Chapter 14
Haar thans dertigjarigen man, die nooit anders dan op kamers in een logement had gewoond en die als een volbloed Corsicaan een huiselijken haard toch zulk een kostelijk bezit achtte, schonk zij zoodoende een intérieur, waarin hij zich behaaglijk gevoelde, waarin werd gedineerd als hij gereed was met zijn werk, al werd het ook tien uur, waarin alles werd geschikt naar hem en waarin hij steeds een vrouw vond met wie hij vertrouwelijk kon praten over de onderwerpen, die zijn geest vervulden of over de verhoudingen en de toestanden in een wereld, die hij, de man van bijna burgerlijke afkomst, nooit, zij, in zijn oog zooveel hooger staande vrouw van adel, zooveel te beter had gekend en in welker toon, gebruiken en levenswijze hij steeds een opmerkelijke belangstelling verried.
Vollediger en beter nog dan uit de couranten van Sidney Smith kon Bonaparte thans zelf te Parijs nagaan in welk een toestand Frankrijk ondanks de overwinningen van Massena en Brune verkeerde. Wel had het Directoire de Manége club doen sluiten en hadden de Jacobijnen, die al zijn handelingen in heftige taal bestreden, hun verzamelplaats dus verloren, wel had het Directoire Bernadotte vervangen als minister van oorlog en was het dus tegen deze fractie even ruw opgetreden als te voren tegenover de club van Clichy, maar den toestand had het hiermee niet verbeterd. De anarchie was blijven bestaan. Van het oude stelsel, het koningschap, had de natie haar bekomst; 1793 lag haar nog zoo versch in 't geheugen, dat ze hierom alleen reeds de Jacobijnen terugstiet, doch republikeinsch verlangde ze te blijven, terwille van de vrijheid en de gelijkheid, welke daarmede samenhingen. Dat slappe, vijfhoofdige gouvernement, dat Directoire heette, doch niet dirigeerde, nooit eensgezind was en telkens door kleine veten verried, hoe bedroefd weinig zijn leden als bestuursmannen hadden te beteekenen en hoe grof eigenbelang ook bij hen vaak ging boven dat van het land, moest dus verdwijnen. Geredeneerd was er veel te veel, gehandeld veel te weinig; haar veroveringen op sociaal gebied wenschte de natie te behouden; orde was hiertoe een eerste vereischte; de vrijheid mocht dan later volgen, eerst moest er orde heerschen en de eenige die deze brengen kon, was de man van Arcola, van Rivoli, de man die een tijdlang alleen had gestaan tegenover half Europa, die plotseling uit Egypte was teruggekeerd en op wien gansch Frankrijk thans de oogen gevestigd had.
Bonaparte wist, voelde dit. Hoewel hij dagelijks tal van personen ontving, die hem hulde kwamen bewijzen, over verschillende zaken zijn meening wilden weten of zijn hulp noodig hadden, hoewel zelfs de minister van Oorlog hem kwam verzoeken om raad en inlichtingen, bewaarde hij het zwijgen over zijn eigen zienswijze en voornemens. Alleen luisterde hij scherp naar 't geen om hem heen voorviel, vernam van Fouché, den minister van politie, wat Parijs zeide en deed, doch begon met te bedanken voor een nieuw legercommando, dat het Directoire hem terstond wilde opdragen.--"Hij was nauwelijks terug, gevoelde zich ziek en wilde eerst uitrusten en op zijn verhaal komen."
Bij niet ééne partij sloot hij zich aan; dat de royalisten niet op hem behoefden te rekenen, had hij hen op den 18en Fructidor reeds getoond, de ultra's der voormalige Conventie werden door hem geschuwd evenals de zoogenaamde pourris, een partij van wel bekwame maar totaal in den grond verdorven mannen, zooals Barras, die alleen op het kussen trachtten te komen om hun eerzucht en hun gouddorst te bevredigen. Uit de keuze der mannen, die hij om inlichtingen vroeg, als Cambacérès, Roederer, Réal en anderen, bleek echter weldra, dat hij partij had gekozen voor de gematigden. Hij polste Gohier en Moulins over zijn opname in het Directoire in de plaats van Siéyès, die zich bij velen had verdacht gemaakt, steeds zwanger heette te gaan van omwentelingsplannen en door hem kortaf werd genegeerd, doch vond bij deze Directeurs geen gehoor. Volgens de grondwet van het jaar III was hij te jong en in strijd met deze verkozen zij niet te handelen.
Deze poging om aan 't bewind te komen mislukte, en nu wendde hij zich tot Barras. Aan dezen had hij groote verplichtingen, door hem was hij reeds te Toulon onderscheiden, op 13 Vendémiaire was hij door hem te paard geholpen en al had Barras kort te voren in een zitting van het Directoire gezegd, dat "de kleine korporaal in Italië aardig zaakjes had gemaakt," al was dit Bonaparte ter oore gekomen en de toch al niet te beste verstandhouding hierdoor nog meer verkoeld, met Barras, die nog altijd een zekere populariteit genoot en hoofd was van de politie dacht Bonaparte, zou nog wel iets zijn te beginnen. Doch ook hier slaagde hij niet. Barras onderhield reeds in 't geheim betrekkingen met den pretendent, had van dezen prachtige aanbiedingen ontvangen en stuurde Bonaparte met een kluitje in 't riet. "Ik ben oud en versleten; u moet terug naar het leger, generaal Hédonville (een braaf en kundig maar weinig bekend officier, zijn beschermeling) moet president worden van de Republiek, anders gaat deze te gronde," beweerde hij.
Toen wendde Bonaparte zich naar Siéyès, zijn bête noire, zooals Joséphine het uitdrukte en gaf hem kort en bondig te verstaan, dat hij op hem kon rekenen. Reeds in de eerste dagen der omwenteling op den voorgrond getreden, zelfs door Mirabeau gevleid, in het Directoire gebracht, omdat hij als gezant te Berlijn tot de handhaving der neutraliteit van dit kabinet tegenover de Republiek zeer veel zou hebben toegebracht, gematigd republikein, door zijn kennis van menschen en zaken een hoofdlengte uitstekend boven zijn mededirecteurs, was hij nog altijd verstoord, omdat in de grondwet van het jaar III het door hem zelf ontworpen schema van zulk een wet niet was opgenomen.
Niet alleen Roger Ducos maar de meerderheid in den Raad der Ouden, ook veel leden van den Raad van Vijfhonderd, en verder al wat in Frankrijk reikhalzend uitzag naar het herstel van orde en rust telde hij onder zijn aanhang. Benjamin Constant, Talleyrand, die voorzichtigheidshalve reeds zijn ontslag had genomen, zelfs Daunou, de hoofdontwerper der grondwet, steunden hem. Ik heb noodig een man van de daad, een man van het zwaard, dien ik leiden kan, had hij reeds vroeger gezegd; hij had het oog laten vallen op den jeugdigen, talentvollen generaal Joubert, doch deze was bij Novi gesneuveld. Toen had hij Moreau trachten te winnen, maar was afgestuit op diens aangeboren rechtschapenheid en--besluiteloosheid.
Thans zag hij Bonaparte tot hem komen. Te voren hadden Jozef en Cabanis tot een onderhoud den weg gebaand en hoewel hij een voorgevoel had, dat de ander zijn medewerking slechts kwam vragen voor een zekeren tijd en hem dan zou loslaten, gaf hij toe. In den avond van 30 October had het onderhoud plaats. Acht of tien dagen later, werd afgesproken, zou de staatsgreep worden uitgevoerd.
In de nu volgende dagen scheen Bonaparte zeer beducht voor zijn leven en scheen de vrees voor een einde, als Hoche had gevonden, hem te kwellen. Vooral Barras, die, door Réal en Fouché gewaarschuwd voor 't geen er broeide, nog een poging tot samengaan had gedaan doch was afgewezen, scheen door hem te worden verdacht. Op een banket, hem den 6en November door de Raden aangeboden, gebruikte hij b. v. niets dan een broodje en een halve flesch wijn, die hij door Duroc, zijn adjudant, voor zich had laten halen en verliet daarop met Berthier de feestzaal, om met Siéyès de laatste afspraak te maken. Het leger te Parijs had hij geheel op zijn hand; de generaals eveneens; alleen Jourdan en Augereau aarzelden nog. Bernadotte, de zwager van Jozef was door Désirée, zijn vrouw, tevergeefs aangezocht om met Bonaparte gemeene zaak te maken. Hij haatte Siéyès, was ten opzichte van Bonaparte met hartstochtelijke afgunst vervuld, kon en wilde niet gelooven dat het Directoire zich zonder slag of stoot zou overgeven, meende in geval van weerstand van deze zijde, zelf een groote rol te kunnen spelen en hield zich dus als sluwe Gascogner, die hij was, buiten het spel, om zijn diensten al naar de zaken liepen, zoo duur mogelijk te verkoopen.
Terwijl Berthier, Leclerc, Murat, Duroc, Lavalette, Marmont en Eugène, ieder in zijn eigen kring en bij zijn eigen wapen druk in de weer waren om steeds nog meer aanhangers te werven, had Lucien, sinds 22 October president van den Raad van Vijfhonderd op zich genomen deze heeren tot medewerking over te halen, en was hierin zoo goed geslaagd, dat de groote meerderheid zich vóór den staatsgreep had verklaard.
Den 18en Brumaire (9 November) decreteerde de Raad der Ouden, dat de beide Raden naar St. Cloud zouden worden verplaatst, droeg de uitvoering van dit besluit op aan Bonaparte, en handelde in strijd met zijn bevoegdheid door hem tegelijkertijd het bevel te geven over al de troepen en deed hem, omringd door een schitterenden staf van generaals en hoofdofficieren, als zoodanig den eed afleggen. Tegelijkertijd namen Siéyès en Roger hun ontslag als directeurs en werden hierin op aandrang van Talleyrand door Barras gevolgd. Gohier en Moulins, hiertoe ongenegen bevonden, werden bewaakt door Moreau, opgesloten in hun vertrekken. Groote troepenmassa's rukten Parijs binnen. Tot zoover ging alles goed; de eerste zet was zonder strijd gewonnen.
Aan het hoofd der garde van de beide Raden rukte Bonaparte den volgenden morgen naar St. Cloud, trad hier den Raad der Ouden binnen om van dezen een decreet te verkrijgen, tot wijziging in den regeeringsvorm nu de meerderheid van het Directoire zijn ontslag had ingediend, leverde een weinig samenhangend betoog, waarbij hij telkens werd in de rede gevallen, maakte, niet gewoon te spreken in dergelijke vergaderingen, hier een alles behalve schitterend figuur, bereikte dan ook zijn doel niet en ging daarop vergezeld van een paar grenadiers, die hij bij de deur achterliet naar de vergaderzaal der Vijfhonderd.
Hier had Lucien het laatste half uur tevergeefs alle krachten ingespannen om de gemoederen bedaard te doen blijven. Er heerschte gisting. Het niet op tijd gereed zijn der zittingzalen had ten gevolge gehad, dat er twee uur lang tusschen de leden der beide Raden druk was gepraat, dat achterdocht omtrent Bonaparte's plannen de gemoederen had aangegrepen. Dat hij in een nieuw te vormen Directoire zou worden opgenomen, achtten de meesten reeds meer dan voldoende, maar 't geen den dag te voren was geschied en nu weder dat groote troepenvertoon, scheen te wijzen op verdere plannen, mogelijk op een greep naar de dictatuur, de onbeperkte heerschappij, en van deze wilden de meesten niets weten.
Toen hij met zijn grenadiers aan den ingang verscheen, klonk hem al dadelijk een verwoed: "Weg met den dictator! Weg met de bajonetten!" tegen. Dreigend en tierend drong men op hem aan tot zijn grenadiers hem ten slotte tusschen de menigte uit haalden en naar buiten voerden. Een oogenblik trachtte Lucien het gedrag van zijn broeder te rechtvaardigen, maar vond geen gehoor, want allen brulden en gilden: "Buiten de wet! Stemmen, president! Buiten de wet de generaal!"--Toen gaf hij generaal Frégeville een der invloedrijkste leden en een bondgenoot tevens, een wenk, fluisterde hem iets in, zag hem de zaal verlaten, en begaf zich naar de tribune, rukte zich toga en sjerp van 't lijf en wierp ze naast zich neder.--"De vrijheid is van hier verdwenen. Verstaanbaar maken kan ik mij niet meer. Als bewijs van rouw legt de president de teekenen af der volksmagistratuur!" dreunde het boven het rumoer uit van zijn lippen.
Langzaam daalde hij de trap af, ging, door zijn vrienden omringd, naar de deur, ontwaarde het piket soldaten, dat Frégeville had ontboden, sprong op een paard en deed den ban slaan.--"Soldaten, de Raad van Vijfhonderd is ontbonden. Zijn president zegt u dit. Een bende moordenaars heeft de zaal overrompeld en tegenover de meerderheid geweld gepleegd. Jaagt die uiteen!
Overdreven, hartstochtelijk klonk die sommatie, maar dat gillende: Buiten de wet! had Robespierre den kop gekost. Lucien had gevoeld, dat het leven van zijn broeder en der Bonaparte's op het spel stond.
Een kort bevel van Bonaparte volgde; met Murat en Leclerc aan de spits rukte een bataljon grenadiers naar de zaal der Oranjerie, een lange roffel overstemde het gebrul der afgevaardigden. In een ommezien was de zaal ontruimd.
Dienzelfden avond was de meerderheid der Vijfhonderd onder voorzitterschap van Lucien hier weder bijeen, zij verklaarde dat Bonaparte en zijn soldaten zich tegenover het vaderland verdienstelijk hadden gemaakt, dat het Directoire had opgehouden te bestaan, en een en zestig personen ophielden lid te wezen van de volksvertegenwoordiging, schiep een voorloopige consulaire commissie, samengesteld uit Siéyès, Roger-Ducos en Bonaparte, en droeg aan twee commissies ieder van vijf en twintig leden op, de in de grondwet van het jaar III noodig geworden veranderingen voor te bereiden.
De Raad der Ouden, die niet was ontbonden en bij den loop dien de zaken hadden genomen, thans danig in de verlegenheid zat, had Luciens verklaring van zijn gedrag nolens volens aangenomen, en keurde de genomen besluiten goed. De nieuwe Consuls werden beëedigd, de noodige tijdelijke commissies gekozen en de omwenteling van 18 Brumaire was een voldongen feit. De rol door Bonaparte dezen dag gespeeld was vreemd, een ander deed wat hij niet deed, niet kon en wist te doen; Lucien redde ten slotte alles en toonde revolutionnair te zijn gebleven, want toen hij den afgrond voor hem en de zijnen geopend zag, nam hij zijn toevlucht tot geweld.
Parijs, neen gansch Frankrijk juichte. Uit was het met dat "gouvernement van babbelaars en advocaten." De zorg voor de eer, de grootheid, en de onschendbaarheid van het vaderland was toevertrouwd aan den eenigen man, die getoond had, waartoe hij bij machte was; slechts één naam, die van generaal Bonaparte had van nu af in Frankrijk klank. Door hem zouden rust en orde terugkeeren. Dat hij een soldaat was vol eerzucht, dat hij onverbiddelijke gehoorzaamheid zou eischen, verminderde niets aan het bijna grenzenlooze vertrouwen in hem gesteld. Tien jaar lang had het land gezucht onder de anarchie; op den rand van den ondergang was het geweest, nog stond de buitenlandsche vijand nabij de grenzen. Hij, Bonaparte, zou het terugvoeren naar zijn oude plaats in de eerste rij der groote mogendheden.--
Over deze omwenteling liepen de meeningen tamelijk ver uiteen. Enkele tegenstanders er van noemden ze een brutalen aanslag, die de Republiek in haar vlucht naar de vrijheid vleugellam maakte; anderen achtten ze een even stoute als noodzakelijke daad, die een einde maakte aan onhoudbare toestanden. Wij zien er slechts een der phasen in, welke Frankrijk moest doorloopen, voordat het in de juiste beteekenis van het woord vrij worden kòn, d. w. z. voordat het tot het rechte begrip was gekomen van 't geen een natie in de moderne samenleving aan zich zelf en aan de haar gestelde wetten is verplicht. Juist die wetten werden den 18en Brumaire door Bonaparte met voeten getreden. Dat er aan deze veel haperde, staat vast; dat de bestaande toestanden onhoudbaar waren geworden, eveneens; doch elke daad van geweld, tegen den hoeksteen van een goed geordenden staat is afkeuringswaardig; en ondanks al het goede, later door hem gewrocht, heeft Napoleon toen aan het nageslacht een verderfelijk voorbeeld gegeven.
Veel is er echter ook tot zijn verontschuldiging te zeggen. In naam der vrijheid had Frankrijk den strijd aangebonden tegen al wat onderdrukking was of dwingelandij, dus tegen toestanden, die in het overige Europa sinds eeuwen heerschten, die ten nauwste waren verbonden met de souvereine rechten der vorsten en door deze dus met de wapenen in de vuist tot het uiterste werden verdedigd. Een bestuur zoo onverbiddelijk gestreng als het Comité de Salut Public, had het tegen die vorsten en tegen de partijen in het binnenland een tijdlang kunnen volhouden, een vijfhoofdig uitvoerend bewind, zoo onsamenhangend, zoo slap en zoo onpractisch als het Directoire niet. In zulke bange dagen, als Frankrijk toen doorleefde, was dit bestuur een onding. Het móést vervangen door dat van één man, geen babbelaar of geleerde met abstracte begrippen, in de studeercel prachtig, in de practijk onbruikbaar, maar een man van de daad, toegerust met een ijzeren wil, een stalen werkkracht en een scherpen blik, een soldaat kortom, die aan grooten persoonlijken moed een organiseerend talent van den eersten rang paarde en van dit alles reeds de bewijzen had geleverd.
Zulk een man wàs Bonaparte. Niet alleen hij, ook Frankrijk wist dit; de volgende vijftien jaren, zou het zich gedwee en gehoorzaam buigen onder den ijzeren man, die slechts één wil kende, den zijnen, die alle gezag in zijn persoon samenbracht, die Frankrijk weder één wilde maken met één bevolking, Franschen en die hiertoe zou vrede sluiten met den paus, de verbannen geestelijken en de émigrés de vrijheid verleenen terug te keeren, die aan den opstand in de Vendée een vreedzaam einde zou maken en dien in Bretagne met de wapenen bedwingen.
L'Homme noemde hem de plattelandsbevolking, wier rechten op hun door wettigen aankoop verkregen nationale goederen, hij handhaafde tot het einde toe; l'Homme zal hij blijven door de eeuwen heen, voor alle Franschen, wier blik niet door partijzucht of kleinzielige nevengedachten is beneveld en die in hem ondanks al zijn gebreken als mensch den genialen heerscher en wetgever willen erkennen. Veel geschiedschrijvers rekenen zijn opperheerschappij begonnen van af den dag zijner benoeming tot eersten Consul; bescheiden sluiten wij ons bij hen aan.
De eerste maal, dat de Consuls vergaderden, moest een president worden gekozen, doch Roger-Ducos voorkwam die keuze. Hij wees Bonaparte den fauteuil aan. "Die komt van rechtswege toe aan u" zei hij, Siéyès keek op zijn neus; hij had verwacht, dat hij dien zou bezetten, dat de regeling der civiele zaken aan hem, die der militaire aan den generaal zou worden overgelaten. Nog meer versteld stond hij, toen die generaal bij de verdere bespreking bleek toegerust "met een logica, even klemmend als scherp," en dat hij over allerlei staatkundige vraagstukken, geldmiddelen en justitie, ja zelfs over de rechtspraak een gevestigde overtuiging bezat, dat hij een even vaardig administrateur als talentvol veldheer was.
Onder elkander hadden de voormalige directeurs een potje gemaakt om hieruit een douceur te kunnen geven aan de leden, die, niet met fortuin gezegend, hun post mochten neder leggen. Gevraagd wat er met dat geld, eenige honderdduizenden francs, nu gedaan moest worden, antwoordde Bonaparte: "Dat moeten de heeren weten. Heden draag ik van het bestaan van dit fonds officieel nog geen kennis, morgen wel. Dan gaat het in de schatkist."
Siéyès, in zijn ziel een duitendief, liet zich dit gezegd zijn en hield ijlings met Ducos een verdeeling in verhouding van drie tot één. Dien avond teruggekeerd in zijn salon te midden van een gezelschap afgevaardigden en ministers kon hij den indruk door Bonaparte op hem gemaakt, niet langer verbergen.--"Heeren, gij hebt een meester gekregen. Bonaparte wil, kent en kan alles."
Vooral dit laatste was waar. Tot dit kunnen werd hij in staat gesteld door het grenzenlooze vertrouwen, dat de natie hem schonk en waaraan het uiting gaf door de schier onbeperkte macht, waarmede ze hem weldra door de grondwet van het jaar VIII zou bekleeden.--Deze macht had hij dringend noodig, wilde hij Frankrijk waarlijk opbeuren uit zijn staat van diep verval, waarvan hieronder enkele staaltjes.
Den 19en Brumaire was er in de schatkist niet eens voldoende geld aanwezig om een koerier te betalen (een paar duizend francs). Een nauwkeurig bijgehouden sterktestaat van de legers bestond niet. Zóóveel veranderingen kwamen er dagelijks voor, dat zoo 'n staat niet bij te houden was, heette het. Soldijstaten waren er evenmin; de soldij werd niet uitbetaald. Bij het leger van Italië hadden enkele korpsen in tien maanden tijd geen sou gezien. Ook de staten van levensmiddelen ontbraken. Gevoed werden de troepen niet; hoe ze aan den kost kwamen, moesten ze maar zelf zien. Waar de soldaat nog wèl vivres ontving, verdween vaak 40% van het verantwoorde bedrag in de zakken der generaals en der korpsstaven. In de andere afdeelingen van bestuur was de toestand niet beter. Gestolen en geroofd werd er overal. 't Was schelm om schurk in alle rangen. In lompen gehuld, met stukken boomschors vaak tot schoeisel liepen de soldaten te bedelen langs de straat.
Hoewel het begrip, dat Bonaparte voor goed met de leiding der zaken zou belast blijven, bij de natie reeds ontstond, was het toch de bedoeling, dat de commissie van drie consuls slechts tijdelijk zou werkzaam zijn, tot zij een grondwet had samengesteld. Siéyès heette zulk een staatsstuk kant en klaar in portefeuille te hebben en hij had Lucien er allerlei moois van verteld, doch bij slot van rekening bleek nog geen regel er van op papier te staan. Ook was de samenstelling veel te omslachtig; slechts gedeelten er van werden dus gebezigd; met loven en bieden verliepen bijna zes weken en eerst den 15en December was de nieuwe wet gereed, en werd negen dagen later in werking gesteld.
De mode van romeinsche namen en vormen was behouden gebleven; er werd gesproken van consuls, senatoren, tribunen en prefecten. Drie consuls zouden er wezen, gekozen voor tien jaar en terstond herkiesbaar, doch alleen de eerste zou al het gezag in zich vereenigen, de beide anderen slechts een raadgevende stem hebben; die consuls waren Bonaparte, de rechtschapen, kundige minister van Justitie de Cambacérès en Lebrun.
Siéyès had voor een benoeming tot tweeden consul bedankt. Het luie, zwaar bezoldigde baantje [18] van opperkeurvorst, uit zijn eigen ontwerp van wet was hem ontgaan; Bonaparte had de pen er door gehaald; nu stelde hij zich tevreden met een hoog jaargeld, het landgoed Crosne en een zetel als senator, een aardige retraite voor dezen vadsigen, doch diepzinnigen denker, die in de dagen van Brumaire nog wel had leeren paardrijden, zeker om naast Bonaparte wat meer figuur te maken.
Was het uitvoerend bewind in de vroegere constituties ondergeschikt geweest aan het wetgevende, in die van het jaar VIII, was het omgekeerde bepaald. Een raad van State, verdeeld in vijf secties, waarvan de leden door de consuls werden benoemd en ontslagen [19] stelde de wetsontwerpen samen, een Tribunaat van 100 leden, de schim van een volksvertegenwoordiging, beoordeelde ze; aan een Wetgevend Lichaam van 300 leden was het recht gegeven ze daarna aan te nemen of te verwerpen. Het gouvernement had de vrijheid op de bezwaren of opmerkingen van het Tribunaat al dan niet acht te slaan. Kwam een wetsontwerp na onderzoek der tribunen in het Wetgevend Lichaam, dan werd het hier namens het gouvernement door drie staatsraden verdedigd en kwamen evenveel redenaars uit het Tribunaat het ondersteunen of bestrijden. Geen enkel lid van het Wetgevend Lichaam mocht zich mengen in dit debat. Als één groote nationale jury bepaalde het zich uitsluitend tot stemmen.
Een Senaat van 80 leden, voor hun leven door de Consuls te benoemen, met recht een "College van behoud" genoemd, waakte over de instandhouding der grondwet, oordeelde over alle daden, die met deze in strijd waren, en koos uit de nationale lijsten de leden van het Tribunaat en van het Wetgevend Lichaam.
Kiezers waren alle Franschen, die den leeftijd van een en twintig jaar hadden bereikt en wier namen op de openbare registers stonden ingeschreven. Oogenschijnlijk fraai, was er in het geheele samenstel der volksvertegenwoordiging feitelijk weinig meer dan een schaduw van vrijheid overgebleven; toch werd de nieuwe grondwet met ruim drie millioen stemmen tegen 1567 aangenomen.