Chapter 8
Januari is een harde maand geweest. Geen werk, geen brood en geen brandstof in huis. Het gezin Morisseau heeft aan alles gebrek geleden. De vrouw wascht voor de lieden, de man is metselaar. Zij wonen te Batignollis, in de rue Cardinet, in een donker huis, dat de buurt verpest. Hun kamer, op de vijfde verdieping, is zoo onttakeld, dat de regen door de spleten der zoldering heendringt. Zij zouden nog niet eens klagen als hun kleine Charlot, een tienjarige knaap, geen versterkend voedsel noodig had om ooit op te groeien.
Het kind is heel teêr, een duizeling maakt hem ziek. Toen hij naar school ging, beloofde hij zich slechts in te spannen om in eens alles te willen leeren, en hij keerde ongesteld terug. Daarbij heel schrander, een alleraardigst jongske, dat als een volwassene weet meê te praten.
Op den dag dat zij hem geen brood kunnen geven, schreiën de ouders als ongelukkigen, en dat des te meer, daar de kinderen op alle verdiepingen der woning als vliegen stierven, zoo ongezond als het daar is.
Men hakt de sneeuw weg op straat. Zelfs is vader er in geslaagd zich daarvoor aan te laten nemen; hij maakt de goten weêr open met zijne houweelslagen, en des avonds brengt hij een gulden thuis. In afwachting van het oogenblik, dat men weêr beginnen zal te houwen, is het toch altijd iets om niet van honger te sterven.
Maar op zekeren dag, vindt de man bij zijne thuiskomst Charlot bedlegerig. De moeder weet niet wat hem scheelt. Zij had hem naar Courcellis gezonden, naar zijn tante, die kleerkoopster is, om te zien of hij geen warmer buisje zou vinden dan zijn linnen kiel, waar hij in rilt van koude. Zijne tante had slechts oude mannenjassen, te groot voor hem, en de kleine is bibberend teruggekeerd, met verglaasden blik, alsof hij te veel gedronken had. Nu ligt hij daar vuurrood op zijn peluw en spreekt wartaal; hij gelooft dat hij met knikkers speelt en zingt straatliedjes.
De moeder heeft het overblijfsel van een omslagdoek voor het venster gehangen, om daarmede een gebroken ruit dicht te stoppen; daarboven blijven nog slechts twee ruiten over, die het naargeestige grauw der lucht laten doorschemeren. De armoede heeft hun latafel geledigd, al het linnengoed is verpand. Op een avond heeft men een tafel en twee stoelen verkocht. Charlot sliep sedert op den grond; maar nu hij ziek is, heeft men hem het bed afgestaan, en hij ligt daar nog zeer slecht, want men heeft de veêren van den matras handje voor handje naar een schachelaarster gebracht, bij halve ponden te gelijk, voor vier of vijf stuivers. Thans zullen de vader en de moeder in een hoek slapen, op een stroozak, waarvan geen hond gediend zou willen zijn.
Zij zitten daar beiden naar Charlot te staren, die op zijne legerstede voortwoelt. Wat heeft de jongen toch, dat hij zoo'n beweging maakt. Misschien heeft het een of andere dier hem gebeten of gaf men hem iets slechts te drinken. Eene buurvrouw, juffrouw Bonnet, is binnen getreden; en na den kleine bekeken te hebben en betast, verzekert zij dat het koude koorts is. Zij heeft er verstand van, zij heeft haar man aan eene dergelijke ziekte verloren.
De moeder schreit en klemt Charlot in hare armen. De vader holt als een waanzinnige weg en gaat een dokter halen. Hij brengt er een mede, een langen man met ijskoud gelaat, die zonder een woord te zeggen, het oor tegen den rug van den knaap ligt en hem op de borst tikt. Daarna moet juffrouw Bonnet in haar eigen kamer een potlood en papier gaan halen, opdat hij zijn recept zou kunnen schrijven. Op het oogenblik dat hij zich, nog altijd sprakeloos verwijdert, ondervraagt de moeder hem op gesmoorden toon.
"Wat scheelt hem, mijnheer?"
"Een pleuris", antwoordt hij kortaf, zonder nadere toelichting.
Hij vraagt daarna op zijne beurt:
"Zijt gij ingeschreven bij het bestuur van Liefdadigheid?"
"Neen, mijnheer ...... Het ging ons goed, verleden zomer. Het is de winter, die het ons heeft gedaan".
"Des te erger voor u!"
En hij belooft dat hij terug zal komen. Juffrouw Bonnet leent hem tien stuivers om naar den apotheker te gaan. Voor Morisseau's gulden heeft men twee pond ossenvleesch, steenkolen en waskaarsen gekocht. De eerste nacht gaat goed voorbij. Men houdt het vuur aan. De zieke, die door de hitte schijnt ingeslapen te zijn, spreekt niet meer. Zijn handjes gloeien. Hem zoo tot verdooving gebracht ziende door de koorts, stellen zijne ouders zich gerust; maar den volgenden morgen staan zij als versuft, grijpt hun eene nieuwe ontzetting aan, als de geneesheer hoofdschuddend voor het bed zit, met de uitdrukking van iemand wien geen hoop meer overblijft. Vijf dagen achtereen komt er geen verandering in den toestand. Charlot slaapt, als vernietigd op zijn peluw. In de kamer schijnt de armoede, die nog toegenomen is, met dien wind binnen te dringen door de gaten in het dak en in het venster. Den tweeden avond heeft men het laatste hemd der moeder verkocht; den derden dag heeft men weer nieuwe plukjes veêren van onder den zieke weg moeten halen, om den apotheker te betalen. Daarna heeft men gebrek gehad aan alles, er is niets overgebleven.
Morisseau bikt nog altijd de sneeuw; maar zijn gulden is niet toereikend meer. Aangezien de felle koude Charlot kan dooden, verlangt hij naar dooi, hoe bang hij er anders ook voor is. Als hij zich naar het werk begeeft, is hij blij de straten wit te zien, maar dan denkt hij weêr aan het kind, dat daarboven ligt te zieltogen, en wenscht hij vurig naar een zonnestraal, naar wat lentegloed, die de sneeuw weg zal doen smelten. Als zij maar ingeschreven waren bij het Bestuur van Liefdadigheid, dan hadden zij dokter en apotheker voor niets. De moeder is naar het gemeentehuis geweest, maar men heeft haar ten antwoord gegeven dat de aanvragen te talrijk zijn en dat zij moest wachten. Toch heeft zij eenige kaartjes voor brood gekregen en gaf een barmhartige dame haar een rijksdaalder. Daarna is het gebrek weer van voren af aan begonnen.
Den vijfden dag, brengt Morisseau zijn laatsten gulden thuis. De dooi is ingevallen en men heeft hem afgedankt. Daarmede is alles afgeloopen: de kachel blijft zonder vuur staan, men heeft geen brood, de recepten worden niet meer naar den apotheker gebracht. In het van vocht druipend vertrek, blijven de vader en moeder tegenover het reutelende kind voortrillen.
Juffrouw Bonnet komt hen niet meer opzoeken, omdat zij weekhartig is en het haar te zeer aangrijpt. De lieden uit het huis loopen haastig hun deur voorbij. Nu en dan werpt de moeder, die in tranen uitbarst, zich op het bed, en omhelst den knaap, als om hem verlichting te schenken en hem te genezen. De vader, die als wezenloos is, brengt uren achtereen aan het raam door, den ouden omslagdoek opheffende, en starende naar het wegsmelten der sneeuw, het afsijpelen van het water, dat in groote droppelen van het dak afvalt en de straat zwart maakt. Misschien doet dat Charlot wel goed.
Op zekeren morgen verklaart de dokter dat hij niet wederkeeren zal. Het kind is opgegeven.
"Het is het vochtig weder, dat hem den genadeslag heeft toegebracht," zegt hij.
Morisseau balt de vuisten tegen den hemel. De armen sterven dus van alle weêr! Het vroor en dat deugde niet; nu dooit het en is dat nog erger. Indien de vrouw er in toestemde, zouden zij een pan met doovekoolen aansteken, en met hun drieën sterven. Dan zou alles spoedig voorbij zijn.
Maar de moeder is naar het gemeentehuis teruggekeerd; men heeft haar beloofd dat men onderstand zou sturen en zij wachten daarop. Het is een vreeselijke dag; van de zoldering daalt een ijzige koude neder; in een hoek van het vertrek loopt de regen af; men moet er een emmer neerzetten, om de droppels op te vangen. Sedert den afgeloopen avond hebben zij niets gegeten; het kind heeft alleen een kopje kamillen gedronken, door de portierster naar boven gebracht. De vader zit voor de tafel, met het hoofd in de handen verborgen, hij is versuft, zijn ooren suizen. Bij elk gedruisch van voetstappen, snelt de moeder toe op de deur, geloovende dat men haar de toegezegde hulp brengt. Het slaat zes uur, en nog is er niets gekomen. Er heerscht een grauwe schemering, die langzaam en onheilspellend als een doodstrijd nederdaalt.
Plotseling, terwijl de duisternis toeneemt, stamelt Charlot afgebroken woorden:
"Moeke ... moeke...."
De moeder treedt op hem toe en een zware ademtocht waait haar tegen. Zij hoort thans niets meer; zij ziet onbestemd het kind liggen, met achterover geworpen hoofd en uitgestrekten hals. Half waanzinnig roept zij smeekend uit:
"Licht! Dadelijk licht! Mijn Charlot.... zeg dan toch iets!"
Er is geen stukje kaars meer over. In haar haast strijkt zij lucifers af, die tusschen hare vingers breken. Daarna betast zij, met hare sidderende handen het gelaat van het kind.
"O! mijn God! hij is dood!.... Morisseau, luister dan toch, hij is dood!"
Verblind door de duisternis, heft de vader het hoofd op.
"Welnu, hoe zou het ook anders kunnen? Hij is dood...... Het is beter aldus!"
Bij het vernemen van die snikken der moeder, is juffrouw Bonnet er toe overgegaan met hare lamp te verschijnen. En terwijl de beide vrouwen bezig zijn met Charlot op te knappen, klopt men aan de deur het is de beloofde bijstand, vijf gulden, kaartjes voor brood en vleesch. Morisseau lacht met wezenlooze uitdrukking en zegt dat het Bestuur van Liefdadigheid altijd te laat komt voor den trein.
Welk een treurig kinderlijkje, zoo mager en even licht als een veertje! Indien men een van koude omgekomen huismusch op straat opgeraapt, en op het bed neergelegd had, zou het diertje niet minder plaats hebben beslagen.
Juffrouw Bonnet, die weêr heel behulpzaam is geworden, brengt hem aan het verstand dat het Charlot niet tot het leven terugroepen kan, of men al honger lijdt aan zijn zijde. Zij biedt zelfs aan brood en vleesch te gaan halen, en voegt er bij dat zij meteen ook voor kaarsen zorgen zal. Zij laten haar begaan. Zoodra zij wederkeert, dekt zij de tafel, en zet worst op, die nog warm is. De ouders zijn uitgehongerd en beginnen gulzig te eten naast den doode, wiens bleek gezichtje men in het schemerlicht ontdekt. De kachel snort, het is alles heel gezellig. Bij oogenblikken worden de oogen der moeder vochtig, vallen er groote tranen op haar brood. Wat zou Charlot het nu warm hebben gehad! Wat zou hij graag wat worst hebben gegeten!
Juffrouw Bonnet wil met alle geweld waken. Tegen één uur, nadat Morisseau ten slotte, met het hoofd op het voeteneind van het bed, in slaap is gevallen, zetten de beide vrouwen koffie. Men heeft een andere buurvrouw, een achttienjarig naaistertje, uitgenoodigd er van te komen drinken, en om toch ook een duit in het zakje te doen, heeft zij een weinig brandewijn meegebracht. De drie vrouwen ledigen nu langzaam haar kopje en spreken fluisterend met elkander over allerlei verhalen van buitengewone sterfgevallen; van lieverlede worden hare stemmen luider, dwalen hare gesprekken af; zij praten over hetgeen er voorvalt in huis, in de buurt, over een misdaad, die in de rue Nollet gepleegd werd. En nu en dan, staat de moeder op en gaat naar Charlot kijken, als om zich te overtuigen dat hij zich niet verroerd heeft.
Aangezien men dien avond geen aangifte van den dood heeft gedaan, moeten zij den kleine den ganschen volgenden dag bij zich behouden. Zij bezitten slechts één vertrek en leven, eten en slapen dus bij Charlot. Bij oogenblikken vergeten zij hem; maar, als zij hem daarna weêr zien, is het hun alsof zij hem andermaal verloren.
Eindelijk, den tweeden morgen brengt men den lijkkist, die niet grooter dan een speelgoeddoos is; vier slecht op elkaar passende planken, kosteloos verstrekt door het gemeentebestuur, dank zij een certificaat van onvermogen. En, nu vooruit! Men begeeft zich op een draf naar de kerk. Achter Charlot loopt de vader met twee kameraden, die hij onderweg heeft ontmoet, daarna volgen de moeder, juffrouw Bonnet en de andere buurvrouw, het naaistertje.
Al deze brave lieden waden tot over de enkels door het slijk. Het regent niet maar de mist is zoo vochtig dat de kleederen er van doorweekt geraken. In de kerk wordt de plechtigheid zoo spoedig mogelijk vervuld. En andermaal hervat men den tocht over de glibberige steenen.
Het kerkhof ligt aan het eind der wereld, buiten de vestingwerken. Men loopt de avenue de Saint-Ouen af, men laat den tol achter zich liggen en ten laatste komt men aan. Het is een uitgestrekte ruimte, een onbewerkt terrein, omsingeld met witte muren. Het gras schiet er overal op, de omgewoelde aarde maakt er heuveltjes op, terwijl men aan het eind daarvan een rij kwijnende boomen ziet verrijzen, die de lucht met hunne zwarte takken verduisteren.
Langzaam treedt de stoet over het weeke zand heen. Het regent thans; en men moet onder een stortbui wachten op een ouden priester, die er eindelijk toe besluit uit een kleine kapel te voorschijn te komen. Charlot moet ter ruste worden gelegd in de algemeene kuil. De doodenakker ligt bezaaid met kruisen, die de wind omverwerpt en kransen, door den regen verrot; het is een veld van ellende en rouw, onttakeld, omwoeld, en vervuld van de pestwalmen van lijken, aldaar opgestapeld door den honger en de koude der achterbuurten.
Alles is afgeloopen. Men neemt de spade op, Charlot ligt onder in het gat, en de ouders vertrekken weêr, zonder neêr te hebben kunnen knielen, op het vloeibare slijk, waarin zij wegzinken. Eenmaal buiten gekomen zijnde, en ziende dat het nog altijd regent, noodigt Morisseau die nog een daalder van de vijf gulden van het Bestuur van Liefdadigheid overheeft, zijn kameraden en de buurvrouwen uit iets te gaan gebruiken in een herberg. Men neemt plaats aan tafel, men drinkt twee liters wijn en eet wat brood met een stuk Breikaas. Daarna onthalen de makkers, op hunne beurt, op twee liters. Als het gezelschap weêr naar Parijs terugkeert, is men heel vroolijk.
V.
Jean Louis Lacour is zeventig jaar oud. Hij werd geboren te la Corteille, een gehucht van honderd vijftig zielen, dat in een door wolven bevolkte streek gelegen is. In zijn leven, is hij ééne enkele maal naar Angers geweest, op vijftien mijlen afstands van daar; maar hij was toen nog zoo jong, dat hij het zich niet meer herinnert. Hij heeft drie kinderen gehad, twee zoons, Anton en Jozef, en eene dochter, Catharina. De laatste trouwde; daarna is haar man gestorven, en keerde zij tot haar vader terug met Jacquinet, een twaalfjarigen knaap. Het gezin leeft van vijf of zes bunders grond, juist genoeg om een stuk te eten en niet zonder kleêren rond te loopen. Wanneer zij eens een glas wijn drinken, dan hebben zij daarvoor gezwoegd.
La Courteille ligt in de diepte van een dal, van alle zijden omgeven door bosschen, die het dorpje omsluiten en verbergen. Eene kerk is er niet, daartoe is de gemeente te arm. De pastoor van Cormiers komt er de Mis lezen, en aangezien hij daarvoor meer dan twee mijlen af te leggen heeft, komt hij slechts eenmaal in de veertien dagen. De huizen, een twintigtal bouwvallige spelonken, liggen langs den straatweg verspreid. Voor de deuren daarvan morrelen de kippen in den mesthoop. Als er een vreemdeling voorbij komt, rekken de vrouwen den hals uit, terwijl de kinderen, die bezig zijn zich in de zon te koesteren te midden van een zwerm verschrikte ganzen wegstuiven.
Jean Louis is nooit ziek geweest. Hij is even lang en knokelig als een eik. De zon heeft hem uitgedroogd, zijn huid geblakerd en doorbarsten, en hij heeft de kleur, het ruwe en de rust der boomen overgenomen. Onder het veranderen is hij stilzwijgend geworden. Hij spreekt niet meer, dat nutteloos achtende. Hij loopt voort met groote, gelijkmatige passen en heeft daarbij de kalme kracht der trekossen.
Het jaar te voren, was hij nog sterker dan zijn zoons, behield hij den zwaren arbeid voor zich, altijd zwijgend aan het werk op zijn veld, dat hem scheen te kennen en voor hem te beven. Maar, op zekeren dag, nu twee maanden geleden, hebben zijne ledematen hem plotseling begeven, en hij is twee uren in een wagenspoor blijven liggen, als een neêrgevelde stam. Den volgenden morgen wilde hij weêr aan het werk gaan; doch zijne armen weigerden hem den dienst, de aarde gehoorzaamde hem niet langer. Zijn zoons schudden het hoofd, zijne dochter poogt hem binnenshuis te houden. Hij blijft echter stijfhoofdig, en men geeft Jacquinet met hem mede, opdat het kind om hulp zou kunnen roepen, als grootvader weer eens vallen mocht.
"Wat doe-je daar, luiaard?" vraagt Jean Louis aan den knaap, die hem geen oogenblik verlaat: "Op jou leeftijd verdiende ik mijn brood."
"Ik pas op u, grootvader," antwoordt het kind.
Dat woord brengt den grijsaard een schok toe. Hij vraagt niet verder. Dien avond, gaat hij liggen en hij staat niet weder op. Als de zoons en dochter zich den volgenden morgen naar het veld begeven, gaan zij eerst omzien naar hun vader, dien zij niet hebben hooren bewegen. Zij vinden hem op zijn bed uitgestrekt, met wijdgeopende oogen en een uitdrukking alsof hij over iets nadenkt. Zijn huid is zoo hard en zoo verbrand, dat men niet eens kan zien of de ziekte hem verbleekt heeft.
"Nu, vader, gaat het niet goed?"
Hij bromt iets, en schudt ontkennend het hoofd.
"Dus kunt gij niet mede? Moeten wij gaan zonder u?"
Ja, hij geeft hun een wenk dat zij zonder hem moeten gaan. Men is aan den oogst begonnen en heeft alle handen noodig. Als men een morgen verloren liet gaan, zou er wel eens een onweder kunnen opzetten dat alles op het veld vernielde. Zelfs Jacquinet volgt zijne moeder en zijn ooms. Vader Louis blijft alleen achter. Als de kinderen dien avond wederkeeren, ligt hij nog op dezelfde plaats, nog altijd op den rug uitgestrekt, met wijdgeopende oogen en die peinzende uitdrukking.
"Dus gaat het niet beter, vader?"
Neen, het gaat niet beter. Hij bromt en schudt het hoofd. Wat zou men wel voor hem kunnen doen? Catharina komt op den inval wat kruiden met wijn voor hem te koken; maar dat blijkt te straf voor hem te zijn en doodt hem bijna. Jozef zegt dat men den volgenden dag zal zien, en iedereen gaat ter ruste.
Den volgenden morgen, voordat zij weer naar het veld gaan, blijven de zoons en dochter een oogenblik staan kijken bij het bed. Het lijdt geen twijfel meer of de oude is ziek. Nooit nog is hij zoo op zijn rug blijven liggen. Misschien zou men toch, alles wel beschouwd, maar beter doen met den dokter te laten komen. Het ergste is dat men daartoe naar Rougemont moet gaan; zes mijlen heen en zes mijlen terug, dat maakt er twaalf. Men zal er een heelen dag bij verliezen. De oude, die zijne kinderen aanhoort, wordt gejaagd en schijnt zich boos te maken. Hij heeft geen dokter noodig, dat dient tot niets en 't kost geld.
"Dus wilt gij het niet?" vraagt Anton: "Dan gaan wij aan den arbeid".
Natuurlijk, dat zij aan het werk gaan. Het zou hem toch niet helpen, of zij daar al bij hem bleven. De grond heeft vrijwat meer behoefte aan zorgen dan hij. En er verloopen drie dagen, en de kinderen gaan nog elken morgen naar het veld. Jean Louis verroert zich niet, hij blijft geheel alleen en drinkt uit een kruik als hij dorst heeft. Hij is als een dier oude paarden, die van vermoeienis in een hoek neervallen, en die men rustig sterven laat. Hij heeft zestig jaar lang gearbeid en kan thans wel heengaan, nu hij tot niets anders meer dient dan om plaats te beslaan en den menschen tot last te wezen.
De kinderen zelf zijn niet bijzonder verdrietig. De aarde heeft hen met dergelijke zaken verzoend; zij leven dicht bij haar, om boos op haar te zijn dat zij den oude wegneemt. Een blik des ochtends, een blik des avonds, meer kunnen zij ook niet doen. Als de vader er toch weer eens boven op kwam, zou dat bewijzen dat hij al heel stevig gebouwd is. Zoo hij er aan sterft, dan komt het omdat hij den dood in het lijf draagt, niets hem daaruit verjaagt, noch alle mogelijke teekens des kruises, noch de medicijnen.
Was het nog een koe, dan kon men het dier oppassen.
Des avonds ondervraagt Jean Louis, met een blik, zijne kinderen naar den oogst. Als hij hoort hoe zij de schoven tellen en roemen over het mooie weder dat hunne taak begunstigt schittert er vreugde in zijn oogen. Nog eenmaal, spreekt men er van den geneesheer te gaan halen; maar de grijsaard maakt zich driftig, en men vreest hem nog eerder te dooden, indien men tegen zijn zin in handelt. Hij laat alleen vragen om den veldwachter, een zijner oude kameraden. Vader Nicolaas is ouder dan hij, want hij is met Maria Lichtmis vijf en zeventig jaren geworden. Hij komt en gaat, met ernstig gelaat, bij Jean Louis zitten. Jean Louis, die niet meer spreken kan staart hem aan met de kleine verbleekte oogen. Vader Nicolaas, die niets tot hem te zeggen heeft, ziet ook hem aan. En de beide grijsaards blijven een uur lang tegenover elkander, zonder een woord te uiten, tevreden elkaar weder te zien, zich waarschijnlijk allerlei herinnerende, dat heel ver af ligt, in de dagen van weleer. Dienzelfden avond, als de kinderen huiswaarts keeren, vinden zij Jean Louis dood, op den rug uitgestrekt, reeds verstijfd en de oogen omhoog geslagen.
Ja, de oude is gestorven, zonder een lid te verroeren. Hij heeft zijn laatste ademtocht recht voor zich uitgeblazen, als een zucht te meer over het uitgestrekte land. Evenals de dieren, die zich verbergen en zich onderwerpen, heeft hij zelfs geen der buren last veroorzaakt, maar heel alleen alles afgehandeld.
"Vader is dood", zegt Jozef, als hij de anderen roept.
En allen op hun beurt, Anton, Catharina en Jacquinet, herhalen:
"Vader is dood".
Het verwondert hun niet. Jacquinet rekt nieuwsgierig zijn hals uit, de vrouw haalt haar zakdoek te voorschijn, de beide mannen loopen zonder iets te zeggen op en neer, hun verbrand gelaat is ernstig en bleek. Alles wel beschouwd heeft hij het toch lang uitgehouden, hij was wat stevig die oude vader! Deze gedachte vertroost de kinderen, zij zijn trotsch op de lichaamskracht der hunnen.
Dien nacht, blijft men tot elf uur bij den vader waken, daarna geven allen aan den slaap toe; en Jean Louis rust daar weer alleen, met zijn ondoordringbaar gelaat, dat nog altijd schijnt na te denken.
Bij het aanbreken van den dageraad, begeeft Jozef zich op weg naar Cormiers, om den pastoor te verwittigen. Aangezien er echter nog korenschoven zijn binnen te halen, begeven Anton en Catharina zich niettemin dien morgen naar het veld, het lijk aan Jacquniet's hoede overlatende. De kleine verveelt zich bij den oude, die zich geen enkele maal beweegt, en nu en dan gaat hij den weg op, gooit hij de huismuschjes met steenen of kijkt hij naar een marskramer, die gekleurde zakdoeken voor twee buurvrouwen uitspreidt. Als hij dan weder aan zijn grootvader denkt, loopt hij haastig naar binnen, kijkt eens of hij zich niet verroerd heeft, en ontvlucht dan weer om te gaan zien naar twee vechtende honden.
Aangezien de deur is open blijven staan, komen de kippen binnen, en loopen rustig rond, voortdurend met den bek in den versleten vloer pikkende. Een roode haan heft zich zoo hoog mogelijk op zijn pooten omhoog, rekt den hals uit en spalkt de flonkerende oogen open, verontrust door dat lijk, waarvan hij niets begrijpt; het is een voorzichtige, schrandere haan, die zonder twijfel weet dat de grijsaard niet gewoon is ooit na zonsopgang te bed te blijven, en hij eindigt met zijn luiden heraut-kreet te doen schallen, aldus den dood van den oude bezingende, terwijl de kippen weer een voor een, al kukelende en voortpikkende, heengaan.
De pastoor van Cormiers kan eerst om vijf uur komen. Sedert den vroegen morgenstond hoort men de wagenmaker bezig met houtzagen en het inslaan van spijkers. De lieden, die het nieuws nog niet weten, zeggen: "Wel, daar is Jean Louis gestorven!" Want de inwoners van la Courteille kennen die geluiden maar al te goed.
Anton en Catharina zijn weder thuis gekomen, de oogst is binnen; zij kunnen niet klagen dat zij ontevreden zijn, want in geen tien jaren heeft het koren zoo mooi gestaan.