Chapter 12
Deze nieuwe daad van geweld, keurde Bonaparte in stilte af. Door zijn houding bij Tolentino, waar hij in strijd met de bevelen van het Directoire, met den paus had vrede gesloten, door zijn eigenhandig geschreven brieven aan dezen, door het kerkelijk huwelijk van Elisa en Pauline en door het onderhouden van betrekkingen met verschillende Italiaansche prelaten had hij meer dan voldoende bewezen, niet alleen dat hij een aanhanger was der katholieke kerk, maar dat hij groote waarde hechtte aan haar invloed en haar zedelijke kracht. Tevens kende hij de Fransche natie reeds genoeg om te weten, dat hij, die ook maar den schijn aannam van den Heiligen Stoel te beschermen, daarbij terstond een aanhang moest vinden van millioenen katholieken, die thans nog door een kleine partij, die der atheïsten en philosofen werden onderdrukt.
Hoewel hij Berthier te Mantua dus bevelen zond om Rome te bezetten, gelastte hij hem tevens "alle buitensporigheden te onderdrukken en iederen Franschman of Italiaan, die onder het mom van vaderlandsliefde tot oproer mocht willen aanzetten, zonder genade in de doos te stoppen."
Had hij de handelingen van het Directoire tegenover den Paus afgekeurd, ook tegen de hulp, door de Republiek aan de patriotten in Zwitserland tegenover Bern verleend, was hij gekant, al werden de hiertoe noodige bevelen door hemzelf aan generaal Brune gegeven. Dat het gouvernement door al deze daden van geweld in de publieke opinie zijn eigen graf dolf, begreep hij even goed als dat het zich zonder zijn hulp tegenover het buitenland niet lang op zijn hoog standpunt zou kunnen handhaven, maar dan moest die hulp zich tegenover de natie teekenen door daden, die de verbeeldingskracht prikkelden, en die hem voortdurend op den voorgrond deden blijven. "Blijf ik hier lang werkeloos dan ben ik weg; als ik mij driemaal in de comedie heb vertoond, kijkt niemand meer naar mij om," zeide hij zelf tegen zijn intieme kennissen.
Na die inspectiereis langs het Kanaal begon hij bij het gouvernement derhalve krachtiger aan te dringen op een tocht naar het Oosten, naar Egypte. Onuitvoerbaar was deze volstrekt niet, onder het koningschap was het vraagstuk eener koloniseering van dat land bij herhaling ter sprake gebracht; Leibnitz had die zelfs aan Lodewijk XIV aanbevolen en een paar jaar te voren had de Fransche consul te Alexandrië hierover nog een omvangrijke memorie ingediend. Goed geleid en met bezadigdheid ondernomen, was de kans op welslagen vrij groot. Bonaparte bezat al de gegevens over dit onderwerp maar koesterde in stilte veel grootscher plannen. Egypte veroverd, de Turken uit Europa verdreven, al de Grieken en de christenvolken in Klein-Azië in opstand gebracht, wilde hij Engeland ten slotte aangrijpen in zijn hartader, de koloniën.
Geruimen tijd had het Directoire weinig ooren voor dit plan, dat Frankrijk tijdelijk van een deel zijner beste strijdkrachten zou berooven, terwijl de vrede in Europa nog veraf was, maar toen het benoodigde kapitaal te Bern en te Rome in de schatkist was gevonden en de geldelijke bezwaren dus waren opgeheven, aarzelde het gouvernement niet langer doch teekende den 12en April 1798 een besluit, dat strikt geheim bleef en een expeditie naar Egypte betrof. Bonaparte werd daarbij zoo goed als geheel de vrije hand gelaten; hij mocht zooveel troepen medevoeren als hij noodig achtte, over de te Genua, Civita Vecchia en op Corfu garnizoen houdende divisiën beschikken, Malta en Egypte bezetten, de landengte van Suez doen doorgraven en de Engelschen verjagen uit al hun koloniën; het Directoire was in stilte verheugd een man te zien heengaan, die door menigeen reeds als de toekomstige heerscher over de Republiek werd aangewezen en die door zijn reusachtige populariteit een dagelijks dreigend gevaar was voor hun eigen bestaan.
Van de verleende vrijheid maakte Bonaparte ruimschoots gebruik. Een reeks van geleerden, kunstenaars, letterkundigen en geneesheeren, als Monge Berthollet, Larrey, Desgenettes zouden hem vergezellen. De kundigste generaals als Desaix, Kléber, Davoust en Caffarelli voegde hij zich toe, terwijl Junot, Lannes, Marmont, Berthier, Murat en andere krijgsmakkers uit Italië, allen jonge, energieke, vermetele soldaten, niet werden vergeten.
Te Toulon zou het leger worden samengetrokken. Om Engeland zand in de oogen te strooien, werd alom het praatje verspreid, dat al die krijgstoerustingen waren bestemd voor den linkervleugel van het leger tegen Engeland. Dit was uitgerust in de Middellandsche Zee en zou samenwerken met de troepenmacht, in de havens aan den Oceaan en in 't Kanaal bijeen te brengen.
Wederom ging Bonaparte ijverig aan den arbeid. Alles regelde hij zelf; met ongelooflijke snelheid zorgde hij voor alle toebereidselen. Te Toulon, Genua, Ajaccio en Civita-Vecchia zouden de troepen scheep gaan. Hij vormde een keurkorps van vijf en twintig honderd ruiters met zadel en tuig, maar onbereden.--"De paarden zouden de Arabieren moeten leveren."--Ook nam hij een talrijke artillerie mede, doch in 't geheel slechts 300 paarden om ginds terstond enkele ruiters en vuurmonden tot zijn beschikking te hebben. Caffarelli zou de genie commandeeren. Berthier werd weder chef van den staf; en den 19en Mei 1798 ging het eskader van Toulon onder zeil.
Tegelijkertijd zou Talleyrand naar Constantinopel vertrekken om den sultan van den tocht naar Egypte kennis te geven en te vernemen, wat hij hiervan dacht.
Intusschen was de bestemming der vloot voor Europa nog een raadsel. Waar togen al die generaals, al die geleerden, al die soldaten toch heen? Naar de Zwarte Zee, om de Krim terug te geven aan de Porte? Naar Indië om Tippoo-Sahib te steunen tegen de Engelschen? Naar de landengte van Suez?--De snuggerste bollen vertelden zelfs, dat alles slechts een krijgslist was. Die scheepsmacht zou de straat van Gibraltar forceeren, het Engelsche eskader aanvallen, dat Cadix reeds zoolang blokkeerde, de hier liggende Fransche schepen zoodoende verlossen en met deze en de oceaan-eskaders, koers zetten naar Engeland.
Te Londen heerschte groote ongerustheid. Een ieder dacht, dat een landing het slot zou wezen. Op alle gebeurlijkheden voorbereid, deed minister Pitt ijlings een nieuw eskader uitrusten, versterkte dat vóór Cadix met tien groote schepen en zond Nelson met drie er van af om de bewegingen der Fransche vloot te volgen.
Toen deze admiraal den 20en Juni voor Malta verscheen, kon hij echter alleen te weten komen, dat dit verblijf der Maltezer ridders door den grootmeester dezer orde reeds acht dagen te voren zonder slag of stoot aan Bonaparte overgegeven en thans door Fransche troepen onder Vaubois bezet was.--Heel wat oorlogsvaartuigen, 1200 vuurmonden, 40000 geweren, eenige duizenden kilo's buskruit en drie millioen francs, de Schat van den Heiligen Johannes, waren hierbij buitgemaakt! Honderden Turksche en Arabische slaven waren van hun boeien bevrijd; de dienstbaarheid was afgeschaft, gelijkheid voor allen afgekondigd, overal de Fransche vlag geheschen. Daarop was de vloot gestevend naar Egypte en had Bonaparte, Lid van het Instituut, opperbevelhebber van het Leger in het Oosten, zooals hij zich nu betitelde, door een proclamatie, geheel berekend om hun haat tegen Engeland bij zijn soldaten nog feller te maken, dit geheim zelf geopenbaard.
"De mamelukken-beys, die in Egypte de baas waren en uitsluitend den handel der Engelschen begunstigden, die de ongelukkige bewoners van de Nijlstreek mishandelden en de Fransche kooplieden knevelden en bestalen, moesten van den aardbodem verdelgd worden, de mahomedaansche eeredienst en de ceremoniën, welke de Koran voorschreef, moesten geëerbiedigd. Vrouwenschennis en plundering, onteerend voor een ieder, die ze bedreef, zouden hun gerechte straf vinden; met deze volken, die voor de soldaten vreemd waren, moest toegevend en welwillend worden omgegaan."
Den 1en Juli met zonsopgang, dus na 41 dagen varen, kwam de vloot voor Alexandrië.
Hoewel de woelige zee de ontscheping zeer belemmerde, en hierbij zelfs manschappen verdronken, stond het grootste gedeelte van het leger, doch zonder paarden of geschut, reeds den volgenden nacht om drie uur bij helder maanlicht in drie colonnes op het strand geschaard. Om acht uur vielen deze de stad van drie zijden tegelijk aan en maakten zich na een kortstondig gevecht op de omwalling en in de straten er van meester.
Slechts enkele dagen bleef Bonaparte te Alexandrië. In dien tijd vestigde hij er het gezag van Frankrijk, gaf aan zijn onderbevelhebbers een dagorder met den uitdrukkelijken last personen en eigendommen te ontzien en den mahomedaanschen godsdienst te eerbiedigen, regelde den verderen opmarsch van het leger en verzocht admiraal Brueys voorloopig ten anker te gaan op de reede van Aboukir.
In die dagen was Egypte zoo goed als geheel onderworpen aan de tirannie van een reusachtige ruiterschaar, de mamelukken. Door sultan Selim indertijd gevormd om zijn gezag in Egypte staande te houden tegenover de pacha's, die zich van hem onafhankelijk mochten willen maken, had die cavalerie met haar vier en twintig bey's zich ten slotte van den sultan vrij verklaard. Ze was samengesteld uit slaven, die in hun prille jeugd in Circassië waren aangekocht, zich door schoonheid onderscheidden en die, onbekend met hun afkomst, naar Egypte overgebracht, fier waren op den hoogen prijs, welke voor hen was betaald. Uitsluitend geoefend in den wapenhandel, waren uit die jongelingen de dapperste en behendigste paardenmannen gegroeid, die men kon bedenken. Iedere bey bezat 600 van die knapen, die ieder weder twee fellahs als bedienden hadden. Van deze bey's, die elkander herhaaldelijk beoorloogden, was tijdens de landing Mourad-Bey, een even vurig als dapper en onversaagd krijgsman, een der voornaamste.
Caïro, de Heilige Stad, was thans het groote doel der armee.
Dus op marsch door de woestijn! Reeds op den vierdaagschen tocht naar El-Rahmanyeh, waar zij den Nijl eerst wederzagen, deden de ongelukkige soldaten de bittere ondervinding op van wat het zeggen wil in een zware uniform, onder een gloeienden Afrikaanschen hemel door mul woestijnzand te marcheeren, zonder een enkele teug drinkwater, want het brakke vocht uit de bronnen langs den weg mocht dezen naam niet dragen. Daarbij waren zij voortdurend omstuwd door zwermen woestijnroovers, die elken achterblijver zonder genade vermoordden en naakt uitschudden. Niet te verwonderen was 't dus, dat de mannen, het water van den Nijl eindelijk weder voor zich vindende, een jubelkreet deden hooren, en dat zich honderden zonder onderscheid van rang met kleêren, wapens en al in den stroom wierpen om zich eens naar hartelust te verfrisschen en--te drinken.
Daar aan den Nijl maakten de mamelukken, die gillend en krijschend in dichte zwermen kwamen opzetten, voor de eerste maal kennis met een infanterie, die, in een carré geschaard, met ijzeren koelbloedigheid eerst geweersalvo's afgaf en dan elken aanvaller, die te dichtbij dorst komen, opving op de punt der bajonet.
Verwoed over deze nederlaag zijner onderbevelhebbers, besloot Mourad-Bey "die ongeloovige honden" nu zelf aan te grijpen,--doch ook hij kwam van een slechte reis thuis. Die infanterie was sterker dan hij had gedacht.--"Die Fransche sultan is een toovenaar," zeide hij, "die al zijn soldaten vasthoudt aan één dik, wit koord en ze door een ruk hieraan, allen tegelijk heen en weer beweegt. Hij is de "Vader van het Kruis."
Caïro lag inmiddels nog ver af. De soldaten begonnen te mopperen. Door gebrek aan molens en ovens,--graan was er in overvloed,--kregen zij geen enkelen dag brood; en linzen, duiven en nu en dan een watermeloen waren wel smakelijk, doch voor een gezonde maag een te schrale kost. En waar bleef Caïro nu, waarvan hun zooveel was verteld?--Wel zeker! 't Bestond niet. Die geleerde lui, die de generaal bij zich had, hadden dezen maar wat wijs gemaakt, en die generaal met zijn houten been (Cafferelli) mocht niet meepraten; die stond nog altoos met zijn ééne been in Frankrijk.
Eindelijk, den 21en Juli, ontwaarde de voorhoede links voor zich uit, aan gene zijde van den Nijl de hooge minarets van de hoofdstad en aan haar rechterhand de piramiden.
Die reusachtige gedenkteekenen ziende, hielden de mannen vol nieuwsgierigheid en bewondering halt. Met een gelaat, dat gloeide van geestdrift, reed Bonaparte in galop vóór langs hun front en strekte den arm uit naar deze geweldige begraafplaatsen der oude Egyptische koningen.--"Bedenkt, dat van den top dier piramiden veertig eeuwen op u neêrzien!" riep hij.
Snel ging het daarop weder den vijand tegemoet; want ginds vooruit, tusschen de piramiden en het dorp Embabeh aan den Nijl, wachtte Mourad-Bey met tienduizend ruiters in de vlakte en met duizenden gewapende fellahs in den dorpsrand. Vuurmonden zonder bespanning, dekten de toegangen.
Bonaparte gaf bevel tot den aanval.
Iedere divisie,--hij had er vijf,--vormde één carré van zes gelederen diepte, met de bagage en de generaals er binnen in, de grenadiers in pelotonscolonne tegen een der flanken, om de aangevallen punten te versterken; de vuurmonden op de hoeken. Van plaats veranderende marcheerden de zijafdeelingen ervan uit de flank. Aangevallen, maakten die levende bastions terstond naar vier zijden front. Moest een positie worden aangegrepen, dan vormden de drie buitenste gelederen in een oogwenk aanvalscolonnes, elke colonne op drie gelederen. De rest, nog altoos in een carré geschaard, hield halt om die colonnes weder op te nemen. Gestrenge bevelen werden gegeven om vooral niet overijld te vuren, den vijand bedaard te laten naderen en hem het salvo eerst toe te slingeren, als hij vlak bij was, voor zulke vurige, strijdlustige soldaten als de Italiaansche cohorten een zware proef.
Na een verkenning met den veldkijker besloot Bonaparte, buiten het bereik van het kanon van Embabeh te blijven, de mamelukken van dit versterkte dorp af te dringen, ze in den Nijl te drijven en het dorp eerst daarna aan te vallen.
Mourad-Bey had dit plan evenwel terstond doorzien. Met acht duizend ruiters wierp hij zich met bijna ongeloofelijke onstuimigheid op de voorste divisie, (Desaix) die, tusschen de palmboomen marcheerende, haar formatie in carré nog niet had volbracht, maar den aanval toch kalm afwachtte en eerst op 't laatste oogenblik vuur gaf.
Dus afgeslagen, joeg de ruiterdrom thans als een oceaan van steigerende brieschende centauren om de zijden van 't carré; enkele mannen wierpen zich zelfs als bezetenen op de bajonetten, rukten hun paarden om, vielen er mede tusschen de gelederen, en vormden op die wijze een bres, maar vonden dan de grenadiers, die hen afmaakten. Ook de divisie Reynier, welke Desaix volgde, werd op deze wijze aangegrepen.
De heldenmoed en de doodsverachting der ruiters zwichtten intusschen voor koelbloedigheid, die de soldaten met salvovuur en bajonet er tegenover stelden.--In Embabeh ontstond een paniek. Een laatste poging van Mourad-Bey om de colonnes, die op dit dorp aanrukten, te omsingelen en te vernietigen, mislukte door de snelheid, waarmede de infanterie wéér de carréformatie aannam; thans ontstond een algemeene vlucht. Met het overschot zijner ruiters zocht de Bey een goed heenkomen naar Opper-Egypte; honderden fellahs verdronken in den Nijl bij hun pogingen om Caïro te bereiken. Embabeh werd stormenderhand genomen. Een schat van goud en kostbaarheden viel den soldaten in handen, want de mamelukken hadden de gewoonte al wat zij bezaten in het gevecht mede te voeren.--Ten slotte verschafte een overvloed van levensmiddelen van allerlei aard den krijgslieden gelegenheid zich voor de doorgestane ontberingen eens terdege schadeloos te stellen.
Zoo eindigde de slag bij de Piramiden. Caïro met zijn driehonderd duizend inwoners lag voor Bonaparte open.
Nauwelijks hier gezeteld begon deze ook weder de staatkundige gedragslijn te volgen, welke hem te Alexandrië reeds zooveel succes had bezorgd en waardoor de bevolking zich aan hem begon te hechten. Hij bracht een bezoek aan de voornaamste sheiks, wist door zijn vleiende taal bij hen de hoop op herstel van het gezag der Arabieren in de plaats van dat des sultans te doen herleven, beloofde hun gebruiken en hun godsdienst te eerbiedigen en slaagde er ten slotte in door de sheiks der hoofdmoskee een verklaring te doen afgeven ten gunste der Franschen.
Toen was het pleit gewonnen. Een divan of gemeenteraad, samengesteld uit de voornaamste sheiks en ingezetenen, zou hem inlichten betreffende al de onderdeelen van het bestuur. De kadi's zouden het recht blijven bedeelen. Hij zelf nam van tijd tot tijd de oostersche kleederdracht aan, woonde in de groote moskee zelfs enkele mahomedaansche godsdienstfeesten vol eerbied bij, en deed hierdoor bij enkelen de meening geboren worden, dat hij tot den Islam wilde overgaan, een daad, die hem bij zijn overheerschend fatalistische denkbeelden waarschijnlijk niet eens moeilijk zou zijn gevallen, als hij zijn staatkunde hiermede had kunnen dienen.
Zijn soldaten vergat hij hierbij niet. Hij deed ovens voor hen bouwen, gaf hun de voormalige woningen der mamelukken in gebruik en rustte zijn cavaleristen uit met hun prachtige paarden.
Wel beval hij hun ten strengste eerbied aan voor de vrouwen, maar overigens liet hij hen genieten van dit nieuwe, vreemdsoortige land met zijn overvloed van voedsel en zijn gezond, zuiver klimaat. Ook aan zijn geleerden dacht hij o. a. door de instelling van het zoo beroemd geworden Egyptische Instituut. Dit kreeg onder meer de opdracht een nauwkeurige beschrijving van het land samen te stellen en een kaart te maken, die afdaalde tot in de kleinste bijzonderheden; voorts moest het onderzoek doen naar de bouwvallen, om voor de geschiedenis nieuwe gezichtspunten en gegevens bijeen te brengen.
Zelf gaf hij de vraagstukken op, welke het Instituut moest uitwerken, zooals het bedenken der beste constructies voor water- en voor windmolens, het zoeken naar middelen om het Nijlwater te zuiveren en tot drinkwater geschikt te maken, het opsporen van terreinen, waar met kans van slagen hop kon verbouwd worden, en dergelijke meer.--"Mocht de fortuin ons ongunstig worden en ons dit heerlijke land weder ontnemen, dan moeten de overwinningen, hier door de wetenschap te behalen, ten minste van blijvenden aard wezen," was hierbij zijn grondgedachte.
Had de onderwerping van Beneden- en Midden-Egypte weinig moeite gekost, ook die van Opper-Egypte werd na het hardnekkige gevecht bij Salheyeh, waar Mourad-Bey nogmaals werd verslagen, een voldongen feit. Op het kwetsbaarste punt, n.l. aan de zee, de operatiebasis, had de fortuin de Fransche wapenen echter verlaten. Den 2en Augustus was de vloot, die vóór Aboukir ten anker lag, door Nelson aangegrepen en zoo goed als vernietigd. Admiraal Brueys was gedood; slechts een paar schepen waren aan de algemeene vernietiging ontkomen en naar Malta gevlucht.
Met stoïcynsche bedaardheid ontving Bonaparte dit bericht. Geen spier op zijn gelaat vertrok; strak en bleek bleef het als marmer.--"Welaan, dan moeten wij hier ons einde afwachten of van hier terugkeeren, zoo groot als de mannen der oudheid," zeide hij toen.--"Hierdoor zullen wij verplicht zijn nog grooter daden te verrichten dan in ons voornemen lag," schreef hij aan den edelen Kléber; deze gaf hem in denzelfden geest antwoord.
De slag was zwaar, doch de moed van die twee groote mannen schraagde het leger en herstelde zijn zedelijke kracht. Zonder hulp van de zeezijde, zonder gemeenschap met Frankrijk, zou het van nu af alleen op zich zelf moeten rekenen en--op zijn generaal.--Aanvulling had het dringend noodig. Welnu, een buitengewoon besluit schonk de mamelukken en de Arabieren het recht onder de Fransche vanen te dienen. De ledige plaatsen werden dus weder bezet; de inboorlingen begonnen zich te schikken naar hun Fransche krijgsmakkers. Zelf voegde Bonaparte zich een escadron mamelukken toe als lijfwacht.--Ingedeeld bij de later gevormde Escadrons van Dienst is dit korps hem tot Waterloo trouw gebleven. Toen is het uiteengesprongen; de ruiters zijn verstrooid. De weinigen, die het leven eraf hadden gebracht, en trachtten over Marseille Egypte weder te bereiken, zijn onderweg door de verwoede bevolking vermoord.
Thans toog Bonaparte aan den arbeid om, eenmaal tot blijven gedwongen, aan de nieuw te stichten volkplanting kracht en leven te schenken. De beginselen der vrijheid en der Europeesche rechtsbegrippen moesten hiertoe aan de bevolking worden ingeprent; dus deed hij de zeer onvoldoende verzekerde eigendommen der fellahs inschrijven als hun persoonlijk bezit, vestigde te Caïro, te Alexandrië en te Damiëtte een rechtbank van koophandel, moedigde den bouw aan van fabrieken, molens en werkplaatsen en wees de gemeenteraden op de weldaden van een goed, gestreng toezicht op de oorzaken van ongezonde toestanden.
Ook naar buiten was hij voortdurend werkzaam ter bevestiging van zijn gezag. Zoo sloot hij een verbond met den bey van Tripoli, met den cherif van Mekka, den pacha van Damascus en dien van Aleppo. Zelfs belastte hij een paar gezanten met brieven voor Tippoo-Sahib, den sultan van Mysore, om hem in zijn verzet tegen de Engelschen te schragen.
Toch waren die buitengewone krachtsontwikkeling en die reusachtige werkzaamheid niet bij machte in den loop der dingen verandering te brengen. Wel had de zeeslag bij Aboukir den lichtglans niet kunnen dooven, welke den tocht naar Egypte nog altijd omgaf, doch de hoop der vijanden van Frankrijk was er door verlevendigd. Talleyrand was niet naar Constantinopel gereisd, waarschijnlijk omdat er met het sluiten van verdragen enz. te Parijs meer te verdienen viel dan met onderhandelingen te Stamboul.
Engelands agenten hadden hier dus vrij spel bij den sultan en deze had de mamelukken niet ongaarne zien verslaan doch wilde Egypte daarom nog niet verliezen. De Fransche vloot vernietigd, dreigde er voor hem van deze zijde geen gevaar meer; een tocht van Bonaparte naar de Dardanellen was niet langer te duchten; het Engelsche goud met volle handen uitgestrooid deed het overige. De sultan verklaarde Frankrijk, zijn ouden bondgenoot, den oorlog.
Agenten van de Porte deden tevens allerwege in Egypte onder het volk een geduchte gisting ontstaan. Den 21en September brak te Caïro een oproer uit, dat aan 300 soldaten het leven kostte; en hoewel Bonaparte voor dezen moord bloedig wraak nam, en vliegende colonnes het land doorkruisten om elk begin van verzet te smoren, kon dit alles niet beletten, dat de rust slechts in schijn werd hersteld. Tegelijkertijd riep een firman des sultans alle geloovigen onder de wapenen. In Syrië werden krijgstoerustingen gemaakt; een expeditie van uit Turkije naar Egypte werd voorbereid; alles wees er in één woord op, dat Bonaparte met zijn leger van nog geen dertig duizend man, aan zijn lot overgelaten, zonder hulpbronnen, een zeer moeilijken tijd te gemoet ging.
Ook als echtgenoot had hij een slag ontvangen, die voor een zoo hartstochtelijk verliefd man als hij, niet zonder duldelooze zielepijn kon worden gedragen. Reeds op zee waren de zinspelingen van Jozef op het zedelijk gedrag van Joséphine in Italië hem weder voor den geest gekomen; achterdocht had zich van hem meester gemaakt; hij had navraag gedaan bij zijn vroegere intieme kameraden, die onbescheiden waren geweest en vooral Junot had den laatsten twijfel bij hem weggenomen. Joséphine had hem bedrogen. Toen hij haar huwde, had hij naar haar verleden niet gevraagd; dit ging hem niet aan, redeneerde hij, doch sinds zij door een eed aan hem was verbonden, behoorde zij hem, hem alleen met lichaam en ziel. Nu zij aan dezen eed ontrouw was geworden, wilde hij ook niet langer met haar verbonden blijven; hij zou zich van haar laten scheiden.