrede met Engeland definitief was geteekend. Aan de Bataafsche republiek schonk hij een grondwet. In Zwitserland trad hij op als bemiddelaar. In Januari 1802 werd hij door vierhonderd en vijftig afgevaardigden der Cisalpijnsche republiek, die hiertoe opzettelijk te Lyon waren bijeengekomen, plechtig uitgenoodigd het presidentschap van deze te aanvaarden en haar te herdoopen in de Italiaansche. De invloedrijke Italiaan Melzi verkoos hij tot vice-president. Daar te Lyon, halverwege Parijs en Milaan hield hij ook een revue over de uit Egypte teruggekeerde krijgers en werd met geestdrift door hen begroet.
Daar hij aan Jozef, die de vredesonderhandelingen met Engeland te Amiens zou leiden, uitdrukkelijk had doen te kennen geven, dat daarbij zoo min over den koning van Sardinië als over den stadhouder in Holland en de vier reeds genoemde republieken mocht worden gerept en de stelselmatige uitsluiting dezer netelige punten bij Engeland instemming had gevonden, was de lijst der geschilpunten aanmerkelijk ingekrompen. Eindelijk den 25en Maart 1802 werd te Amiens de vrede geteekend, die aan een oorlog van tien jaar een einde maakte en een der gewichtigste gebeurtenissen is uit het begin der negentiende eeuw. De preliminairen van Londen vormden den grondslag er van. Onder de garantie van den czaar zou de Maltezer ridderschap op Malta hersteld en de Engelsche bezetting teruggezonden worden. Ook uit Egypte zou Engeland zijn troepen terugroepen.
Werd de vredebode in Frankrijk met gejuich begroet, in Engeland voerde die de bevolking letterlijk tot een soort van razernij. Een daverend Bonaparte for ever klonk in Londens straten uit boven de nationale liederen. Peace with France prijkte met groote letters op alle voertuigen en toen de kolonel Lauriston, adjudant van Bonaparte, de tractaten kwam uitwisselen, spande het volk zijn paarden uit en trok zijn galakoets zelf verder naar zijn hotel, want 't was vrede. Nu werden de havens weder geopend, kon er graan worden aangevoerd. De handel en het verkeer zouden herleven; de vrees voor hongersnood was verdwenen. Duizenden Engelschen staken het Kanaal over om een bezoek te brengen aan "dat land van barbaren en koningsmoordenaars" doch in de eerste plaats om dien generaal, dien Bonaparte te zien, dien ze ginds nog slechts kenden door spotprenten en schotschriften en--door den geweldigen roep, die van hem uitging.
Niet om den hartstochtelijken wensch van de meerderheid der natie, wel om hun eigen eerzucht en een kliek kooplui te bevredigen, die uitsluitend hun handelsbelangen op 't oog hadden en voordeel trokken uit den oorlogstoestand, zullen de britsche ministers dien vrede reeds het volgende jaar verbreken, Frankrijk opnieuw den oorlog aandoen en dezen niet eindigen, voordat Napoleon is verpletterd.
Ook de staatsman Fox, het beroemde hoofd der oppositie in het Lagerhuis, de mededinger van Pitt, kwam naar Parijs om met Bonaparte kennis te maken en bouwstoffen te verzamelen voor een werk over de laatste twee Stuarts. Bonaparte schoof alle etiquette voor hem ter zijde, ontving hem herhaalde malen als een vriend in zijn huiselijken kring, gaf bevel al de staatsarchieven voor hem open te leggen en deed hem, den bijna zestigjarigen staatsman, die nog zooveel edele droombeelden koesterde, vaak versteld staan over de stoutheid zijner plannen voor de toekomst, die hij zeer weinig bemantelde. Gansch Parijs liet hij hem zien, ook een juist in die dagen weder geopende tentoonstelling van nijverheid, de tweede na de omwenteling; vaak gevoelde hij zich gestreeld door de onverholen teekenen van verbazing door zijn gast gegeven, over zooveel vooruitgang in dat bedrijf.
De mannen scheidden in vriendschap als twee groote figuren, die elkander hadden leeren hoogachten.
Waren de natiën dus verheugd over den vrede, Bonaparte zeker niet minder. Met dagelijks klimmende onrust had hij den loop der onderhandelingen gevolgd; bij herhaling had hij Jozef doen weten, dat hij toe moest geven op alle ondergeschikte punten, die vertraging konden doen ontstaan; aan de koeriers tusschen Parijs en Amiens had hij zelfs premiën beloofd, als zij spoed maakten. Zoo handelde geen man, die zooals vaak nog heden wordt beweerd den oorlog zocht tot elken prijs. Neen, niet naar oorlog, naar vrede, naar een langdurigen algemeenen vrede verlangde hij in die dagen; dat hij dit doel niet heeft bereikt, dat de vredestoestand reeds in 1803 weder werd verbroken, mag niet aan hem worden geweten, maar Engeland is, herhalen wij, in hoofdzaak de schuld er van, zooals de door geheel Europa overgenomen legende van Napoleons ziekelijke behoefte aan oorlogsdaden met al haar afgrijselijke gevolgen haar ontstaan heeft te danken gehad aan Talleyrand.
Jaren lang (tot ver in 1807) had deze man, die Napoleon in stilte fel haatte, zoo goed als diens geheele staatkunde geleid, hem zelf, zooals zijn brieven getuigen, voortdurend gewaarschuwd tegen de zoogenaamde moordplannen der vorsten van Europa en der Pruisische generaals en aan diezelfde vorsten na iedere nederlaag de voor hun eigenliefde meest vernederende brieven geschreven.
Hoe had deze man--en zooveel anderen met hem--zich na dit alles in 1815 met opgeheven hoofd op 't congres van Weenen durven vertoonen, indien hij zich hier niet had voorgedaan als de zwakke, weerlooze, gebrekkige man, die gedwongen was geweest de bevelen op te volgen van een bloeddorstig monster?
Doch hierover later. Dezen even talentvollen als sluwen en steeds naar goud dorstenden staatsman zullen wij vaak genoeg aan 't werk zien.
Dat Bonaparte geleidelijk aanstuurde op het herstel van het éénhoofdige gezag was in Frankrijk dus voor niemand een geheim meer en de natie en bloc had geen bezwaar haar held, die haar orde, rust en vrede had gebracht, hierin de vrije hand te geven. Wel echter de oppositie. Deze werd hoofdzakelijk gevonden bij de groote staatslichamen bij het leger en dan bij het Instituut met zijn plannenmakers en godloochenaars uit de dagen van het Directoire, de zoogenaamde "denkende hoofden."
Reeds had het Tribunaat onder meer verworpen de zoo noodzakelijke wet op de Openbare Schuld en de staatsdomeinen, op de speciale rechtbanken, een uitvloeisel van den moordaanslag in de rue Saint Nicaise, zich in schampere taal geuit en zich gestooten aan het woord "onderdaan," voorkomende in het tractaat met Rusland. Bonaparte was driftig geworden, had de opposanten in den Raad van State uitgemaakt voor "ongedierte," hieraan toegevoegd, dat hij zich niet als Lodewijk XVI zou laten aanvallen, terwijl hij van zijn gemoedsstemming in officieuse dagbladen liet blijken. Toen het Wetgevend Lichaam met zijn overgroote meerderheid van wijsgeeren en oud-priesters denzelfden weg begon te bewandelen als de Tribunen, toen ook de Senaat bij de stemming over candidaten voor drie in dit college vrijgekomen zetels, duidelijk blijk had gegeven van onwil en Bonaparte's candidaten, drie oude, verdienstelijke generaals, waren gevallen, had hij den 2en Januari al de reeds ter behandeling gereed liggende wetsontwerpen, die de natie met zoo vurige belangstelling verbeidde, teruggenomen. Het tijdstip was blijkbaar nog niet aangebroken, waarop deze belangrijke zaken met de noodige kalmte en eensgezindheid konden worden behandeld. Hierdoor had Napoleon het Tribunaat en het Wetgevend Lichaam tot volslagen werkeloosheid gedoemd en de natie doen zien aan wie de schuld lag, dat niet meer arbeid werd verricht.
Intusschen had hij langdurig beraadslaagd met Cambacérès, doch vooral met Lucien, met wien hij zich had verzoend; daarna had hij den Senaat gewezen op artikel 38 der grondwet, welke voor het loopende jaar (X) de vervanging gebood van het eerste één vijfde der twee andere staatslichamen, de verdere regeling overgelaten aan zijn ambtgenoot en was naar Milaan vertrokken om zich hier te laten uitroepen tot president der Italiaansche republiek.
Toen hij den laatsten Januari terugkwam, was over de hoofden der oppositie in Tribunaat en Wetgevend Lichaam het vonnis reeds geveld. Twintig leden van het eerste, zestig van het tweede waren niet bij loting doch bij keuze zooals men het noemde "geëlimineerd," ze zouden worden vervangen door even zooveel anderen, die meer den geest van het gouvernement waren toegedaan. Carnot en Lucien kregen zoodoende in Maart een zetel in het Tribunaat; terstond wierp de laatste zich weder op tot leidsman der openbare meening.
"Ik ben een soldaat, een zoon der revolutie en zal me niet als een koning laten beleedigen" had de Eerste Consul reeds een tijdlang te voren in den Raad van State gezegd, thans had hij de oppositie zijn klauw laten voelen.
Waardiger, grooter zou hij zich getoond hebben, als hij die minderheid die òf hem persoonlijk haatte òf hem alleen bestreed uit zucht tot oppositie desnoods met een minachtend schouderophalen was voorbijgegaan, maar hij was driftig en lichtgeraakt, duldde bijna geen tegenspraak en had voor Frankrijks eer en grootheid alleen reeds meer gedaan, dan al "die babbelaars en idéologen," zooals hij ze noemde, te zamen. Eindelijk kende hij zijn tegenstanders in het Tribunaat mogelijk te goed om niet te zien, dat, was zijn houding een lijdzame en geduldige, deze hen stoutmoediger zou maken en dat ze voor hem en de natie bepaald gevaarlijk konden worden als de meerderheid in Senaat en Wetgevend Lichaam, wat niet volslagen onmogelijk was, met hen één lijn begon te trekken en als ook een deel van het leger zich in den strijd mengde.
Want ook hierbij en vooral onder de generaals, die met Moreau in Duitschland hadden gediend, telde hij heel wat vijanden. Lannes en Augereau waren reeds zoo brutaal geworden, dat de eerste van zijn commando ontheven en als gezant naar Portugal gezonden was; Massena was verwoed, dat hem het commando over het leger in Italië ontnomen en aan Brune opgedragen was; over een huis had hij bovendien standjes met Joséphine gehad. Gouvion St. Cyr en Macdonald waren wel beiden niet in Parijs, doch staken hun vijandige gezindheid tegenover hem niet onder stoelen of banken.
Moreau, een dapper soldaat, doch een karakterloos man, had zelfs reeds openlijk tegen hem partij gekozen en werd in zijn haat gesterkt door zijn vrouw, die jaloersch was op Joséphine en door zijn schoonmoeder, mevrouw Hulot, evenals deze een creoolsche en reeds jaren met haar op voet van oorlog.--Voor de oppositie was deze volbloed republikein, die zoo belangeloos heette maar niettemin een rijk en prachtig hotel te Parijs zijn eigendom noemde, de aangewezen man om Bonaparte op te volgen, "als deze toevallig een ongeluk mocht overkomen."
Al die generaals misten echter een groot troepencommando; zij waren dus niet zoo gevaarlijk als Bernadotte, die er wel een bezat, namelijk dat van Rennes over de korpsen van 't Westen. Door Jozefs invloed lid geworden van den Raad van State (1800) had hij toen reeds sterk geïntrigeerd om òf in Italië òf in de Bataafsche republiek òf te Parijs een groot commando machtig te worden. Daarop had hij zich door zijn heftige taal tegen Leclerc, toen deze op marsch naar Brest eenige uren te Rennes bij hem was, bij Bonaparte zoo verdacht gemaakt, dat deze hem zijn commando ontnomen en naar Parijs geroepen had. Weder in genade aangenomen, had hij (Januari 1802) bedankt voor het kapitein-generaalschap over Guadeloupe en toen voor dat over Louisana zooveel voorwaarden gesteld, dat Bonaparte hem had laten gaan en generaal Victor hiervoor had aangewezen. Thans zat hij weder te Rennes bij een grootendeels van het Rijnleger afkomstigen troep, die in geen drie jaar soldij had gezien, waarbij telkens gevallen van grof verzet plaats vonden en de desertie sterk toenam, bij een troep dus, die weinig meer noodig had om, door mooie beloften en goud verlokt, zoodra Bonaparte was gevallen, over te gaan tot een pronunciamento.
Prachtig voor het oog, was diens positie volstrekt niet.
Wie zal het bevreemden, dat hij zich wapende, zijn garde vergrootte en toen hij den eersten Paaschdag ter eere der sluiting van het Concordaat in de Nôtre Dame de hoogmis ging bijwonen, ook vier bataljons dier garde met de bajonet op in de kerk deed opstellen. Had men hem het lot van Romulus niet toegedacht? Bestond er geen komplot om hem onder de mis te vermoorden?--Dat Bernadotte hiervan wist, staat vast. Jozef ook? Zou zijn zwager hem niet hebben gewaarschuwd? In elk geval bedankte de man, die bij de gesloten verdragen als onderhandelaar was opgetreden, voor de eer, om in de kerk te gaan naast zijn broeder; hij bleef liever bij zijn collega's van den Raad van State.
De vier bataljons garde in de kerk maakten effect. Er gebeurde niets.
Te Rennes gebeurde echter wèl iets. In afwachting van den loop der zaken te Parijs, had generaal Simon, Bernadotte's chef van den staf, in stilte twee oproerige proclamaties doen drukken en had die per post verzonden (26 Mei). De politie kwam de samenzwering op 't spoor en Simon en eenige subalterne officieren werden opgepakt, doch Bernadotte ontsprong den dans. Hij was even te voren met zijn vrouw naar Plombières vertrokken en wist, zoo heette het, van den prins geen kwaad. Maar Bonaparte wist wèl. "Praat me niet van dien schoft, die had den kogel verdiend," zei hij tegen Rapp, toen deze Bernadotte's naam noemde.