Napoleon

Chapter 11

Chapter 113,747 wordsPublic domain

Van haar eigen kinderen was alleen Eugène de adjudant tegenwoordig; Hortense, die haar stiefvader volstrekt niet genegen was en hem zelfs vreesde, was op kostschool bij madame Campan. Terwijl de Corsicanen en hun aanhang om Napoleon heengonsden als wespen om een vat suiker en vroegen, vleiden en kropen om een vetten brok, vroeg Joséphine voor háár bloedverwanten niets; zij was gelukkig. Wel echter waren haar de oogen opengegaan, bij het zien van den eerbied en het diepe ontzag, waarmede tal van hooge personages haar man naderden, voor den reusachtigen prijs door haar getrokken, toen zij dien doodsbleeken, kleinen generaal, die niets mede bracht dan "mantel en degen" tot haar echtgenoot nam. Zij kende hem nog niet; nimmer zelfs zou zij hem leeren kennen; wat hij worden, hoever hij 't brengen zou in de wereld, wist zij niet, maar dat hij bestemd was tot iets groots, begreep zij uit al wat ze om zich heen zag gebeuren, uit dien stoet van hooggeplaatste personen, die dagelijks zijn gunst kwamen vragen, dien drom van generaals, die reeks van koeriers, renboden en adjudanten, die bij dag en bij nacht aankwamen en met nieuwe bevelen weder vertrokken.

Niet zonder reden is Bonaparte's omgeving het hof van Mombello genoemd, want daar werden in de zomerdagen van 1797 groote staatsbelangen behandeld. Daar werd beslist over het lot van Sardinië, van Genua, Venetië en Zwitserland, daar werd met Oostenrijk verder onderhandeld; daar werd de grondslag gelegd voor een nieuwe republiek, die de Cis-alpijnsche zou heeten en bestaan uit een samenvoeging van Lombardije, Modena, een deel der Legatiën, Brescia en Mantua. Deze nieuwe staat moest voorzien worden van een bestuur, een administratie, een rechtspleging, een financie-wezen, kortom van tal van inrichtingen, zonder welke een goed geordend beheer niet denkbaar is; en de bewijzen van helder en scherp doorzicht, welke Bonaparte bij dit alles gaf, deden zijn omgeving en de vreemde diplomaten verbazen. Bezwaren kende hij niet; verouderde begrippen vonden bij hem geen genade; alle tegenkanting bezweek voor de macht van zijn wil.

Wel werd zijn eigenmachtig optreden tegenover Venetië en Genua door de club van Clichy gestreng afgekeurd en riep de royalist-afgevaardigde Dumoland den 23en Juni in den Raad van Vijfhonderd, zonder dat hij zijn naam ook maar een enkelen keer uitsprak, Bonaparte in scherpe taal ter verantwoording over het gebeurde met Venetië en Genua, maar schijnbaar nam de veldheer hiervan geen notitie. Door Lavallette, dien hij naar Parijs had gezonden, werd hij op de hoogte gehouden van 't geen daar onder de royalisten broeide; door een gevangen genomen agent van den prins van Condé werd hij ingelicht omtrent Pichegru's verraad en het komplot, tegen het Directoire gesmeed. Overtuigd van den republikeinschen geest, die, veel krachtiger dan bij Moreau's troepen in Duitschland, heerschte onder het leger van Italië, instinctmatig begrijpende, dat zijn eigen toekomst lag in het voortbestaan der Republiek en dat hij na 13 Vendémiaire van het herstel van het koningschap niets had te verwachten, volgde hij te Milaan den verderen loop der gebeurtenissen, doch bracht het Directoire op de hoogte van hetgeen hij omtrent het komplot te weten was gekomen.

Den 14en Juli daarop, den verjaardag van den val der Bastille, deed hij een stouten zet; hij deelde zijn soldaten mede, wat er te Parijs broeide, wekte hun haat tegen de royalisten en kuiperijen der pamfletschrijvers en hun liefde voor de republikeinsche beginselen op in een proclamatie, deed adressen van trouw aan de grondwet van het jaar III door hen teekenen en zond Augereau hiermede naar het Directoire.

Dewijl het leger aan de verkiezingen, die weder op handen waren, geen deel nam, zaten de directeuren, die het onderling reeds lang oneens waren en elkander, doch vooral den cynieken weerhaan Barras volstrekt niet vertrouwden, met dien stapel adressen vrijwel verlegen; doch tevens vonden zij hierin het bewijs, dat Bonaparte hen steunde in de kracht om zoo noodig te handelen. Augereau, "dat prachtstuk van een bandiet," zooals een hunner hem betitelde, werd benoemd tot commandant van Parijs, troepen onder Hoche werden onder een valsch voorgeven tot op twee dagmarschen van hier bijeengetrokken en den 18en Fructidor (4 September) ging de meerderheid van het Directoire over tot een staatsgreep. Verdacht van medeplichtigheid aan 't komplot werden Carnot en Barthélemy verbannen. Pichegru, vijftig leden van de beide lichamen en tal van journalisten en letterkundigen, die met hun heftig geschrijf tot verzet hadden opgehitst, veroordeeld tot deportatie naar Cayenne, twee en veertig dagbladen verboden en de gehouden verkiezingen in 48 departementen ongeldig verklaard en onder meer de aanvankelijk in onbruik geraakte gestrenge wetten tegen den adel en de geestelijkheid weder in volle werking gebracht, de nationale garde als onbetrouwbaar ontbonden, François en Merlin gekozen als nieuwe leden van het Directoire. [13]

Bloed werd niet vergoten; het volk was de valbijl moede, maar de "droge" guillotine, zooals Cayenne werd genoemd, verrichtte beulenwerk, al vorderde de executie meer tijd. Van de bannelingen hebben slechts enkelen zooals Pichegru Europa wedergezien.

Toen Augereau naar Parijs gezonden was, had Bonaparte weinig meer van zich laten hooren; de eerlijke oprechte Lavalette had hem doen inzien, dat hij zijn roem zou doen tanen, als hij maatregelen van geweld steunde, die door de positie van het gouvernement niet gewettigd werden, terwijl het bewijs ontbrak, dat de te verbannen partij een terugkeer wenschte der Bourbons. Aan 't geen daar geschiedde, bleef hij wel zijn volle aandacht schenken. Zijn vraag aan Milo de Melito "of deze dacht, dat hij alleen ter wille van de grootheid van die advocaten uit het Directoire, van een Carnot en een Barras, in Italië zoo vaak had gezegevierd" was welsprekend genoeg. Inmiddels had hij den paus onderhands zijn medewerking verzocht bij een poging tot verzoening tusschen de geestelijkheid en het Fransche gouvernement. "Dit laatste zou hierdoor versterkt, de meerderheid der natie tot het ware geloof teruggevoerd worden," betoogde hij (Augustus.) Voorts had hij het Directoire met nadruk gewezen op het vermolmde Turkije en op het groote belang van het bezit van Corfu, Zante, Cerigo en Céphalonia verbonden. "Ons die vier eilanden, dan kan Oostenrijk desverkiezende Italië terug krijgen," schreef hij in diezelfde maand. "Daar eenmaal goed gevestigd, schrijven wij den Grooten Heer zoo noodig de wet voor en pakken over dat rijk heen Engeland aan. Binnenkort zullen wij wel gevoelen, dat, willen we Engeland inderdaad vernietigen, het bezit van Egypte hiertoe voor ons een eerste voorwaarde is."

Zoover reikten de gedachten van den zeven en twintigjarigen veldheer toen dus reeds. Na Lodi had hij begrepen, dat hij geroepen was om in Frankrijk, waar een hoop "wauwelaars" en middelmatigheden den boventoon voerden, een groote rol te spelen; dat overleg, sluwheid en geduld hiertoe factoren waren en gemoedsbezwaren moesten worden op zijde gezet. Was Hoche, de hoop der republikeinen, de jeugdige generaal, die de Vendée bedwongen, de Oostenrijkers bij herhaling geslagen, een expeditie naar Ierland gecommandeerd had en na Moreau's ontslag [14] met het commando over het vereenigde Maas- en Rijnleger was belast geworden, niet half September, waarschijnlijk door vergif, in zijn kamp te Wetzlar overleden, dan zou hij in dezen eerlijken, oprechten lieveling der natie, stellig een geduchte tegenpartij hebben getroffen. Thans vond hij in dien geheimzinnigen dood een reden te meer tot achterdocht tegenover al wat royalist of Engelsch heette. In de laatste dagen van Augustus had hij zijn hoofdkwartier verplaatst naar Passeriano in Frioul om beter het oog te hebben op de krijgstoerustingen, welke hij, ondanks den wapenstilstand, deed voortzetten, want Oostenrijk, bekend met de plannen der royalisten te Parijs, maakte met de vredesonderhandelingen bijna geen voortgang. Zegevierde die partij, dan zouden zeker nòg gunstiger voorwaarden te bedingen zijn geweest dan nu waren aangeboden.

In zijn eigen kring gaf hij onomwonden zijn afkeuring te kennen over de daad van 18 Fructidor, alleen de nieuwbenoemde leden wenschte hij geluk, dit lichaam zelf niet, wel schreef hij aan Talleyrand, dat zoodra de door Engelsch goud gesteunde dagbladpers, die de natie bedierf, tot zwijgen gebracht, het Wetgevende Lichaam gezuiverd en de partij der Bourbons uit alle staatsbetrekkingen gezet was, de Republiek kon vrede sluiten wanneer en zooals zij verkoos. Aan het leger gaf hij de proclamatie van het Directoire te lezen (22 September) betoonde zich in zijn eigen dagorder en in een schrijven aan Augereau, wiens bezadigd gedrag op 4 September hij goedkeurde, weder een volbloed Jacobijn, deed flink uitkomen, dat zijn taal niet in overeenstemming was met zijn gemoed en wekte door zijn geheele houding de achterdocht en de ontevredenheid van het Directoire op.

Dit strafte hem met het terugroepen van Clarke, die met hart en ziel aan hem was gehecht; zijn antwoord was een hernieuwd verzoek om ontslag. "Het gouvernement was bar ondankbaar. Hij was ziek naar lichaam en geest; had naar plicht en geweten voor het vaderland gedaan wat hij kon. De rust was in het binnenland teruggekeerd, hij kon thans best worden gemist." (25 September.)

't Was een meesterlijke zet; dat hij niet "gemist worden kon," wist hij even goed als het Directoire zelf. Dit boog deemoedig het hoofd, smeekte hem te blijven, zinspeelde op den achterdocht en de walging, welke Hoche's plotselinge dood zeker bij hem had opgewekt, schonk hem op al zijn verdere klachten voldoening maar--hoopte in stilte op een voortzetting van den oorlog, want den man, die zijn wil zoo krachtig wist door te zetten, zag het Directoire vooreerst liever niet naar Parijs terugkeeren.

Bonaparte had zijn verdere gedragslijn reeds vastgesteld. Augereau, die te Parijs was komen vertellen, dat al de overwinningen in Italië hoofdzakelijk waren behaald door hèm, was benoemd tot commandant van het Rijnleger en met dezen snoever verkoos hij zijn roem niet te deelen; Bernadotte had hem geschreven, dat Parijs hunkerde naar vrede, terwijl hem de portefeuille van Oorlog was beloofd en Bernadotte was geen vriend van hem. Toen hij de bergen in Frioul den 13en October met sneeuw zag overdekt, gaf hij zijn secretaris, de Bourrienne, dus kortaf te kennen, dat hij de advocaten te Parijs liet praten en vrede sloot. Venetië zou het gelag betalen, doch gaf zijn korpsen tevens het bevel de hun reeds vroeger aangewezen punten in te nemen, alsof hij voornemens was den oorlog met kracht voort te zetten. Von Cobentzl, de Oostenrijksche diplomaat, aangewezen om met hem te onderhandelen, een sluw heerschap, meende, dat dit alles slechts een schijnbeweging was, bleef onverzettelijk Venetië eischen tot aan de Adda en maakte hem hierdoor zoo toornig, dat hij een aan dezen toebehoorend stuk porcelein greep en aan scherven wierp.--"Zoo zal ik binnen een maand een monarchie hebben vernietigd! De oorlog wordt voortgezet," riep hij en liep de deur uit om hiertoe bevelen te geven.

Toen kroop Cobentzl, die niets meer duchtte dan een nieuwen krijg, in zijn schulp; den volgenden dag (17 October) werd te Campo Formio, een dorpje tusschen de legers in, vrede gesloten--juist bijtijds, want geen halven dag later kwam te Passeriano een koerier uit Parijs met het uitdrukkelijk verbod de lijn van de Etsch aan Oostenrijk af te staan. "Bonaparte zelf zou eerstdaags van de onderhandelingen worden ontheven."

Waarschijnlijk had hij dezen zet verwacht en daarom zooveel spoed gemaakt.

Het Directoire was verwoed, maar durfde aan het tractaat, dat Berthier overbracht, zijn goedkeuring toch niet te onthouden, nu de gansche natie juichte van blijdschap en Bonaparte's lof luide verkondigde. Oostenrijk stond België af aan Frankrijk, Lombardije aan de Cisalpijnsche Republiek en ontving Istrië, Dalmatië en Venetië met al het grondgebied tot aan de Etsch. Corfu en de Ionische eilanden bleven in Fransche handen. Bij geheim tractaat verbond de keizer zich Frankrijks eisch te ondersteunen. Te Rastadt zou op een congres over den vrede met Duitschland worden beraadslaagd.

Die afstand van Venetië aan Oostenrijk is Bonaparte vaak tot een bitter verwijt gemaakt, en zijn behandeling van deze oude republiek is wel met de Poolsche deelingen vergeleken. De belangen van Frankrijk echter en van hem zelf wogen bij hem zwaarder dan die van een volk, "zoo laf, en zoo bijgeloovig als de Italianen." "Slechts vijftienhonderd van de straat opgeraapte schelmen, die plunderden en stalen, waar zij konden, geen enkelen Italiaan, heb ik onder de wapenen kunnen krijgen," schreef hij aan den minister van Buitenlandsche zaken, Talleyrand. "Een oorlog met Engeland om aan deze natie de vrijheid te brengen zou wèl zoo schoon en grootsch wezen, dan de voortzetting van den krijg ter wille van een volk, dat niets voor de vrijheid gevoelt."

HOOFDSTUK VII.

Naar Egypte.

Tegenover Bonaparte's invloed had het Directoire het dus nogmaals afgelegd; het schreef toen een brief vol lof en dank, betitelde hem met "generaal-burger," onthief hem van zijn commando in Italië, benoemde hem tot opperbevelhebber over een nieuw te vormen krijgsmacht, het Leger tegen Engeland, verzocht hem met de afwikkeling zijner zaken in Italië spoed te maken en zich daarna als gevolmachtigde der Republiek te begeven naar het congres te Rastadt. Hier zouden de vredestractaten dan tevens worden uitgewisseld.

De kunst van tusschen de regels door te lezen kende Bonaparte reeds lang. Al die lof was bombast; het Directoire was bang voor hem en voor zijn reusachtige populariteit, wilde hem liefst zoo lang mogelijk van Parijs verwijderd houden en dacht mogelijk tevens, dat op een congres, waar zoo groote en zoo veel belangen in behandeling zouden komen, allicht iets kon voorvallen, waardoor zijn komst te Parijs voorloopig totaal onmogelijk werd gemaakt. Hij antwoordde dus, dat er aan de organisatie der Cisalpijnsche republiek en aan het beheer van Italië en van het leger nog zooveel was te doen, dat hij niet voor midden November naar Rastadt kon vertrekken, dat hij den brigade-generaal Murat dus had vooruitgezonden en tegen het einde dier maand zijn bestemming hoopte te hebben bereikt; dat de vijf door Venetië afgestane schepen ook nog zeilklaar moesten worden gemaakt, en dat hij een zijner ambtenaren naar Malta had gezonden om met het oog op zijn verdere plannen hier poolshoogte te nemen.

In echte, nobele soldatentaal nam hij daarop afscheid van zijn helden, noemde hen de steunpilaren van de vrijheid en van Frankrijks glorie en vertrok 17 November naar Rastadt. Die reis geleek een zegetocht, te Lausanne wachtte hem een deputatie uit het kanton Wallis, dat slechts een aanleiding zocht om het juk van Berns tiranniek beheer af te schudden en allerwege verrieden vlaggentooi, bloemen en luid gejuich de sympathie, die de bevolking voor hem koesterde.

Slechts zes dagen bleef hij te Rastadt, schonk de heeren Treilhard en Bonnier, zijn mede-afgevaardigden, die te midden van dien drom vreemde diplomaten en kleine Duitsche vorsten tot nog toe een pover figuur hadden gemaakt, terstond de plaats, welke hun als vertegenwoordigers eener groote natie toekwam, weigerde den Zweedschen gezant von Fersen te ontvangen, omdat deze voorheen tot de Bourbons in te nauwe betrekking had gestaan, ruimde zonder veel omslag of gepraat [15] alle bezwaren op, welke bij de regeling der overgave van Venetië en van Maintz nog werden gemaakt en was den 7en December terug in zijn klein hotel van de rue Chantereine, weldra door den gemeenteraad herdoopt in rue de la Victoire.

Joséphine had hem niet vergezeld en dus niet gedeeld in de hem op zijn doorreis in Frankrijk overal gebrachte hulde. Volgens haar brieven verlangde zij wel hartelijk naar haar dochter en vond zij het in Italië doodelijk vervelend. Toch kwam zij eerst in 't begin van Januari 1798 thuis. Een uitstapje naar Rome had tijd gevorderd; te Turijn had zij gedineerd bij den Franschen gezant en hier groote bezorgdheid aan den dag gelegd voor een zware cassette vol cameeën, medailles en andere kostbaarheden, daarna was zij met bar weer over den Mont-Cenis naar Lyon gereisd en was hier met pracht en praal ontvangen. Al dien tijd had haar man zich te Parijs niet meer in 't openbaar vertoond dan noodig was. Drie dagen na zijn terugkeer was hij door het Directoire op het groote plein voor het Luxemburg in tegenwoordigheid van tienduizenden juichende toeschouwers gehuldigd; Talleyrand en Barras hadden de loftrompet over hem gestoken, zijn eenvoud, bescheidenheid, groote burgerdeugden en lust voor de studie als om strijd geprezen. Als een orkaan had de juichkreet "Leve de Republiek! Leve Bonaparte" te Parijs weerklonken bij het zien van dien doodeenvoudig gekleeden generaal met zijn bleekgeel zuidelijk gelaat en zonderling lichtende oogen, van dien half beschroomden man met zijn vreemd klinkenden naam, die plotseling van den achtergrond naar voren getreden na een reeks van glansrijke overwinningen, thans den vrede was komen brengen. Vrede na een jarenlangen bloedigen kamp op leven en dood met het buitenland. Beter nog dan de stedeling begreep de plattelandsbewoner, wat dat woord beteekende. Van dien dag af was Bonaparte voor dezen geworden l'Homme, de incarnatie van rustige kracht, die welvaart zou brengen en voorspoed, en het ongestoorde bezit van het eenmaal rechtmatig verkregen eigendom; jarenlang is hij dit gebleven.

Door Carnots verbanning was er in het Instituut een zetel opengekomen. Deze werd hem thans aangeboden voor de afdeeling werktuigkunde en erkentelijk door hem aanvaard. Vaak vertoonde hij zich na dien in het daarbij behoorende costuum. Verder scheen hij zich bij voorkeur aan alle openbaar huldebetoon te onttrekken; slechts een enkele maal vertoonde hij zich in de comedie en dan nog in een loge grillée, was gansche dagen thuis en lag dan met passer en potlood in de hand uren achtereen gebogen over zijn reusachtige, op den grond uitgespreide kaarten van Engeland en Egypte.

Na Joséphine's terugkomst, op een luisterrijke partij, door Talleyrand ter harer eer gegeven, gaf hij de daar aanwezige gasten, eenige honderden, weder gelegenheid hem wat meer van nabij te zien. "Mama, 't is een man!" riep een jonge dame, toen hij in burgerkleeding, met Joséphine, in Grieksch gewaad en gekapt met cameeën, naast zich, de zalen van het hotel Gallifet binnentrad. Hier ontmoette hij ook voor het eerst mevrouw de Stael-Holstein, de echtgenoote van den Zweedschen gezant, een dochter van Necker. Reeds herhaalde malen had zij hem schriftelijk haar sympathie betoond en hem zelfs te verstaan gegeven, dat een vrouw zoo talentvol als zij, beter naast hem had gevoegd dan die weinig ontwikkelde creoolsche; thans liet zij zich door Arnault aan hem voorstellen. Veel genoegen beleefde zij hiervan niet, want Bonaparte had een afkeer van intrigeerende dames en bas-bleus, was van meening, dat een echte vrouw thuis behoort en niet op de publieke tribune en was hard en bits tegenover haar, beantwoordde haar vraag "welke vrouw in zijn oogen de eerste was" met een koel: "Zij die de meeste kinderen heeft gehad" en keerde haar den rug toe.

Dat was de eerste schermutseling geweest tusschen de rijkbegaafde dame uit de groote wereld, die uit haar salon wel over Frankrijk had willen heerschen en van de rol eener Madame de Maintenon wellicht niet afkeerig zou zijn geweest, en een man uit het volk, die in de politiek geen vrouwelijken invloed duldde, die dit beginsel heeft volgehouden tot het einde toe en die later, toen hij haar intrigeeren met de royalisten moede werd, haar onverbiddelijk uit Parijs verbande.

Evenals mevrouw de Rémusat, heeft deze dame, die zelve bals en partijen gaf en haar man half armoede liet lijden, door haar geschrijf heel wat toegebracht om Napoleon in een slecht daglicht te stellen [16] en hem in de publieke opinie te schaden. Hoe hij over die "helleveeg" dacht, blijkt o. a. duidelijk uit den brief van 1807 uit Osterode aan Cambacérès.--"Die vrouw zet haar vak van intrigante voort en is ondanks mijn bevelen Parijs weder genaderd. Dat is een ware pest. Spreek er over met den minister van Politie, want ze zal nog maken, dat ik haar door de gendarmerie laat oppakken."

Telkens vervolgde zij hem met haar brieven,--somtijds zelfs van zes zijdjes,--hij vond die vol pretensies maar zinledig en hol en verkoos haar niet te Parijs toe te laten, waar zij het centrum vormde van allerlei intriges en waar de Conventie reeds last van haar had gehad.

Dat hij, te Parijs teruggekeerd, zoo stil en afgezonderd leefde, slechts enkele generaals, als Kléber en Desaix en eenige geleerden, letterkundigen, enz. als Legouvé, Monge, David, Mehul en Bernardin de Saint-Pierre ontving en zich bij niet één politieke partij aansloot, wekte niet minder verbazing dan dat hij zich uitsluitend met zijn vrouw scheen te bemoeien; dit laatste werd in de kringen van het Directoire zelfs bijna onbehoorlijk gevonden. "Zeer verliefd en zeer jaloersch" heette hij al spoedig.

Joséphine vond deze stille afgezonderde levenswijze alles behalve aangenaam, maar schikte zich in de omstandigheden, richtte zich met al het uit Italië medegebrachte moois zeer kostbaar in, hield in stilte de relatie aan met al de "schuine" vriendinnen en de vrienden van voorheen, doch bracht ze zoo weinig mogelijk in aanraking met haar man, want deze had de gewoonte die beursmannen, woekeraars, legerleveranciers, gescheiden vrouwen en andere dames van verdachte zeden aan te kijken op een wijze, die op een alleronpleizierigste manier zijn grenzenlooze verachting voor hen verried. Zoo lang hij te Parijs vertoefde, vertoonde dat volkje zich dus niet, doch nauwelijks was hij voor een dag of wat op reis of de bende kwam weder opzetten.

Zelfs met Barras werden de banden van voorheen weder vaster gesnoerd en zeker geeft een briefje uit die dagen aan Bottot, Barras secretaris gericht, veel te denken. "Bonaparte is van nacht thuisgekomen. [17] Betuig Barras derhalve mijn leedwezen, dat ik niet bij hem kan dineeren. Verzoek hem mij niet te vergeten. Beter dan iemand anders kent gij mijn positie. Adieu, oprechte vriendschap.

La Pagerie-Bonaparte."

Dan onderhandelde zij over den aankoop van een landgoed ter waarde van drie- of viermaal honderd duizend francs, waar zij met equipage en bedienden haar kennissen zou kunnen ontvangen, wel een aanwijzing, dat Bonaparte al was hij niet rijk, uit Italië meer geld had medegebracht, dan de drie honderd duizend francs, die hij later noemde op St. Helena, want van zijn traktement van veertig duizend francs 's jaars als legercommandant kon dit alles niet worden bekostigd.

Ook te Parijs, al leefde hij nog zoo afgezonderd, gunden de zaken hem geen oogenblik rust. Telkens riep het Directoire zijn hulp in, vroeg hem om raad of gaf hem opdrachten, o. a. toen in de laatste dagen van December '97 te Rome voor de Fransche ambassade een opstootje had plaats gegrepen, waarbij o. a. de generaal Duphot was gedood, en waardoor Jozef zich genoopt had gezien zijn standplaats onmiddellijk te verlaten en terug te keeren naar Parijs. In dit voorval waartoe het in stilte misschien wel de hand had geleend,--het overlaadde Jozef immers met tevredenheidsbetuigingen--zag het Directoire thans een welkome aanleiding om zijn reeds lang beraamde plannen ten opzichte van Rome ten uitvoer te leggen, te breken met den paus, diens staten te bezetten en deze half Februari d. a. v. te verklaren tot de Romeinsche republiek.