Chapter 10
Voor den aanval met zijn leger van circa 45.000 man had Alvinzi een nieuw plan bedacht. Terwijl de generaal Provera, Legnano en Verona van uit het oosten door een afzonderlijk detachement aangreep, wilde hij zelf met de rest (28.000 man), in zes colonnes verdeeld, de stelling van Rivoli omvatten en het Fransche leger vernietigen. Het ontzet van Mantua moest dan van zelf volgen.
De even schrandere als vastberaden generaal Joubert, die de stelling van la Corona tot nog toe had bezet gehouden, doorzag dit plan, week terug naar Rivoli en had reeds bevelen gegeven om voor den steeds wassenden stroom van vijanden zelfs dit hechte punt te ontruimen (13 Januari), toen hij tegenbevel ontving. Door rapporten en verkenningen was Napoleon tot de slotsom gekomen, dat zijn tegenpartij zoomin bij Verona als bij Legnano de overmacht had. Toen hij in den nacht van den 14en staande op 't plateau van Rivoli, den reusachtigen boog van vijandelijke wachtvuren zag, die zijn eigen leger half omspande, begreep hij, dat hier de hoofdaanval zou geschieden. Alvinzi wilde hem blijkbaar omvatten.
Doch hij zou hem voor zijn; hij zou Alvinzi's centrum doorbreken en dan afrekenen met de vleugels, die in het zware bergterrein te ver vaneen waren om elkander te kunnen steunen. Voor zijn eigen flanken koesterde hij geen vrees, want Massena was reeds naar Jouberts linkervleugel op weg, Reij eveneens; al wat in de nevenstellingen gemist kon worden, was reeds opgeroepen naar het rotsplateau, waar de beslissing zou vallen.
Nog is de dag niet aangebroken, als Joubert de voortroepen van het Oostenrijksch centrum aangrijpt en terugwerpt; maar dan naderen de diepe colonnes der hoofdmacht; van de terrasvormige hoogten komen de Croaten in dichte drommen naar beneden; weldra wordt het gevecht algemeen. Tegen het middaguur beginnen de kansen voor de Franschen zelfs hachelijk te staan. Jouberts linkervleugel wordt dan een korte poos bedreigd met omvatting, doch Massena's komst wendt dit gevaar af.
Op het kleine bergvlak, midden in het slaggewoel blijft Bonaparte volkomen kalm; zelfs als een deel zijner strijders door angst voor een omtrekking wordt aangegrepen, vertrekt geen spier op zijn doodsbleek, mager gelaat. "Die daar," wijzende op de omtrekkende colonne, "krijgen we straks," zegt hij. Dit woord vol fier zelfvertrouwen bezielt allen weder met nieuwen moed; en als de spits van Alvinzi's vijfde colonne, zijn reserve, het plateau begint te betreden, storten Lasalle's cavalerie en Jouberts infanterie zich ais een lawine op dezen nieuwen vijand, smakken hem terug, het steile, kronkelende bergpad af, zoodat menschen, paarden en vuurmonden in den afgrond tuimelen, en weldra verkondigt een daverend hoera, dat de zege is behaald.
Alvinzi's troepen gaan terug. Dan wordt ook met bovengenoemde omtrekkende colonne afgerekend, en deze zoo goed als geheel gevangen genomen. Hoewel de avond valt, wil Bonaparte de overwinning voltooien en 's vijands reserve totaal vernietigen, als hij bericht krijgt, dat Provera den 13en 's nachts de Etsch is gepasseerd en, door Augereau en Lannes scherp nagezet, naar Mantua is gerukt om deze vesting te ontzetten. Slaagt Provera hierin, komt Würmser met zijn leger dus vrij, dan zijn de gevolgen hiervan niet te overzien, want Alvinzi is wel geslagen, doch (zooals den volgenden dag reeds blijken zou) niet geheel; dan kan de toestand voor het Fransche leger aan de Etsch zeer bedenkelijk worden.
Bonaparte bedenkt zich niet lang. Joubert beveelt hij den bij Rivoli geslagen vijand te vervolgen; dan gaat hij na een korte rust zelf met de divisie Massena, waarbij zich te Villafranca Victor aansluit, op weg naar Mantua, den braven Serurier te hulp; dan toonen Massena's grenadiers nogmaals, wat zij door marcheeren verstaan. Den 13en zijn zij bij Verona in het vuur geweest, den nacht daarop naar het plateau van Rivoli gerukt, de kameraden te hulp; nu ijlen zij bijna zes en dertig uur aan één stuk voort. Honger dorst, vermoeienis, alles vergeten zij, één parool slechts kennen ze: Naar Mantua! want 't zal spannen voor Italië's bolwerk. Acht maanden is de vesting ingesloten; polenta en gezouten paardenvleesch vormen het dagelijksch menu der bezetting en nu Würmser weet, dat Provera hem de hand komt reiken, zal hij stellig het schier onmogelijke doen om vrij te komen.
Den 16en valt hij vol woede aan op Serurier, maar tornt op tegen diens sterke positie bij La Favorite; niet beter gaat het met Provera. Door Victors 57e halve brigade, sinds dien dag la Terrible genoemd, wordt hij zoo geducht gehavend, dat hij 6000 gevangenen moet achterlaten; het slot is, dat Würmser binnen de vesting wordt teruggedrongen. Hiermede is het pleit beslist. Würmser begint te onderhandelen en Bonaparte, vol eerbied voor zijn hoogen leeftijd [11] en zijn gehouden gedrag, schenkt voorwaarden, zoo gunstig, als hij bijna niet had durven verwachten, want hem wordt vrije aftocht verleend met zijn geheelen staf, twee honderd ruiters, zes vuurmonden en vijfhonderd personen naar zijn keuze. Door deze laatste bepaling kreeg Würmser de gelegenheid eenige Fransche émigrés te redden, die binnen de stad een toevluchtsoord hadden gezocht.
Nu Mantua gevallen was, kon men Italië als veroverd en dezen veldtocht als geëindigd beschouwen. In den tijd van tien maanden had Bonaparte met een leger, dat zelfs op zijn grootste sterkte nooit meer dan ruim vijftig duizend man had geteld, twaalf veldslagen en meer dan zestig gevechten geleverd en het hoofd geboden aan een macht, die de zijne meer dan viermaal in aantal overtrof. Frankrijk kon trotsch wezen op haar zonen, die de beginselen der vrijheid hadden gebracht in een land, waar de adel en de priesters eeuwen achtereen onbeperkt hadden geheerscht; het was thans meester van de Noordzee tot aan de Alpen, van de Pyreneën tot aan den Rijn. Hoche en Moreau bewaakten deze grensrivier, Bonaparte had Oostenrijk doen zwichten voor zijn ongeëvenaard veldheersgenie; thans was de vrede in 't verschiet. Eerst echter moest nog met den paus afgerekend worden. Gevolg gevende aan den raad van eenige zijner kardinaals, had deze het tractaat van Frankrijk geschonden, eerst in 't geheim, later openlijk de partij van Oostenrijk gekozen, zijn troepen zelfs gesteld onder bevel van een Oostenrijksch generaal en eindelijk, op de tijding, dat Bonaparte Rome naderde, den godsdienstoorlog doen prediken onder het landvolk. Groot was het gevaar, dat het Fransche leger door dezen laatsten maatregel dreigde, snel en doortastend optreden het eenige middel er tegen.
Reeds den 4en Februari stonden èn Lannes èn Victor met hun grenadiers aan de Senio tegenover een bende door priesters en monniken opgezweepte boeren. Kardinaal Bucca commandeerde die zelf en deed de Franschen weten, dat, als zij het waagden hen aan te vallen, hij op hen zou doen schieten. Wat werd hij om die bedreiging hartelijk uitgelachen! In die dagen maalden de soldaten der Republiek wat om den paus en de priesters. In den nacht doorwaadde de voorhoede onder Lannes de Senio, sneed den kardinaal zoodoende af van zijn terugtochtsweg naar Faenza, sloeg het pauselijk legertje uiteen, schoot de poorten open van het stadje en bestormde dit. Had Bonaparte niet vooraf iederen soldaat, die het waagde te plunderen, met den kogel bedreigd, dan zou er van het plaatsje en zijn fanatieke bevolking niet veel zijn overgebleven.
Nu deze laatste niet, zooals ze geducht had, over de kling gejaagd, doch met verschooning behandeld werd, veranderde haar houding in een ommezien en toen Bonaparte daarna aan een groot aantal krijgsgevangen officieren de verzekering gaf, dat hij niet was gekomen om schade te doen aan den katholieken godsdienst of om den Heiligen Stoel omver te werpen, doch alleen om aan Italië de vrijheid te brengen en een einde te maken aan de grove misbruiken der geestelijken, was hiervan het gevolg, dat verscheidene steden de poorten vrijwillig voor hem openden, dat Ancona, door Colli ontruimd en door Victor zonder slag of stoot bezet werd, dat Nôtre Dame de Lorette reeds den 10en overging en dat de hoogten van Tolentino in de onmiddellijke nabijheid van Rome, zes dagen later waren bereikt. Die Franschen marcheeren niet, ze vliegen, zeide een der romeinsche prelaten, vol angst voor 't geen er nu zou volgen. Ernstig werd te Rome de vraag overwogen, of 't voor den paus en het Heilige College geen zaak was ijlings te verhuizen naar Napels.
Tot dit uiterste liet Bonaparte het niet komen. Hoewel hij volkomen het recht had over het aan hem gepleegde verraad geduchte wraak te nemen, pleegde hij geen geweld. Het was hem voldoende, als de paus afstand deed van zijn wereldlijk gezag. Bij het verdrag van Tolentino werd dus beslist, dat Pius VI afzag van zijn rechten op Avignon en le comtat Venaissin in Frankrijk en de legatiën Bologna, Ferrara en de Romagna, terwijl hij Ancona met de citadel aan Frankrijk moest overdragen. Voorts moesten alle staatsgevangenen in vrijheid gesteld en dertig millioen francs betaald worden. Eindelijk vorderde Bonaparte, dat hulp verleend werd aan de duizenden Fransche geestelijken, die uit hun vaderland verbannen, aan diepe ellende ten prooi, in Italië een toevluchtsoord gezocht en de meeste deuren voor zich gesloten gevonden hadden.
Dat hij den paus zoo welwillend bejegende en dat zijn brieven aan dezen getuigden van eerbied en hoogachting, werd door zijn generaals en het gros zijner soldaten afgekeurd, doch hieraan stoorde hij zich niet. Zijn geloofsbegrippen en zijn persoonlijk gevoelen waren met de door hem gevolgde staatkunde in overeenstemming. De Republiek mocht een godsdienst van het Hoogste Wezen ingesteld, de roomsche geestelijken verbannen, de kerkelijke goederen verbeurd verklaard hebben en hij zelf een kind dier omwenteling wezen, in zijn hart was hij een geloovige zoon der kerk gebleven. Hiervoor stroomde te veel Italiaansch bloed door zijn aderen; een godloochenaar is hij nooit geweest. Dat: "N'est pas athée qui veut," in later jaren door hem uitgesproken, is hiervoor het afdoende bewijs. De kuiperijen en intriges der geestelijken waren hem echter een gruwel en het bezit van stoffelijke goederen achtte hij voor den paus en zijn prelaten bij hun geheel geestelijken arbeid volslagen overbodig.
In hooge mate politiek was zijn bezadigd optreden tegenover den kerkvorst, want reeds pakte een nieuw onweder zich in het noorden samen; nogmaals zou hij verplicht zijn tegenover Oostenrijk front te maken en dan kon een fanatieke, door geweld, roof en moord tot het uiterste gebrachte bevolking, die hij tijdelijk den rug moest toe keeren, een gevaar worden, geduchter nog dan het eerstgenoemde.
Geen Würmser, geen Alvinzi zou ditmaal zijn tegenpartij zijn; een prins van den bloede zelf, aartshertog Karel, een jong bezadigd krijgsoverste, die tegenover Moreau aan den Rijn, zijn sporen had verdiend.
Nog had deze zijn strijdkrachten op verre na niet bijeen, in de bergpassen van Frioul en Tyrol stonden ze verspreid; nog miste hij zes volslagen divisiën, die uit Duitschland zouden komen, toen Bonaparte, versterkt door circa 25000 man van het Rijnleger onder Bernadotte, in Maart zijn tweeden tocht begon naar de toppen der Alpen, den vermetelsten waarvan de krijgsgeschiedenis tot heden gewaagde. Eenmaal die onder sneeuw en ijs bedolven bergen door en de rivier de Drave gepasseerd, zou hij zich bevinden in het dal van den Donau en op Weenen kunnen aanrukken. Voor den afmarsch had hij pogingen aangewend om met Venetië een bondgenootschap te sluiten, doch slechts ontwijkende antwoorden ontvangen. Vastgeroest in eeuwenoude begrippen, valsch en trouweloos als altijd, wars van al wat nieuw of Fransch was, wachtte de republiek slechts op een nederlaag van Bonaparte om haar slag te kunnen slaan. Dat de fortuin dezen generaal onveranderlijk getrouw zou blijven, achtte ze niet denkbaar.
De feiten leerden haar anders. Den 12en Maart de Piave overgetrokken, sloeg Bonaparte den aartshertog vier dagen later bij de Tagliamento, vereenigde zich kort daarop met Joubert, bleef op alle punten in 't voordeel, bereikte den laatsten Maart Klagenfurt, stelde hier den aartshertog voor, onderhandelingen te openen, ontving door Engelschen invloed een onvoldoend antwoord, greep dus opnieuw aan en bracht de tegenpartij in de vier volgende dagen in de bergpassen van Neumarkt en Unzmarkt zulke zware verliezen toe, dat er te Weenen een paniek ontstond en dat aartshertog Karel, die van den aanvang af tot onderhandelen was bereid geweest, maar wiens handen door het kabinet te Weenen waren gebonden, thans ijlings om vrede verzocht. Bernadotte had Triëst en de rijke mijnen van Istrië inmiddels bezet.
Te Leoben werden onderhandelingen geopend, die den 18en April tot een voorloopig verdrag leidden; doch Massena had met de voorhoede de toppen van den Semmering in dien tusschentijd bereikt, hij stond nog maar twee dagmarschen van Weenen verwijderd en kon de torens dezer stad in de verte zien.
Ernstige overwegingen waren het, welke Bonaparte tot het doen van voorstellen aan den aartshertog hadden geleid. In Italië, te Bergamo, Brescia en Salo was oproer uitgebroken; Franschgezinde burgers waren vermoord; Fransche soldaten waren er nog wel niet gevallen,--zij hadden strenge bevelen zich niet met de door de geestelijken opgezweepte bevolking te bemoeien,--doch de toestand was niettemin bedenkelijk. Dan droeg Bonaparte kennis van de kuiperijen der koningsgezinden te Parijs tegen het Directoire; eindelijk achtte hij de grens van zijn strategisch kunnen mogelijk nu ook bereikt. Oostenrijk zou de Zuidelijke Nederlanden afstaan in ruil voor Venetië, Illyrië en Istrië, met uitzondering van de eilanden en zou dus meer ontvangen dan het ooit had durven hopen. Had Bonaparte geweten, dat Hoche aan het hoofd van het Sambre- en Maasleger in diezelfde dagen (half April) in Westfalen in drie veldslagen en vijf gevechten o. a. bij Neuwied, de overwinning behaald, en dat Desaix in 't Schwarzwald even groot succes verworven had, dan had hij waarschijnlijk van onderhandelen even weinig willen hooren als van de aanspraken, die de Oostenrijksche gezanten bij hem in den aanvang gemaakt hadden op den voorrang bij de zittingen. "Ik wil van voorrang niets weten," zeide hij. "Wil Oostenrijk de Fransche Republiek niet erkennen, dan is mij dit om 't even. Die Republiek staat in Europa als de zon boven den gezichtseinder. Wee de blinden, die haar niet kunnen zien of van haar glans geen partij weten te trekken. Zie ik,"--doelende op een stoel, die den zetel van den Duitschen keizer moest voorstellen;--"zie ik ergens een stoel, die hooger staat dan de andere, dan bekruipt mij terstond de lust daarop te gaan zitten."
Terwijl hij te Leoben nog onderhandelde, had men in Venetië het gerucht verspreid, dat hij door aartshertog Karel was geslagen en met zwaar verlies teruggeworpen. Dit was koren op den molen der monniken en reactionnairen; fel tegen alle nieuwerwetsche begrippen gekant, wisten deze het zoover te brengen, dat op den tweeden Paaschdag (17 April) te Verona, een der brandpunten van het fanatisme, een geweldig oproer uitbarstte, waarbij verscheidene ongewapende Fransche soldaten op straat werden vermoord, (de Veroneesche Paschen.) Bijna tegelijkertijd was een Fransche logger, die vluchtende voor een paar Oostenrijksche oorlogschepen, de haven van Lido was binnen gezeild, eerst door de landbatterijen beschoten en toen door een bende Slovenen afgeloopen. Dat de Groote Raad van Venetië in dit alles de hand had gehad, is niet bewezen, doch de feiten bleven dezelfde; op het platte land in Bonaparte's rug had men mogelijk een Italiaansch Vendée willen maken. De geestelijken dreven alles. De straf voor deze daden, welke inderdaad Bonaparte met het oog op zijn plannen niet onwelkom waren, liet zich niet lang wachten. Geen enkel voorstel tot een vergelijk verkoos Bonaparte aan te hooren. "Al wilden jelui het strand met goud bevloeren, neen, zeg ik. Zelfs de schatten van Peru wegen niet op tegen het bloed van maar één mijner soldaten."
Den 26en Mei trok een Fransch leger, door de bevolking met geestdrift begroet, Venetië binnen, bezette de forten en vaste punten en plantte de Fransche driekleur op het plein van San Marco. Het aristocratisch bestuur viel; het Gouden boek, inhoudende al de voorrechten van adel en geestelijkheid werd verbrand; een democratisch bewind trad op. De beroemde Leeuw van San-Marco, het zinnebeeld van Venetië's oppermacht, werd overal omvergeworpen; de vloot, opnieuw uitgerust, stevende naar Toulon. Vrijwel zonder bloed vergieten had deze omwenteling plaats gegrepen; over het lot der Republiek was intusschen te Leoben reeds beslist.
De Senaat van Genua, die een even verraderlijke rol had gespeeld als Venetië, onderging hetzelfde lot; de Ligurische republiek werd hier afgekondigd. Eindelijk had de reeks van overwinningen in Italië en in Duitschland door Frankrijk bevochten tengevolge, dat Pitt beangst werd en zelf aanbood onderhandelingen aan te knoopen; te Rijssel zou worden beraadslaagd.
Terwijl Hoche, Moreau en Bonaparte de eer en de onafhankelijkheid der Republiek glansrijk handhaafden tegenover het buitenland en gansch Europa vervulden met eerbied en ontzag, vormde de toestand in het binnenland hier tegenover een schril contrast. De landmandaten, die het vorige jaar de assignaten hadden vervangen, waren even sterk als deze, in waarde gedaald. Door de ambtenaren werd op de koersverschillen schandelijk gespeculeerd, zelfs werd het gansche Directoire van zulke praktijken beticht, hoewel alleen de steeds in overdaad levende Barras zich hieraan schuldig maakte. Inwendig zwak, levende te midden eener bevolking, die de herinnering aan de dagen van la Terreur in een zee van vermaken en zingenot scheen te willen verdrinken, hiertoe elk middel aangreep en liefst van niets anders wilde hooren dan van pret, gevoelde het Directoire zijn zetel onder zich wankelen. Op het platte land wemelde het van rooverbenden, in het zuiden moordden de Compagnons de Jésus, in het westen de Voetschroeiers op een afgrijselijke manier en het gouvernement was te zwak om dat gespuis uit te roeien. Van dezen jammerlijken toestand, die bijna met anarchie gelijk stond, hoopten de koningsgezinden te kunnen partij trekken en het Directoire omver te werpen. In den Raad van Vijfhonderd won hun partij voortdurend in kracht. Bij duizenden begonnen de émigrés en de priesters terug te keeren en de eigenaars van nationale goederen te verontrusten. Aaneengesloten tot één reusachtigen bond, de club van Clichy, in 't geheim gesteund door Pichegru, die voor zijn hulp vorstelijk zou worden beloond, stuurde die partij rechtstreeks aan op een tegenomwenteling. De graaf van Provence, oudste broer van wijlen Lodewijk XVI begon zelfs reeds van zich te doen hooren en achtte het oogenblik niet meer veraf, waarop hij als Lodewijk XVIII [12] den troon zijner vaderen zou bestijgen. Dit alles voorspelde weinig goeds voor de toekomst; de vreedzame burgers zagen die donker genoeg in.
Na het sluiten van de vredespreliminairen te Leoben was Bonaparte teruggekeerd naar Milaan, had het vorstelijk kasteel Mombello tot verblijf gekozen en hier behalve Joséphine en oom Fesch, Paulette aangetroffen. De zestienjarige ging nog gebukt onder een liefdeshistorie door haar met den ruim veertigjarigen Fréron te Marseille aangeknoopt, doch door broer Napolione afgebroken. Voor zijn mooi guitig zusje, dat zoo prettig ondeugend zijn kon, had deze een waardiger echtvriend op het oog dan dien leelijken ex-afgevaardigde der Conventie te Marseille met zijn bloedig verleden. Paulette schijnt zijn keuze ten slotte blijkbaar nog niet zoo slecht te hebben gevonden, want reeds half Juni schonk zij hart en hand aan den vier en twintigjarigen brigade-generaal Victor Leclerc, een even ridderlijk als bekwaam officier, die haar reeds drie jaar in stilte beminde, met haar broer bij Toulon had gediend en zijn snelle bevordering uitsluitend aan zijn verdiensten dankte.
Dienzelfden dag (14 Juni) deed Bonaparte ook het kerkelijk huwelijk inzegenen tusschen de twintigjarige Elisa en den kapitein Felix Bacciochi, een Corsicaan van afkomst maar familie van Pozzi de Borgo. Buiten zijn weten of goedvinden waren de jongelui reeds een week of zes te voren te Marseille burgerlijk in den echt verbonden en zoodra moeder Laetitia wist, dat haar zoon zich weder te Milaan bevond, had zij zich met de kleintjes ook derwaarts begeven. Mama begreep wel, dat Napoleon over dit vrijwel onberaden huwelijk van zijn oudste zuster met haar zooveel ouderen oliedommen commensaal volstrekt niet gesticht zou wezen, maar van hem moesten de bruidschat en een betere positie voor Felix komen. "Om alle praatjes vóór te zijn" was zij dus op reis gegaan over Genua, hier begroet door den adjudant Lavallette en den 1en Juni behouden te Milaan gearriveerd. Te Genua gistte het nog wel, maar Lavallette had zij hoog en trots te verstaan gegeven "dat zij niets had te duchten, want dat haar zoon, de generaal opperbevelhebber, de notabelen der stad als gijzelaars had medegevoerd."
"Napolione," dus geplaatst voor een voldongen feit, had hierin berust en Bacciochi, als majoor het bevel opgedragen over de citadel van Ajaccio, bovendien was de bruidschat in overleg met Louis en Jozef vastgesteld op 40.000 francs.
Jozef, in die dagen ook op Mombello en door het Directoire wegens zijn groote bekwaamheden (?) benoemd tot gezant bij den Paus, zou Caroline onder zijn hoede nemen en te Rome bij zich houden, terwijl de andere familieleden in Juli naar Corsica terugkeerden.
Ook Louis, nog altijd Napoleons liefste broer, vertoefde een korte poos in den familiekring; de levenslustige, onversaagde adjudant van voorheen was echter verdwenen. In 't begin van het jaar ziek geworden,--mogelijk had hij van zijn lichaam in elk opzicht te veel gevorderd--werd hij spoedig een zwaarmoedig, alleen over zijn ingebeelde of werkelijk bestaande kwalen mijmerende man, die weldra zijn heil zou zoeken bij allerlei wonderdokters en kwakzalvers en zich zelf en velen met hem tot een last worden.
Op Mombello met zijn prachtige tuinen en zijn heerlijk natuurschoon had de clan, uitgezonderd Lucien, die zich als intendant nog te Bastia bevond, wat nader kunnen kennis maken met Joséphine, die in stilte zoo gehate, zoo verfoeide, zoo benijde schoondochter en schoonzuster, die met onnavolgbare gratie en tact tegenover de generaals, diplomaten, gezanten en vorstelijke personen de rol van gastvrouw vervulde en hierdoor alleen reeds het hart van haar met werk overstelpten man volkomen zou hebben teruggewonnen, als de zinsbekoring, welke zij nog steeds op hem uitoefende, niet tevens had medegesproken. "Moeder Laetitia" had haar ijskouden toon tegenover haar echter geen seconde laten varen en was nog altoos vol minachting over de vrouw, wier echt met haar zoon tot heden kinderloos bleef. Joséphine had zich gedragen, alsof zij niet bemerkte, dat de clan haar op een afstand hield en daarmee haar man genoegen gedaan.