Napoleon

Chapter 15

Chapter 153,794 wordsPublic domain

Reusachtig was de macht, door haar aan Bonaparte verleend. Hij alleen benoemde de leden der algemeene administratie, de leden der departementale en gemeenteraden, de staatsraden, de gezanten, de rechters voor civiele en voor strafzaken, benevens de officieren van land en zeemacht. Hij voerde het bewind over leger en vloot, teekende, het Wetgevend Lichaam gehoord, de tractaten en de wetten. Letterlijk deed hij dus alles alleen.

Trad hij af, dan was hij verplicht zitting te nemen in den Senaat. Voor de twee andere consuls bestond deze verplichting niet. Zijn traktement bedroeg 500.000, dat van de anderen 250.000 francs per jaar. Een som van 100.000 francs werd besteed om de Tuilerieën, het hun aangewezen verblijf, weder bewoonbaar te maken en te meubelen. Lebrun en Cambacérès zochten echter ieder een woning in de nabijheid.--"Die andere zou ginds toch weldra heer en meester zijn," dachten ze.

Toen Bonaparte met de Bourrienne voor het eerst na zijn verheffing de ledige zalen van het paleis doorliep, zeide hij: "In de Tuilerieën zijn we. Nu opgepast, dat we er blijven."

"Geen Jacobijnen, geen gematigden, geen royalisten, slechts Franschen zullen er, hoop ik, van nu af zijn," waren na den staatsgreep zijn woorden geweest en de allereerste daden van het voorloopig bewind reeds hadden getuigd van dezen niet hoog genoeg te schatten geest van verzoening. Nog voordat het jaar 1800 was aangebroken waren de bannelingen van Fructidor zooals Carnot en Portalis, Barrère, Vadier en tal van anderen teruggeroepen, was de wet op de gijzelaars, welke de rampzalige bewoners der Vendée verantwoordelijk stelde voor hun bloedverwanten, die de wapenen hadden opgevat, evenals de gedwongen progressieve belasting en de requisities in natura, ingetrokken. Dan had Bonaparte zelf de deuren der gevangenis ontsloten voor de honderden geestelijken, die geweigerd hadden den eed af te leggen en voor de duizenden particuliere personen, die zich wegens quasi politieke redenen in hechtenis bevonden, de lijst der émigrés was gesloten, ook de adel van voorheen kon voor openbare betrekkingen worden aangewezen, maar hun vaste goederen, die staatseigendom waren geworden, bleven in het bezit van de personen, die ze hadden gekocht.

In naam van de vrijheid van godsdienst waren de kerken heropend en was last gegeven het lijk van paus Pius VI, sinds zes maanden te Valence, hulde te bewijzen.

Reeds heel wat was hieraan vooraf gegaan. Terstond met ongeëvenaarde werkkracht ingrijpende in al de takken van bestuur, deed hij het vertrouwen binnen enkele dagen dermate wederkeeren, dat de 5% nationale schuld, welke den 8en Brumaire nog 11 1/4 stond, den 30en reeds was gestegen tot 22 en dat de Parijsche bankiers geen bezwaar maakten het voorloopig bewind voor de eerste behoeften een som te leenen van twaalf millioen. De oprichting van de Fransche Bank zou het crediet en het vertrouwen weldra nog krachtiger komen steunen. Thans kon hij de legers in hun ellende eenigermate hulp bieden. Aan oproerige bewegingen in het zuiden maakte hij een einde. Het westen, waar de royalisten, meenende, dat hij in stilte werkzaam was voor den pretendent, de vaan van het oproer weder hadden ontplooid, bracht hij door krachtige maatregelen tot rust. Een paar hoofden boden hun onderwerping aan (17 Januari 1800), doch zonder genade trad hij op tegen graaf de Frotté, die in Normandië nog altijd de vaan der Bourbons hoog hield en getracht had hem in 't publiek belachelijk te maken en hem aan te tasten in zijn eer; hij deed hem fusileeren. George Cadoudal week uit naar Engeland.--Ook de rooverbenden op de groote wegen leerden de zwaarte kennen van zijn vuist; ze werden letterlijk uitgeroeid met wortel en tak.

Aangezien er tal van organieke wetten noodig waren om het werk der constitutie te voleindigen, deed Bonaparte die aan het Tribunaat en aan het Wetgevend Lichaam voorleggen. Een der belangrijkste was die, waarbij in elk departement, dat geschoeid werd op de leest der Republiek, onder den naam van prefect, een bestuurder aan het hoofd kreeg, die zijn bevelen rechtstreeks ontving van den minister van Binnenlandsche Zaken en twee raadslichamen naast zich kreeg. Op dezelfde wijze had elk arrondissement een onderprefect, iedere gemeente een maire; terwijl het uitvoerend gezag dus ook hier weder berustte bij één persoon, werden de beraadslagingen gevoerd door meer dan één. Dat al de draden van het bestuur samenkwamen in de hand van den Eersten Consul en deze hierdoor dus een bijna dictatoriaal gezag uitoefende, werd door de republikeinen van 1793 sterk afgekeurd doch mocht na zooveel jaren van anarchie een noodzakelijkheid worden genoemd. Toen het Tribunaat het hem later wat lastig begon te maken en tegen enkele wetten ernstige bedenkingen aanvoerde, vaak met reden, want de persoonlijke vrijheid leed onder deze regeling, zond hij de heeren kortweg naar huis. "Van dit oogenblik af bestaat er geen grondwet meer," zei hij tegen Chaptal, zijn toenmaligen minister van Binnenlandsche Zaken.

Ieder arrondissement kreeg een rechtbank voor civiele zaken en voor de financiën een afzonderlijken ontvanger. Zeven en twintig rechtbanken voor zaken in appèl waren verdeeld over het geheele gebied, terwijl ieder departement een crimineele rechtbank telde en een ontvanger-generaal. Een hof van Cassatie zorgde voor de handhaving der gelijkvormigheid in de rechtspraak. Dat deze regeling, ondanks al de later gevolgde omwentelingen, met enkele wijzigingen tegenwoordig nog bestaat, is o. i. wel het beste bewijs voor de bekwaamheid der mannen, die ze samenstelden. Dat haar hoofdbeginselen veel oorspronkelijks bevatten, zal niemand beweren, en kan ook niet gezegd worden van het later gevolgde complex van wetten, meer algemeen bekend onder den naam van Code Napoleon, maar de eer van ze te hebben samengebracht, geordend en voor de nieuwe toestanden bruikbaar gemaakt, komt onverdeeld toe aan Bonaparte en de schrandere, geleerde mannen, die hij in zijn Raad van State had gekozen [20] en met wie hij als Consul schier dagelijks uren achtereen werkte, wier meening hij vroeg, met wie hij in discussie trad en die hij vaak deed verbaasd staan door den genialen blik, dien hij, de ongeletterde soldaat, telkens verried op een gebied, dat hem zoo goed als volkomen vreemd was en waarop hij alle wetenschappelijke opleiding geheel miste.

Den 1en Januari 1800 zouden de Wetgevende Lichamen voor de eerste maal zitting nemen, de Senaat in het Luxembourg, het Wetgevend lichaam in het Palais Bourbon, het Tribunaat in het Palais Royal.

Een groot aantal hooge, goed bezoldigde betrekkingen, door de nieuwe grondwet geschapen, had de Eerste Consul te vergeven en zoo ergelijk en ontmoedigend waren het gebedel en het gevlei om voor een van deze in aanmerking te worden gebracht, dat de "Moniteur," een van de dertien groote dagbladen, die Bonaparte om hun inhoud en strekking niet terstond had opgeheven en die weldra de officieele courant zou worden (28 December) deze laagheden brandmerkte:

"Wat een menschen in de weer sinds de grondwet tal van rijk bezoldigde betrekkingen schiep! Wat een troep weinig bekende gezichten, die in allerijl naar voren dringen! Wat een reeks van lang vergeten namen, die zich onder het stof der omwenteling opnieuw beginnen te roeren. Wat een bende fiere republikeinen van het jaar VII, die zich ook zoo klein maken om te kunnen doordringen tot den man, die de macht in handen heeft.--Wat een bedelende Brutussen! Wat een armzalige talentjes omhoog gestoken! Wat een bloedvlekken bemanteld. En dat alles in een ommezien!--We hopen, dat de held der vrijheid, de man, die zijn weg door de omwenteling tot heden slechts teekende door weldaden, op al deze intriges zal nederblikken met de walging, welke ze iederen verheven geest moeten inboezemen; dat hij niet dulden zal, dat een reeks onbekende of geschandvlekte namen door den glans van zijn glorie wordt bestraald."

Gelukkig voor Frankrijks grootheid was dit beeld niet toepasselijk op allen. Heel wat mannen van rijke ervaring en groot talent als Volney, Monge er Carnot wachtten waardig en kalm af, of het nieuwe gouvernement op hen een beroep zou doen.

HOOFDSTUK IX.

Vredesvoorstellen, Marengo.

Terwijl deze groote veranderingen in Frankrijk plaats grepen en de natie opleefde en herademde, in het bewustzijn, dat de orde, de rust, de vrede mogelijk zelfs in 't verschiet lagen, bevonden zich bijna alle leden van de familie Bonaparte te Parijs. Sinds 1793, het jaar waarin ze berooid en doodarm Corsica waren ontvlucht en naar Toulon geweken, was er in hun levensomstandigheden een groote verbetering ontstaan; ze bezaten thans hotels te Parijs, kasteelen in de omstreken; Jozef en Lucien stonden met het gouvernement op vertrouwelijken voet, gaven diners aan ministers en letterkundigen, heetten beschermers der schoone kunsten, deden aan belletrie en leidden een lui, lekker leventje.

De gedachte, dat zij dit alles enkel en alleen hadden te danken aan den door hen vrijwel geminachten soldaat, hun broeder, kwam niet bij hen op. Hun eigen verdienste, meenden zij, had hen zoo ver vooruitgebracht. Elisa zat met haar oliedommen Bacciochi nog te Ajaccio, Paulette was na haar huwelijk met Leclerc en de geboorte van een zoon, een tijdlang op kostschool geweest (1798) bij mevrouw Campan, want haar echtgenoot had ontdekt, dat zij niet eens lezen en schrijven kende. Louis was in Juli 1799 escadronscommandant geworden; Caroline genoot eveneens van de lessen van mevrouw Campan en moeder Laetitia, nog altoos even zuinig en spaarzaam als voorheen, op het gierige af, had haar koetjes reeds vrijwel op 't droog en logeerde in 't laatst van 1799 bij Jozef, die het jaar te voren voor het bagatel van ruim 250.000 francs het uitgestrekte, prachtige landgoed Mortefontaine tot zijn eigendom had weten te maken.

De rol, den 18en Brumaire door Jozef gespeeld, was natuurlijk zeer onbeduidend geweest. Door den Senaat gekozen tot lid van het Wetgevend Lichaam werd hij door Napoleon, die nog altijd een man van talent in hem zag, in Maart 1800 met Roederer en Fleurieu aangewezen om met de Vereenigde Staten van Noord-Amerika te onderhandelen over den vrede.

Lucien, die den staatsgreep door zijn koelbloedig, vermetel optreden had doen slagen, hierbij de hoofdrol vervuld en een bijna verloren zaak gered had, was door den Senaat gekozen in het Tribunaat maar op dienzelfden datum (24 December) benoemd tot minister van Binnenlandsche Zaken, wel een bewijs dat zijn broer hem ondanks zijn opposant karakter hartelijk dankbaar was voor 't geen hij als president van den Raad van Vijfhonderd voor hem had verricht, al vond broerlief, dat hem minstens een plaats als consul toekwam. In 't begin van Januari ontving Louis een brevet als brigadegeneraal. Geen jaar later werd Jérôme luitenant ter zee. Dat Napoleon, bekleed met het hoogste gezag, toen reeds maatregelen trof om aan het hoofd van de vier groote dienstvakken, buitenlandsche zaken, binnenlandsche zaken, leger en vloot, een zijner naaste bloedverwanten te stellen om onder zijn onmiddellijke leiding en bevelen werkzaam te wezen, blijkt o.i. hieruit duidelijk.

Zijn zwagers deelden niet in die gunsten. Bacciochi bleef wat hij was; zelfs Leclerc, die zijn zwager door zijn vele relaties in het leger bij den staatsgreep onschatbare diensten had bewezen, werd als divisiegeneraal ingedeeld bij het Rijnleger, waarschijnlijk om een wakend oog te houden op Moreau, die tot belooning voor zijn houding op 18 Brumaire eerlang met het commando over deze voortreffelijke legermacht van circa 100.000 man zou worden belast en aan wien de Eerste Consul gaarne de hand zijner zuster Caroline had geschonken.

Deze jonge dame met haar glinsterende oogen, prachtig teint, buigzame gestalte en schitterende tanden had echter reeds zelve een keuze gedaan. Terwijl zij met Hortense de Beauharnais nog bij mevrouw Campan op kostschool was, had zij de op Mombello begonnen kennismaking vernieuwd met den generaal Joachim Murat. Zoon van een welgestelden herbergier uit de omstreken van Cahors, in 1767 geboren en aanvankelijk bestemd voor den geestelijken stand, had deze knappe jonkman met zijn koolzwarte oogen en ijzeren gestel op zijn twintigste jaar dienst genomen bij de jagers te paard, daarop een zeer avontuurlijk en lang niet vlekkeloos leven geleid en zich zelfs een korte poos Marat laten noemen (1793) om vooral een bovenste, beste republikein te schijnen; tevens had hij met de gevangenis kennis gemaakt. Weder op vrije voeten en tot ritmeester opgeklommen, had hij in den nacht van 12 op 13 Vendémiaire Barras in 't bezit gesteld van de noodige vuurmonden, ter verdediging der Tuilerieën en was in Mei 1796 bevorderd tot brigadegeneraal.

Bonaparte was hem niet genegen; hij vond hem een eigenwijze, koppige ophakker, die vroeger met Barras op veel te intiemen voet had gestaan, die tegenover zijn kameraden oneerlijk was en hen verried en die bij een zending uit Italië naar Parijs, Joséphine erg het hof gemaakt en, volgens zijn beweren succes had gehad. Tevergeefs had hij later in Italië, daarop in Egypte bij Salahieh, eindelijk bij Aboukir getracht, de gunst en het vertrouwen van Bonaparte te winnen. Deze erkende zijn verdiensten als uitstekend cavalerie-generaal, maar die onopgehelderde historie met Joséphine was de kwade factor gebleven. Eerst toen deze zelve voor hem de hand vroeg van Caroline om zoodoende met één slag aan alle verdere praatjes den kop in te drukken, liet Bonaparte zich na eenige aarzeling bewegen, tot dit huwelijk zijn toestemming te geven. Den 18en Januari 1800 werd het contract geteekend; den 1en April werd Murat, sinds Brumaire divisie-generaal, benoemd tot luitenant van den opperbevelhebber van het Reserveleger en commandant van deze macht. Joséphine was met dit nieuwe huwelijk oogenschijnlijk zoo ingenomen, dat zij "haar lief broertje" Murat schriftelijk een compliment maakte over zijn keuze van "een zoo uitermate aardig vrouwtje, dat zich zoo uitstekend wist voor te doen."--

Slimme, sluwe Joséphine! Hoe juist en handig bestuurde zij haar levensbootje bij den aanvang van de nieuwe eeuw. Haar invloed op Bonaparte had zij voor een groot deel althans weten te herwinnen; in den strijd tegen zijn familie had zij gezegevierd; door Caroline en Murat had zij zelfs bondgenooten gekregen in 't vijandelijk kamp en den toorn der familie Gohier, die zij den 18en Brumaire leelijk had misleid, had zij reeds ten deele doen bedaren. Reeds begon zij zelfs haar salons geleidelijk te zuiveren van eenige verdachte en gecompromitteerde dames, die er te voren dagelijks verschenen; den toegang tot den intiemen kring van Malmaison had zij voor deze gesloten; voor de officieele partijen zond zij haar geen invitatiekaarten meer, nadat Bonaparte eenmaal op een receptie zijn afkeer van die "halfnaakte dames" luid en duidelijk had te kennen gegeven. Met grooten tact hield zij zich bij alle officieele plechtigheden op den achtergrond. Gezeten voor een raam of op een balkon woonden zij en haar dochter die slechts bij uit de verte. Door niets verried zij, dat zij invloed wenschte uit te oefenen op de daden en de politiek van haar man; dien invloed zou deze trouwens niet hebben geduld, dan zou de goede onderlinge verstandhouding met één slag zijn verbroken. "Mij alleen het gezag" was zijn devies. Met zichtbare voldoening liet hij haar echter begaan, toen zij, die eenmaal op intiemen voet had verkeerd met Robespierre's zuster, die zich een onvervalschte sans-culotte had genoemd, en onder de bloeddorstigste leden der Conventie had verkeerd, niet alleen royalistische neigingen begon te toonen, doch aan haar omgeving zelfs influisterde, dat de herinnering aan den koning en zijn hof haar telkens deed ontroeren en dat zij vurig hoopte, dat haar man de Bourbons weder op den troon brengen zou.--Bonaparte zou dan minstens hertog en pair, en maarschalk of connétable van Frankrijk worden met een hooge positie aan het hof en zij hertogin en schatrijk. Dan kon er van een echtscheiding voor haar nooit meer sprake zijn, meende zij.

Bonaparte liet haar voorloopig in den waan, dat hij de Bourbons nog wel eens een kans zou geven. Zijn belang en zijn staatkunde brachten dit mede; hij moest de onvervalschte royalisten in de Vendée en Bretagne ontzien; hij wist, dat de émigrés, verarmd en vaak broodeloos, vol heimwee uitzagen naar den dag, waarop Frankrijks grenzen voor hen zouden worden opengesteld; thans trof hij in Joséphine een uitnemende bemiddelaarster tusschen die edelen en de leden der Commissie voor de Uitgewekenen; zij pleitte voor de eersten als een advocaat voor zijn cliënt, zij schreef dagelijks smeekbrieven bij tientallen en gevoelde zich overgelukkig als zij tot loon voor ai haar bemoeiingen eindelijk weder een kattebelletje kon verzenden o.a. van den volgenden inhoud: "Mevrouw Bonaparte heeft de eer de heeren Villeneuve met vele groeten te doen weten, dat zij zijn geschrapt." [21]

Van heinde en ver, uit alle hoeken van Europa kwamen ze opdagen de Matignons, de Clermont-Tonnerres, de Montmorencys. De hotels der leden van het oude hof werden weder geopend; het quartier Saint-Germain herleefde en Joséphine, de weldoenster, "die haar gunsten met zooveel tact en gratie verleende," zag haar salons langzamerhand gevuld met de dragers van namen, die Trianon voorheen niet zouden hebben ontsierd; zij vond het een genot met haar dochter te verschijnen op tal van bals, die in de kringen der royalisten werden gegeven.--'t Was het begin der fusie, waarop Bonaparte aanstuurde en die weldra vruchten zou dragen.

Luciens houding en gedragingen als minister van Binnenlandsche zaken maakten Joséphine's positie in die dagen nog krachtiger. Dat hij ontevreden over den gang van zaken, waardoor niet hij zelf, doch Napoleon op het kussen was gekomen, een samenzwering op touw zette tegen zijn broeder, is niet bewezen; dat hij in 't begin van 1800 heulde met Bernadotte, diens vijand, echter wel; en Fouché's dreigend: "Als ik vernam, dat de Minister van Binnenlandsche zaken samenzweerde, liet ik hem in hechtenis nemen," uitgesproken in tegenwoordigheid van Napoleon en Lucien (April 1800) geeft te denken. Ook Jozef, door wiens invloed zijn zwager Bernadotte kort te voren tot staatsraad was benoemd, onderhield relaties met zijn broeder vijandig gezinde personen, als Benjamin Constant en mevrouw de Stael. Was dit kwade trouw of onnoozelheid? Wie zal 't zeggen? Aanvankelijk deed hij het voorkomen, alsof hij zich om een openbare betrekking weinig bekreunde en liefst niet in intriges werd betrokken; hij sprak dus weinig, schreef nog minder en scheen de bescheidenheid zelve. Al spoedig kwam de aap uit de mouw. Hij verlangde van zijn broer, dat deze hem aanwees tot zijn opvolger. De macht hiertoe bezat de Eerste Consul echter niet, want deze was slechts voor tien jaar benoemd, doch herkiesbaar. In een brief van 24 Mei begon Jozef dit verlangen reeds om te zetten in een eisch. Zijn eer was er mede gemoeid, schreef hij. Geen andere keuze mocht worden gedaan. Hoe kon het volgens Corsicaansche begrippen anders? Hij was immers het hoofd van de clan!

Jozef bracht het vraagstuk der erfopvolging dus het eerst ter sprake, deed door zijn vriend, den staatsraad Miot de Melito hieromtrent eenige tribunen en senatoren polsen en was zoodoende oorzaak, dat ook anderen zich hiermede begonnen bezig te houden. Door deze werd nu ernstig overwogen, wat er gebeuren moest als Bonaparte, kort te voren naar het leger vertrokken (Mei 1800), op het slagveld of door de hand van een sluipmoordenaar viel; het slot was, dat door hen voor zulk een geval niet Jozef doch de kort te voren uit de ballingschap teruggekeerde Carnot in stilte werd aangewezen. Zoo hadden Fouché en Talleyrand, overigens geslagen vijanden van elkander, in stilte reeds uitgemaakt, dat Bonaparte gevallen, zij met den senator Clément de Ris een driemanschap zouden vormen en de teugels van 't bewind in handen nemen (Mei 1800).

Terwijl de Eerste Consul dus al dadelijk na den staatsgreep was omringd door een netwerk van intriges, waaraan zelfs zijn broers niet vreemd waren, was hij zelf letterlijk dag en nacht in de weer om Frankrijk een soort van voorloopige organisatie te schenken, het binnenlandsch bestuur een weinig te ordenen, het vertrouwen en de veiligheid bij de natie te doen herleven en eenig geld in de schatkist te brengen.

Voorloopig waren de omstandigheden hem alles behalve gunstig, want wilde hij bij de reusachtige taak, die hij zich zelf op de schouders had gelegd, slagen en de pacificatie en organisatie van het binnenland tot een goed einde brengen, dan was vrede met het buitenland hiertoe de eerste voorwaarde. Reeds in de laatste dagen van December 1799, had hij, brekende met de gebruiken der diplomaten, daarom eigenhandig geschreven aan den koning van Engeland en aan den keizer van het Duitsche Rijk met het dringende verzoek om aan den oorlog een einde te maken; te voren reeds had hij zijn adjudant Duroc, een beschaafd, innemend, schrander officier en een zijner tochtgenooten in Egypte, afgevaardigd naar het hof van Berlijn om koning Frederik Wilhelm te doen begrijpen, dat hij bij een mogelijken vrede als tusschenpersoon zeer welkom zou wezen.

Duroc was zeer hoffelijk ontvangen; de koning een wankelmoedig, doch vredelievend man, die zoo goed als geheel onder den invloed stond van zijn jeugdige, bekoorlijke gemalin, was niet ongenegen bevonden de rol van bemiddelaar te vervullen. Te Berlijn was dus oogenschijnlijk succes verkregen. Bij het Engelsche en het Oostenrijksche kabinet was dit niet het geval geweest. Dit laatste had Italië weder in zijn macht, wenschte het te behouden en wilde dus geen vrede; Engeland verkoos Malta en Egypte onder geen enkel beding aan Frankrijk te laten.

De nieuwe Incometax (een belasting op het inkomen) had de schatkist gevuld met bijna vijfhonderd millioen gulden; de vloot verkeerde in goeden staat. Van een vrede wilde de eerste minister William Pitt, Frankrijks doodsvijand, dus niet alleen niets hooren, doch Engelsch onbeschaamd was zelfs zijn antwoord op Bonaparte's voorstellen. "De eenige wijziging in Frankrijk, welke Europa zou kunnen geruststellen, was de terugroeping der Bourbons," schreef hij.

Opnieuw zou de oorlog dus ontbranden. Een nieuwe coalitie ontstond. Door Pruisens invloed bleven Zweden en Denemarken onzijdig. Rusland ging nog verder. Nadat Bonaparte hem negen duizend krijgsgevangenen, voor rekening der Republiek geheel in nieuwe uniformen gestoken, zonder losgeld had teruggezonden, riep keizer Paul I zijn troepen terug uit Duitschland en werd een warm vereerder van zijn voormaligen vijand. Toch was de macht der coalitie nog ontzagwekkend.

Engeland, Oostenrijk, Beieren, de meeste Duitsche vorsten en Turkije bleven over. Aan den Boven-Rijn, met den linkervleugel bij Schaffhausen stonden onder van Kray 120.000 Oostenrijkers. Met 80.000 man was de veldmaarschalk von Melas dwars door Boven-Italië en Piëmont op weg naar de Var, Engeland blokkeerde Malta, trok op Minorca een krijgsmacht samen om Toulon te hernemen, maakte de Middellandsche Zee met zijn schepen onveilig en hield de golf van Genua bezet.

Tegenover Duitschland had Moreau in den Elzas en in Zwitserland circa 120.000 man. In Italië stond de van zijn commando in Zwitserland ontheven generaal Massena met 30.000 krijgers in de lijn Genua--Savona--Col di Tenda, een slecht gevoede en gekleede troep, het jammerlijke overschot van het eenmaal zoo trotsche leger van Italië. De garnizoenstroepen in Toscane, de Romagna en elders niet medegerekend, was dit alles wat Frankrijk in 't begin van 1800 in eerste linie kon brengen. Wel stonden er in Holland, de Vendée en de vestingen nog enkele afdeelingen doch alleen een geniaal man op 't gebied van organisatie en legerbeheer zou bij machte zijn uit die ver uiteenliggende elementen een derde bruikbare krijgsmacht te vormen.