Chapter 6
Men kan zich voorstellen met welk een angst ik hen met de oogen volgde. Op het blanke water zag ik de minste bewegingen van Gaspard. Hij ondersteunde het jonge meisje met behulp van zijn touw, dat hij om zijn eigen hals had geslagen; zoo droeg hij haar, half rustende op zijn rechterschouder, voort. Soms werd het gewicht hem te zwaar; niettemin kwam hij vooruit, zwemmende met bovenmenschelijke inspanning. Reeds een derde van den afstand had hij afgelegd en ik twijfelde niet meer, toen hij zich plotseling stootte aan een onder water verborgen muur. De schok was verschrikkelijk. Beiden verdwenen. Daarna zag ik hem weder te voorschijn komen, alleen; het touw moest gebroken zijn. Tweemaal dook hij. Eindelijk kwam hij boven, Véronique weder rustende op zijn rug. Hij had nu echter geen touw meer om haar te steunen en de last werd te zwaar. Toch ging hij nog aldoor vooruit. Ik beefde van vreugde nu ik hen al dichter de kerk zag naderen. Plotseling, ik wilde schreeuwen, bemerkte ik balken die op hen aandreven. Mijn mond bleef wijd open staan: een nieuwen schok had hen gescheiden, de wateren waren weer gesloten.
Sinds dat oogenblik waren mijn zinnen verdwenen. Nog maar één gedachte vervulde mij, die van het beest, denkend aan zijn redding. Toen 't water nog hooger steeg, kroop ik terug. In deze verstandsverbijstering hoorde ik eensklaps luid lachen, zonder mijzelf te kunnen verklaren wie het deed. De zon ging op, een bleeke gloed overstroomde den hemel. Het was heerlijk weer, frisch en kalm, als aan den kant van een vijver voor het opgaan der zon. Aldoor klonk die luide lach en omziende zag ik Marie rechtop staan in haar doorweekte kleeren. Zij lachte zoo.
Ach, dat arme lieve kind, wat was zij teeder en beminnelijk in dat morgenuur! Ik zag haar zich bukken en in haar handen wat water scheppen, waarmede zij zich het gelaat waschte. Daarop strikte zij haar langen blonden haren in een knoop op het achterhoofd. Ongetwijfeld maakte zij haar toilet en meende zij in haar klein kamertje te zijn, op Zondagmorgen, als de klok vroolijk luidt. Zij bleef doorlachen met haar kinderlijken lach, haar heldere oogen, haar van geluk stralend gelaat.
En ik, door haar waanzin aangegegrepen, begon te lachen, evenals zij. De angst en ontzetting hadden haar krankzinig gemaakt en 't was een geluk dat zij zoo verrukt was over de heerlijkheid van dien lente-morgen.
Ik liet haar zich haasten, zonder evenwel iets te begrijpen en het hoofd schuddend. Zij knapte zich op en toen zij meende gereed te zijn, begon zij met haar glasheldere stemmetje een kerkgezang aan te heffen. Zij viel zichzelve echter in de rede en riep als antwoord op een stem, die haar riep en die zij alleen scheen te hooren: "Ik ga er heen, ik kom!"
Weder begon zij haar lofzang te zingen, daalde zachtjes het dak af en liep het water in, dat haar in zijn schoot ontving geruischloos.
Ik glimlachte aldoor en beschouwde met van geluk stralend gelaat de plek, waar zij verdwenen was.
Daarna herinner ik mij niets meer. Ik was alleen op het dak.
Nog steeg aldoor het water. Eén schoorsteen stond nog slechts overeind en ik geloof dat ik mij met al mijn krachten daaraan vastklemde, als een beest, dat niet sterven wil. En daarna niets meer, niets, een zwart gat, het eeuwige niets......
VI.
Waarom ben ik nog hier? Men heeft mij verteld, dat tegen zes uur de mannen van Saintin met hun barkassen gekomen zijn en dat zij mij bezwijmd boven op den schoorsteen hebben gevonden. De wateren zijn zoo wreed geweest mij te sparen, nadat zij al de mijnen hebben medegevoerd.
Ik, de oudste, ik moet hen allen overleven.
Zij zijn allen heengegaan, de zuigelingen, de huwbare meisjes, de jonge echtgenooten, het oude paar. En ik, ik leef nog als een onkruid, verschrompeld en verdroogd, tusschen de straatsteenen vastgeworteld. Als ik moed had, zou ik doen als Pierre en zeggen: "Bonsoir, ik heb er genoeg van!" en mij in de Garonne werpen om den weg te gaan, dien zij allen hebben gevolgd. Mijn kinderen zijn dood, mijn huis is vernield, mijn velden liggen verwoest. O, die heerlijke avonden, als wij allen aan tafel zaten, de ouden in 't midden, de kleintjes naast elkaar, wat een vroolijkheid en een warmte! En die dagen van den oogst, als wij allen hard meêwerkten en wij thuis kwamen, trotsch op onzen nieuw verworven rijkdom! En de kinderen en de wijngaarden, de meisjes en de korenvelden, dat alles, de vreugde van mijn ouderdom, de levende belooning voor mijn werkzaam leven! Nu dit alles dood is, lieve God, waarom wilt Gij nu nog dat ik zal leven!
Troost baat mij niet. Hulp wensch ik niet. Ik zal mijn akkers geven aan de dorpelingen, wier kinderen nog leven. Zij zullen den moed hebben ze van het drijfhout te bevrijden en ze opnieuw vruchten te doen dragen. Als men geen kinderen meer heeft, verlangt men niets dan een hoekje om te sterven. Slechts één wensch heb ik nog, één enkel verlangen: ik zou zoo gaarne de lichamen der mijnen terug hebben om ze te begraven op ons kerkhof, onder een steen, waar ik mij bij hen kon voegen. Men vertelde dat te Toulouse een menigte lijken waren aangespoeld.
Ik ben besloten er heen te gaan.
Wat een verschrikkelijke ramp heeft het land getroffen!
Twee duizend huizen zijn ingestort; zeven honderd menschen verloren het leven alle bruggen zijn weggeslagen; een heele landstreek is met den grond gelijk gemaakt, verdronken onder het slijk; en wat een verschrikkelijke drama's; twintig duizend ellendigen, half naakt en stervende van honger; de stad verpest door de lijken, doodsbenauwd door de vrees voor typhus; rouw overal, de straten vol lijkstaties; aalmoezen onmachtig zooveel leed te stillen. Zonder iets op te merken, liep ik midden door de ruïnes. Ik had echter mijn eigen dooden, mijn eigen leed, waaronder mijn hart verpletterd was.
Men heeft mij verteld dat inderdaad verscheidene lijken zijn opgevischt. Zij waren reeds begraven, in lange rijen, in een hoek van 't kerkhof. Men had echter zorg gedragen de onbekenden te photografeeren. En onder deze afgrijselijke portretten heb ik die gevonden van Gaspard en Véronique. De beide verloofden hielden elkaar hartstochtelijk omvat, in den dood elkander den bruidskus gevende. De verstijfde armen hielden elkaar nog stevig omklemd, de mond rustte nog tegen den mond en men zou hun de ledematen hebben moeten breken, om hen te scheiden. Zoo tezamen had men hen gephotografeerd en zij sliepen ook zoo tezamen onder den grond. Slechts die verschrikkelijke beeltenis heb ik altijd voor oogen, van die twee lieve kinderen, door de golven verzwolgen, doch op hun gelaat nog de trekken van een teederen heldenmoed. Ik staar hen aan en ween.
HOE MEN STERFT.
I.
De graaf de Verteuil is vijftig jaar. Hij behoort tot een der aanzienlijkste families van Frankrijk en is schatrijk. Verstoord op het gouvernement heeft hij zijn tijd zoek gebracht op zijn wijze en eenige artikelen geschreven in hoogst ernstige tijdschriften, welke hem een plaats bezorgd hebben in de Academie van zedekundige en politieke wetenschappen. Daarna heeft hij zich in den handel begeven, zich toegelegd op den landbouw, op schoone kunsten enz.
Eéns zelfs is hij afgevaardigde geweest en heeft hij zich onderscheiden door de hevigheid zijner oppositie.
Gravin Mathilde de Verteuil is zes en veertig jaar. Nog wordt zij de beminnenswaardigste blondine van Parijs genoemd. De ouderdom schijnt haar huid nog blanker te maken.
Vroeger was zij wat mager; tegenwoordig hebben haar schouders de ronding van een sappige vrucht aangenomen.
Nooit is zij wat men noemt schoon geweest. Als zij een salon binnentreedt met haar gouden haren en satijnen hals, lijkt zij een opgaande ster; meisjes van twintig jaar zijn zelfs jaloersch op haar.
Het huishouden van den graaf en de gravin is een van die, waar niets van te zeggen valt. Zij zijn getrouwd, zooals men meestal in hun stand trouwt. Zelfs beweert men dat zij zes jaar in de beste harmonie samen geleefd hebben.
Toen kreeg zij een zoon, Roger, die luitenant is en een dochter, Blanche, die verleden jaar getrouwd is met den heer de Bussac. In die twee kinderen vinden zij zichzelf terug. De jaren, dat zij feitelijk met elkaar gebroken hebben, zijn zij niettemin goede vrienden gebleven, het egoïsme op den voorgrond stellende. Zij vragen elkaar om raad en zijn voor 't oog van de wereld op den besten voet. Komen zij thuis, dan gaan zij naar hunne afzonderlijke vertrekken en ontvangen hun intieme kennissen ieder op eigen wijs.
Eens op een nacht kwam Mathilde om twee uur 's morgens van een bal thuis. Haar kamenier ontkleedde haar en zei, op 't oogenblik dat zij heen zou gaan:
"Mijnheer de graaf was wat ongesteld vanavond."
De gravin, half slapende, wendde loom het hoofd om, zeggende:
"Zoo!"
Zich daarna in haar bed uitstrekkende, voegde zij er bij:
"Wek mij morgen om tien uur; ik verwacht de modiste".
Toen den volgenden morgen de graaf niet aan het dejeuner verscheen, liet de gravin naar zijn toestand informeeren en besloot tenlaatste hem persoonlijk op te zoeken. Zij vindt hem zeer bleek te bed liggen. Drie geneesheeren zijn er reeds geweest, hebben zacht met elkaar gesproken en hun bevelen achter gelaten; tegen den avond zullen zij terugkomen. De zieke wordt door twee bedienden verzorgd, die ernstig en stil om hem dwalen, het geluid hunner voetstappen doovende.
De groote kamer dommelt in benauwende rust; geen stuk linnengoed is achteloos ergens neer geworpen, ieder meubel staat op zijn plaats. 't Is de kalme, bezadigde, ceremonieuse zieke, die bezoek verwacht.
"Hebt gij pijn, mijn vriend?" vroeg de gravin binnentredend.
De graaf doet een poging, om te glimlachen.
"Och, een beetje moe, zonder dat ik rusten kan," antwoordde de zieke. "Ik dank u voor uw attentie."
Twee dagen verliepen. De kamer bleef even waardig; ieder voorwerp bleef op zijn plaats, de fleschjes en potjes verdwenen zonder een spoor achter te laten.
De glad geschoren gezichten der bedienden durfden zelfs geen gevoel van verveling uitdrukken. De graaf weet evenwel dat hij in doodsgevaar verkeert; hij heeft den geneesheeren de waarheid afgedwongen en laat hen handelen zonder een klacht te uiten. Meest ligt hij met gesloten oogen, ofwel staart hij voor zich heen als dacht hij na over zijn eenzaamheid.
Aan de wereld vertelt de gravin dat haar echtgenoot ziek is. Zij heeft evenwel geen enkele harer gewoonte afgelegd, zij slaapt en eet en wandelt op haar gewone uren. Iederen avond en iederen morgen gaat zij zelf den graaf vragen hoe 't hem gaat.
"Wel, is het wat beter, mijn vriend?"
"Zeker, veel beter, dankje wel, lieve Mathilde."
"Als ge 't wenscht, zal ik bij u blijven."
"Welneen, dat is niet noodig. Julien en François zijn voldoende........ Waarom zoudt gij u vermoeien?"
Zij zelf begrepen elkaar volkomen. Zij hadden gescheiden geleefd, zij wenschten ook gescheiden te sterven. De graaf wenschte dat bittere egoïstische genot van heen te gaan geheel alleen, zonder om zich het blijspel der smart te zien. Hij wenschte voor zich zelf en voor de gravin de onaangenaamheid van het laatste tête-à-tête zoo kort mogelijk te maken.
Zijn laatste verlangen was zoo stil mogelijk te verdwijnen, als een man van de wereld, die er niet van houdt anderen overlast aan te doen.
Op een avond echter voelde hij dat de adem hem begaf en dat hij den nacht niet zou doorkomen.
Toen de gravin hem haar gewoon bezoek bracht, trachtte hij nog te glimlachen en zei:
"Neen, ga niet heen...... ik voel mij zoo vreemd".
Hij wenschte te vermijden dat de wereld praatjes omtrent haar onachtzaamheid uit zou strooien en zij, hem begrijpende, verwachtte deze vingerwijzing.
Zij installeerde zich in zijn kamer. De geneesheeren verlieten den stervende niet meer.
De beide bedienden gingen met hun gewone werkzaamheden voort, even stil en even ijverig.
Men had de kinderen laten roepen. Roger en Blanche stonden bij het bed, naast hun moeder. Andere familieleden bevonden zich in het naaste vertrek. Op deze wijze gaat de nacht voorbij, in angstige afwachting.
Tegen den morgen worden de heilige sacrementen toegediend, de graaf vond deze laatste godsdienstige ceremonie noodzakelijk. Thans kan hij in vrede sterven.
Hij haast zich echter niet en schijnt zijn krachten te herwinnen, teneinde een benauwden doodstrijd te verhinderen. Zijn ademhaling is als het geluid van een horloge dat afloopt.
't Is een man van de wereld, die hier gaat.
Als hij zijn vrouw en kinderen vaarwel gekust heeft, wendt hij zich van hen af, keert zijn gelaat naar den muur en sterft alleen.
Een der geneesheeren buigt zich over hem heen en sluit de oogen van den doode. Daarop zegt hij op zachten toon:
"Het is gedaan."
Snikken en zuchten klinken in stilte. De gravin, Roger en Blanche zijn neergeknield. Zij weenen in hun gevouwen handen; hun gezichten ziet men niet. De kinderen nemen daarop hun moeder meê, die bij de deur, nog eens haar droefheid willende toonen, een laatste zucht slaakt. Sinds dit oogenblik behoort de doode aan de treurige pracht en weelde, waarmede men hem gaat omringen.
De geneesheeren zijn vertrokken, met gebogen rug loopende, een quasi bedroefd gezicht trekkend. Men heeft bij de parochie een priester verzocht om bij het lijk te waken.
De twee bedienden blijven bij den priester, op hun stoelen gezeten, recht en onbeweeglijk dit is het einde van hun diensttijd. Een van hen bemerkt een lepel, welken men op een meubel heeft laten liggen; hij staat op en laat hem vlug in zijn zak glijden, opdat de ordelijkheid in de kamer niet gestoord worde.
Beneden in 't salon hoort men een geluid van hamers; 't zijn de behangers, die dat vertrek in lijk-kapel veranderen. De gansche dag gaat voorbij met het balsemen; de deuren zijn gesloten, de persoon die balsemt is alleen met zijn helpers. Als men den volgenden dag den graaf afdraagt en op het rustbed legt, is hij geheel gekleed, een jeugdige frischheid op 't gelaat.
Om negen uur vult zich op den dag der uitvaart, het gebouw met stemmen. De zoon en schoonzoon van den overledene, wachten in een salon op de eerste étage de bezoekers af; zij buigen en zijn stom beleefd als bedroefde menschen. De aanzienlijksten uit den lande zijn daar: de adel, het leger, de wettelijke macht; zelfs senatoren en leden van het Instituut.
Om tien uur eindelijk zet de stoet zich in beweging om naar de kerk te gaan. De lijkwagen is een eerste klasse voertuig, met pluimen versierd, gedrapeerd met zwarte kleeden met zilveren franjes. De slippen worden gedragen door een maarschalk van Frankrijk, een hertog, oud vriend van den overledene, een oud-minister en een lid van de Academie.
Roger en mijnheer de Bussac begeleiden de kist. Dan komt de stoet, een stroom van gewichtige personages, die fluisterend praten en met gemaakt-eentoonige stappen loopen, gehandschoend en zwart-gedast.
Voor alle vensters staan kijkers; de menschen staan aaneengesloten op de trottoirs, nemen de hoeden af en zien hoofdschuddend den versierden lijkwagen voorbijgaan. Het verkeer is gestremd door de onafzienbare rij van bijna ledige rouw-rijtuigen; de omnibussen, de huur-rijtuigen hoopen zich in de dwarsstraten op; men hoort het gevloek der koetsiers en het geklap der zweepen. Gedurende dezen tijd houdt de gravin de Verteuil haar kamer, zeggende dat zij van smart gebroken is.
In een luien stoel uitgestrekt, speelt zij met de uiteinden van haar ceintuur, droomerig het plafond aanstarende. In de kerk duurt de plechtigheid bijna twee volle uren. Van den morgen af ziet men niets dan ijverig in den weer zijnde priesters, bevelen gevende, zich het voorhoofd afdroogende en den neus snuitende op luidruchtige wijze.
In het midden van 't gebouw schittert in een zee van licht de zwarte catafalk. Eindelijk heeft zich de stoet geschaard, de vrouwen links, de mannen rechts; en de orgeltonen dreunen klagelijk, de koorzangers zingen fluisterend, temidden van het groene schijnsel der lichten, die een droeve bleekheid werpen over den doodenpraal.
"Moet Faure niet zingen?" vraagt een afgevaardigde aan zijn buurman.
"Ja, dat geloof ik wel", zegt deze, een oud prefect, die in de verte glimlacht tegen de dames.
En wanneer de stem van den zanger hoog opklinkt met zacht gesidder:
"Wat een methode, wat een volheid!" en hij schudt van verrukking het hoofd.
Het gansche gezelschap is aangedaan. De dames hebben een glimlach om de lippen en denken aan haar opera-avonden. Die Faure heeft waarlijk talent!
Een vriend van den doode fluistert:
"Hij heeft nog nooit zoo mooi gezongen! ........ 't Is jammer dat die arme Verteuil hem niet hooren kan; hij hield zooveel van hem!"
De priesters in hun zwarte gewaden, bewegen zich rondom den catafalk en prevelen latijnsche gebeden, met de wijkwasten sprenkelend. Na de familieleden de handen gedrukt te hebben, gaat men uiteen. Daarbuiten worden zij verblind door het volle licht.
't Is een heerlijke Juni-dag. Op het kleine plein vóór de kerk sloot men elkander aan. 't Is een heele stoet en 't kost vrij wat moeite er weer orde in te brengen. Zij, die niet verder meê gaan, verdwijnen. Op twee honderd meter afstands bespeurt men reeds aan het einde der straat de wuivende pluimen van den lijkkoets. En nog aldoor staat het pleintje vol rijtuigen. Men hoort het dichtslaan der portieren en het haastig getrappel der paarden op het plaveisel. De koetsiers rijden achter elkaar en voort gaat het naar het kerkhof.
In de rijtuigen voelt men zich weer op zijn gemak; men kan zich voorstellen langzaam een ritje naar het Bosch te maken op een schoonen lentedag.
Als men de lijkkoets niet meer ziet, vergeet men dat men een begrafenisplechtigheid bijwoont en de gesprekken worden opnieuw aangeknoopt; de dames spreken over het zomer-seizoen, de heeren over hun zaken.
"Zeg eens, mijn waarde, gaat gij van 't jaar nog naar Dieppe?"
"Ja misschien. Maar dan toch niet vroeger dan Augustus........ Zaterdag gaan wij naar ons buiten aan de Loire."
"Ja, en toen heeft hij dien brief weten machtig te worden en hebben zij geduelleerd. Och, een schrampje, meer heeft hij niet opgeloopen".
"'s Avonds heb ik nog met hem in de club gedineerd en heeft hij mij zelfs nog vijf en twintig louis afgewonnen".
"Nietwaar? De vergadering van aandeelhouders is overmorgen?...... Men wil mij lid van het Comité maken, doch ik ben zoo geweldig druk, dat ik het niet weet of ik het aan zal nemen."
Een oogenblik ging de stoet door een kleine laan.
Een frissche schaduw viel uit de boomen en een zonnige vroolijkheid zong in het groen.
Plotseling buigt zich een dame uit het portier en roept uit:
"Och, wat is het hier mooi!"
Op dit oogenblik rijdt de stoet het kerkhof Montparnasse in. De stemmen zwijgen, men hoort slechts het geknars der wielen op het zand der paden. Men steekt het kerkhof dwars over; het familiegraf der Verteuils is heel achteraan links: een groot grafgesteente van wit marmer, een soort van kapel, rijk met beeldhouwwerk versierd. Men plaatst de kist voor de deur dezer kapel en de lijkredenen beginnen.
Er worden vier gehouden. De oud-minister herdenkt het politieke leven van den gestorvene, dien hij voorstelt als een bescheiden genie, welke zeker Frankrijk zou hebben gered, als hij niet zoo'n afkeer had gehad van intrigues.
Een vriend spreekt vervolgens over de burger-deugden van den doode, welken allen beweenen. Daarop neemt een onbekend heer het woord als afgevaardigde van een industrieel genootschap, waarvan de graaf de Verteuil eere-voorzitter was geweest. Een klein mannetje, met een grijzig uiterlijk, vertelt ten slotte hoe bedroefd de Academie van zedelijke en politieke wetenschappen is over het heengaan van dezen voorbeeldigsten harer leden.
Gedurende dezen tijd nemen de toehoorders de naburige graven in oogenschouw en lezen de opschriften op de marmeren steenen. Zij, die schijnbaar toeluisteren, vangen slechts enkele klanken op. Een grijsaard, met opeengeklemde lippen, schudt het hoofd nadat hij heeft hooren spreken van: "zijn grootheid van hart, zijn edelmoedigheid en zijn goed en edel karakter...." en zegt:
"Ja, ja, ik heb hem gekend; 't was een hond van een kerel."
Het laatste vaarwel vervliegt in de lucht. Als de priesters het lijk gezegend hebben, trekt de menigte zich terug en blijven er op deze stille plaats geen anderen over, dan de doodgravers, die de kist laten zakken. De touwen schuren met een dof geraas langs de kist, die kraakt.
De gravin de Verteuil is thuis.
In haar luien stoel heeft de gravin zich niet bewogen. Nog aldoor speelt zij met den slip van haar ceintuur, de oogen naar het plafond gericht, in droomen verzonken, die langzamerhand weer een blos tooveren op haar schoon gelaat.
II.
Mevrouw Guérard is weduwe. Haar echtgenoot, dien zij sedert acht jaar heeft verloren, was magistraat. Zij behoort tot een zeer voorname familie en bezit een fortuin van twee millioen. Zij heeft drie kinderen, alle drie zoons die, bij den dood van hun vader, ieder vijfmaal honderdduizend francs hebben mede gekregen.
Deze kinderen echter, opgegroeid in zoo'n strenge, stille omgeving, hebben de weelde der vrijheid niet kunnen dragen en binnen weinige jaren hun vijfmaal honderdduizend francs verteerd. De oudste, Charles, werd een hartstochtelijk mechanicus, die zijn geld heeft weggesmeten in dolzinnige uitvindingen. De tweede, Georges, heeft zich laten uitkleeden door de vrouwen. De derde, Maurice, heeft zich door een vriend laten bestelen, met wien hij een theater op zou richten. Op 't oogenblik leven deze drie zoons op kosten hunner moeder, die hen wel wil huisvesten en eten geven, maar voorzichtigheidshalve den sleutel der brandkast bij zich houdt.
Dit gezin bewoont een groot gebouw in de rue de Turenne.
Mevrouw Guérard is acht en zestig jaar. Met den ouderdom zijn de eigenaardigheden gekomen. Zij wenscht een stilheid en netheid als van een klooster om zich. Ze is vrekkig, telt de klontjes suiker, sluit zelfs de aangebroken wijnflesschen weg, deelt het tafellinnen en de borden uit, naar gelang er noodig is. Haar kinderen houden ongetwijfeld veel van haar en, ondanks hun dertig jaar en hun dwaasheden, heeft zij hen steeds het noodige ontzag weten in te boezemen.
Ziet zij zich echter alleen, te midden van deze drie groote kwajongens, dan krijgt zij een drukkend gevoel over zich, dan vreest zij ieder oogenblik dat zij haar geld zullen vragen en zij niet zal durven weigeren het te geven. Zij is daarom zoo verstandig geweest haar fortuin in vaste goederen te beleggen en bezit drie huizen te Parijs en wat grond ter hoogte van Vincennes. Deze bezittingen kwellen haar meer dan men denkt; zij is echter tevreden en vindt steeds een uitvlucht om geen al te groote sommen te gelijk behoeven te geven.
Charles, Georges en Maurice doorsnuffelen het huis in alle hoeken, elkaar het brood betwistende en de een den ander zijn grooten honger verwijtende. De dood van hun moeder zou hen opnieuw rijk maken, dat weten zij, en achten zij voldoende om af te wachten zonder wat uit te voeren. Hoewel zij er nooit over spreken, is hun nachtmerrie de wijze waarop de verdeeling plaats zal hebben; worden zij 't niet eens, dan publiek verkoopen, wat toch altijd een schadelijke oplossing is. Zij denken aan dit alles, zonder eenig onedel verlangen, alleen maar omdat men alles van tevoren moet bezien. Zij zijn vroolijk als goede kinderen, middelmatig eerlijk; zij wenschen dat hun moeder zoo lang leeft als maar eenigszins mogelijk is. Zij hindert hen volstrekt niet. Zij wachten bedaard af, dat is alles.