Chapter 13
In dezen zin schreef hij 25 Juli aan Jozef. "De laatste sluiers zijn verscheurd; ik heb veel huiselijk leed. Binnen een paar maanden kan ik te Parijs zijn. Bezorg mij daar in den omtrek of in Bourgondië een buiten. Daarin denk ik mij op te sluiten. Ik heb behoefte aan alleen zijn. De grootheid verveelt mij. Op mijn negen en twintigste jaar ben ik hard op weg een egoïst te worden. Jij alleen blijft mij over; verlies ik ook jou vriendschap, verraad jij me ook, dan word ik een menschenhater," enz...
Wel heeft Jozef dit schrijven nooit ontvangen--de Engelschen onderschepten het--doch het teekende genoegzaam zijn gemoedstoestand in die dagen.
Later begon hij dit alles kalmer in te zien, vooral na de kennismaking met de zeventienjarige mevrouw Fourès, echtgenoote van een jong luitenant der jagers te paard, een voormalige modiste uit Carcassone. Toen Napoleon haar man met brieven naar Frankrijk gezonden had (December) was zij spoedig op zeer intiemen voet met Bonaparte, die zich overal met haar te paard en in een open rijtuig vertoonde. Was de dame, die zich van haar man had laten scheiden, in dien tijd zwanger geworden, dan had Bonaparte Joséphine stellig verstooten en haar gehuwd, want reeds in die jaren was zijn behoefte aan een huisgezin met kinderen groot; ook in dit opzicht was hij een echte zoon van Corsica.
Uiterst kritiek was Bonaparte's toestand dus in het begin van 1799, doch van versagen was bij hem geen sprake. Voor een Turksche expeditie naar Egypte was het jaargetijde te ongunstig; daar zou de vijand dus zoo spoedig niet opdagen. Dan zou hij naar Syrië trekken, de krijgsmacht aanvallen, welke zich daar vormde en den sultan toonen over welke geduchte krachten hij nog beschikte.
Met 13000 man, in vier divisiën, aangevoerd door Kléber, Reynier, Bon en Lannes, de cavalerie onder Murat, de guides onder Bessières, begon hij den zwaren tocht door de woestijn, nam onderweg het fort El Arych en de stad Gaza, sloeg het beleg voor Jaffa en hield hier den 7en Maart 1799 zijn intocht. Wel scheen het ongeluk hem ook hier te vervolgen, want thans brak onder zijn soldaten de pest uit. De mannen stierven als muizen. Dokter Larrey, de chef van den geneeskundigen dienst, begon zich ongerust te maken, want heel wat lijders bezweken binnen een etmaal, nadat de ziekte hen had aangetast. In het klooster der paters van het Heilige Land alleen telde men er zeven honderd. De soldaten sloeg de angst om 't hart.
Onverschrokken begaf Bonaparte zich midden tusschen de zieken, sprak hun moed in, raakte verscheidene hunner aan ten bewijze, dat de ziekte niet zoo besmettelijk was, als zij dachten, bleef ruim anderhalf uur in een gebouw, waar de lijders lagen opeengepakt, en de lucht dus was bedorven, en was toen eerst door de artsen te bewegen heen te gaan.--"Het was mijn plicht. Ik ben opperbevelhebber," gaf hij, buiten gekomen, koeltjes ten antwoord aan de officieren van zijn staf, die hem van de begane onvoorzichtigheid een ernstig verwijt maakten. Ook de doktoren moesten van deze heel wat hooren over hun zwakheid, dat zij hem toegang hadden verleend.--"Net alsof het zoo gemakkelijk gaat hem af te brengen van iets, dat hij zich heeft voorgenomen, of hem af te schrikken door vrees voor gevaar," was het antwoord, dat zij gaven.
Vrees voor gevaar kende hij niet; die heeft hij ook nooit gekend. Juist deze voor duizenden zoo onverklaarbare, geheimzinnige eigenschap, maakte hem zoo sterk bij al wat hij deed. Verbleeken, sidderen zag men hem nooit. Dat hij in zijn kabinet bij het plotseling vernemen van een zware ramp een kruis sloeg, was uitsluitend een bewijs, dat hij die uit zijn kinderjaren afkomstige gewoonte niet had afgeleerd. Dragomirof, de beroemde Russische veldoverste, heeft Bonaparte zeer juist geschetst als hij zegt, dat deze "niet alleen niet bang was voor zijn eigen dierbare "knoken," doch zelfs geheel moest hebben vergeten, dat de menschelijke natuur aan zulk een zwakheid kon mank gaan."--"Die sterksprekende trek van het volkomen ten offer brengen van zijn eigen ik," gaat Dragomirof voort, "geeft aan de ziel een scherpte van blik, welke haar veroorlooft de uitvoering te wagen van zekere besluiten, waarvan de gedachte alleen reeds voldoende is om de slaap van een gewoon mensch totaal te verstoren, en die gelijkertijd op de massa een onwederstaanbare tooverkracht uitoefent. Die karaktertrek, en die alleen sleept de menigte mede achter elken geestdrijver aan; want wil men de menigte ten verderve leiden, dan moet men vóór alles zelf niet beducht zijn te gronde te gaan."
Die maakte tevens, dat zijn gemoed gestaald werd en dat hij bij Arcola Louis van een uiterst gevaarlijke zending ongedeerd ziende terugkeeren, hem alleen met een kort verheugd lachje en een "Ik dacht dat je gevallen waart" verwelkomde. Toch had hij Louis bijna zoo lief als een zoon.
Zulk een man, zegt Masson, heeft de hoogste sport beklommen voor een mensch met intellect en gevoel bereikbaar en zoo iemand staat boven de goden der verbeelding.
Begrijpende, dat een langer verblijf te Jaffa zijn mannen noodlottig kon worden, en dat afleiding voor hen het beste geneesmiddel was tegen ziek worden, voerde hij hen door de woestijn naar het sterk bezette Acca of Saint-Jean-d'Acre en vernietigde binnen acht dagen de legermacht, welke de sultan deze vesting te hulp had gezonden. Haar nemen vermocht hij niet, want Sidney Smith, de opvolger van Nelson in de Levant, had hem in volle zee van zijn schepen met belegeringsartillerie beroofd; en met veldgeschut was tegen de zware steenen wallen niets te beginnen.--"Die man heeft mij mijn fortuin doen missen," heeft Bonaparte, op dezen admiraal doelende, gezegd. "Was Saint-Jean-d'Acre gevallen, dan had ik Damascus en Aleppo genomen; in een oogwenk had ik aan den Euphraat gestaan. De christenen van Syrië van Armenië, de Drusen hadden zich bij mij aangesloten. Ik zou Constantinopel veroverd, Indië vermeesterd hebben en nu keizer zijn van geheel het Oosten."
Thans werd er van al die visioenen niet één verwezenlijkt. Na een beleg van twee maanden, na een laatste vierdaagsch bombardement, tendeele onderhouden met de volkogels, die Sidney Smith van uit zee naar de Fransche liniën had geschoten en door de soldaten waren opgezocht, hief Bonaparte het beleg op. Zieken, gewonden, alles moest terug naar Jaffa; den 21en Mei was er geen enkele Fransche soldaat meer voor Acre te vinden. Met 500 dooden, waaronder verscheiden officieren van naam, den divisiegeneraal Bon en den generaal der genie Caffarelli, was dat gedenkwaardige beleg betaald. Bonaparte zelf was licht gewond geworden; een paard was onder hem doodgeschoten. Eens, in de loopgraven was hij bijna in stukken gereten door een bom, die vlak naast hem sprong en hem benevens twee soldaten met aarde overdekte.
Ook Jaffa werd verlaten. Al de zieken werden medegevoerd. Niet één bleef in Syrië achter, al heeft de Engelsche kolonel Wilson later beweerd, dat op Bonaparte's bevel bijna zeshonderd onvervoerbare pestlijders met opium zouden zijn omgebracht. De brave Larrey en Desgenettes, hoofden van den geneeskundigen dienst, wier zelfopoffering nooit genoeg kan worden gewaardeerd, waren er nog al de mannen naar, om, gesteld zelfs, dat het bevel hiertoe gegeven was, dit ten uitvoer te brengen.--"Juist aan generaal Bonaparte hebben die slachtoffers in hoofdzaak hun behoud te danken gehad," heeft de eerstgenoemde in later jaren in zijn gedenkschriften geschreven.--Om de figuur van Napoleon heeft het spook van den afschuwelijksten laster steeds onverpoosd rondgewaard.
Groote vreugde heerschte er te Caïro, toen de Sultan Kebir den 14en Juni na een marsch van twintig dagen door het gloeiende woestijnzand hier wederkeerde. Zelfs de inlandsche bevolking scheen een wijle haar houding van zwijgende deftigheid te hebben afgelegd, om hem met juichkreten te ontvangen.--Alles scheen er op te wijzen, dat thans een tijdperk van rust was ingetreden, want in Mei reeds was het aan Desaix gelukt Opper-Egypte geheel te bezetten en Mourad-Bey bij herhaling de nederlaag toe te brengen.
De rust zou niet volgen.
Den 15en Juli toch ontving Bonaparte de tijding, dat een groot Turksch eskader met landingstroepen aan boord, drie dagen te voren het anker had laten vallen op de reede van Aboukir en reeds bezig was met ontschepen. De tijding kwam van generaal Marmont, die te Alexandrië commandeerde; aan de juistheid er van viel niet te twijfelen.--De Turksche macht telde ongeveer 18000 man infanterie, ditmaal geen uitgehongerde fellahs maar dappere janitsaren, gewapend met een geweer zonder bajonet, waaruit ze eerst een schot losten om daarna met pistool en sabel op den vijand in te gaan. Engelsche officieren voerden hen aan. Paarden hadden ze bijna niet, slechts driehonderd. De rest zou Mourad-Bey leveren, als hij, met twee- of drie duizend mamelukken uit Boven-Egypte langs den zoom der woestijn trekkende zich te Aboukir met hen had vereenigd.
Nauwelijks waren Bonaparte deze bijzonderheden bekend en wist hij dat de bezetting van Aboukir over de kling was gejaagd, terwijl Marmont zich zonder slag te leveren in Alexandrië had opgesloten, of hij begon met drie divisiën een geforceerden marsch naar de kust. Tevens gaf hij Kléber en Reynier, die in de Nijl delta stonden, last om onverwijld op Aboukir aan te rukken. Zelf stond hij binnen enkele dagen tusschen deze plaats en Alexandrië, gaf Marmont een geduchte schrobbeering, omdat hij de landing niet had belet, en greep den 25en Juli den vijand aan. Deze had zich verschanst op het schiereiland, waarop Aboukir ligt.
't Was een heet gevecht, een van de merkwaardigste misschien, die er in de krijgsgeschiedenis is opgeteekend, want het gansche Turksche leger, aan drie zijden door de zee, aan de vierde door Bonaparte ingesloten, werd volslagen vernietigd. Wat niet viel door zwaard of kogel, vond den dood in de golven. Mustapha-pacha, de commandeerende generaal, werd na een tweegevecht met Murat gewond en door dezen gevangen genomen; en op den avond van dien dag dreven 12000 Turksche lijken voor Aboukir in zee. De nederlaag van het vorige jaar was glansrijk gewroken. Kléber, die te laat was gekomen om nog aan den strijd te kunnen deelnemen, omarmde zijn genialen veldheer en zei: "Generaal, groot zijt gij als de wereld!"
Een nieuwe aanval van Turksche zijde was nu vooreerst niet weder te duchten. Het Fransche leger telde nog bijna 25000 man; zijn toestand was bevredigend te noemen; in een jaar tijd had het in het veroverde land groote dingen verricht. Met voldoening kon de opperbevelhebber op zijn werk terugzien. Slechts één factor ontbrak hem. Sinds 25 Maart 1799, dus sinds het beleg van Saint-Jean-d'Acre, was hij verstoken van elk bericht uit Frankrijk; Louis in 't laatste kwartaal van 1798 half ziek naar Europa teruggegaan, was niet weder in Egypte verschenen; geen enkelen brief had hij ontvangen, zelfs niet van zijn familie; de Engelsche kruisers hadden alles aangehouden. Reeds maanden verkeerde hij in onzekerheid, hetgeen er voorviel ginds.
Eindelijk vernam hij de waarheid door Sidney-Smith zelf. Deze had een Franschen parlementair opgepikt, die met den Turkschen vlootvoogd quasi zou onderhandelen, maar die feitelijk voor Bonaparte berichten moest inwinnen omtrent den stand van zaken in Europa. Van dezen officier vernomen hebbende, dat Bonaparte hier omtrent geheel onkundig was, zond hij hem uit ijdelheid een pakje couranten, een relaas behelzende van de rampen, die de Republiek den laatsten tijd hadden getroffen.
Met al dat nieuws bleef Bonaparte een ganschen nacht in zijn kamer alleen. Hij las.--Oostenrijk had aan Frankrijk opnieuw den oorlog verklaard. In Duitschland was Jourdan, in Italië Scherer geslagen; te Rastadt waren de Fransche gevolmachtigden vermoord; alle partijen hadden samengespannen tegen het Directoire; vier nieuwe leden, Siéyès, Roger Ducos, Gohier en de generaal Moulins hadden hierin zitting genomen; alleen Barras was gebleven; al de klassen der dienstplichtigen waren opgeroepen; een gedwongen leening van 30 millioen was uitgeschreven; nieuwe troebelen tusschen de republikeinen en de royalisten waren ontstaan.
Tengevolge van de geldafpersingen der Fransche generaals hadden de Napolitanen naar de wapenen gegrepen; uit verscheidene steden, zelfs uit Rome was de bezetting verdreven. Om kort te gaan, terwijl de oorlog buiten de grenzen tot nog toe ongelukkig was gevoerd, heerschte er in 't land zelf een jammerlijke verdeeldheid, die de Republiek aan den rand van den afgrond kon voeren. Door de meerderheid der rustige burgers werd reikhalzend uitgezien naar een man, die in dezen Augiasstal den Herculesbezem zwaaien en aan Frankrijk zijn grootheid teruggeven zou.
In dien éénen nacht kwam Bonaparte dit alles en veel meer nog te weten; als altijd nam hij terstond een besluit. Het Directoire had hem bij zijn vertrek de vrijheid gegeven terug te keeren, als hij dit noodig en nuttig oordeelde. Latere bevelen had hij niet ontvangen. De tijd van terugkeeren achtte hij gekomen; terugkeeren zou hij, al doorploegden Engelsche kruisers de Middellandsche Zee in alle richtingen, al ging dat plan dus met groote gevaren gepaard en al liet hij zoodoende een leger in den steek, dat hem overal trouw was gevolgd en alleen door zijn tegenwoordigheid, zijn voorbeeld nog de veerkracht behouden had, noodig voor het verrichten van grootsche daden.
Van een militair standpunt is Bonaparte's heengaan niet goed te praten, doch het belang van Frankrijk, dat ten ondergang dreigde, heeft bij hem stellig zwaarder gewogen dan dat van een leger, dat door het Directoire reeds ten doode was opgeschreven en voor welks redding alleen Louis ridderlijk een lans had gebroken.
Met Berthier, Lannes, Duroc, Bessières, Eugène, Marmont, Monge, Denou en anderen benevens 400 guides scheepte hij zich den 22en Augustus op een afgelegen punt van de kust in op twee fregatten, kwam, na een kort oponthoud door tegenwind in de haven van Ajaccio, den 9en October onopgemerkt voor de Fransche kust, stapte te Fréjus aan wal, liet zich persoonlijk niet ophouden door de quarantaine-maatregelen, hier genomen wegens de pest in Egypte, doch reisde, overal doch te Lyon in de eerste plaats met klokgelui en schier uitbundige geestdrift verwelkomd, in eens door naar Parijs. Hier kwam hij geheel onverwacht aan in zijn woning.--Twee uur later begaf hij zich naar de Tuilerieën.--"Leve Bonaparte!" riep de wacht, die hem terstond herkende.
Den volgenden morgen gaf hij in de volle vergadering een kort overzicht van zijn verrichtingen ginds. Hij had Kléber met het opperbevel belast en was zelf teruggekeerd om de Republiek, die hij verloren achtte, te hulp te komen. Te Parijs had hij vernomen, dat zijn wapenbroeders deze intusschen reeds hadden gered, en dat o. a. Massena bij Zürich roemrijk had gezegepraald op de Russen. Hierover was hij zeer verheugd.
Het Directoire was niet verheugd. Het had niet verwacht hem ooit levend terug te zien. Reeds herhaalde malen was het gerucht van zijn dood te Parijs verspreid; alleen het kort te voren van hem ontvangen bulletin der overwinning bij Aboukir had bewezen, dat al die berichten leugenachtig waren geweest.
HOOFDSTUK VIII.
Bonaparte wordt Eerste Consul.
Zijn oudste broeders en Joséphine hadden eveneens geruimen tijd in de meening verkeerd, dat hij in Egypte zijn graf had gevonden. Jozef had aansluiting gezocht bij Bernadotte en dezen zijn schoonzuster Désirée ten huwelijk gegeven, mogelijk wel in de hoop, te eeniger tijd met dezen tot minister benoemden generaal zijn slag te kunnen slaan en het vermolmde gouvernement omver te werpen, want Bernadotte was bij het leger zeer gezien en een intrigant van het eerste soort.
Na zijn verkiezing in den Raad van Vijfhonderd, al miste hij hiertoe den wettelijk vastgestelden leeftijd, had Lucien zich op de tribune geducht geweerd, was benoemd tot secretaris en had redevoeringen gehouden, die herinnerden aan de schoonste dagen der Jacobijnsche redenaars. Deze werden echter door hem bestreden, want hij was nu reactionnair, had telkens herhaald, dat een ieder, die de veiligheid der Volksvertegenwoordiging dorst aanranden buiten de wet moest worden gesteld; Lucien was zoodoende voor de Jacobijnen in den Raad van Vijfhonderd en daarbuiten als hun heftigste tegenstander een nachtmerrie geworden.
Steeds partij kiezende tegen het Directoire, had hij onder die bedrijven met Siéyès in stilte betrekkingen aangeknoopt om de grondwet van het jaar III door een geheel nieuwe te vervangen. Jong, onervaren, zoo goed als alle rechtskennis missende, maar grenzenloos brutaal en vermetel, zich zelf een even groot genie op politiek terrein achtende als zijn broer het was in krijgszaken, had hij zich, door de omstandigheden gediend, in nog geen twee jaar een positie veroverd, welke hem voeren kon naar het hoogste gezag.
Of er in de beide Raden dan geen mannen meer zetelden, die tegen hem waren opgewassen? In wetenschap, kennis van zaken en ervaring zeker nog wel, maar tijdens de omwenteling had Frankrijk zijn schranderste redenaars, zijn knapste koppen zien vallen en de overgeblevenen, door een langdurigen worstelstrijd afgemat, misten thans den lust en de energie, veelal ook het talent, om in een helder, zakelijk betoog het bewijs te leveren, dat Lucien een wauwelaar was, die heden afbrak, wat hij gisteren verdedigde en die grondige zakenkennis miste.
Aan "Napolione" van wien in maanden geen tijding was ontvangen en die feitelijk toch de grondlegger was geweest van hun tegenwoordig fortuin, dacht Jozef evenmin als Lucien; beiden werkten uitsluitend aan hun eigen toekomst; alleen Louis was met zijn geest daarginds en eischte tevergeefs, dat Lucien in den Raad een voorstel zou doen om de expeditie hulp te brengen.
Ook Joséphine, die aanvankelijk van plan was geweest haar echtgenoot te volgen naar Caïro, scheen niet langer aan hem te denken; zij was het leventje van voorheen met den zoo "aardigen" Charles en de verdachte kennissen incluis, weder begonnen; alleen had ze Barras, wiens invloed sterk begon te verminderen, losgelaten en steun gezocht bij Gohier. Onder het schrikbewind was Gohier minister van Justitie geweest, had later zijn zetel in het Directoire te danken gehad aan de Jacobijnen, die hem afschilderden als een republikein van de echte soort, vol burgerdeugden en gestrenge zedelijke beginselen. Met haar zwagers had zij gebroken. Vooral met Jozef, die bij het vertrek van haar man door dezen belast was met het beheer van zijn vermogen, die haar zeer kort hield en van haar bij herhaling had moeten hooren, dat hij mooi weer speelde met het geld van zijn broer, stond zij op gespannen voet. Reeds dacht zij aan een scheiding om dan met Charles te kunnen trouwen en was er sprake van een huwelijk tusschen haar dochter en den zoon van Gohier, toen het bericht van Bonaparte's landing bij Fréjus haar aan een diner bij Gohier trof als een bliksemstraal.
Een korte poos zat zij als verpletterd, toen was zij zich zelve weder meester en begreep, dat alleen een vermetele zet haar kon redden. Bonaparte kwam naar Parijs; ontmoette hij zijn familie voor zij hem gesproken had, werd hij dus ingelicht omtrent haar leven in de laatste anderhalf jaar, dan was zij reddeloos verloren, dan wachtte haar een echtscheiding. Die familie moest zij dus vóór zijn.
"Vrees niet, dat Bonaparte met voor de vrijheid noodlottige bedoelingen naar hier komt; maar wij moeten de handen ineenslaan om te beletten, dat een troep ellendelingen zich van hem meester maakt," voegde zij Gohier toe en Joséphine was geen uur later zonder kamenier, bagage of geleide met postpaarden op weg naar Lyon, haar man tegemoet.
Maar van Fontainebleau voeren twee wegen naar het zuiden; zij sloeg den verkeerden in, kwam eerst te Lyon tot deze ontdekking, keerde spoorslags naar Parijs, doch vond in haar hotel de kamerdeur op slot. De familie had den tijd gehad den jammerlijk door haar bedrogen echtgenoot in te lichten omtrent haar gedrag.
De wanhoop nabij, gebogen onder een schuldenlast, die liep in de millioenen en onder het bewustzijn, dat de ouderdom snel naderde en dat armoede en gebrek haar wachtten, als hij haar verstiet, viel zij voor die deur op de knieën en smeekte en bad onder tranen om vergiffenis, doch de deur bleef dicht. Uren verliepen. Hortense en Eugène kwamen haar helpen. Eindelijk, eindelijk werd een sleutel omgedraaid in 't slot, de deur geopend. Met een gelaat, dat doodsbleek en verwrongen nog getuigde van zijn zielestrijd, stond de echtgenoot op den drempel en breidde de armen uit; de herinneringen aan 't verleden, de tranen van Hortense en Joséphine, zijn liefde voor haar, hadden gezegevierd. Hij had vergiffenis geschonken, niet ten deele doch volkomen, onvoorwaardelijk; naar de medeplichtigen vroeg hij niet. Als een voor altijd gesloten boek schoof hij 't gebeurde achter zich; hij zelf, redeneerde hij, was de schuld van alles, want hij had zijn vrouw slecht bewaakt. Voortaan zou hij beter oppassen. Toen Lucien hem den volgenden morgen kwam opzoeken, werd hij ontvangen in Joséphine's slaapkamer; Napoleon lag nog te bed. In de twee volgende dagen betaalde hij al haar schulden, meer dan twee millioen, waaronder 600.000 francs voor toiletartikelen en 225.000 francs voor de buitenplaats Malmaison. De Parijsche groote wereld, die in de laatste tien jaar van nog heel wat sterker stukken was getuige geweest, vond deze verzoening volstrekt niet belachelijk, ze juichte die zelfs toe; in haar oog werd Bonaparte opnieuw de goedhartige man, die hield van huiselijk, gezellig leven, weinig of geen eerzucht kende en, terwijl geheel Parijs van hem was vervuld, 's avonds met zijn vrouw zat te triktakken, een spel waarin Joséphine uitmuntte.
En deze had een les ontvangen, die zij nimmer zou vergeten. Een licht was haar opgegaan over het gewicht van haar positie naast een echtgenoot, die terstond al haar schulden betaald, haar naast zich een plaats gegeven had en wiens toekomst haar reusachtig toescheen, al begreep zij nog volstrekt niet, waarheen die kon leiden. Slim als een echte vrouw, koos zij een nieuwe gedragslijn, verzoende zich voor het oog met haar zwagers, bleef op goeden voet met het echtpaar Gohier en werd voor haar man die meegaande, zorgzame, lieftallige gade, die steeds op een wenk van hem gereed stond om hem te dienen, hem op te beuren, met hem op reis te gaan, desnoods in 't holst van den nacht en hem in één woord te omringen met al die kleine attenties, welke men een liefhebbende moeder kan zien schenken aan een nukkig, bedorven kind. Met die onnavolgbare gratie, welke enkele vrouwen is aangeboren en die meer boeit dan schoonheid, ontving zij in haar salon zoowel de mannen der Conventie als Cambacérès, Réal en Monge als de Ségur, de Caulaincourt en andere haar trouw gebleven vertegenwoordigers van den ouden adel; zij bereidde aldus die fusie van standen voor, welke Bonaparte op het oog had; vol tact nam zij bijna dagelijks de honneurs waar van een tafel met meer dan twintig gasten en verving haar man, als deze moede en nurksch, of met andere dingen vervuld, geen lust had in praten, opstond van tafel en heenging. Nooit scheen haar iets te veel; steeds vond Bonaparte haar in een frisch, smaakvol toilet, met een vriendelijk lachje op de lippen, gereed voor al wat hij in zijn nukkige, vaak driftige buien geliefde te bevelen.