Chapter 16
Die man was Bonaparte. Toornig over Engelands antwoord op zijn vredesvoorstel, vol vertrouwen op zijn nieuwe staatshoofd, leverde Frankrijk hem binnen enkele weken 100.000 jonge soldaten (conscrits) 40.000 paarden en een talrijke artillerie. Bij honderden keerden de oudgedienden, officieren en manschappen, in de gelederen terug. Weldra zou de Republiek ruim 200.000 goed geoefende krijgers aan haar oostelijke grenzen bijeen hebben.
Reeds den 25en Januari had Berthier, de minister van Oorlog, bevel ontvangen, in de lijn Lyon-Dijon-Châlons s. Marne in alle stilte een derde, een reserve-leger van 60.000 man samen te brengen en het te vereenigen met het leger van Moreau. Gedekt door den Rijn wilde Bonaparte zijn krijgsmacht snel in den omtrek van Schaffhausen bijeentrekken, de rivier hier onverhoeds overgaan, zoodoende reeds dadelijk bij het openen van den veldtocht in von Kray's rug en linkerflank verschijnen, dien generaal afsnijden van zijn operatielijnen en depôts, hem tegen den Rijn dringen en vernietigen.
Om Europa zand in de oogen te strooien en het doel te verbergen deed Bonaparte in 't begin van Maart officieel bevel geven tot de samenstelling eener reserve-armee bij Dijon. Werkelijk togen eenige oude officieren, veteranen en recruten derwaarts; ook begon men hier oefeningen te houden, maar alles op zoo onbeduidende schaal en met zoo weinig personeel, dat de Engelsche pers en haar caricatuurteekenaars, die eens waren gaan kijken, zich over Boney (Bonaparte's scheldnaam) en zijn reserve-armee begonnen vroolijk te maken. "Wou hij met zoo'n zoodje trekbeenen en melkmuilen te velde gaan. 't Was te belachelijk." Over de nieuwe Fransche macht maakte Europa zich weldra dan ook volstrekt niet meer bezorgd.
Hiermede had Bonaparte zijn doel bereikt; de tegenpartij was misleid. Intusschen togen uit alle garnizoenen van Frankrijk onafgebroken groote en kleine afdeelingen oude beproefde soldaten onopgemerkt met kleine dagmarschen steeds verder naar 't zuidoosten, naar Zwitserland, want daar in de bergen, niet bij Dijon doch bij Zürich zou zich de macht verzamelen, bestemd om von Melas te verpletteren. Reeds den 18en Maart zette Bonaparte voor haar een marschweg uit over den Splügen naar Bergamo dus naar Melas' rug, in 't begin van April gaf hij Massena den raad uitsluitend defensief op te treden, tot de uit Zwitserland over den St. Gotthard of den Simplon naderende armee in Italië was verschenen; dan moest hij zich over Turijn met deze in verbinding stellen. Melas' offensief optreden stuurde dit plan echter in de war; hij dreef Massena terug en in weerwil van diens even talentvol als stoutmoedig gedrag was deze half April verplicht zich in Genua op te sluiten. Von Melas begon het beleg. Suchet, Massena's onderbevelhebber, was op Nizza en de Var teruggeworpen.
Den 24en April wist Bonaparte van dezen toestand weinig meer dan "dat het leger met de Oostenrijkers handgemeen was," zooals hij schreef aan Carnot en "dat het reserveleger dus geen uur meer te verliezen had, wilde het Massena hulp bieden." Berthier ontving dus bevel zijn macht van Zürich te verplaatsen naar Genève en van hier over den Simplon of over den grooten St. Bernard Italië binnen te vallen, dan zou von Melas tegen hem moeten front maken. Zoolang Moreau von Kray niet krachtig had aangegrepen en teruggeworpen, viel aan een tocht over de Alpen echter niet te denken; hij ontving dus nogmaals en nu uitdrukkelijk bevel op te rukken. "Door zijn aarzelen bracht hij de veiligheid der Republiek in gevaar. Massena moest geholpen."
Moreau zag dit eveneens in. Ondanks zijn belangrijk tekort aan paarden en materieel opende hij den 25en April den veldtocht, trok, zijn eigen plan volgende, bij Straatsburg, Oud-Breisach en Bazel den Rijn over, misleidde zoodoende von Kray omtrent zijn werkelijk aanvalspunt, deed generaal Lecourbe, die met zijn macht reeds bij Schaffhausen stond, hier nu eveneens de rivier passeeren, wierp hem op Stokach met zijn rijke magazijnen, greep von Kray zelf aan bij Engen, dwong hem ten slotte na een reeks van groote en kleine gevechten den 10en Mei tot den aftocht naar Ulm, doch kon dit groote succes niet vervolgen, omdat Bonaparte hem uitdrukkelijk bevolen had deze vesting niet te passeeren. Een decreet der Consuls van 5 Mei, hem door Carnot zelf gebracht, beval hem tevens nogmaals circa een vierde zijner sterkte af te geven aan Bonaparte. Onder de bevelen van Moncey ging die afdeeling over den St. Gotthard op weg naar Italië.
"Slaat duchtig los op den eersten den besten, die uit het gareel springt," schreef Bonaparte, die begin Mei Parijs had verlaten, drie dagen later uit Genève aan de consuls en verried door die woorden alleen reeds hoe goed hij van den toestand te Parijs op de hoogte was en hoe weinig betrouwbaar hij dien toen nog achtte. De voorafgaande weken had hij aan de samenstelling en uitrusting van het reserve-leger schier dag en nacht gewerkt. Thans vond hij de toebereidselen tot den overtocht over de Alpen bijna voltooid; een reusachtige voorraad levensmiddelen en krijgsbehoeften was van uit Genève langs den marschweg bij Villeneuve, St. Moritz, Martigny en St. Peter bijeengebracht; de artilleriemunitie zou door muilezels worden vervoerd. De affuiten waren uit elkander genomen; de vuurmonden geladen op sleden, die later in de passen op last van Marmont, den commandant der artillerie, vervangen werden door in de lengte doorgezaagde en uitgeholde boomstammen. Door generaal Marescot was de bergweg verkend en eenigermate begaanbaar bevonden en in den nacht van den 14en op den 15en Mei begon de tocht; de infanterie zwaar bepakt met mond- en krijgsvoorraad, de cavalerie en de artillerie met de paarden aan de hand, Lannes met de voorhoede aan de spits. Om het gevaar van lawines onderweg te verminderen, werd hoofdzakelijk 's nachts gemarcheerd. Toen het klooster nabij den top van den pas bereikt was, vonden de soldaten hier brood en wijn, door Bonaparte's zorg daarheen gebracht en een ware lafenis na een marsch van ruim acht uur bergopwaarts. In twee uur tijds werd daarna het dorp St. Remy bereikt en de gebaande weg weder betreden.
In de vijf volgende dagen en nachten waren de bergpassen van den St. Bernhard onafgebroken vol soldaten en materieel. Den 20en volgde Bonaparte de beweging aan den staart der achterhoede. Tot zoolang was hij te Martigny blijven toezien, dat geen stuk van 't materieel werd achtergelaten. Van Suchet aan de Var had hij bericht, dat von Melas zijn stellingen bij Nizza nog niet had ontruimd. In zes dagen kon de maarschalk Ivrea, dat Lannes reeds naderde, onmogelijk hebben bereikt. Gevaar voor een aanval van die zijde dreigde voorloopig dus nog niet.--In een grijzen overjas gehuld, gezeten op een muildier en alleen vergezeld door de Bourrienne en Duroc, begon hij den overtocht. Aan het klooster hield hij even halt, schonk den prior een vorstelijke gift voor zijn hulp, beloonde zijn gids Dorsaz, een jongen man uit Wallis, die zijn muildier geleid en hem tegen een leelijken val behoed had, eveneens zoo rijkelijk, dat de man voor zijn verder leven was geborgen. Dienzelfden avond nog bereikte hij Etroubles, daarna Aosta in het dal van dien naam en stond aan den zuidelijken voet der Alpen. Ongevallen waren bijna niet voorgekomen; het was mooi weder gebleven; geen enkele maal had een sneeuwval den marsch der troepen bemoeilijkt. In vijf dagen tijds was de tocht volbracht.
"Een wonderdaad, grooter dan die van Hannibal," heeft Thiers deze genoemd. Met dien lof stemmen wij niet geheel in. Geniaal was het plan, dat den grondslag er van vormde, doch de te overwinnen materieele bezwaren waren niet zóó groot, als men het heeft doen voorkomen. In de Middeleeuwen en in de XVIe en XVIIe eeuw tijdens de oorlogen in Italië zijn Fransche legermassa's de Alpen bij herhaling onder veel ongunstiger omstandigheden overgetrokken. Iets nieuws was het dus niet; ieder ander energiek generaal, die over voldoende middelen beschikte, had hetzelfde kunnen doen. En nu de tocht van Hannibal, den held van Carthago? Vijfhonderd uren gaans van zijn land, zonder operatiebasis, zonder de minste kans op hulp, zonder veel meer dan enkele vage gegevens omtrent den geografischen toestand van het bergterrein, dwars door een woeste onbekende streek, ondernam hij het vermetele waagstuk aan de spits eener cavalerie, die wel aan het heete woestijnzand, niet aan de sneeuw in een hooggebergte gewoon was, met een reeks olifanten, die met hun logge lichaam in de breedte heel wat meer ruimte eischten dan een paard of een muilezel en langs een pad, dat voet voor voet met de hand moest worden verbreed om het te kunnen passeeren. Met dezen tocht kan die van Mei 1800 dus niet worden vergeleken, doch al 't geen Bonaparte in die dagen verrichtte moest tegenover de tijdgenooten ongemeen wonderbaarlijk heeten. De tijden en de toestanden leidden er toe.
Om deze reden zeker achtte het Tribunaat het dus ook geen bezwaar, dat Bonaparte zich aan het hoofd stelde van het reserveleger hoewel de "grondbeginselen der Constitutie van het jaar VIII den Eersten Consul niet veroorloofden het bevel hierover op zich te nemen." In naam bleef Berthier commandant. Wanneer de Eerste Consul slechts als overwinnaar en vredebode terugkeerde waren de tribunen tevreden.
Reeds te Martigny had hij bericht ontvangen, dat de voorhoede bij het dorpje Bard was gestooten op een sterkte, die door de Oostenrijkers was bezet, de hoofdstraat van genoemd dorpje met haar vuur in de lengte bestreek en zich niet verkoos over te geven. Langs een smal geitenpad waren de infanterie en de cavalerie der voorhoede om de sterkte heen getrokken, maar de artillerie had niet kunnen volgen.
Te Etroubles gekomen, was Bonaparte wel zeer ontstemd, dat deze hem aanvankelijk als zoo onbeduidend geschetste sterkte nog niet was genomen, doch in zijn voornemens bracht die verhindering geen verandering. Marmont deed de dorpstraat met mest bedekken, de raderen der voertuigen en hun rammelende deelen met stroo omwinden en in enkele nachten sleepten de soldaten zelve al de vuurmonden met toebehooren zonder verliezen van beteekenis voorbij het kasteel, terwijl de troepen het geitenpad volgden.
Den 24en nam Lannes Ivrea met storm. Zijn artillerie deed hierbij flink haar plicht. Ook het kasteel van Bard viel weldra (1 Juni.) "Wie had kunnen vermoeden, dat de Franschen den St. Bernhard met vuurmonden passeeren en deze tegen een kasteel richten zouden, dat eigenlijk alleen tegen geweervuur bestand was," schreven de Oostenrijkers.
Door het kabinet van Weenen en zijn eigen agenten en spionnen omtrent dat schijnleger bij Dijon gerustgesteld, had Melas zijn troepen nog altijd voor Genua, aan de Var in verschillende garnizoenen verspreid staan met Turijn als centraalpunt. Dat Bonaparte de Alpen was gepasseerd en snel op hem aanrukte, wilde hij in 't eerst niet gelooven. Toen meende hij uit diens bewegingen te moeten afleiden, dat hij naar Turijn wilde, generaal Turreau bij den Mont Cenis te hulp. Eerst toen hij bericht ontving, dat Bonaparte hem had misleid en den 2en Juni, onder luide geestdriftsbetuigingen der bevolking, Milaan was binnengerukt, dat zijn eigen afdeelingen overal waren teruggeslagen, dat Pavia met zijn schat van levensmiddelen, wapens en pontonmaterieel den 3en door Lannes was bezet, begon hij het gevaarvolle van zijn positie in te zien en besloot hij de linie van de Adda los te laten, zijn troepen in allerijl bij Alessandria te verzamelen en door de vlakte van Marengo en over Piacenza naar de Mincio en Mantua af te marcheeren, voordat Bonaparte hem dit beletten kon. Voor dit alles was tijd noodig; hoewel het uitgehongerde Genua zich den 4en Juni aan hem had moeten overgeven na een verdediging, die in de krijgsgeschiedenis altijd een schitterende bladzijde zal blijven vullen; hoewel de insluitingsarmee onder generaal Ott hierdoor terstond in beweging kon worden gezet, kwam deze toch reeds te laat. Den 9en vond Ott bij Montebello den even onverschrokken als talentvollen Lannes tegenover zich en ontving van hem een zoo geducht pak, dat hij met verlies van bijna de helft zijner sterkte ijlings op Alessandria moest teruggaan. Toen von Melas, na een stormachtige zitting van den krijgsraad, in den vroegen morgen van den 14en Juni zelf ten aanval oprukte, het riviertje de Bormida passeerde en zich met volle kracht wierp op de divisiën van Victor en Lannes, die zich met de cavalerie van Murat, front naar het westen, in de uitgestrekte vlakte van Marengo hadden ontwikkeld, waren de wapenen hem aanvankelijk gunstig; reeds meende hij zich van de overwinning verzekerd, toen om vier uur in den namiddag de kans eensklaps keerde.
De generaal Desaix, enkele dagen te voren uit Egypte teruggekeerd, door Bonaparte terstond met een divisie-commando belast, doch tengevolge eener bijzondere opdracht in den voormiddag nog niet aanwezig, was kort te voren, ver voor zijn troepen uit, op het slagveld gekomen. De Franschen, overal teruggeworpen, waren in vollen aftocht; in de verte vormde generaal von Zach, von Melas' chef van den staf, zijn zegevierende krijgers reeds voor den afmarsch tot een dichte massa. De ruim zeventigjarige opperbevelhebber was naar Alessandria teruggereden om uit te rusten en aan de kabinetten van Europa bulletins te zenden van zijn overwinning.
Op Bonaparte's vraag hoe Desaix den toestand beoordeelde, haalde deze zijn horloge uit. "Deze slag is verloren, maar 't is eerst drie uur; dus is er nog tijd genoeg om een tweeden te winnen."
Dit woord is Bonaparte als uit het hart gegrepen. Terstond geeft hij bevelen. Adjudanten rennen over het slagveld. De teruggaande afdeelingen staken haar beweging, beginnen weder front te maken, in haar verband terug te komen en vormen weldra een dunne lijn tusschen Castel-Ceriolo, den rechtervleugel en San Giuliano, het midden. Hier, door een terreinplooi aan het oog onttrokken, ontwikkelt Desaix intusschen zijn 6000 man, die reeds tien uur hebben gemarcheerd, tot het gevecht; Kellermans cavaleristen komen schuin achter hen; twaalf vuurmonden onder Marmont, al wat er aan artillerie is overgebleven, rijden op vóór het front.
Bonaparte rijdt vlug door de gelederen en electriseert zijn soldaten door zijn taal.--Als het hoofd van von Zachs breede, logge colonne Desaix dicht genoeg is genaderd, dreunt en dondert het eensklaps uit al die kanonnen tegelijk; een dichte hagelbui van schroot giert en huilt over het veld en slaat in de dichte drommen.
Nog zijn de schrik en de verwarring, door dit zware onverwachte vuur teweeggebracht, niet half geweken, als Desaix aan de spits van de 9e halve-brigade verschijnt op den rug van de terreinplooi, die hem en zijn mannen tot nu toe voor den vijand verborgen hield. Een salvo op den kortsten afstand kraakt uit honderden geweren; dan gaat het er op in met 't blanke staal in de vuist, en wat niet valt of vlucht voor dezen aanval der "Incomparable," zooals de 9e van dien dag af heeten zal, bezwijkt onder de geduchte sabelhouwen der dragonders van Kellerman, die chargeeren als razenden. In een oogwenk zijn 2000 gevangenen gemaakt. Zelfs von Zach moet zijn degen overgeven.
Thans roffelen de trommen langs het Fransche front. Voorwaarts gaat het, op die dichte massa's Oostenrijkers in, die, op elkander gedrongen, door eigen dragonders half onder den voet gereden, het hoofd verliezen en niet meer luisteren naar hun officieren. Kaim en Haddick trachten nog, hen in Marengo te doen stand houden. Hun cavalerie tracht te chargeeren, maar moet wijken voor de garde grenadiers te paard onder Bessières en Eugène de Beauharnais. Bij de ruiterij van Ott ontstaat een paniek.--"Naar de bruggen! Naar de bruggen!" gilt alles. De storm naar deze zwakke overgangen begint. Infanteristen, cavaleristen, artilleristen, één kluwen vlucht en stormt er heen, de Franschen hen na, dronken van vreugde en geestdrift, de wapperende vanen hoog in den wind!
Bij de bruggen neemt de verwarring schrikbarend toe. Velen trachten de Bormida te doorwaden; vuurmonden geraken vast in het slijk van den bodem. De paniek wordt algemeen. Menschen, paarden, kanonnen, bagage, alles valt in handen der Franschen. Half wanhopig moet von Melas, die naar het slagveld is teruggekeerd, dit tooneel aanschouwen.
Die dag kostte hem meer dan 10.000 man aan dooden, gekwetsten en gevangenen. De staven zijner korpsen waren zwaar gehavend, een massa officieren gevallen. Bij het appèl ontbraken ook bij het Fransche leger ruim 4300 officieren en soldaten; ook hier waren de staven zeer gedund. Het zwaarste verlies was echter de dood van Desaix; een der eerste vijandelijke kogels had hem getroffen. Zijn adjudant Savary had zijn lijk gevonden en het naar het hoofdkwartier overgebracht.
De Bourrienne kwam zijn chef gelukwenschen: "Wat een prachtige dag!"--"Prachtig zou die geweest zijn, als ik Desaix hedenavond op het slagveld had kunnen omhelzen," zeide Bonaparte.
Reeds den volgenden morgen kwam de prins van Lichtenstein onderhandelen; weldra werden de voorwaarden eener conventie te Alessandria geteekend.
Twee rivieren, de Chiesa en de Mincio, gaven hierbij de grenzen aan voor een strook onzijdig terrein tusschen de legers. Genua, al de sterkten in Piëmont, Lombardije en de Legatiën gingen in Fransche handen over. Aan von Melas met zijn troepen werd vrije aftocht verleend naar Mantua. Italië was heroverd.
Den 17en was Bonaparte, toegejuicht als een vorst, te Milaan terug. De Cisalpijnsche republiek werd hersteld, de Ligurische gereorganiseerd en weder onafhankelijk verklaard. Piëmont, waarvan de koning naar het eiland Sardinië was geweken, ontving een voorloopig bewind. Generaal Jourdan, de vurige republikein, werd als commissaris der Republiek belast met de leiding der zaken en aan Massena, den heldenfiguur van Genua, werd het oppercommando over het leger in Italië opgedragen.
Nog onder den indruk, dien Marengo's met bloed bedekte vlakte op hem had gemaakt, vurig naar vrede verlangende en begrijpende, dat, al had hij op zijn eerste schrijven niet rechtstreeks antwoord ontvangen, zijn standpunt als overwinnaar hem thans nòg meer recht van spreken gaf, had de Eerste Consul terstond opnieuw aan den keizer van Oostenrijk geschreven:
"Op het slagveld, te midden eener massa gekwetsten, omringd door duizenden lijken, smeek ik Uwe Majesteit gehoor te geven aan de stem der menschelijkheid en niet te dulden, dat twee dappere natiën elkander om hals brengen voor belangen, welke hun vreemd zijn. Omdat ik dichter bij het oorlogstooneel sta dan U, rust op mij de plicht bij Uwe Majesteit hierop aan te dringen. Uw hart kan niet zoo diep zijn getroffen als het mijne, enz."
't Was een lange brief; tegelijk met het verdrag van Alessandria werd hij verzonden. Bij later nadenken gevoelde Bonaparte spijt, dat hij zich daarin te veel mensch, te weinig staatsman getoond had.
Te Milaan sprak hij kardinaal Martiniana, een vriend van den nieuwen paus Pius VII [22] en verklaarde hem, dat hij met den Heiligen Stoel in vrede leven en dezen zelfs tegen zijn vijanden in bescherming nemen wilde, als de kerkvorst zich voor redeneering vatbaar betoonde en den tegenwoordigen toestand van Frankrijk en dien van de wereld begreep. Den volgenden dag woonde hij een plechtig Te Deum bij in Milaans oude hoofdkerk.--"Wat de godloochenaars te Parijs hiervan zeggen, laat mij koud; ik ga die plechtigheid in volle staatsie bijwonen," schreef hij aan zijn mede-consuls. Zijn officieren en soldaten, volbloed republikeinen, die van geen kerk of geestelijkheid meer wilden hooren, gaven hun ongenoegen over deze daad wel te kennen, doch hieraan stoorde hij zich niet.
Te Milaan regelde hij ook het feest van den 14en Juli, den verjaardag der omwenteling te Parijs.--"Geen naäpen van vroegere feesten wil ik, ook geen wagenrennen. Deze waren op hun plaats bij de oude Grieken, want zij streden op wagens; voor ons, Franschen, hebben ze geen beteekenis; ook geen zegebogen verlang ik. Mijn zegeboog zie ik in de tevreden gezichten van de bevolking," schreef hij.
In het laatst van Juni was hij onderweg naar Parijs en passeerde hij den Mont Cenis met het voornemen op dezen bergweg, een der kortste verbindingen tusschen de hoofdstad en Italië, een klooster te doen bouwen in den trant van dat op den St. Bernhard. Dat hij reeds in die dagen verteerd werd door dorst naar grootheid en roem, verried hij aan zijn reisgenooten Duroc en Bessières. "Binnen twee jaar heb ik Caïro, Milaan en Parijs veroverd. Kwam ik morgen te vallen, dan zou mijn naam in een boek over de wereldgeschiedenis nog geen halve pagina vullen," zei hij onder anderen.
Juichte gansch Frankrijk over een zegepraal, die vrede kon brengen, te Parijs bij Talleyrand en Fouché, bij Carnot en Lafayette, bij Lucien, Jozef en Bernadotte, bij de mannen dus, die over de huid reeds aan 't onderhandelen waren geweest, voor dat de beer was geschoten, was de vreugde matig. Reeds had het gerucht geloopen, dat Bonaparte den slag en het leven verloren had en er was geïntrigeerd van belang. Bonaparte wist dit echter. Door de tijdige komst van Desaix had de fortuin hem bij Marengo zoo wonderbaarlijk gediend, dat het geloof aan een groote rol op het wereldtooneel, die de Voorzienigheid voor hem had weggelegd, had post gevat in zijn ziel, een ziel die door zijn afstamming en door een langdurig verblijf in Egypte toch reeds eenigermate tot fatalisme overhelde. Zijn uur kon dus nog niet zijn gekomen, dacht hij. Hij wilde dus vergiffenis schenken en vergeten, alleen deed hij Carnot het loodje leggen, ontnam hem de portefeuille van Oorlog en schonk ze aan Clarke.
Door krijgskundigen is hem verweten, dat hij bij den opmarsch tegen von Melas' verbindingen met de Mincio zijn troepen te veel had versnipperd, dat hij hierdoor bij Marengo verreweg in de minderheid was en dat alleen de tijdige komst van Desaix hem ten slotte de zege had doen behalen. Al is het waar, dat hij aan Desaix op dien dag de overwinning heeft te danken, toch is het verwijt slechts ten deele gegrond, want aangenomen zelfs, dat hij bij Marengo was verslagen, kon de terugtocht over de Po bij Piacenza hem niet worden belet. Binnen vier en twintig uur had hij daar een voldoende macht versche troepen kunnen bijeenbrengen om von Melas met alle kans op succes opnieuw aan te grijpen.
Hulde aan een infanterie, voor 't meerendeel conscrits, die door haar taaiheid, haar marschvaardigheid en haar volkomen vertrouwen op haar chef dezen in staat stelde, zijn op de kaart ontworpen plannen om te zetten in energieke, snel uitgevoerde daden; alleen deze brengen de beslissing.
HOOFDSTUK X.
Vrede met Oostenrijk.
In 't costuum van lid van het Instituut had hij Parijs verlaten, in de uniform van opperbevelhebber keerde hij er terug (3 Juli) en sprak deze verandering in zijn gewaad mogelijk nog niet duidelijk genoeg voor den omkeer, die door Marengo in zijn geest was ontstaan, zijn houding en zijn daden bewezen weldra, dat hij, door gansch Frankrijk thans half vergood, zich van zijn macht was bewust geworden.
Uit was het op eens met de mogelijke plannen der Bourbons. Kort na elkaar had hij van den pretendent twee brieven ontvangen, waarin hem duidelijk was te verstaan gegeven, dat, wanneer hij dezen op den troon van Frankrijk bracht, hij zelf maar moest aangeven, welke hooge positie hij verlangde voor zich zelf en zijn vrienden.