Chapter 17
Langzaam beklommen wij de berghellingen. Daar omlaag, langs de Durance, strekten zich de weilanden uit, als reusachtige helgroene tapijten; vervolgens zag men gele gronden, hier en daar in ver uiteenloopende lanen verdeeld door de grijsachtige olijfboomen en magere amandelstruiken; boven op de hoogten verrezen de wijnranken, stevige planten, wier trossen op de aarde afhingen.
In het Zuiden van Frankrijk behandelt men den wijnrank als een flinke huismoeder, niet als een teer juffertje, gelijk dat in het Noorden het geval is. Hij groeit een weinig op goed geluk af, al naar dit aan regen of zon mag behagen. De struiken, die aan lange reeksen op twee rijen geplant zijn, werpen een donkergroenen gloed om zich heen. Daartusschen zaait men koren of haver. Een wijnberg gelijkt op een onmetelijk stuk gestreepte stof, vervaardigd van de groene randen der druivenranken en het gele lint der korenhalmen.
Tal van mannen en vrouwen, die op de wijnbergen zaten neêrgehurkt, sneden de druiventrossen af, om ze daarna in groote korven te werpen. Mijn oom en ik liepen langzaam voort door de laantjes tusschen de ranken. Op onzen doortocht, wendden de werklieden het hoofd om ten einde ons te groeten. Nu en dan bleef mijn oom stilstaan om de oudsten onder de arbeiders toe te spreken.
"Wel! vader André," zeide hij: "zijn de druiven goed rijp, zal de wijn van het jaar goed zijn?"
En, onder het opheffen hunner ontbloote armen hielden de boeren lange, inktzwarte trossen omhoog, wier groote druiven van kracht en volheid schenen te moeten barsten.
"Zie slechts, mijnheer de pastoor", riepen zij: "dit zijn nog de kleinsten. Er zijn er die verscheidene ponden wegen. In geen tien jaren hebben wij zooveel werk gehad".
Daarop kropen zij weder tusschen de bladeren terug. Hunne bruine vesten wierpen vlekken op het groen. En de vrouwen die blootshoofds waren en een smal blauw dasje om den hals droegen, bukten zich al zingende. Er waren ook kinderen, die in de zon tusschen de planten rolden, onder het slaken van een schel lachen, en met hunne wilde spelen die werkplaats in de open lucht opvroolijkten. Niet ver van daar wachtten groote roerlooze karren de druiven op. Men zag die wagens tegen den helderen hemel uitkomen, terwijl de mannen voortdurend op en neêr liepen om de volle manden weg te dragen en de ledige karren terug te brengen.
Ik erken, dat ik, te midden van de velden, door een gevoel van hoogmoed aangegrepen werd. Ik hoorde de aarde onder mijne voeten haar werk van vruchtbaarheid volbrengen; het rijpe, machtige leven stroomde door de aderen van den wijnberg en vervulde de lucht van een breeden ademtocht. Het bloed vloeide mij warm door het lichaam, ik werd als opgeheven door de voortbrengingskracht van den bodem, die tot mij opklom. De arbeid van deze gansche bevolking daglooners was mijn werk, die wijnranken waren mijne kinderen; dat gansche landschap werd mijn bloeiend en gehoorzaam gezin. Ik vond er behagen in te voelen hoe mijn voeten in dien weelderigen grond wegzonken.
Daarop liet ik den blik dwalen over de landerijen, welke zich tot aan de Durance uitstrekten, en ik bezat die wijnbergen, die weiden, die velden, die olijfboomen. Het huis stak wit af bij den eikenlaan; de rivier scheen een zilveren franje om den grooten groenen mantel mijner bouwakkers heengelegd. Het kwam mij een oogenblik voor dat mijne gestalte zich uitzette, dat ik slechts de armen zou behoeven uit te breiden om mijne gansche bezitting, de boomen en de velden, de woning en de bebouwde landen aan de borst te klemmen.
En terwijl ik daar toekeek zag ik, op het smalle pad, dat zich langs den heuvel opslingerde, een onzer dienstboden buiten adem komen aanloopen. Zij haastte zich zoo, dat zij tegen de keisteenen aanstootte, en zwaaide met de beide armen, ons met hare verschrikte gebaren tot zich wenkende. Eene onbeschrijfelijke ontroering greep mij bij den keel.
"Oom, oom!" riep ik uit: "Zie Marguerite toch eens aan komen snellen...... Ik geloof dat het voor heden zal zijn".
Oom Lazare werd doodsbleek. De dienstbode had eindelijk de hoogte bereikt. Zij sprong over de wijnstruiken heen om ons te naderen. Toen zij ten laatste vóór mij stond, had zij geen stem meer; zij stikte bijna, en klemde de handen tegen de borst.
"Spreek dan toch!" zeide ik: "Wat is er gebeurd?"
Zij slaakte een diepen zucht, liet de handen zinken en was ten slotte in staat dit eene woord uit te brengen:
"Mevrouw......"
Ik luisterde al niet meer.
"Kom mede, oom Lazare, kom gauw! Och mijn arme, lieve Babet!"
En zulk een spoed makende, dat ik dreigde mijn hals te breken, rende ik het pad af. De arbeiders, die overeind waren gaan staan, staarden mij glimlachend na. Oom Lazare kon mij onmogelijk bijhouden en zwaaide wanhopig met zijn stok.
"Heidaar! Jean, wat drommel!" riep hij: "wacht op mij. Ik wil de laatste niet zijn om aan te komen".
Maar ik hoorde oom Lazare niet meer, ik holde nog altoos voort.
Hijgend en vervuld van hoop en vrees, kwam ik op de hoeve aan. Haastig beklom ik de trap en klopte met de vuisten op Babet's deur aan, lachende en weenende, niet meer wetende wat ik deed. De baker opende de deur op een kier, om mij heel knorrig te zeggen dat ik zooveel leven niet mocht maken. Ik bleef wanhopig en beschaamd staan.
"Gij moogt niet binnen komen," voegde zij er bij. "Ga op de binnenplaats wachten".
En ziende dat ik geen stap verzette, ging de oude ziel voort:
"Alles gaat goed. Ik zal u roepen".
De deur werd voor mijn neus gesloten. Ik bleef er stokstijf voor staan, zonder tot het besluit te kunnen komen naar beneden te gaan. Ik hoorde Babet met gebroken stem weeklagen. En, terwijl ik daar nog was, slaakte zij een hartverscheurende kreet, die mij trof als hadde ik een kogel in de volle borst ontvangen. Er welde een onweerstaanbaar verlangen in mij om de deur met mijn schouder te verbrijzelen. Om daaraan niet toe te geven, stopte ik mijne ooren dicht en snelde ik als een waanzinnige de trappen af.
Op de binnenplaats vond ik oom Lazare, die juist buiten adem aankwam. De goede man was verplicht zich op den rand der put neêr te zetten.
"Welnu!" vroeg hij, "waar is het kind?"
"Dat weet ik niet," gaf ik ten antwoord, "men heeft mij aan de deur gezet...... Babet weent en kermt".
Wij zagen elkander aan, zonder een woord te durven uiten. Wij luisterden vol zielsangst toe, onze oogen waren niet afgewend van Babet's venster en poogden door de kleine witte gordijnen heen te dringen. Over al zijn leden bevend, bleef mijn oom roerloos zitten, met de beide handen zwaar op zijn stok steunende; ik voor mij was ten prooi aan een ware koorts en liep met groote schreden voor hem op en neer. Bij oogenblikken wisselden wij een bezorgden glimlach.
Een voor een kwamen de karren der arbeiders aan. De manden met druiven werden tegen een der muren van de binnenplaats geplaatst en in houten bakken stonden mannen met bloote beenen de trossen onder hunne voeten fijn te drukken. De muildieren hinnikten, de voerlieden vloekten, terwijl de wijn onder dof gedruisch in het groote vat neerviel. Doordringende geuren stegen op in de zoele lucht.
En als werd ik bedwelmd door die geuren, liep ik nog altijd op en neer. Mijn arm hoofd dreigde te splijten, terwijl ik het bloed der druiven zag, dacht ik aan Babet. Met eene geheel lichamelijke vreugde, zeide ik tot mijzelven dat mijn kind geboren werd op het vruchtbare tijdstip van den wijnoogst, onder de uitwasemingen van den nieuwen wijn.
Ik werd door zulk een ongeduld verteerd, dat ik andermaal naar boven ging. Maar ik durfde niet meer aankloppen, ik drukte het oor tegen het hout der deur aan en hoorde het gekreun van Babet, die zachtjes snikte. Op dat oogenblik begaf mij de moed en vloekte ik het lijden. Oom Lazare, die mij onhoorbaar had gevolgd, was verplicht mij weder naar de binnenplaats mee te voeren. Hij wilde mijne gedachten verstrooien en zeide dat de wijn uitstekend zou zijn; maar hij sprak zonder acht te geven op zijne woorden. En nu en dan, bewaarden wij beiden het stilzwijgen, om vervuld van angst, het oor te leenen aan eene langere weeklacht van Babet.
Van lieverlede werden de kreten zachter, vernam men nog slechts een smartelijk gemurmel, als de stem van een kind, dat weenend inslaapt. Daarop volgde een diepe stilte. Het duurde niet lang of dat zwijgen joeg mij een onbeschrijfelijke ontzetting aan. De woning scheen mij uitgestorven, nadat Babet niet meer snikte. Ik was op het punt naar boven te gaan, toen de baker, zonder eenig gerucht te maken, het venster ontsloot. Zij boog zich voorover, en zeide, terwijl zij mij met de hand tot zich riep:
"Kom".
Ik ging langzaam de trappen op, bij elke trede dieper vreugde smakende. Oom Lazare klopte reeds aan de deur aan, toen ik nog halverwege de trap was, er een soort raadselachtig genoegen in vindende het oogenblik te vertragen, waarop ik mijne vrouw omhelzen zou.
Op den drempel bleef ik stilstaan, terwijl mijn hart luid bonsde. Mijn oom stond over de wieg heengebogen. Doodsbleek en met gesloten oogen, scheen Babet te slapen. Ik vergat het kind, en regelrecht op haar toeloopende, nam ik haar dierbaar hoofd tusschen de handen. De tranen waren nog niet op hare wangen gedroogd, en hare nog sidderende lippen glimlachten onder die vochtige paarlen door. Met moede beweging sloeg zij de oogleden op. Zij sprak niet, maar zij scheen te zeggen: "Ik heb veel geleden, mijn beste Jean, maar ik was zoo gelukkig met die pijn; het was alsof ik u bij mij gevoelde".
Toen bukte ik, en Babet's oogen kussende, dronk ik hare tranen. Zij glimlachte zacht en liet zich met kwijnende teederheid liefkoozen. De afmatting had haar als verdoofd. Langzaam wikkelde zij hare handen uit het beddelaken los, en de armen om mijne hals strengelende, haar mond brengende aan mijn oor, fluisterde zij met zwakke stem, maar met een uitdrukking van zegepraal:
"Het is een jongen".
Het waren de eerste woorden, die zij uitte na de hevige worsteling, welke zij doorstaan had.
"Ik wist wel dat het een jongen zou zijn", ging zij voort.
"Elken nacht zag ik het kind...... Geef hem mij aan, leg hem aan mijne zijde".
Ik wende mij om en zag de baker en mijn oom staan kibbelen. De goede vrouw had alle mogelijke moeite oom Lazare te beletten den kleine in zijne armen te nemen. Hij wilde hem daarin wiegen.
Ik keek het kind aan, dat ik om de moeder had vergeten.
Hij was geheel rooskleurig. Babet verzekerde met volle overtuiging dat hij op mij geleek; de baker was van oordeel dat hij de oogen bezat zijner moeder; ik wist het niet te zeggen, ik was tot tranen toe geroerd en omhelsde het lieve wicht met innigheid, meenende dat ik zoo nog Babet kuste.
Daarna legde ik het kind op het bed neder. Hij slaakte onophoudelijk kreten, die ons voorkwamen als eene hemelsche muziek. Ik ging op den rand der legerstede zitten, mijn oom nam plaats in een grooten leuningstoel, en vermoeid en gelukkig, tot den kin toe ingestopt, bleef Babet met gesloten oogen en glimlachenden blik liggen.
Het venster stond wagenwijd open. De geur drong met de zoele lucht van dien zoeten herfstmiddag naar binnen. Men hoorde het getrappel der arbeiders, de schokken der wagens, het zweepgeklap; bij oogenblikken steeg het schrille lied naar boven, van eene over de binnenplaats heenloopende dienstbode. Al die geruchten klonken verzacht in die vreedzame rust dier kamer, waarin nog die snikken van Babet schenen te trillen. En het venster zag uit op den vollen hemel en het volle landschap met zijn heerlijk natuurtafereel. Wij konden de eikenlaan in hare volle lengte bespeuren, en verderop de Durance, die als een witsatijnen lint te midden van het goud en purper van het gebladerte heengleed; terwijl boven dat deel der aarde een hier blauw, daar rooskleurig luchtgewelf zijn doorschijnende diepte uitbreidde.
Het was in de kalmte van dien horizon, onder de uitdampingen van het wijnvat, bij de vreugde van den arbeid en van die geboorte, dat wij alle drie begonnen te praten, Babet, oom Lazare en ik, met onze blikken naar den lieven kleinen zuigeling gericht.
"Oom Lazare", zeide Babet: "welken naam zult gij aan het kind geven?"
"De moeder van Jean heette Jacqueline", gaf mijn oom ten antwoord: "Ik zal het kind Jacques noemen".
"Jacques, Jacques," herhaalde Babet: "Ja, dat is een lieve naam...... En zeg eens, wat zullen wij van dat ventje maken; een pastoor of een krijgsman, een heer of een boer?"
Ik begon te lachen.
"Wij hebben nog allen tijd daarover te denken", sprak ik.
"Volstrekt niet," verklaarde Babet, bijna verstoord. "Hij zal gauw opgroeien. Kijk eens hoe groot hij is. Zijne oogen schijnen al te spreken".
Oom Lazare was het geheel met mijne vrouw eens. Hij hernam op ernstigen toon:
"Maak er noch een priester, noch een krijgsman van, tenzij de jongen daarvoor eene onweerstaanbare roeping aan den dag legt. Een heer van hem te laten worden is een bedenkelijke zaak......"
Babet zag mij bekommerd aan. De lieve vrouw bezat voor zichzelven geen zweem van hoogmoed; maar zooals alle moeders had zij zich nederig willen maken voor haar zoon en trotsch op hem zijn. Ik zou gezworen hebben dat zij hem reeds notaris of dokter zag, en haar omhelzende, zeide ik heel zacht:
"Ik wensch dat het kind ons dierbaar dal zal bewonen. Eenmaal zal hij, aan den oever der Durance, een zestienjarige Babet vinden, wien hij te drinken geven zal. Herinnert gij u nog, liefste? Het buitenleven heeft ons vrede geschonken; onze zoon zal boer zijn als wij en als wij gelukkig wezen".
Diep geroerd, omhelsde Babet mij op hare beurt. Zij keek door het venster op het gebladerte en de rivier, de weiden en den hemel, en zeide toen glimlachend:
"Gij hebt gelijk, Jean. Deze streek is goed voor ons geweest en zal het ook zijn voor onzen kleinen Jacques.... Oom Lazare, gij zult tot peter dienen aan een pachter".
Oom Lazare stemde, met afgemat en teeder gebaar, door een hoofdknikje hier in toe. Sedert een oogenblik sloeg ik hem gade en zag ik hoe zijne oogen beneveld raakten, hoe zijne lippen verbleekten. Achterover in zijn stoel geleund, voor het openstaande venster, had hij zijne witte handen op de knieën gelegd en tuurde hij strak op den hemel, met eene uitdrukking van plechtige verrukking.
Ik begon mij ongerust te maken.
"Oom Lazare, hebt gij pijn?" vroeg ik. "Wat deert u? Antwoord mij, ik bid u".
Langzaam hief hij een zijner handen op, als wilde hij mij verzoeken zachter te spreken; daarop liet hij haar weer zinken en zeide met zwakke stem:
"Ik ben verbrijzeld. Op mijn leeftijd is geluk doodelijk...... Maak geen gedruisch...... Het is mij alsof mijn lichaam heel licht ware geworden; ik voel mijne armen of beenen niet meer".
Ontsteld hief Babet zich overeind, om oom Lazare te zien. Ik knielde naast hem neer, hem vol bezorgdheid aanstarende.
Hijzelf glimlachte en hernam:
"Maak u niet ongerust. Ik gevoel nergens pijn; iets heel zoets maakt zich van mij meester; ik geloof dat de slaap der rechtvaardigen over mij nederdaalt...... Dat heeft mij plotseling overmeesterd en ik dank er God voor. Helaas mijn arme Jean, ik heb te hard geloopen langs het heuvelpad en het kind heeft mij te veel vreugde geschonken".
En terwijl wij hem verstonden en in snikken losbarstten, ging oom Lazare voort, zonder den blik van den hemel af te wenden:
"Ik smeek u mijne vreugde niet te vergallen.... Gij moest eens weten hoe gelukkig ik ben voor altijd in dezen leuningstoel in te sluimeren! Nooit heb ik durven droomen dat mijn dood zoo troostrijk zou zijn. Ik heb hier al mijne geliefden aan mijne zijde.... En ziet eens welk een blauwe lucht! God zendt mij een schoonen avond toe".
De zon ging achter de eikenlaan onder. De schuine stralen wierpen gulden tapijten onder de boomen, die de tinten van oud koper aannamen. In de verte strekte het groene landschap zich in onbestemden vrede uit. Oom Lazare verzwakte al meer en meer, tegenover die teedere stilte, dien ondergang der zon, welke rustig het open venster binnendrong. Hij stierf langzaam weg, evenals de lichte stralen, die op de hooge takken verbleekten.
"Och! mijn dierbaar dal", prevelde hij, "gij brengt mij een liefdevol afscheid toe...... Ik was zoo bang te zullen heengaan in den winter, als gij geheel en al zwart ziet".
Wij bedwongen onze tranen, dien heiligen dood niet willende bederven. Babet bad fluisterend. Het kind slaakte nog altijd zachte kreten.
In den droom van zijn zieltogen ving oom Lazare die kreten op. Hij poogde zich tot Babet te keeren, en zeide met een laatsten glimlach:
"Ik heb het kind gezien, ik sterf heel tevreden".
Daarop keek hij naar den bleeken hemel, het blonde landschap, en het hoofd achterover werpende, slaakte hij een lichten zucht. Het lichaam van oom Lazare werd door geen enkele siddering geschokt; hij stierf zooals men in slaap verzinkt.
Wij waren vervuld geraakt van zulk een vrede, dat wij sprakeloos bleven, zonder een enkelen traan. Wij gevoelden slechts een rustige droefheid tegenover zooveel eenvoud in den dood. De schemering daalde neêr, de afscheidswoorden van oom Lazare hadden ons vertrouwen geschonken, evenals het vaarwel van de zon, die des avonds sterft, om den volgenden morgen weer geboren te worden.
Aldus verliep mijn herfstdag, die mij een zoon gaf en mijn oom Lazare in den vrede van het schemerduister medenam.
IV.
Winter.
Januari heeft sombere morgens, die het hart doen verstijven. Toen ik dien morgen ontwaakte, werd ik door een onbestemde vrees overmeesterd. In den loop van den nacht was de dooi ingevallen, en toen ik op den drempel mijner deur het landschap bekeek, scheen het mij toe een reusachtige grijsgrauwe damp te zijn, bevlekt met modder, van scheuren vervuld.
Een gordijn van nevel verborg den horizon. Te midden van die nevelen strekten de eiken der laan op onheilspellende wijze hunne zwarte takken omhoog, gelijk aan een reeks spoken, welke den mistigen afgrond bewaakten, die achter hen lag. De landerijen waren vormeloos, overdekt met waterplassen, waarlangs nog hoopen vuile sneeuw rustten. In de verte zwol de diepe stem der Durance aan.
Wanneer de hemel helder en de bodem hard is, ligt er een heilzame kracht in den winter. De lucht grijpt u dan bij de ooren en men loopt dapper voort over de bevroren paden, die onder onzen voetstap een klank van zilver aannemen. De velden spreiden zich breeder uit, zindelijk en frisch, wit van sneeuw en geel van zonneschijn. Maar ik ken niets bedroevenders dan die lauwe dagen van dooi; ik haat de nevelen, wier vochtigheid u op de schouders weegt.
Tegenover dien koperkleurigen hemel greep mij een rilling aan, en ik haastte mij naar binnen te gaan, vast besloten dien dag mijne velden niet te bezoeken. Het ontbrak niet aan werk op de hoeve zelve.
Jacques was reeds sedert lang op. Ik hoorde hem fluiten in een schuur, waar hij de arbeiders een handje hielp bij het wegdragen van zakken koren. De knaap was achttien jaar oud; het was een stevige jongen, met forsche armen. Hij had geen oom Lazare gehad om hem te bederven en Latijn te leeren, hij ging niet droomen onder de wilgen van den oever. Jacques was een ware boer geworden, een onvermoeid werkman, die boos werd als ik iets aanraakte, en mij zeide dat ik oud werd en rust moest genieten. En, terwijl ik hem van verre gadesloeg, legde een zacht en licht wezentje, dat op mijne schouders sprong, de kleine handen op mijn oogen en vroeg:
"Wie is het?"
Ik begon te lachen en antwoordde:
"Het is de kleine Marie, die hare moeder zoo pas heeft aangekleed".
Het lieve kind was bijna tien jaar oud en sedert tien jaar maakte zij de vreugde uit der hoeve. Als de laatstgeborene, en gekomen op een tijdstip dat wij niet meer durfden hopen nog een kleine te krijgen, werd zij dubbel bemind. Hare wankelende gezondheid maakte haar nog dierbaarder aan ons hart. Men behandelde haar als een jongejuffrouw; hare moeder wilde volstrekt een dame van haar maken, en ik had den moed niet iets anders te wenschen, zoo allerliefst zag de kleine Marie er uit in haar met fraaie linten versierde, zijden rokjes.
Marie zat nog altijd op mijn schouders.
"Mama, mama", riep zij, "kom toch eens kijken; ik speel paardje".
Babet, die juist binnentrad, glimlachte. Helaas! mijn arme Babet, wat waren wij al oud! Ik herinner mij dat wij dien dag van afmatting huiverden en elkaar een weemoedigen blik toewierpen, zoodra wij ons alleen bevonden. Onze kinderen schonken ons onze jeugd weer.
Het ontbijt liep heel stil af. Wij hadden ons verplicht gezien de lamp op te steken. De rosse lichtstralen, die door het vertrek heenzwierven, waren onbeschrijfelijk somber.
"Gekheid!" zeide Jacques: "deze lauwe regen is toch beter dan een hevige koude, die onze olijfboomen en onze wijnbergen zou bevriezen".
En hij poogde grappen te maken. Maar evenals als wij was hij onrustig, zonder te weten waarom. Babet had donkere droomen gehad. Met een glimlach op de lippen en een beklemd gemoed tevens, hoorden wij het verhaal van haren nachtmerrie.
"Het is het weêr dat ons allen overstuur brengt," sprak ik om iedereen gerust te stellen.
"Ja, ja, het is het weêr," haastte Jacques zich te beamen: "Ik ga een paar blokken op het vuur werpen".
Een vroolijke vlammengloed wierp groote plekken licht op de muren. Het hout brandde onder vroolijk geknetter en liet rooskleurige sintels vallen. Wij hadden voor den schoorsteen plaats genomen; daarbuiten was de lucht zoel; maar binnen in de hoeve daalde er van de zoldering een ijskille vochtigheid neder. Babet had de kleine Marie op den schoot genomen en praatte zachtjes met haar, weer vroolijk wordende door dat kinderlijk gebabbel.
"Komt gij mee, vader?" vroeg Jacques: "Wij gaan de kelders en zolders nazien".
Ik verwijderde mij met hem. Sedert eenige jaren werd de oogst slecht. Wij leden zware verliezen; onze wijnranken leden veel onder de koude; de hagel verwoeste ons koren en onzen haver. En ik zeide somstijds dat ik oud werd, en dat de fortuin, die eene vrouw is, niet van grijsaards houdt. Jacques lachtte en antwoordde dan dat hij zelf jong was en zijn hof aan de fortuin zou maken.
Ik was den winter genaderd, het koude jaargetijde. Ik gevoelde wel dat alles om mij heen wegstierf. Bij elke vreugde die verdween, dacht ik aan oom Lazare, die zoo kalm gebleven was tegenover den dood, en smeekte ik zijn dierbare nagedachtenis krachten af.
Omstreeks drie ure, werd het volslagen donker. Wij zochten toen de huiskamer op. Babet zat, met gebogen hoofd, aan een hoek van den haard te praten; de kleine Marie, die tegenover het vuur op den grond gezeten was, kleedde heel ernstig een pop aan. Jacques en ik hadden plaats genomen aan een mahoniehouten schrijftafel, welke nog van oom Lazare afkomstig was, en hielden ons bezig met het nazien onzer rekeningen.
Het venster was zoo goed als dicht gemetseld; de tegen de ruiten aangeplakte mist, sloeg een waren muur van duisternis op. Achter dien muur strekte zich de leegte, het onbekende uit. In de stilte verrees niets anders dan een luid geruisch, een luide stem, die de donkerte vervulde.
Wij hadden de arbeiders weggezonden en enkel onze oude dienstbode Marguerite bij ons gehouden. Wanneer ik het hoofd ophief en toeluisterde, kwam het mij voor alsof de boerderij boven een afgrond hing. Geen menschelijk gerucht drong van buiten tot ons door, ik hoorde niets dan het gebulder van de diepte. Dan staarde ik mijn vrouw en kinderen aan, en gevoelde ik de lafhartigheid der bejaarde lieden, die zich te zwak achten om hen die ze omringen tegen onbekende gevaren te verdedigen.
Het gedruisch werd sterker, en het scheen ons toe dat men aan de deur klopte. Op hetzelfde oogenblik begonnen de paarden op stal woedend te hinneken, hieven de koebeesten een gesmoord geloei aan. Bleek van onrust, waren wij allen overeind gesprongen. Jacques snelde op de deur toe en trok haar wagenwijd open.
Een stroom troebel water drong plotseling binnen en verspreidde zich door het vertrek.