Napoleon

Chapter 18

Chapter 183,762 wordsPublic domain

Doodbedaard had Bonaparte de heeren die zaak laten uitvechten en toen erkend, dat de brochure wel zijn eigen denkbeelden weergaf, maar dat het slot ervan gekkenwerk was; toch zou hij zijn broeder ten slotte nog hebben gehandhaafd, indien Moreau zich niet ernstig was komen beklagen over de beleediging het leger door Lucien aangedaan en wanneer niet reeds lang tal van feiten hadden bewezen, dat Lucien zijn vriendjes den baas liet spelen op zijn ministerie om te stelen en te rooven naar hartelust. Ook Joséphine had een handje helpen duwen; doodsbenauwd voor dat herediteitsbeginsel, zoo zwanger van monarchale ideeën, terwijl ondanks alle badkuren en kunstmiddelen van dokter Corvisart van een zwangerschap voor haar geen sprake meer was en een echtscheiding haar dus stond te wachten, had zij zich bij Bonaparte op schoot gezet en had hem haar en wangen gestreeld. "Toe Bonaparte, maak je niet tot koning; die gemeene Lucien drijft je er toe, doch laat hem praten."

Na een zeer heftig en pijnlijk tooneel tusschen de twee broeders, had Lucien daarop als minister zijn ontslag gekregen, was op een kolossaal tractement, met de kans op een aantal millioenen in de toekomst, benoemd tot gezant te Madrid. (7 November 1800.)

Fouché was Lucien dus vijandig. Het vraagstuk van een opvolger had Bonaparte daarop zelf wat meer van nabij bezien. Dat hij het recht moest hebben zijn opvolger te benoemen, stond dadelijk bij hem vast; hij schoof Jozef als te achteloos en voor zaken ongeschikt op zijde, Lucien den opposant en antimilitarist eveneens en vestigde de oogen op Louis. "Deze bezat niet één der gebreken van zijn broers, doch wel al hun goede hoedanigheden," meende hij. Die zou hem dus opvolgen.

Eerlijk, oprecht en vol plichtsgevoel was Louis zeker, maar overigens had Bonaparte bezwaarlijk een slechter keuze kunnen doen, want diezelfde steeds zwijgende, droefgeestige jonkman met zijn onbeduidend gezicht, fletse oogen en sterke neiging tot afzondering, was niet alleen ziek, maar verborg onder dit ziekelijke uiterlijk een groote mate van jaloersche eigenliefde en een onstandvastigheid, die hem ongeschikt maakten voor eenige regelmaat in zijn bestaan, terwijl lichte aanvallen van vervolgingswaanzin hem nu en dan voerden tot daden, die verrassend valsch en dubbelzinnig ook in de oogen van anderen, door hem zelf in vollen ernst onberispelijk werden geacht.

Van dezen geestestoestand kende Bonaparte niets; meenende dat Louis' melancholie en sentimenteele begrippen (een gevolg van zijn ziekte) voortsproten uit invloeden van buiten, dat hij dus een tijdlang in een andere omgeving verkeeren, reizen moest, in één woord "ontbolsterd" worden; hij zond hem dus naar Duitschland.

Joséphine, die Louis evenmin begreep, wist nauwelijks wat haar man voornemens was, of haar plan, dat Louis met haar dochter zou trouwen, stond onherroepelijk bij haar vast. Dan kon er van echtscheiding geen sprake meer zijn.

Hortense was ruim zestien en niet mooi maar zeer bevallig; zij danste uitmuntend, teekende, zong, speelde piano en harp, deed aan belletrie en was, zoolang ze niet ruw of norsch werd bejegend, zachtaardig en meegaande; daarbij was zij nog altoos even doodelijk van haar moeder van wie ze niet één harer gebreken zag. Om deze reden hield ze niet van haar stiefvader. Iedereen zei, dat hij een groot veldheer was en een even talentvol administrateur als geniaal bewindvoerder, dus moest zij dit wel gelooven; misschien bewonderde zij hem hierin ook wel, doch in den dagelijkschen omgang was hij vaak grof, somtijds ongemanierd en altijd despotisch; hij bracht haar moeder aan 't schreien, moest altijd op zijn wenken worden bediend en liet iemand zelfs in zijn slaapkamer niet met rust; zoodoende gevoelde zij voor hem niet de minste sympathie en was ze zelfs bang voor haar stiefvader.

Door haar huwelijk met hem had haar moeder in haar oog een mésalliance begaan; voor haar, de dochter van een der aanzienlijkste edellieden van Frankrijk, die het leven had gelaten voor zijn vorst, was slechts een wettige regeering denkbaar, die der Bourbons; ook al door de bij madame Campan ontvangen opvoeding gevoelde zij zich het beste thuis in de salons van den ouden adel.

Een paar aanzoeken om haar hand had zij reeds afgewezen; een poging van Duroc had evenmin succes gehad. Van 't geen Joséphine over haar had besloten, vernam zij voorloopig niets.

Terwijl Bonaparte de eerste dagen van 1801 o. a. bezigde met het zoeken naar een plaatsvervanger voor Fouché, Joséphine haar plannen met Louis begon uit te werken, Elisa, Jozef en Lucien met hun aanhang niets onbeproefd lieten om Fouché ten val te brengen, was deze zelf onafgebroken bezig met het zoeken naar het bewijs, dat niet de Jacobijnen, maar de royalisten den aanslag van de rue St. Nicaise hadden gepleegd. Was eenmaal dit bewijs geleverd, dan zou al het geïntrigeer van de familie en de royalisten in den Raad van State tegen hem met één slag den nek zijn gebroken. Hij vond het. Den laatsten Januari bracht hij het zelf naar Malmaison; niet alleen Carbon en Saint-Rejan de hoofdschuldigen, had hij in handen, zelfs den brief, waarin deze laatste aan Cadoudal zijn diep leedwezen betuigde, dat de aanslag was mislukt.

Hij zegepraalde; zijn aanvallers zwegen. Door Bonaparte werd hij als minister van Politie gehandhaafd. Wel ging hier en daar een stem op, dat hij honderd dertig zijner makkers van voorheen, zonder verzet had laten verbannen, doch de eigenaar van die stem vergat, dat Frankrijk in die dagen nog een Augiasstal was, waarin een ferme zwaai met den bezem geen weelde was. Juist dit zuiveringsproces heeft ten gevolge gehad, dat Bonaparte zich twee jaar achtereen ongestoord heeft kunnen wijden aan zijn taak, Frankrijk weder te maken tot een mogendheid van den eersten rang. Een nieuwe stap in deze richting was het sluiten eener overeenkomst met den paus tot herstel van de roomsch-katholieke kerk in Frankrijk. Het overleg tusschen Bernier en kardinaal Spina had vruchten gedragen. Na langdurig gehaspel was 's pausen raadsman, de even sluwe als hebzuchtige, doch oogenschijnlijk zeer eenvoudige kardinaal Consalvi naar Parijs gekomen om met Bonaparte persoonlijk te onderhandelen en kreeg van dezen kort en bondig te verstaan, dat hij slechts enkele dagen tijd had om tot een besluit te komen en dat, deze periode verstreken, de betrekkingen met Rome onherroepelijk zouden worden afgebroken.

Dit hielp. Den 15en Juli 1801 kwam het verdrag tot stand, dat onder den naam van Concordaat de verhouding regelde tusschen Kerk en Staat. De Republiek werd hierbij verdeeld in tien aartsbisdommen en vijftig bisdommen; een bezoldiging van staatswege trad in de plaats van het voormalige grondbezit der geestelijkheid. Het gouvernement oefende toezicht uit over den eeredienst en benoemde de aartsbisschoppen en bisschoppen; uitsluitend van den paus ontvingen die dan de wijding.

Een staatskerk werd de roomsch-katholieke niet; hiermede zou aan de aanspraken der andere eerediensten zijn te kort gedaan; dit zou in strijd geweest zijn met de republikeinsche beginselen van gelijke rechten voor allen. Ook van een schifting tusschen beëedigde of constitutioneele, niet beëedigde of aan Rome trouw gebleven en gehuwde geestelijken had de Eerste Consul niet willen hooren, hij had de vorming geëischt van een volslagen nieuwe geestelijke instelling, die aan alle scheuring en verdeeldheid een einde maakte en die de wijze en eerbiedwaardige priesters van alle partijen zonder onderscheid samenbracht in één lichaam. Persoonlijk had hij zich met zijn collega's bereid verklaard de mis bij te wonen; verder had hij zich tot niets willen verbinden.

Voor den inwendigen toestand van het land was de vrede van Lunéville een zegen geweest; een deel der troepen kon nu gebezigd worden tot verdelging der talrijke rooverbenden, die bijna alle wegen onveilig maakten en het vrije verkeer en hiermede den binnenlandschen handel ernstig bedreigden; fondsen waren vrij gevallen, die thans in werken des vredes o. a. voor het afdoende herstel der wegen--alleen in 1802 acht en twintig millioen francs--een bestemming vonden. Thans kon ook gezorgd worden voor het blijvend voortbestaan van de prachtige bosschen, die de laatste tien jaren verwaarloosd en slecht beheerd, van de bijl der houtdieven alom de sporen droegen. Bij duizenden keerden de ontslagen soldaten naar hun haardsteden terug; de landbouw herleefde hierdoor geheel, vooral nu het wild, als herten en wilde zwijnen grootendeels was uitgeroeid. In het zuiden begon het aantal zijdeweverijen, tijdens de omwenteling tot twee duizend ingekrompen, reeds te klimmen naar de zeven duizend. In één jaar steeg het cijfer van invoer van 325 op 417 millioen francs. Ongekend, reusachtig was het door den Eersten Consul thans reeds bereikte resultaat; toch rustte hij niet. Wanneer rustte die man ooit! Frankrijk had zoo goed als al zijn koloniën verloren; wilde het ook als koloniale mogendheid zijn vroegere plaats hernemen, dan moest ook in die richting met alle kracht gewerkt worden.

Reeds was de koning van Spanje bereid gevonden de provincie Louisiana, eenmaal een Fransche kolonie, aan de golf van Mexico, aan de Republiek af te staan; dan werden toebereidselen gemaakt om het zoo kostbare eiland Sint Domingo terug te winnen, dat zich tijdens de Constituante onder den neger generaal Toussaint-Louverture onafhankelijk verklaard had; voorts stelde Bonaparte alles in het werk om het nu reeds zooveel maanden lang aan zich zelf overgelaten leger in Egypte te hulp te komen. In de haven van Brest werd hiertoe een eskader uitgerust; in Italië een legerkorps van 17000 man bijeengebracht om te Otranto scheep te gaan, maar terwijl de groote man op ieder ander gebied de zege weg droeg, op dat zijner koloniale politiek zag hij de fortuin voortdurend tegen zich gekeerd.

Verschillende factoren werkten hiertoe samen. In de eerste plaats stond hij, de heerscher over millioenen menschen volslagen machteloos tegenover de elementen, n.l. den wind en de zee; dan verkeerde zijn marine nog in een tijdperk van wording, had hij zijn vlagofficieren, eenmaal in volle zee, niet meer onder zijn rechtstreeksche bevelen en waren verscheidene van die heeren, hoe dapper overigens ook, niet berekend voor de taak, die hij hun opdroeg; eindelijk voerde Engeland met zijn geweldige vloot bijna onbeperkt heerschappij op den oceaan.

In de nu volgende twintig jaren heeft dit eilandenrijk op Napoleons leven, denken en handelen zulk een reusachtigen invloed uitgeoefend, dat hierbij eenige oogenblikken langer dient te worden stilgestaan.

HOOFDSTUK XI.

Engeland en de vrede van Amiens.

Onder leiding van den alvermogenden Pitt, voerde dit land reeds acht jaar lang oorlog tegen Frankrijk op een eigenaardige manier; soldaten bezigde het hiertoe niet, alleen geld, krijgsvoorraad en mooie beloften; het subsidieerde half Europa met Oostenrijk aan de spits om de Republiek zoo mogelijk te verdelgen, haar in elk geval te verlagen tot een mogendheid van den tweeden rang. Niet tegen de Republiek alleen trad hij vijandig op, tegenover iedere mogendheid, welke een handelsvloot en koloniën bezat. Den ganschen wereldhandel tot zich te trekken was hierbij zijn doel. Het wilde beletten, dat Spanje de opbrengst zijner kostbare mijnen in Mexico naar de Spaansche havens vervoerde met eigen schepen, dat Frankrijk op dezelfde wijze zijn koloniale waren als koffie en suiker ontving, dat Rusland, Zweden en Denemarken den voorraad hout en ijzer, voor hun marine benoodigd, zelf aanvoerden. Het wilde als in 1793, een jaar van misgewas, een geheel land kunnen uithongeren en zonder rechtstreeksche blokkade een rijk kunnen houden buiten de gemeenschap met de zee; het wilde om kort te gaan, den handel van geheel Europa te gronde richten ten bate van zijn eigen kooplieden. Om met Albert Sorel te spreken "eischte het voor zijn eigen koloniën het monopolie, doch den vrijen handel op die der andere rijken, trachtte hier den sluikhandel, dien het op zijn eigen grondgebied met alle macht te keer ging, door allerlei middelen te organiseeren, onderdrukte minachtend de zwakkeren en voerde een heftigen strijd met de sterkeren."

"Het duldde niet, dat Frankrijk deelde in de heerschappij ter zee, koloniën bezat en in den wereldhandel deelde, vandaar zijn onverbiddelijk verzet tegen iedere combinatie, die Frankrijks kustgebied vergrootte en het dus nieuwe wegen opende naar den oceaan; het duldde dus ook de bezetting van Antwerpen door Frankrijk niet, want het verlangde den transitohandel naar Duitschland voor zich alleen. Reeds in 1777 had een agent uit Londen geschreven, dat de Engelschen liever hun hemd van 't lijf zouden verkoopen, dan dat zij de Franschen de baas lieten worden in de Nederlanden."

"Sinds 1714 had Engeland door koning George I in Europa zelf vasten voet gekregen. George was keurvorst van Hannover; hoewel een zuiver persoonlijk bezit, waarbij Engeland niet was betrokken, was dit keurvorstendom toch een belemmering in de staatkunde geworden, want ingeval van oorlog kon Frankrijk de hand er op leggen. Pruisen bovendien haakte naar het bezit er van. Reeds in 1745 had de Fransche minister d'Argenson aan Lodewijk XV geschreven, dat er alleen door middel van Hannover iets van Engeland zou zijn te verkrijgen."

"Bij het begin der Fransche Omwenteling had Engeland de Nederlanden beschermd en er invloed op uitgeoefend. Hun vloten waren elkanders mededingers; in hun handelsbelangen gingen zij niet, tegenover Europa wèl samen. Ook Holland verkoos niet, dat de Schelde een Fransche of ook zelfs maar een voor de schepen van alle natiën vrije rivier werd. Portugal was weinig meer dan een Spanje bedreigende Engelsche kolonie in Europa. Italië telde slechts mede als een zwakke broeder, wien men naar willekeur bepalingen op handelsgebied kon voorschrijven. In de Middellandsche zee betwistte Engeland den handel op de Levant aan Frankrijk; hier was zijn macht even groot als die der Republiek en in de Oostzee trachtte het deze den handel op Zweden en Denemarken te ontrukken. Met Rusland was zijn vriendschap sinds den Noord-Amerikaanschen Vrijheidsoorlog zeer verkoeld; de Czaar breidde zijn gebied uit aan de Zwarte Zee, begon Turkije te bedreigen en zich een weg te banen naar de Middellandsche zee. Engeland begon zijn invloed te doen gevoelen in Azië en hier koloniën te verwerven; eerlang zou het dus daar optreden als Ruslands concurrent."

"Ieder verbond, dat de Engelschen sloten, had dus twee doeleinden: hun eigen heerschappij ter zee uit te breiden, die van Frankrijk te beperken, zoo te mogelijk vernietigen."

Zooals licht is te begrijpen, kwam de oorlogstoestand hun hierbij uitnemend te stade. Dan onderzochten hun oorlogschepen elk vaartuig, dat zij onder vreemde vlag ontmoetten en boorden het bij weigering in den grond; dan werd het door alle onzijdige natiën gehuldigde beginsel, dat behalve voor oorlogscontrabande de vlag de lading dekte, voor hen een doode letter, dan heerschten zij bijna onbeperkt op den oceaan.

Reeds langen tijd had hun optreden bij de neutrale mogendheden kwaad bloed gezet. Zelfs Noord-Amerika was verbolgen, want de Engelschen ontzagen zich niet de bemanning van Amerikaansche schepen krijgsgevangen te maken onder voorwendsel, dat zij Engelsch onderdaan waren. In December 1800 was een Ligue der Onzijdigen, gevormd door Rusland, Zweden, Denemarken en Pruisen, begonnen, zich tegen dergelijke onbeschaamdheden te wapenen. De havens van de Zwarte, de Middellandsche en de Oostzee waren dientengevolge reeds voor de Engelschen gesloten; toen Napels eveneens met de Republiek had vrede gesloten (Maart 1801) werden ze alleen nog toegelaten in die van het machtelooze Turkije en van Portugal.

Handig had de Eerste Consul van deze stemming partij getrokken. Pruisen had hij gevleid en halve beloften gedaan om aldus in dit rijk een tegenwicht te krijgen tegenover het openlijk door Engeland gesubsidieerde Oostenrijk. Door de belofte van diens schoonzoon, den hertog van Parma, bij den vrede van Lunéville te verheffen tot koning van Etrurië (Toscane) had hij Spanje's zwakken koning Karel IV overgehaald Portugals koning, zijn zwager, desnoods door wapengeweld te dwingen zijn havens eveneens voor de Engelschen te sluiten; door een reeks van beleefdheden en geschenken had hij eindelijk den half waanzinnigen Paul I van Rusland van een vijand der Republiek in een bewonderaar van zijn eigen persoon als staatsman en veldheer weten te veranderen en zelfs de eerste grondslagen weten te leggen tot een Fransch-Russisch verbond.

Om dit doel te bereiken had Napoleon zelfs den brief van Rostopchin, den Russischen minister van buitenlandsche zaken zeer hoffelijk beantwoord en er in toegestemd, tot herstel der goede verstandhouding, de integriteit van het grondgebied van Napels, Beieren en Wurtemburg te waarborgen en den koning van Sardinië op den troon te herstellen. Dat de brief meer op een ukase dan op een dankbetuiging voor de teruggezonden krijgsgevangenen geleek, was hij met stilzwijgen voorbijgegaan; Fouché had hij zelfs bevolen beslag te leggen op een brochure van een Pool, getiteld: "Geen hechte duurzame vrede zonder Polens herstel." Niets had hij onbeproefd gelaten om Engeland te isoleeren.--"Eerst wanneer wij ook met Albion hebben afgerekend, zal Frankrijk al de weldaden des vredes genieten," had hij gezegd tegen een deputatie uit het Wetgevend Lichaam, die hem met den vrede van Lunéville kwam gelukwenschen. "Maar het gouvernement daar is dol geworden en weet niet meer wat heilig is. Al de mogendheden van het vaste land gezamenlijk zullen het tot rede moeten brengen."

Dezen weg ging het reeds op; de Ligue der Onzijdigen en de geduchte maritieme maatregelen door Napoleon zelf te Brest, te Rochefort, in Spanje en in Holland genomen, schijnbaar Ierland, Indië en Brazilië geldende, doch feitelijk alleen ten doel hebbende het leger in Egypte te hulp te komen, deden in Engeland ernstige ongerustheid ontstaan. Misgewas was daar in diezelfde dagen oorzaak van een gruwelijken hongersnood; dan had Pitt in 't begin van Februari zijn ontslag genomen, omdat de nu en dan half waanzinnige George III halsstarrig had geweigerd aan diens grootsche plannen met Ierland [23] mede te werken.

De bevolking in Engeland snakte dus naar vrede; ze leed honger, en alleen een vrede kon tengevolge hebben, dat de schepen met graan uit het buitenland de Engelsche havens weder inliepen. De oorlogspartij in het parlement versaagde echter niet en nam den haar door het Noorden toegeworpen handschoen zelfs blijmoedig op. Nelson voer naar de Oostzee, liet zijn chef, den ouden admiraal Parker, die "op de donkere nachten en de ijsvelden" daar volstrekt niet was gesteld, praten, verscheen den 2en April met een eskader van twaalf schepen voor Kopenhagen, vernielde de Deensche vloot, bevocht daar, onder zware verliezen, in vier uur tijd een volkomen overwinning en bewerkte een wapenstilstand van veertien weken.

Gaarne had hij zich daarna tegen de Russische vloot gekeerd, die in de haven van Reval ingevroren had gelegen; doch hiervan kwam niets. In den nacht van den 24en Maart was de dolleman Paul I door graaf Pahlen, generaal Bennigsen en eenige anderen in zijn paleis vermoord, volgens Talleyrand "de in Rusland meest gebruikelijke manier van onttroonen." Zijn zoon Alexander was hem opgevolgd en had op aandrang van den koopmansstand en van zijn omgeving en uit haat tegen Bonaparte en de Fransche Republiek met Engeland onderhandelingen geopend, en toen Duroc, met een vertrouwelijke zending naar St. Petersburg vertrokken, hier aankwam, werd juist tusschen de beide rijken vrede gesloten.

Toen Talleyrand met het bericht van Pauls gewelddadigen dood op Malmaison verscheen, werd Bonaparte woedend. "Den 3en Nivôse hebben de Engelschen mij te Parijs gemist, maar te St. Petersburg thans niet." riep hij; brutaalweg schreef hij daarop in den Moniteur: "Paul is vermoord in den nacht van 24 Maart, het Engelsche eskader is den 31en de Sont gepasseerd. De geschiedenis zal leeren welk verband er tusschen deze twee gebeurtenissen bestaan kan." Kort te voren had hij zijn gezant te St. Petersburg doen kennen, dat hij uit vriendschap voor Rusland niet ongenegen was iets te doen voor den koning van Sardinië, thans annexeerde hij Piëmont oogenblikkelijk, doch antidateerde het hierop betrekking hebbende decreet met tien dagen en gaf aan het nieuw verworven grondgebied, zoogenaamd voorloopig, de administratie van een Fransch departement.

Met den dood van Paul I en het bombardement van Kopenhagen was de Ligue der Onzijdigen zoo goed als uiteengevallen. Als een bewijs, dat Engeland toenadering zocht, liet het al de in zijn haven opgesloten neutrale schepen vrij. Aangezien de wensch naar vrede bij de bevolking dagelijks sterker werd, waren er door het ministerie Addington zelfs tegenover den heer Otto, Frankrijks zaakgelastigde te Londen, reeds eenige voorbereidende stappen gedaan,--de overwinning bij Hohenlinden en de vrede van Lunéville hadden hierbij zeker een rol gespeeld;--maar van beide partijen waren de eischen nog te hoog; terwijl te Londen werd gepraat over den vrede, werd de krijg dus onverpoosd voortgezet. Zoo trok b.v. Leclerc in Mei met een leger van 30.000 man over Spaansch grondgebied naar Portugal. Godoy, bijgenaamd de vredevorst, een voormalig soldaat van de garde, thans de amant van Spanje's koningin en Spanje's schier oppermachtig gebieder, zou zich met 40.000 man bij hem aansluiten; plannen tot verdeeling van Portugal tusschen Frankrijk, Spanje en Godoy waren reeds gemaakt, toen de koning van Portugal aan al dit gekonkel en geknoei van Godoy een einde maakte en te Badajoz vrede verzocht nog voordat Leclerc handelend had kunnen optreden.

Portugals havens werden voor de Engelschen gesloten; Frankrijk kreeg vermeerdering van grondgebied in Guyana. Intusschen speelde Lucien, de gezant te Madrid, bij dit alles de beste kaart. Het fortuin aan geschenken, schilderijen en ruwe diamanten door hem verdiend, werd geschat op meer dan dertig millioen francs. Veel degelijk werk leverde hij wel niet, maar de positie van gezant en broeder van den Eersten Consul was van een financieel standpunt bekeken in die dagen lang niet te versmaden. Wel was hij een tijdlang quasi uit zijn humeur, omdat zijn broeder te Parijs zoo weinig naar hem luisterde en het verdrag van Badajoz niet verkoos te teekenen, wel dreigde hij zelfs met ontslagname en onverwijld vertrek uit Madrid, als "zijn" tractaat niet werd aangenomen, doch bij dreigen bleef het tot het November werd; toen keerde hij naar Parijs terug. Hij verlangde naar rust. In Januari had hij met Spanje een bondgenootschap gesloten tegenover Portugal, in Februari een conventie betreffende den opmarsch der troepen, bestemd om Engeland en zijn koloniën aan te vallen; in Maart had hij het reeds vijf maanden te voren door Alquier afgewerkte tractaat betreffende Parma, Toscane en Louisiana nogmaals geteekend; eindelijk had hij in Juni "het in diplomatieken zin vorm noch stijl bezittende" vredesverdrag vol "onbegrijpelijke artikelen" te Badajoz met Portugal aangegaan, doch het eerst na een reeks van wijzigingen in 't laatst van September door Napoleon bekrachtigd kunnen krijgen; 't was heel wat! Dat hij na zulk een harden arbeid te Parijs het prachtige hôtel de Brienne, eenmaal het eigendom der Marbeufs, de beschermers zijner familie, uitkoos, het geheel liet restaureeren en hier zijn gemak nam, was dus begrijpelijk! Dat hij op zijn nieuw buitengoed le Plessis, groote wijzigingen liet aanbrengen eveneens. Hij had er nu immers het geld voor!

Op le Plessis vond hij zijn zuster Elisa terug. Een maagkwaal, die eenige jaren later evenals bij haar vader zou ontaarden in kanker, was oorzaak, dat zij zeer stil moest leven. Fontanes, die wel wist wat hij deed, hield haar "als vriend" trouw gezelschap, las en politiseerde met haar, verwierf zich hiermede een aardig fortuin en hielp tevens zijn vriendjes in den zadel.