Nantas

Chapter 7

Chapter 74,020 wordsPublic domain

Op een avond van tafel afgaande voelt mevrouw Guérard zich ongesteld. Haar zoons dwingen haar naar bed te gaan en laten haar met de kamenier alleen, toen zij de zekerheid meenden te hebben dat het wat beter was en zij alleen maar verschrikkelijke hoofdpijn had. Den volgenden morgen was de toestand der oude vrouw evenwel erger en de gewone huisdokter wenschte er met een ander over te consulteeren. Mevrouw Guérard is werkelijk in levensgevaar. Gedurende acht dagen wordt nu aan het ziekbed der stervende een waar drama afgespeeld. Ziende dat zij de kamer niet kon verlaten, is haar eerste zorg geweest zich van alle sleutels meester te maken, om die onder haar hoofdkussen te verbergen. Van haar bed af, wenschte zij nog het commando te voeren en haar kasten te behoeden voor plundering. Zij worstelde met zichzelve, de twijfel verscheurt haar. Eerst na langdurige aarzelingen kan zij besluiten. Haar drie zoons staan daar voor haar en zij bestudeert hen met vage blikken, een goede ingeving wachtende.

't Is in George dat zij op een goeden dag vertrouwen stelt. Zij beduidt hem wat naderbij te komen en zegt hem zachtjes:

"Kijk eens, hier is de sleutel van 't buffet, haal den suiker eens...... Na weer goed gesloten te hebben, brengt gij mij den sleutel terug".

Op een anderen dag wantrouwt zij Georges; zij vervolgt hem met den blik, als vreesde zij dat hij de ornamentjes van den schoorsteen in zijn zak zou steken. Dan roept zij Charles, vertrouwt hem op zijn beurt den sleutel toe en fluistert:

"De kamenier zal met je meêgaan. Let goed op als zij de lakens krijgt en sluit de kast achter haar".

Haar grootste kwelling is aldoor zelf niet meer over het huishouden te kunnen gaan. Zij herinnert zich de dwaasheden harer kinderen, zij weet dat zij lui zijn, veel eten, een zwak verstand hebben en hun handen niet thuis kunnen houden. Zij voelt zich lang geen de minste achting voor hen; geen enkele harer droomen hebben zij verwezenlijkt en storen zich niet in 't geringste aan haar stelregels van zuinigheid en strengheid. Alleen de moederlijke liefde komt nu en dan boven en doet haar hen weer in genade aannemen. In haar smeekende oogen leest men dat zij hun erbarming vraagt om haar te sparen zoolang zij nog in leven zal zijn, dat zij eerst daarna er toe zullen overgaan de kasten te ledigen en den inhoud te verdeelen. Deze verdeeling nog bij haar leven, zou een àl te vreeselijke marteling voor haar zijn.

Charles, Georges en Maurice vertoonen echter niet de minste kwade neigingen. Zij verstaan zich in zooverre onderling, dat een van hen altijd in de nabijheid der moeder is.

Een werkelijke genegenheid straalt in hun minste zorgen door. Onwillekeurig echter brengen zij met zich de zorgeloosheid van de buitenwereld, den geur der sigaar, welke zij gerookt hebben, de nieuwtjes welke in de stad rondgaan. En het egoïsme der zieke lijdt er onder dat zij in haar laatste uren, voor haar kinderen niet meer alles zijn kan. Haar wantrouwen maakt echter de verhouding hoe langer hoe drukkender. Als zij niet dachten aan het fortuin, dat zij gingen erven, zou zij er hen aan hebben doen denken, door de wijze, waarop zij haar schat tot den laatsten ademtocht verdedigt. Zij ziet hen aan met een blik zóó scherp, met een vrees zóó duidelijk, dat zij het hoofd omwenden. Daarna meent zij dat zij haar doodsstrijd bespieden; en inderdaad, zij denken daaraan, zij worden onophoudelijk er toe gedreven door de vragende blikken der oude vrouw. Zij zelf doet de hebzucht in hen ontwaken. Ziet zij een van hen met bleek gelaat droomerig staan, dan zegt zij:

"Kom dichter bij mij...... Waar denk je aan?"

"Aan niets, moeder".

Hij schrok echter onwillekeurig. Zij schudt langzaam het hoofd en voegt er aan toe:

"Ik verschaf je wel zorg, kinderen. Kom, kwel je niet al te zeer, ik zal er spoedig niet meer zijn".

Zij omringen haar, zweren haar dat zij haar beminnen en beter zullen maken.

Zij antwoordt dat dit onmogelijk is met een stommen hoofdknik en wordt nog wantrouwender dan voorheen. 't Is een verschrikkelijke doodstrijd, vergiftigd door het geld.

De ziekte duurt drie weken. Reeds hebben vijf consulten plaats gehad; de grootste beroemdheden op geneeskundig gebied zijn bij haar geweest. De kamenier helpt de zoons van mevrouw om haar te verzorgen; doch ondanks al deze voorzorgsmaatregelen, is er eenige wanorde in het vertrek ontstaan. Alle hoop is verloren, de geneesheer deelt mede dat de zieke ieder uur kan bezwijken.

Op een morgen dat de zoons meenen dat zij ingeslapen is, spreken zij met elkander over een moeielijkheid, welke zich heeft voorgedaan. 't Is de vijftiende Juli. Zij zelf had steeds de gewoonte de huur te innen van haar huizen en de zoons zijn er verlegen mede, niet wetende op welke wijze dit geld te doen binnenkomen. De concierges hebben reeds gevraagd hoe zij handelen moeten. In den toestand, waarin de zieke thans verkeert, is het onmogelijk haar over zaken te spreken. Niettemin, wanneer het een of ander ongeluk gebeurde, zouden wij geld noodig hebben.

"Lieve hemel!" zei Charles zachtjes, "ik ga, als jelui dat wilt, mij aan de huurders voorstellen.... Zij zullen den toestand begrijpen en ons betalen".

Georges en Maurice schenen echter in dit middel niet veel behagen te scheppen. Ook zij zijn wantrouwend geworden.

"Wij zouden je kunnen vergezellen", zegt de eerste. Wij hebben alle drie geld noodig".

"Wel, ik zou het geld wel hier brengen. Je denkt toch niet dat ik er mee aan den haal zal gaan?"

"Neen, maar het is beter dat wij alle drie bij elkaar zijn. 't Is meer zooals het behoort".

Zij zien elkaar aan met oogen, waarin reeds de woede en haat glinsteren, welke de verdeeling zal opwekken. Ieder zal pogen het grootste deel te krijgen.

Charles herneemt plotseling, hardop de overdenkingen voortzettende, welke zijn broeders in stilte maken:

"Luister, wij zullen alles verkoopen, dat is veel beter.. Als wij nu al ruzie hebben, zullen wij elkaar morgen verscheuren".

Een benauwde snik deed hen plotseling het hoofd omkeeren. Hun moeder had zich opgericht, doodsbleek met akelig starende oogen, het lichaam schokkend van zenuwen. Zij heeft alles verstaan, strekt de magere armen uit en herhaalt:

"Kinderen ...... kinderen ......"

Een nieuwe zenuwschok werpt haar terug op het kussen, zij sterft in de ellendige gedachte dat haar zonen haar bestelen.

Doodelijk verschrikt zijn alle drie voor het bed op de knieën gevallen. Zij kussen de handen der doode en sluiten haar, al snikkend de oogen. Zij voelen in dit oogenblik dat zij kinderen zijn van de moeder, die daar heenging, hen tot weezen makende. Als een wroeging en een haat ligt de dood der moeder op den bodem van hun hart.

De kamenier heeft het toilet der doode gemaakt en men gaat thans een liefdeszuster halen om het lichaam te bewaken. Gedurende dezen tijd zijn de drie zonen in de weer; zij gaan het overlijden aangeven, bestellen de rouwbrieven en regelen de begrafenis. 's Nachts vereenigen zij zich weer om, ieder op zijn beurt, met de liefdezuster te waken. In de kamer, wier gordijnen zijn dichtgetrokken, ligt de doode uitgestrekt in het midden van 't bed, het hoofd akelig koud, de handen gevouwen, een zilveren kruisbeeld op de borst. Terzijde brandt een kaars. Een palmtakje staat in een vaasje met wijwater. En zoo waken zij tot de kille morgen aanbreekt. De liefdezuster voelt zich niets op haar gemak en verzoekt om wat warme melk.

Een uur vóór de begrafenis, is de trap vol menschen. De koetspoort is behangen met zwarte kleeden met zilveren franjes. Daar wordt de kist neergezet, als in een kleinen kapel, omringd van kaarsen, overdekt met kransen en bouquetten.

Ieder der binnenkomende neemt de wijkwast, doopt haar in den wijwaterbak en besprenkelt het lichaam. Tegen elf uur zet de stoet zich in beweging. De zoons van de overledene loopen vlak achter het lijk, achter hen ontdekt men eenige overheidspersonen, groote industriëelen, heel een stoet van deftige en invloedrijke burgers, die stap voor stap loopen, schuins kijkende naar de nieuwsgierigen, welke op de trottoirs elkander verdringen. Twaalf rijtuigen volgen. Men telt ze en weet er het noodige van te zeggen.

Twee dagen later, bij den notaris van hun moeder, twisten de zoons onderling, met op elkaar geklemde tanden en drooge oogen, geen van allen geneigd den ander een centime toe te geven. Hun belang zou wezen te wachten en den verkoop der bezittingen niet te verhaasten. Zij wierpen elkander evenwel allerlei hatelijkheden naar het hoofd: Charles zou alles opmaken met zijn uitvindingen; Georges moest een meisje hebben, dat hem plukt; Maurice heeft ongetwijfeld het hoofd nog vol van allerhande speculaties, waar hun kapitaal door zou verdwijnen. Tevergeefs poogt de Notaris een minnelijke schikking tot stand te brengen. Zij scheiden, elkander dreigende met deurwaarders en dagvaardingen.

De doode staat weer in hen op met haar vrekkigheid en haar vrees van bestolen te worden. Als het geld den dood vergiftigt, stijgt het er niet uit op dan om woede en tweedracht te zaaien. Men vocht bepaald op het graf der overledene.

III.

De heer Rousseau is op twintig jarigen leeftijd getrouwd met een wees Adèle Lemercier, die achttien jaar telde. Den avond van hun huwelijk bezaten zij met hun beiden zeven duizend francs. Zij zijn begonnen onder een soort koetspoort schrijfbehoeften te verkoopen; daarop hebben zij een winkeltje gehuurd, klein en onaanzienlijk, waarin zij gedurende tien jaren al hun best gedaan hebben om hun zaken uit te breiden. Op 't oogenblik hebben zij een handel in papier en schrijfbehoeften in de rue de Clichy, die zeker een vijftigduizend francs waard is. Adèle heeft geen sterke gezondheid. Zij heeft altijd een beetje gehoest. De dompige winkellucht en de weinige beweging, welke zij nam, deugden in 't geheel niet voor haar. De geneesheer, welken zij raadpleegden, schreef haar rust voor en flinke wandelingen als 't mooi weer was. Dat zijn echter voorschriften welke men niet na kan komen als men het er op toelegt het nog eens zóó ver te brengen, dat men in vrede van zijn renten kan leven. Adèle zegt dat ze later wel rust zal nemen en wandelen, als ze hun zaak verkocht hebben en zich in de provincie terug trekken.

De heer Rousseau zelf maakt zich echter wel eens ongerust als hij haar soms zoo bleek ziet, met kleine vuurroode vlekjes op de wangen.

Zijn papierhandel laat hem echter geen oogenblik vrij, hij kan onmogelijk aanhoudend op haar letten en haar verhinderen onvoorzichtigheden te doen. Weken lang vindt hij geen minuut om met haar over haar gezondheid te spreken. Als hij dan plotseling haar droogen hoest hoort, maakt hij zich boos en dwingt hij haar een sjaal om te doen en een wandeling met hem te maken in de Champs-Elysées. Zij keert echter hoe langer hoe vermoeider terug; de drukte der zaken maakt zich opnieuw van den heer Rousseau meester, de ziekte wordt opnieuw vergeten, tot een nieuwe crisis zich voordoet. Zóó gaat het in den handel, men sterft er in, zonder den tijd te vinden de noodige zorg aan de gezondheid te besteden.

Op een goeden dag neemt de heer Rousseau den geneesheer apart en vraagt rondweg of zijn vrouw in gevaar verkeert. De geneesheer begint met te zeggen dat men het vertrouwen op de natuur niet moet verliezen, dat hij wel erger zieken gezien heeft, die 't er nog weer ophaalden. Daarna, zijn dringende vragen niet langer ontwijkend kunnende beantwoorden, verklaart hij den heer Rousseau dat zijn vrouw de tering heeft, zelfs in zeer gevorderden graad. De winkelier is bij deze bekentenis doodelijk bleek geworden. Hij houdt veel van Adèle; zij hebben zoo lang samen gewerkt en geslaafd om eens in vrede hun brood te eten. Hij had niet alleen een vrouw in haar, doch een compagnon evenzeer, wier activiteit en verstand hij waardeerde. Als hij haar verliest zal dat een geweldige slag zijn èn voor zijn liefde èn voor zijn handel.

Hij moet het hoofd echter boven water houden; zijn winkel sluiten en zich aan zijn droefheid overgeven gaat niet. Het beste is niets te laten merken en Adèle niet te beangstigen met roodgeweende oogen. Hij gaat zijn gewonen gang weer. Na verloop van een maand, aan al die treurigheden denkende, eindigt hij met te gelooven dat de geneesheeren zich dikwijls vergissen. Zijn vrouw ziet er niets ziek uit. Ten slotte komt hij er toe haar langzaam te zien wegsterven, zonder zelf veel te lijden, opgaande in zijn zaken, het noodlottig oogenblik verwachtende, het in zijn verbeelding terugdringende tot een ver afgelegen tijdstip. Adèle herhaalt dikwijls:

"O, als wij eens buiten zijn, zal je eens zien hoe ik weer opknap...... Nog een jaar of acht maar, en die zijn gauw genoeg om".

En de heer Rousseau denkt er niet aan, dat zij reeds nù naar buiten zouden kunnen gaan, als zij zich met iets minder tevreden wilden stellen. Adèle zou eveneens niet willen. Heeft men een bedrag vastgesteld, dan dient men te wachten tot men het heeft bereikt. Reeds tweemaal echter is mevrouw Rousseau bedlegerig geweest. Zij is echter weer opgestaan en heeft haar werkzaamheden hervat. De buren zeggen: "Dat vrouwtje zal 't ook niet lang meer maken". En zij bedrogen zich niet. Juist in de dagen dat de balans moest worden opgemaakt, moest zij voor de derde maal te bed blijven. De geneesheer komt 's morgens, praat wat met haar en schrijft verstrooid een receptje. De heer Rousseau is gewaarschuwd dat het noodlottig oogenblik nadert. Het opmaken der balans houdt hem echter beneden in den winkel en 't is al mooi als hij nu en dan vijf minuten weg kan.

Indien haar man wat al te lang bij haar in de kamer blijft, zendt zij hem weg. Het kan haar toch niet genezen of hij daar al zit en het doet de zaken maar in de war loopen. Zij is overtuigd dat de bedienden staan te kijken naar de voorbijgangers en herhaalt maar:

"Ga weer naar beneden, beste, ik verzeker je dat ik niets noodig heb. En vergeet niet de noodige registers in te slaan, want de scholen gaan weer beginnen en wij zouden er anders te kort komen".

Geruimen tijd geeft zij zich geen rekenschap van haar waren toestand. Zij hoopt steeds den volgenden dag weder op te zullen staan en weer hare plaats achter de toonbank in te nemen. Zij maakt zelfs plannen, indien zij binnenkort uit mag gaan, zullen zij een Zondag te Saint-Cloud doorbrengen. Nog nooit heeft zij zulk een groot verlangen gekoesterd de boomen te zien. Maar eensklaps, wordt zij op zekeren morgen ernstig gestemd. Dien nacht, terwijl zij daar geheel alleen neêrlag, met wijd geopende oogen, heeft zij ingezien dat zij sterven ging. Tot den avond toe zegt zij niets, ligt zij na te denken, met den blik op de zoldering gevestigd. En dien avond, houdt zij haar man bij zich terug, en spreekt zij hem heel rustig toe, alsof zij hem een rekening liet nazien.

"Luister," zeide zij: "je moet morgen een notaris gaan halen. Er woont er een hier vlak bij, in de rue Saint-Lazare".

"Waartoe dient een notaris?" roept de heer Rousseau uit: "zoo ver zijn wij toch nog niet gekomen!"

Maar zij herneemt op haar kalmen, verstandigen toon:

"Dat kan wel zijn! Maar het zal mij gerust stellen, te weten dat onze zaken geregeld zijn. Toen wij geen van beiden iets bezaten, zijn wij in gemeenschap van goederen getrouwd. En nu dat wij een stuivertje hebben verdiend, wil ik niet dat mijn familie je zou kunnen komen uitkleeden. Zoo lief is mijn zuster Agatha ook niet, dat ik haar iets zou nalaten. Liever nog nam ik alles met mij in het graf".

En zij houdt vol, haar man moet volstrekt den volgenden dag den notaris gaan halen. Als deze komt raadpleegt zij hem breedvoerig, wenschende alle maatregelen goed genomen te zien en dat men het testament niet zou kunnen betwisten. Zoodra dit gemaakt is en de notaris weder is vertrokken, strekt zij zich uit en mompelt:

"Nu kan ik tevreden sterven. Ik had wel verdiend naar buiten te gaan wonen en ik kan niet zeggen dat ik het buitenleven niet betreur; maar je moet er heengaan, jij.... Beloof mij je te zullen vestigen op het plekje dat wij uitgekozen hadden, je weet wel, het dorp bij Melun, waar je moeder geboren werd. Dat zal mij genoegen doen."

De heer Rousseau stort heete tranen. Zij vertroost hem en geeft hem allerlei goeden raad. Indien hij het niet alleen kan uithouden, zal hij wel doen met te hertrouwen, maar hij zal eene vrouw van zekeren leeftijd moeten kiezen, omdat de jonge meisjes, die een weduwnaar huwen, hem nemen om zijn geld. En zij noemt hem een hunner kennissen op, die zij gaarne zou zien, dat hij tot vrouw had.

Denzelfden nacht daarop heeft zij een vreeselijken doodstrijd. Zij voelt zich verstikken en vraagt om lucht. Françoise, de meid, is op een stoel in slaap gezonken. De heer Rousseau, die aan het hoofdeind staat, kan slechts de hand der stervende in de zijne nemen en haar drukken, om haar te zeggen dat hij bij haar is en haar niet verlaat. Tegen den morgen, gevoelt zij plotseling eene groote rust; zij is zeer bleek, haar oogen zijn gesloten en zij haalt langzaam adem. Haar echtgenoot meent dat hij wel met Françoise naar beneden kan gaan, om den winkel te ontsluiten. Als hij weder boven komt, vindt hij zijne vrouw nog altijd heel wit, in dezelfde houding uitgestrekt liggen; maar hare oogen staan nu open. Zij is dood.

Sedert langen tijd is de heer Rousseau er op voorbereid geweest haar te zullen verliezen. Hij weende dan ook niet, maar voelt zich alleen als verbrijzeld van afmatting. Hij gaat weer naar beneden, ziet toe hoe Françoise opnieuw de luiken sluit, en schrijft eigenhandig op een blad papier: "_Wegens sterfgeval gesloten._" daarna plakt hij met behulp van vier ouweltjes dit vel op het middelste luik. Boven, is men den heelen morgen bezig met het schoonmaken en schikken der kamer. Françoise neemt den vloer met een dwijl op, ruimt de medicijnfleschjes op en plaatst bij de doode een brandende kaars en een kopje met wijwater, want men verwacht Adèle's zuster, die Agatha, die zulk een vergiftige tong bezit, en de dienstbode wil niet dat men haar zou kunnen beschuldigen het huishouden te verwaarloozen. De heer Rousseau heeft een klerk uitgezonden om de noodige formaliteiten te vervullen. Hij zelve begeeft zich naar de kerk en dingt langen tijd op het tarief der begrafenisplechtigheid af. Niet dat hij er over treurt dat niet anders kan of men zal hem bestelen. Hij hield veel van zijne vrouw, en indien zij op hem kan nederzien, is hij overtuigd haar genoegen te doen met de priesters en de begrafenis-dienaren te beknibbelen. Toch wil hij, met het oog op de buurt, dat de teraardbestelling fatsoenlijk zal zijn. Hij eindigt met het eens te worden: hij zal tachtig gulden geven aan de kerk en honderd vijftig aan de begrafenis. Hij berekent dat hij er, met onvoorziene onkosten meê, met minder dan tweehonderd vijftig gulden af zal komen.

Als de heer Rousseau thuiskomt, ziet hij zijne schoonzuster Agatha bij de doode zitten. Agatha is eene lange, uitgedroogde vrouw, met roode oogen, en dunne blauwachtige lippen. Sedert drie jaar was het gezin kwade vrienden met haar geweest en zag men elkander niet meer. Zij staat vol deftigheid op, en omhelst haar zwager. Tegenover den dood, houden alle twisten op. Mijnheer Rousseau, die des ochtends niet heeft kunnen weenen, barst nu in snikken los, want hij ziet hoe bleek en strak zijne arme vrouw is, hoe weggetrokken haar neus is en hoezeer haar gelaat is gekrompen; het is ternauwernood dat hij haar herkent. Agatha stort echter geen traan. Zij heeft den besten armstoel gekozen en laat langzaam den blik door de kamer glijden, als maakte zij nauwkeurig een inventaris op van de meubels die er in prijken. Tot hiertoe heeft zij nog niet over geldzaken gesproken, maar men kan wel zien dat zij van verlangen daarnaar brandt en zich af moet vragen of er ook een testament zou bestaan.

Op den morgen van de begrafenis, juist als men de doode zal kisten, bemerkt men dat de begrafenisdienaren zich vergist hebben en een te korte kist hebben gezonden. De bidders moeten een andere gaan halen. Maar de lijkwagen staat voor de deur te wachten, en de buurt is in rep en roer. Dit maakt eene nieuwe foltering voor den heer Rousseau uit: Indien het zijne vrouw slechts weêr levend kon maken, dat zij zoo lang in huis bleef! Ten laatste haalt men de arme mevrouw Rousseau naar beneden, en blijft de doodkist maar tien minuten ten toongesteld onder de met zwart omfloersde voordeur. Een honderdtal lieden staan op straat te wachten, winkeliers der wijk, de huurders van het huis, de vrienden van het gezin, eenige werklieden in zondagsche kleederen. De stoet zet zich in beweging, mijnheer Rousseau, volgt de koets.

En op den doortocht van den stoet, maken de buurvrouwen haastig een kruisteeken, terwijl zij voortgaan onder elkander te fluisteren. Het is immers de vrouw uit den papierwinkel? Dat kleine, gele menschje, dat slechts vel en been was. O? nu, dan zal zij het beter hebben onder den grond! Wat men toch weinig van ons kan zeggen! zulke welgestelde kooplieden, die arbeidden om er op hun ouden dag van te genieten! De papierhandelaarster zal nu geen pleizier meer maken! En de buurvrouwen vinden mijnheer Rousseau heel behoorlijk, omdat hij blootshoofds, alleen en bleek, achter den lijkwagen aanloopt, terwijl zijne enkele haren in den wind fladderen.

Binnen veertig minuten tijds, hebben de priesters in de kerk de plechtigheid volbracht. Agatha, die op de voorste stoelen is gaan zitten, schijnt de opgestoken kaarsen te tellen. Zij is zonder twijfel van meening dat haar zwager er wat minder beweging van had kunnen maken; want, alles wel beschouwd, zoo er geen testament bestaat, en dat zij de helft van het fortuin heeft, zal zij haar aandeel in dezen dag moeten betalen. De priesters spreken een laatste gebed uit, de wijwaterkwast gaat van hand tot hand en men verwijdert zich. Bijna iedereen gaat heen. Men heeft de drie volgkoetsen laten voorkomen, waar eenige vrouwen in stijgen. Achter den lijkwagen blijft niemand meer over dan de heer Rousseau, die nog altijd blootshoofds is, en een dertigtal lieden, vrienden die niet durven verdwijnen. De lijkkoets is eenvoudig versierd met eene draperie omzet met witte franjes. De voorbijgangers nemen den hoed af en loopen haastig door.

Aangezien de heer Rousseau geen familiegraf bezit, heeft hij slechts een graf voor vijf jaar genomen op het kerkhof van Montmartre, zich voornemende later een blijvend graf aan te koopen en zijne vrouw te laten opgraven, opdat zij op eigen grond zou liggen.

De lijkwagen blijft aan het einde eener laan stilstaan, en men draagt nu de kist over laaggelegen graven, naar een kuil voort, die in de weeke aarde gedolven is. De aanwezigen staan zwijgend te trappelen. Daarop verwijdert de priester zich, na binnensmonds een twintigtal woorden gepreveld te hebben. Aan alle kanten strekken zich kleine, met hekken omzette tuintjes uit, graven versierd met muurbloemen en groene boomen; te midden van al dat groen, schijnen de witte steenen fonkelnieuw en heel vroolijk. De heer Rousseau wordt getroffen door den aanblik van een gedenkteeken, een smalle kolom, bekroond met de zinnebeeldige urn. Dien morgen is een steenhouwer hem komen plagen met teekeningen. En hij zegt tot zichzelven dat, wanneer hij een eigen graf zal aankoopen, hij op de laatste rustplaats zijner vrouw zulk een zuil zal laten zetten met dezelfde mooie vaas.

Maar Agathe trekt hem mede, en als zij in den winkel zijn teruggekeerd, gaat zij er eindelijk toe over de geldzaken aan te roeren. Zoodra zij verneemt dat er een testament bestaat, richt zij zich loodrecht overeind, en vertrekt, de deur achter zich dichtslaande. Nooit zal zij weder een voet in dien rommel zetten. Mijnheer Rousseau gevoelt nog altijd, bij oogenblikken, eene groote droefheid die hem verstikt; maar wat hem bovenal versuft, zijn hoofd op hol brengt en zijne ledematen doet beven, het is de gedachte dat de winkel, op een werkdag, gesloten blijft.

IV.