Chapter 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
Napoleon
Geschetst door
H. TH. Chappuis,
Gepensionneerd luitenant-kolonel, Ridder der Orde van de Eikenkroon, enz.
Tweede omgewerkte druk,
Door
H. TH. Chappuis
En
A. H. P. Blaauw,
Leeraar in de geschiedenis aan de Cadettenschool te Alkmaar.
Met 32 groote platen.
Alkmaar--Gebr. Kluitman.
1911.
Gebr. Kluitman's Boek- en Kunstdrukkerij, Alkmaar.
VOORBERICHT
van den tweeden omgewerkten druk.
In de meening, dat niet alleen in Frankrijk, maar ook in ons land een streven merkbaar was tot het verkrijgen van meerdere kennis van het Napoleontische tijdperk, stelde de Luitenant-Kolonel H. Th. Chappuis een schets van den "grooten Corsicaan" samen. Die verwachting werd niet teleurgesteld, want spoedig bleek, dat na eenige jaren een tweede druk zou noodig zijn. Reeds had de schrijver met de nieuwe bewerking een begin gemaakt, toen hij te midden van dien arbeid overleed.
Het verzoek van de Uitgevers het werk voort te zetten, werd door mij gaarne aanvaard, al ontveinsde ik mij de moeilijkheid niet een eenmaal begonnen arbeid te voltooien. Van de opmerkingen bij den eersten druk heb ik een dankbaar gebruik gemaakt.
Moge ook deze tweede druk, thans uitsluitend van groote platen naar de meest bekende schilderijen voorzien, een even gunstig onthaal vinden als de eerste uitgave.
Alkmaar, Februari 1911. A. H. P. Blaauw.
EENIGE GERAADPLEEGDE BRONNEN.
M. Thiers. Histoire de la Révolution Française.
M. Thiers. Histoire du Consulat et de l'Empire.
York von Wartenburg. Napoleon als Feldherr.
Désiré Lacroix. Histoire de Napoléon.
De Bourrienne. Mémoires sur Napoléon I.
De Ségur. Napoléon et la Grande Armée en Russie.
Le général Gourgaud. Examen critique de l'ouvrage de Mr. de Ségur. --Mémoires.
Le général de Marbot. Mémoires.
Le duc de Rovigo. Mémoires.
F. A. Mignet. Histoire de la Révolution Française.
A. Dayot. Napoléon raconté par l'image.
G. Bertin. La campagne de 1812, de 1813, de 1814.
Georges Barral. L'épopée de Waterloo.
W. A. E. Wüppermann. De vorming van het Nederl. Leger en de veldtocht van 1815, enz.
Le Mémorial de Saint-Hélène.
Madame de Rémusat. Mémoires.
Constant. Mémoires.
Le baron Larrey. Madame Mère.
Mémoires du prince de Talleyrand.
Langfrey, P. Histoire de Napoléon I.
Le Maréchal Marmont. Mémoires.
Chaptal. Mes souvenirs sur Napoléon.
A. Vandal. Napoléon et Alexandre I.
E. Guillon. Nos écrivains militaires.
Napoléon.--Oeuvres.
Lord Rosebery. Napoleon. The last phase.
Jomini. Précis politique et militaire, etc.
Jomini. Traité des grandes opérations militaires, etc.
Le baron Fain. Manuscrit de 1812, etc.
Le prince de Metternich. Mémoires.
Le vicomte lord Wolseley. Le déclin et la chute de Napoléon.
Lavisse et Rambaud. Histoire Générale. Deel VIII, IX en X.
Jean Jaurès. Geschiedenis Fransche Revolutie.
A. Levy. Napoléon intime.
A. Levy. Napoléon et la paix.
Oscar Klein Hattingen. Napoleon der Erste. 2 d.
Frédéric Masson. Napoléon inconnu.
Frédéric Masson. Napoléon et sa famille, Deel I-IX.
Frédéric Masson. L'Impératrice Maria Louise 1809-1815.
Frédéric Masson. Napoléon et les femmes.
Frédéric Masson. Napoléon chez lui etc.
Frédéric Masson. Napoléon et son fils.
Frédéric Masson. Autour de Sainte-Hélène.
Frédéric Masson. Jadis.
Frédéric Masson. Jadis et Aujourd'hui.
Frédéric Masson. Le Sacre et le Couronnement de Napoléon.
Henry Houssaye. 1814.
Henry Houssaye. 1815. La première Restauration. Le retour de l'ile d'Elbe. Les cents jours.
Henry Houssaye. 1815. Waterloo.
Henry Houssaye. 1815. La seconde Abdication. La Terreur blanche.
C. L. Schneider List. Herinneringen van den Luitenant-Generaal Frans Carel List.
G. Clément. Campagne de 1813.
A. Grouard. La critique de la Campagne de 1815.
B. R. F. van Vlijmen. Vers la Bérésina.
Paul Gruyer. Napoléon Roi de l'ile d'Elbe.
J. Silvestre. De Waterloo à Sainte-Hélène.
Viscount Wolseley. The Decline and Fall of Napoleon.
Henri Welschinger. Le Pape et L'empereur 1804-1815.
Alex L. Kielland. Ringsum Napoleon. 2 d.
Armand Bourgeois. Le général Bonaparte et la Presse de son époque.
Paul Frémeaux. Les derniers jours de l'Empereur.
INHOUD.
Hoofdstuk Bladz.
I. Afkomst.--Geboorte.--Jeugd 1 II. Een blik op de Fransche Omwenteling 18 III. Bij Toulon en te Parijs 46 IV. 13 Vendémiaire.--Joséphine 55 V. De veldtocht in Italië.--1796 62 VI. Bij Rivoli, op Mombello. De vrede 76 VII. Naar Egypte 92 VIII. Bonaparte wordt Eerste Consul 110 IX. Vredesvoorstellen.--Marengo 125 X. Vrede met Oostenrijk 139 XI. Engeland en de vrede van Amiens 152 XII. Consul voor het leven 167 XIII. Oorlog met Engeland. Een nieuwe samenzwering 177 XIV. De Keizerskroon 191 XV. Oorlog in Duitschland 204 XVI. Austerlitz.--Vrede van Presburg 219 XVII. Jena.--Berlijn.--Eylau 235 XVIII. Friedland.--Tilsit.--Fontainebleau 255 XIX. Het drama in Spanje 267 XX. Naar Weenen.--Essling.--Wagram 276 XXI. Echtscheiding.--Tweede huwelijk 295 XXII. De Veldtocht tegen Rusland 316 XXIII. Bij Borodino.--In Moskou 332 XXIV. De Berezina 349 XXV. Lutzen.--Bautzen.--Leipzig 360 XXVI. Parijs valt.--De Keizer abdiceert 379 XXVII. Op Elba.--In Frankrijk terug 399 XXVIII. Waterloo 412 XXIX. De Keizer verbannen 429 XXX. St. Helena 438
VOLGORDE DER ILLUSTRATIËN.
1. Napoleon. 2. Bonaparte op de Militaire school te Brienne. 3. De eed in de Kaatsbaan. 20 Juni 1789. 4. Vertrek der Vrijwilligers. 1792. 5. Bonaparte voor Toulon. 6. Strijd om de brug bij Arcola. November 1796. 7. Slag bij Rivoli. Januari 1797. 8. De onderhandelingen over den vrede te Campo Formio. 1797. 9. Bonaparte in den Raad van Vijfhonderd. 1799. 10. Bonaparte als Consul. 11. Tocht over den St. Bernhard. Mei 1800. 12. Fontainebleau. 13. Malmaison. 14. Eerste uitreiking van het Legioen van Eer. 15. Napoleon I. Keizer der Franschen. 16. De avond vóór den slag van Austerlitz. 2 December 1805. 17. Jena. 18. Slag bij Eylau. 19. De avond van Friedland. 20. Louise van Pruisen brengt een bezoek aan Napoleon. 21. Een vroolijke episode uit den oorlog in Spanje. 22. De slag bij Wagram. 23. Napoleon en Maria Louise, te Compiègne. 1810. 24. Napoleon en de Paus. 25. Napoleon en zijn zoon. 26. Moskou. 1812. 27. De overtocht van de Berezina. 28. Napoleon te Fontainebleau. 31 Maart 1814. 29. Afscheid van de Garde vóór het vertrek naar Elba. 30. De prins van Oranje bij Waterloo gewond. 31. Napoleon op de Bellerophon. 32. Napoleon op St. Helena.
HOOFDSTUK I.
Afkomst.--Geboorte.--Jeugd.
In de Middellandsche Zee, door de straat van Bonifacio van Sardinië gescheiden, bevindt zich een groot bergachtig eiland Corsica met slechts enkele kleine kustplaatsen als Ajaccio en Bastia. Het was bedekt met onafzienbare strooken bijna ondoordringbaar struikgewas, maquis geheeten en bewoond door eene bevolking van Italiaansche en Grieksche afkomst, die in hare zeden, gewoonten en begrippen nog heden ten dage weinig verschilt van hetgeen ze eeuwen geleden reeds was, waartoe de geïsoleerde ligging van het eiland in niet geringe mate heeft meegewerkt.
Nog sterker dan op Sardinië is men daar van meening, dat de belangen van de familie, van het geslacht, de clan, op maatschappelijk en financieel gebied moeten gaan voor die van ieder ander en de tijd heeft dat beginsel nog dieper doen wortel schieten. Daar heeft de vader nog de beschikking over het leven van zijn zonen; het oppergezag berust nog bij het hoofd van den stam, den vader, of na diens dood den oudsten zoon; ieder lid van een familie is hoofdelijk verantwoordelijk voor het welzijn en den voorspoed van al de anderen; elk begrip van recht, van algemeen belang is nog ondergeschikt aan dat van de belangen van den clan.
De volksklasse, grootendeels bestaande uit visschers en geitenhoeders, sluit zich aan bij die familie, welke de rijkste is, den meesten invloed bezit, of haar het beste beschermt en zij blijft deze ook trouw, zoolang de eenmaal aangegane verbintenissen behoorlijk worden nageleefd.
Kapitaal in klinkende munt wordt er weinig aangetroffen. Belasting, pacht, landhuur, alles wordt in natura betaald en daarvoor dienen de kastanjes van de bergen, de geiten uit de maquis, het vee uit de gemeenschappelijke weide, benevens graan, olijfolie, wijn en visch. Van geitenhaar wordt in de bergen laken geweven. Zijn er dus levensbehoeften in overvloed, toch kent het volk geen weelde en gemak, want daarvoor ontbreekt het noodige geld en wie dit wil verdienen, moet het eiland verlaten en naar Italië of Frankrijk gaan.
In 1746 had Corsica zich vrij verklaard van de heerschappij der Genueezen; een opstand was hiervan het gevolg geweest. In 1755 had Pascal Paoli, een vrijheidlievend en schrander staatsman, zich aan het hoofd van de beweging gesteld, daarin krachtig gesteund door de aanzienlijke geslachten, waardoor de onafhankelijkheid van het eiland tien jaar lang was gehandhaafd. Toen was in dezen toestand verandering gekomen, daar Engeland Paoli zijn hulp had aangeboden, maar door het aannemen van dezen steun ontstond onder Paoli's partij verdeeldheid, daar velen de geheime bedoelingen van Engeland begrepen. Ook Frankrijks minister de Choiseul doorzag die, en zond troepen naar het eiland, zoogenaamd om de souvereiniteitsrechten van Genua te helpen handhaven, maar inderdaad om een landing der Engelschen met kracht van wapenen te beletten. Tevens deed Choiseul Genua ernstige bedreigingen hooren, omdat deze republiek vele Jezuïeten, die uit Frankrijk waren verbannen, op Corsica gastvrijheid had verleend. Zich niet krachtig genoeg gevoelende om weerstand te bieden, opende Genua onderhandelingen en stond in 1768 zijn rechten op Corsica aan Frankrijk af, behoudens de vrijheid van latere terugname tegen vergoeding der gemaakte onkosten.
Door deze oplossing van het vraagstuk verrast, wendde Paoli zich thans tegen den nieuwen vijand, doch leed in Mei 1769 bij Ponte Novo een zoo geduchte nederlaag, dat hij met ruim driehonderd volgelingen, die hem niet wilden verlaten, op een paar Engelsche schepen zijn toevlucht zocht en zich naar Engeland liet overbrengen.
Tijdens zijn verzet tegen Genua was de in 1746 te Ajaccio geboren advocaat Carlo Maria Buonaparte of Bonaparte een zijner getrouwste aanhangers geweest. Uit Italië afkomstig en van adellijken bloede, was hij reeds op achttienjarigen leeftijd gehuwd met de toen veertienjarige Laetitia Ramolino, eveneens van adellijke afkomst, verwant aan het grafelijke geslacht des Col' Alto's en reeds op dien jeugdigen leeftijd een vermaarde schoonheid. Toen Paoli de wapenen begon te keeren tegen Frankrijk, had Bonaparte aan dit verzet geen deel willen nemen; hij had het eiland verlaten en was eerst naar Ajaccio teruggekeerd, toen het Fransche gezag hier voor goed was gevestigd. (1769).
Evenals het meerendeel zijner bloedverwanten, zooals de Benielli's en de Paravicini's, was Carlo niet met aardsche goederen gezegend, maar hij was schrander, sluw en op 't kantje af van brutaal; hij had in één woord zelfvertrouwen en durf. Zoodra Corsica Fransch was geworden, had hij begrepen van hoeveel nut en voordeel zijn wetenschappelijke ontwikkeling doch vooral zijn kennis van de Fransche taal hem kon zijn, aangezien zoo goed als niemand op het eiland die taal machtig was. Het nieuwe gouvernement zou hem dus noodig hebben.
Zoodra hij de kans schoon zag, was hij begonnen dit nieuwe arbeidsveld te exploiteeren. Telkens kon men hem nu te Parijs vinden in het voorvertrek van dezen of genen minister, beleefd en onderdanig, waar dit pas gaf, doortastend en taai, zelfs brutaal, als 't noodig was, maar altijd gewapend met een request en den strijd niet opgevende, voordat hij de verlangde handteekening had verkregen.
Op die manier wist hij o. a. te bewerken, dat het gouvernement hem concessie verleende voor den aanleg van moerbeziënperken en kweekerijen, voor het droogleggen van de zouthoudende moerassen, enz. Hij was hierdoor veel op reis, altijd vervuld met nieuwe plannen tot vermeerdering van den invloed en den welvaart van zijn familie, wier zaakwaarnemer en pleitbezorger hij was. Veel tijd om zich met zijn gezin, dat steeds in sterkte toenam, te bemoeien, had hij niet, maar het huishouden was bij Laetitia in goede handen. Toen hij in 1785 overleed waren er van de twaalf kinderen nog acht in leven.
Den 15en Augustus 1769 werd hem een zoon geboren, die den naam ontving van Napoleon, terwijl een jaar te voren Jozef het levenslicht had aanschouwd. Hoewel gezond, had Napoleon een delicaat gestel, niet te verwonderen, als men weet, dat zijn moeder, tijdens haar zwangerschap, door den opstand van Paoli hiertoe gedwongen, weken lang ver van haar woning in de bergen had rondgezworven en dus menigen bangen, slapeloozen nacht had doorgebracht.
De eerste paar jaren rustig en stil, werd de kleine wereldburger met zijn groot hoofd weldra een ondeugend, lastig en opvliegend baasje, koppig als een ezel en daarbij zoo vechtlustig, dat ieder het met hem te kwaad kreeg en vooral Jozef het vaak bij hem moest ontgelden. Wel wachtte hem dan thuis de roede, want Laetitia spaarde deze niet, doch om een pak slag meer of minder bekreunde hij zich bitter weinig. Onder de strafoefening gaf hij geen kik en na afloop liep hij weer weg alsof er niets was gebeurd. Aan al die ondeugende streken paarde hij echter een zekere ridderlijkheid, want eens werd hij gestraft met een pak slaag en vier dagen huisarrest op water en brood, omdat hij druiven zou gekaapt hebben, 't geen een vriendinnetje had gedaan, maar hij verried haar niet en zijn onschuld bleek pas, toen dit meisje zich zelf kwam aangeven.
Hoorde hij, zooals zijn moeder later heeft gezegd, tot "le plus diable" van hare kinderen, over zijn lust tot leeren had men echter geen reden tot klagen. Van "de nonnen" had hij een weinig lezen en tellen geleerd en op zijn achtste jaar op een jezuïetenschool geplaatst, maakte hij daar spoedig zulke vorderingen, dat zijn vader voor hem in den tuin een hokje liet maken, waar hij rustig kon werken, zonder dat hij door het spelen der kleintjes--Lucien was in 1775, Elisa (Marianne) in 1777 geboren--werd gestoord.
Altijd vervuld met plannen voor de toekomst, handig gebruik makende van een koninklijk besluit van 1770, waarbij alleen die Corsicanen in den Franschen adelstand zouden worden opgenomen, wier adelbrieven van twee eeuwen vroeger dagteekenden, steunende bovendien op zijne positie als assessor, lid van den Raad der Twaalf Edelen en afgevaardigde van den Corsicaanschen adel aan het hof van Versailles, wist Carlo steeds meer gunsten te verwerven. Door zijn vriendschap met graaf de Marbeuf, gouverneur van het eiland, werd hij o. a. geholpen aan twee studiebeurzen, een voor Jozef en een voor Napoleon; voor rijks rekening zouden ze in Frankrijk worden opgeleid, Jozef tot geestelijke en Napoleon tot militair. De jongen was in de wolken van geluk; zijn liefste wensch zou worden verwezenlijkt. Had hij reeds vroeger elk stuk papier, elke plank en schutting volgeteekend met soldaten, nu zou hij zelf soldaat worden, een heusche, een echte.
Op het einde van 1778 vertrok Carlo met zijn twee zoons naar Frankrijk om te Autun, waar de Marbeufs broeder bisschop was, eerst wat beter Fransch te leeren spreken, want ze kenden nog weinig meer dan gebroken Italiaansch en Corsicaansch patois. Het verdriet voor de eerste maal moeder te verlaten was niet erg groot, bovendien had Napoleon zijn broer bij zich en nog wel Jozef, aan wien hij zich nauw verbonden gevoelde. In April werden ze reeds gescheiden, en ging Napoleon naar de Koninklijke Militaire School te Brienne, een instelling, waar strenge tucht heerschte, de leiding van het onderwijs zoo goed als geheel in handen was van een aantal, voor het meerendeel onbeschaafde, weinig ontwikkelde geestelijken en waarop alleen kinderen van adellijke afkomst werden toegelaten.
Jozef schreide bitter bij het afscheid van zijn broertje--och, de dreumesen waren samen nauwelijks twintig jaar oud--doch de kleine Napoleon vergoot geen traan; zijn gezichtje bleef strak en elke uiting van droefheid onderdrukte hij. Toch was hij, de latere jaren hebben dit bewezen, Jozef toen reeds meer genegen dan deze hem.
Te Brienne, waar hij ruim vijf jaar gebleven is, begon voor den leergierigen jongen in den volsten zin des woords een nieuw leven. In het begin werd hij gefolterd door heimwee naar zijn geboorteland, waarover hij met niemand kon spreken, en hij voelde zich in een kring van jongens, die hem allen vreemd en dus vijandig waren en wier taal hij ternauwernood verstond, zeer eenzaam en ongelukkig. Hij bleef dan ook het liefst alleen en kreeg daardoor den naam trotsch en eenzelvig te zijn; alleen aan Bourrienne legde hij zijn hart wel eens open, dezelfde dien hij als consul tot eerste secretaris heeft genomen en dien hij pas heeft ontslagen, toen hij de onloochenbare bewijzen van 's mans brutale schraapzucht en oneerlijke practijken tegenover de leveranciers voor het leger in handen had. [1]
Weldra bleek met welk een reusachtigen werklust, met welk een taaie werkkracht die magere, kleine knaap met zijn grijze, zonderling lichtende oogen, was bezield. Niet alle studievakken waren hem intusschen even lief; geschiedenis, aardrijkskunde en wiskunde waren zijn beste vakken en daarin maakte hij groote vorderingen, maar in de talen bleef hij een kruk en zijn schrift was bijna onleesbaar.
In de verhouding tot zijn kameraden kwam langzamerhand ook eenige verbetering; in den winter van 1783, terwijl de sneeuw zeer hoog lag, werd hij door hen zelfs tot aanvoerder gekozen bij den aanval en de verdediging van uit sneeuw gebouwde wallen en het is zijn eerste roem, als bewoners uit Brienne naar zijn sneeuwvesting komen zien. Zijn vrije uren bracht hij het liefst in de bibliotheek door, waar hij zich in de studie van Plutarchus of in de lectuur van een wijsgeerig of letterkundig werk verdiepte; vooral de daden van de Grieksche en Romeinsche helden boeiden hem, ze prikkelden zijn eerzucht, terwijl hij bovenal voor Leonidas en zijn volk groote bewondering had, zoodat zijn kameraden hem de Spartaan noemden.
Door de geringe mate van ontwikkeling en kennis der leeraren en door de slechte verdeeling der leerstof bleef zijn wetenschappelijke opvoeding niettemin gebrekkig, die hij dan ook in zijn luitenantstijd van meet af weer onder handen heeft moeten nemen, doch leesbaar schrijven zonder taalfouten heeft hij zich nooit meer kunnen eigen maken. Van het Duitsch verstond hij later slechts enkele woorden, zelfs Italiaansch sprak hij gebrekkig en voor het Spaansch had hij steeds een tolk noodig, terwijl hij de Grieksche en Latijnsche klassieken alleen door eenige meestal slechte vertalingen heeft leeren kennen. Lucien en Jozef, die een meer academische opleiding hadden genoten, al legden ze nooit een examen af, taxeerden hem als wetenschappelijk man dan ook volstrekt niet hoog. In hun oog was hij en is hij gebleven een soldaat, die succes heeft gehad zonder meer.
Ongeletterd was hij dus, maar wat hij bezat van nature, wat geen leeraar ter wereld bij machte was geweest hem aan te brengen en hetgeen zijn neuswijze broers misten, was zijn stijl de imperatoria brevitas, zooals Frédéric Masson dezen schrijftrant noemt; met zijn korte, krachtige glasheldere volzinnen, die als met de etsnaald het beeld teekenden, dat hij het leger wilde inscherpen. Dien stijl dankte hij aan zijn genie en hierin heeft hij zelfs Caesar overtroffen.
Toen de Keralio, inspecteur-generaal van het militair onderwijs in 1784 zag welke reusachtige vorderingen Napoleon vooral in het laatste jaar had gemaakt, was hij hierover zoo bijzonder tevreden, dat hij over het bezwaar van zijn te jeugdigen leeftijd heenstapte en hem voordroeg voor de Militaire School te Parijs. "Die knaap van vijftien jaar met zijn onderdanig karakter en zeer geregeld gedrag, die zich door zijn kennis van de wiskunde zoo gunstig onderscheidde, zou een uitmuntend zeeman worden," schreef hij in zijn rapport.
Zoodoende vertrok Napoleon in October 1784 met vier andere jongens onder geleide van een pater naar Parijs. Van een plaatsing bij de marine kwam evenwel niets; het toch reeds zeer beperkte aantal plaatsen was reeds door eenige hoog-adellijke jongelui met protectie ingenomen. Napoleon zou derhalve den cursus volgen voor de artillerie.
Korten tijd te voren had Jozef aan zijn vader te kennen gegeven liever niet tot geestelijke, maar evenals zijn broer tot artillerieofficier te worden opgeleid. Treffend is de brief, welke Napoleon naar aanleiding daarvan aan zijn vader schreef. "Laat hij maar hier komen te Brienne Pater; Patrault, dien u kent, heeft mij beloofd hem wiskunde te leeren. Wat zal ik blij zijn, als ik hem in October hier zie. Dan is dat ook weer een zorg minder voor u en Jozef zal wat in zijn schik wezen."
Hoewel hij zijn moeder in al die jaren in 't geheel niet, zijn vader slechts een paar maal had gezien en er wegens de zeer hooge portkosten slechts weinig brieven werden gewisseld, was de knaap met zijn gedachten dus nog steeds bij huis en bij de zorgen, waaronder zijn ouders gebukt gingen, want zij waren arm en het gezin was in de laatste jaren nog toegenomen; in 1778 werd Louis, in 1780 Pauline, in 1782 Caroline en in 1784 Jérome geboren.
Zijn wensch betreffende Jozef zou evenwel niet worden vervuld; in Februari 1785 stierf zijn vader, ver van huis, te Montpellier aan maagkanker en Jozef, die toen alleen bij hem was, had beloofd naar Ajaccio terug te keeren om daar zijn moeder tot steun te wezen. De brieven door Napoleon in die kommervolle dagen aan zijn moeder gericht, getuigen van zijn kinderlijke liefde en hartelijke belangstelling in al wat er ginds geschiedde. Aan zijn oud-oom Lucien, aartsdiaken van Ajaccio, schrijft hij o. a. "Het zal onnoodig zijn U te zeggen, hoe ik getroffen ben geweest door het ongeluk, dat over ons is gekomen. Wij hebben in hem een vader verloren en God weet welk een vader hij in zijn medegevoel en gehechtheid voor ons was... Gods wil is onveranderlijk en Hij alleen kan ons troosten..."
Intusschen werkte hij aan de Militaire School te Parijs even hard als te Brienne. Uitgezonderd Bauer, zijn onderwijzer in 't Duitsch, die hem een domoor vond, waren al zijn andere leeraren zeer over hem tevreden. Vooral Laplace, de beroemde wiskunstenaar, was met hem ingenomen; zijn leeraar in de fraaie letteren noemde hem "een stuk graniet, in een vulkaan verhit," en de heer de l'Esquille, die hem les gaf in de geschiedenis, schreef in zijn rapport over hem: "Corsicaan van geboorte en karakter, zal hij het ver brengen, als de omstandigheden hem gunstig zijn."