Chapter 16
Wij sloten de gelederen als schapen, over de dooden heenloopende, versuft, nog altijd schietende. Tot daartoe had de vijand ons slechts geweerkogels toegezonden; er weergalmde een dof geknetter en een kanonskogel nam vijf van onze manschappen weg. Eene batterij, die zich vlak tegenover ons moest bevinden en niet door ons kon worden gezien, had het vuur geopend. Haar kogels troffen de volle bende, bijna op dezelfde plaats, een bloedigen doortocht banende, die wij onophoudelijk, met de halsstarrigheid van wilde beesten, weder aanvulden.
"Sluit de gelederen, sluit de gelederen!" herhaalde de kolonel ijskoud.
Wij leverden menschenvleesch aan het kanon op. Bij elken soldaat die nederstortte, kwam ik eene schrede nader bij den dood, trad ik dicht bij de plek waar de kogels op doffe wijze snorden, telkens de mannen verpletterende, die aan de beurt waren om te vallen. De lijken stapelden zich te dier plaatse op, en weldra troffen de kogels nog slechts een hoop vermorseld vleesch; bij ieder nieuw kanonschot vlogen er stukken ledematen op. Wij konden de gelederen niet meer sluiten.
De manschappen brulden, zelfs de officieren werden medegesleept.
"De bajonetten, de bajonetten!"
En onder een regen van geweerschoten, snelde het bataljon als een razende massa de kanonskogels te gemoet. Het rookgordijn scheurde weg; op een kleinen berg zagen wij de vijandelijke batterij rood van vlammen staan, die uit al de mondingen harer stukken op ons vuurde. Maar wij hadden eenmaal onzen loop genomen; de kogels hielden slechts de dooden terug.
Ik liep naast kolonel Montrevert voort, wiens paard een oogenblik te voren gedood was, en die als een gewoon soldaat mede vocht.
Plotseling werd ik nedergeworpen; het kwam mij voor dat mijne borst openspleet en dat mijn schouder werd weggenomen. Een vreeselijke ademtocht streek over mijn gelaat heen.
Ik rustte ter aarde. De kolonel stortte aan mijne zijde neder. Ik voelde mij wegsterven, ik dacht aan mijne dierbare betrekkingen, en met bevende hand naar den brief van oom Lazare tastende, verloor ik het bewustzijn.
Toen ik weder bijkwam, lag ik op mijne zijde uitgestrekt in het stof. Eene diepe verdooving had mij bevangen. Met wijdgeopende oogen staarde ik voor mij uit, zonder iets te onderscheiden; het scheen mij toe dat ik geen ledematen meer bezat en dat mijne hersenen ledig waren. Ik leed niet, want het was alsof het leven mijn lichaam verlaten had.
Een felle, onverbiddelijke zon straalde, als gesmolten lood, op mijn gelaat. Ik voelde er niets van. Van lieverlede keerde ik tot het bestaan terug, werden mijne ledematen lichter, alleen mijn schouder bleef verpletterd door een centenaarsgewicht. Met het instinct van een gewond dier, zocht ik mij daarop overeind te heffen. Ik slaakte een kreet van smart en zonk op den grond terug.
Maar ik leefde thans, ik zag wat er voorviel, ik begreep weer. De vlakte strekte zich kaal en verlaten, hagelwit in den vollen zonneschijn uit. Zij spreidde heel hare droefheid ten toon onder de brandende rust van den hemel; hoopen lijken sluimerden daar in de hitte voort, en de neergevelde boomen schenen ook al dooden, die daar lagen uit te drogen. Er heerschte geen ademtochtje van koelte. Uit de stapels lijken rees een angstwekkende stilte op; van tijd tot tijd ook werd dat zwijgen verbroken door dof gekreun, dat u eene bange rilling door de aderen joeg. Aan den horizon, op de heuvels, bleven nog kleine rookwolken hangen, het eenige wat het schitterende blauw des hemels verbrak. Op de hoogten zette men de slachting voort. Ik meende dat wij overwinnaars waren gebleven, en smaakte een zelfzuchtig genot bij de gedachte dat ik in vrede zou kunnen sterven op die eenzame vlakte. Om mij heen zag de aarde zwart. Toen ik het hoofd ophief, zag ik, op eenige meters afstands, de vijandelijke batterij, waar wij op losgestormd waren. De worsteling had afgrijselijk moeten zijn; het bergje was overdekt met neergehouwen, onherkenbare lichamen; het bloed had zoo overvloedig gestroomd, dat het stof een breed rood tapijt scheen. Boven de lijken, staken de kanonnen met hunne sombere mondingen uit. Ik huiverde, onder het luisteren naar het stilzwijgen van dat geschut.
Dank zij de grootste omzichtigheid, slaagde ik er ten laatste, heel langzaam in, mij voorover te leggen. Ik liet het hoofd rusten op een grooten, geheel bespatten steen, en haalde uit mijn borstzak den brief van oom Lazare te voorschijn. Ik hield hem voor de oogen; mijne tranen beletten mij hem te lezen.
En de zon verschroeide mijn rug, de doordringende lucht van het bloed verstikte mij bijna. Ik gevoelde mij omringd van de troosteloosheid der vlakte, ik was als verstijfd door de roerloosheid der dooden. Mijn arm hart schreide in de warme en verpeste stilte van het moordtooneel.
Oom Lazare schreef mij:
"Mijn dierbaar kind,
"Ik verneem dat de oorlog verklaard is, en ik hoop nog dat gij voor het begin van den veldslag uw paspoort zult ontvangen. Elken morgen smeek ik God u nieuwe gevaren te besparen. Hij zal mij verhooren en toestaan dat gij mij eenmaal de oogen sluit.
"Helaas! mijn besten Jean, ik word oud, ik heb behoefte aan uw sterken arm. Sedert uw vertrek voel ik niet langer uwe jeugd, die mij tot mijn twintigste jaar terugvoerde, aan mijne zijde. Herinnert gij u onze morgenwandelingen in de eikenlaan? Thans waag ik het niet meer onder die boomen te gaan; ik ben alleen, en ben bevreesd. De Durance weent. Kom mij spoedig vertroosten, mijne onrust bedaren...."
De tranen verstikten mij, ik kon niet verder gaan. Op dit oogenblik, deed zich, op eenig schreden afstand van mij, een hartverscheurende kreet vernemen; ik zag plotseling een soldaat overeind rijzen, met verwrongen gelaat; hij hief angstig de armen omhoog, en stortte ter aarde, waar hij in ontzettende stuiptrekkingen verviel; daarna verroerde hij zich niet meer.
"Ik heb mijn hoop op God gevestigd", vervolgde mijn oom. "Hij zal u behouden en wel naar Dourgues terugvoeren, en wij zullen ons vreedzaam leven hervatten. Laat mij hardop droomen, u mijne plannen mededeelen voor de toekomst:
"Gij zult niet meer naar Grenoble gaan, maar bij mij blijven; ik zal mijn kind in een zoon der aarde herscheppen, in een boer, die vroolijk voort zal leven te midden van de werkzaamheden op het veld.
"En ik zal mij terugtrekken op uwe hoeve. Mijne bevende handen zullen binnenkort niet meer in staat zijn de Hostie op te heffen. Ik vraag den hemel slechts twee jaren van een dergelijk bestaan af. Het zal de belooning wezen voor de enkele goede daden, die ik mogelijk volbracht heb. Dan zult gij mij nu en dan door de paden van ons dierbaar dal geleiden, waar elke rots, elke heg mij uwe jeugd herinneren zal, die ik zoozeer lief heb gehad...."
Andermaal moest ik ophouden met lezen. Ik gevoelde zulk een hevigen pijn aan den schouder, dat ik op het punt was opnieuw bewusteloos te geraken. Ik werd door een vreeselijken angst aangegrepen; het kwam mij voor dat het gedruisch van het geweervuur naderde, en ik bedacht vol schrik dat ons leger misschien achteruit week en dat het op zijn terugtocht de heuvelen af zou dalen, mij over het lijf zou gaan. Maar ik zag nog altijd slechts de dunne rookwolken, die over de hoogten zwierven.
Oom Lazare ging voort:
"En wij zullen met ons drieën zijn om elkander lief te hebben. O! mijn dierbaren Jean, hoezeer hebt gij gelijk gehad haar op een morgen, aan den oever der Durance, te drinken te geven. Ik voor mij, was bang voor Babet; ik was slecht gemutst, en thans ben ik jaloersch, want ik zie wel in dat ik u nooit zoozeer zal kunnen liefhebben als zij u bemint. 'Zeg hem', herhaalde zij nog gisteren blozend: 'dat zoo hij zich laat dooden, ik mij in de rivier werpen zal, op de plek waar hij mij te drinken heeft gegeven'.
"Om Gods wille! Ga omzichtig met uw leven te werk. Er zijn zaken, die ik niet bevatten kan, maar wel gevoel ik dat het geluk u hier wacht. Ik noem Babet reeds mijne dochter; ik stel mij haar voor aan uw arm, in de kerk, als ik uw huwelijk zal inzegenen. Ik wil dat dit mijn laatste mis zal zijn.
"Babet is thans een groot, mooi meisje. Zij zal u bij uwe bezigheden helpen......"
Het gedruisch van het geweervuur had zich verwijderd. Ik stortte tranen vol zoetheid. Onder de soldaten, die tusschen de wielen der kanonnen zieltoogden, stegen doffe klachten op. Ik bespeurde er een, die pogingen aanwendde om zich te bevrijden van een zijner kameraden, evenals hij gewond, en wiens lichaam zijne borst indrukte; de gekwetste verweerde zich al kermend, en de soldaat duwde hem ruw van zich af, en deed hem de helling van den heuvel afrollen, terwijl de ongelukkige brulde van pijn. Bij dat geschreeuw rees er een gerucht uit de opeenhooping van lijken op. De zon die aan het ondergaan was had rosblonde stralen. Het blauw des hemels was zachter geworden.
Ik las het slot van den brief mijn oom.
"Ik wenschte enkel", schreef hij verder: "u bericht van ons te zenden, en te smeeken ons hoe eer hoe liever gelukkig te komen maken. En daar ween ik nu en Babet ook voor als een oud kind. Blijf voorthopen, mijn arme Jean, ik bid voor u, en God is goed.
"Antwoord mij spoedig; stel zoo mogelijk, het tijdstip van uwe terugkomst vast. Babet en ik, wij tellen de weken al. Tot spoedig en goeden moed!"
Het tijdstip van mijn terugkeer!...... Ik kuste snikkend den brief, mij een oogwenk verbeeldende Babet en mijn oom te omhelzen. Ik zou hen zonder twijfel nooit wederzien, en hier als een hond sterven, in het stof, onder die brandende zon. En het was op deze spookachtige vlakte, te midden van het gereutel der zieltogenden, dat mijne dierbare betrekkingen mij vaarwel zeiden. Een ruischende stilte vervulde mijne ooren; ik bekeek de witte, van bloed beslikte aarde, die zich eenzaam uitstrekte tot aan de grijze lijnen van den horizon. Ik herhaalde: "Ik moet sterven".
Daarop sloot ik de oogen, en riep de beelden van oom Lazare en Babet voor mij op.
Ik weet niet te zeggen hoe lang ik in eene soort pijnlijke sluimering doorbracht. Mijn hart leed evenzeer als mijn lichaam. Langzaam en brandend rolden de tranen over mijn gelaat. Te midden van de nachtmerries mij door de koorts geschonken, hoorde ik een gereutel, als het voortdurend gekreun van een lijdend kind. Bij oogenblikken ontwaakte ik en staarde met verbazing naar de lucht.
Ik begreep eindelijk dat het de heer Montrevert was, op eenige passen van mij uitgestrekt, die zoo kermde. Ik had hem dood gewaand. Hij lag met het gelaat ter aarde, de armen wijd uitgespreid. De man was goed voor mij geweest; ik zeide tot mij zelven dat ik hem niet aldus kon laten sterven, met het hoofd tegen den grond, en begon behoedzaam naar hem toe te kruipen.
Twee lijken scheidden ons. Een oogenblik kwam ik op het denkbeeld over het lichaam dier dooden heen te gaan om den weg te verkorten; want, bij elke beweging, deed mijn schouder mij afschuwelijk pijn. Maar ik durfde niet. Ik kroop op de knieën voort, mij met de eene hand steunende. Toen ik bij den kolonel aangekomen was, slaakte ik een zucht van verlichting; het scheen mij toe dat ik minder verlaten was; wij zouden samen sterven, en die dood met een ander joeg me geen schrik meer aan.
Ik wilde dat hij de zon zou zien, en keerde hem zoo zacht mogelijk om. Zoodra de stralen op zijn gelaat nederdaalden, haalde hij diep adem, en opende de oogen. Over hem heengebogen, trachtte ik hem toe te lachen. Hij sloeg de oogleden weder neêr; aan zijn sidderende lippen zag ik dat hij van zijn lijden bewust was.
"Zijt gij het Gourdon?" sprak hij ten laatste met zwakke stem: "is de slag gewonnen?"
"Ik geloof van ja, kolonel", gaf ik ten antwoord.
Er volgde een oogenblik stilte, en daarop de oogen weder opslaande en mij aanziende vroeg hij:
"Zijt gij gekwetst?"
"Aan den schouder...... En gij, kolonel?"
"Mijn elleboog moet verbrijzeld zijn...... Ik herinner mij nu, het is dezelfde kanonskogel, die ons zoo toegetakeld heeft, mijn jongen".
Hij wende eene poging aan om overeind te gaan zitten.
"Komaan!" zeide hij met eene ruwe opgeruimdheid, "wij zullen hier toch niet gaan slapen!"
Men zou zich onmogelijk kunnen voorstellen welk een moed en hoop die dappere scherts mij wedergaf. Sedert wij daar met ons beiden tegen den dood worstelden, voelde ik mij wederom een ander mensch worden.
"Wacht slechts", riep ik uit, "ik zal uw arm met mijn zakdoek verbinden, en wij zullen trachten elkander tot aan de eerste ambulance de beste te steunen.
"Dat is best, mijn jongen... Haal niet al te stijf aan... Laten wij elkander nu elk bij de gezonde hand aangrijpen en probeeren op te staan."
Wij slaagden er al waggelend in. Beiden hadden wij veel bloed verloren; onze hoofden duizelden, onze beenen weigerden ons den dienst. Men zou ons voor dronken lieden hebben aangezien, zoo strompelden wij, elkander steunende en voortduwende, en daarbij omwegen makende, om de dooden te vermijden. De zon ging met rooskleurige tinten onder, en onze reusachtige schaduwen dansten op zonderlinge wijze over het slagveld. Het was het einde van de mooien dag.
De kolonel maakte grappen; zijne lippen werden door trillingen verwrongen, zijn lachen geleken op snikken. Ik gevoelde wel dat wij hier of daar neêr zouden storten om niet weder op te staan. Bij oogenblikken werden wij door eene duizeling aangegrepen, waren wij genoodzaakt stil te staan en sloten wij de oogen. Aan het eind der vlakte wierpen de ambulancen kleine grijze vlekken op de donkere aarde af.
Wij stieten tegen een grooten keisteen aan en vielen den een op den ander. De kolonel vloekte als een heiden. Wij beproefden nu op handen en voeten voort te kruipen, ons aan de distels vasthoudende. Op deze wijze legden wij een honderdtal meters op de knieën af. Maar onze knieën bloedden.
"Ik heb er genoeg van", sprak de kolonel, terwijl hij ging liggen, "men kan mij komen opnemen, zoo men wil. Laat ons slapen."
Ik hield nog de kracht over mij ten halve op te richten en uit al mijne macht om hulp te roepen. In de verte liepen mannen rond om de gewonden op te halen; zij kwamen toeloopen en strekten ons naast elkander op een draagbaar uit.
"Luister, kameraad", voegde de kolonel mij onder dien tocht toe, "de dood wil niets van ons weten. Ik heb u het leven te danken en den dag waarop gij mij noodig mocht hebben zal ik mijne schuld tegenover u afdoen.... Geef mij de hand".
Ik legde mijne hand in de zijne, en zoo kwamen wij aan de ambulancen aan. Men had toortsen ontstoken. De doktoren waren bezig, te midden van oorverdoovend gehuil, ledematen af te zetten en door te zagen; uit de bebloede doeken steeg een bedwelmende lucht op, terwijl de fakkels donkerroode tinten wierpen op de kommen.
De kolonel doorstond op heldhaftige wijze de amputatie van zijn arm; ik zag alleen hoe wit zijn lippen werden en dat er een nevel voor zijn oogen kwam. Toen men mij op mijne beurt naderde, onderzocht de chirurgijn mijn schouder.
"Dat hebt gij aan een kanonskogel te danken," zeide hij: "slechts twee centimeters lager, en uw schouder ware weg geweest. Alleen het vleesch is nu gekneusd."
Ik vroeg aan den verpleger, die bezig was mij te verbinden, of mijne wond ernstig was.
"Ernstig!" gaf hij lachend ten antwoord, "gij zult drie weken te bed moeten blijven om weder op krachten te komen".
Ik wendde mij naar den muur om, ten einde hem mijne tranen te verbergen. En voor mijn geest rezen Babet en oom Lazare op, die mij de armen toestaken. De bloedige worstelingen van mijn zomerdag waren voorbij.
III.
Herfst.
Het was bijna vijftien jaar geleden, dat ik Babet in die kleine kerk van oom Lazare gehuwd had. Wij hadden ons geluk gezocht in ons dierbaar dal. Ik was landbouwer geworden; de Durance, mijn eerste geliefde, betoonde zich thans een goede moeder voor mij en scheen er genoegen in te scheppen mijne velden malsch en vruchtbaar te maken. Dank zij de nieuwe uitvindingen welke ik op den landbouw toepaste, werd ik van lieverlede een der rijkste grondbezitters der streek.
Bij den dood der ouders mijner vrouw hadden wij de eikenlaan en de weiden, die zich aan den oever der rivier uitstrekten, aangekocht. Op dat terrein had ik eene nederige woning gebouwd, welke wij weldra verplicht waren te vergrooten; dat jaar was ik in staat mijne landerijen te vermeerderen met het een of ander nabijliggende veld, en onze zolders waren te klein om onze oogst te bevatten.
Deze eerste vijftien jaren waren onbewolkt en gelukkig. Zij verliepen in vreedzame vreugde en hebben mij slechts de onbestemde herinnering achtergelaten aan een onafgebroken en rustig geluk. Oom Lazare had zijn droom verwezenlijkt door zich bij mij terug te trekken; zijn hooge ouderdom vergunde hem niet eens meer elken morgen zijn brevier te lezen; van tijd tot tijd betreurde hij zijn lieve kerk, maar troostte zich dan door een bezoek te gaan afleggen bij den jongen vicaris, die hem vervangen had. Reeds met het aanbreken van den dageraad, verliet hij de kleine kamer, welke hij bewoonde en vergezelde mij dan dikwijls naar het veld, zich gelukkig gevoelende in de open lucht, en zijne jeugd hervindende te midden van de krachtige geuren der natuur.
Er was maar een droefheid, die ons somtijds een zucht ontlokte. De aarde mocht zoo vruchtbaar zijn als men wilde, Babet bleef kinderloos, en ofschoon wij met zijn drieën waren om elkander lief te hebben, waren er zekeren dagen waarop wij ons te eenzaam gevoelden; hadden wij zoo gaarne aan onze schoot een blond kopje gehad, dat ons geplaagd en geliefkoosd zou hebben.
Oom Lazare was doodsbang te zullen sterven aleer hij oudoom geworden was. Hij was weder als een kind geworden, en maakte zich bedroeft, omdat Babet hem geen makkertje schonk, dat met hem gespeeld zou hebben. Den dag, waarop mijne vrouw mij aarzelend toevertrouwde dat wij waarschijnlijk binnenkort met ons vieren zouden zijn, zag ik den lieven man verbleeken en moeite aanwenden om niet in tranen uit te barsten. Hij drukte ons aan het hart, dacht aan den doop en sprak van het kind alsof het reeds drie of vier jaar oud ware geweest.
En de maanden verliepen onder eene plechtige teederheid. Wanneer wij zamen zaten, praatten wij heel zacht, als wachten wij iemand af. Ik had Babet niet langer lief, ik vergoodde haar van ganscher ziele, ik beminde haar voor twee, voor haarzelve en voor den kleine.
De groote dag naderde. Ik had uit Grenoble eene baker laten komen, die de boerderij niet meer verliet. Oom doorleefde de hevigste angsten; hij had niet het minste verstand van dergelijke gebeurtenissen, en kwam er zelfs toe mij te zeggen dat hij ongelijk had gehad priester te worden en diep te betreuren dat hij niet voor dokter had gestudeerd.
Op een Septembermorgen trad ik, tegen zes ure de kamer binnen mijner lieve Babet, die nog sluimerde. Haar glimlachend gelaat rustte vreedzaam tegen het witte linnen van het oorkussen aan. Ik boog mij met ingehouden adem tot haar over. De hemel overstelpte mij met weldaden. Plotseling herinnerde ik mij weder dien zomerdag, waarop ik in het stof lag te zieltogen en thans gevoelde ik mij omringd van de vreugde van den arbeid, den vrede van het geluk. Mijne dierbare vrouw sliep, rooskleurig op hare ruime legerstede, terwijl het gansche vertrek mij onze vijftien jaren van teederheid herinnerden.
Zachtkens kustte ik Babet op de lippen. Zij sloeg de oogen op, en lachte mij spraakloos toe. Ik voelde een brandend verlangen in mij opwellen haar in de armen te nemen en aan het hart te sluiten; maar, sedert eenigen tijd, was het ter nauwenood dat ik hare hand durfde vastklemmen, zoo teêr en heilig scheen zij mij toe.
Ik ging op den rand van het bed zitten en vroeg bijna fluisterend:
"Zou het voor heden zijn?"
"Neen, dat geloof ik niet", gaf zij ten antwoord: "Ik droomde dat het een jongen was: hij was reeds heel groot en droeg allerliefste zwarte kneveltjes...... Oom Lazare zeide mij gisteren dat hij hem ook in zijn droom had gezien".
Ik beging eene groote onhandigheid.
"Ik ken het kind beter dan gij", hernam ik: "Elken nacht zie ik het, en het is een meisje......"
Maar ziende dat Babet zich naar den muur keerde, op het punt in tranen uit te barsten, begreep ik mijne domheid en haastte ik mij er bij te voegen:
"Ik zeg wel een meisje, maar ik ben er daarom niet heel zeker van. Ik zie het kind nog heel klein, met een lange witte jurk aan...... Het is zeker een jongen."
Babet omhelsde mij, ter wille van die troostwoorden.
"Ga naar het binnenhalen van de druiven kijken", hernam zij: "Ik voel mij van morgen heel wel".
"Zult gij mij laten waarschuwen als er iets gebeurde?"
"Ja, zeker. Ik ben heel afgemat ik ga nog wat slapen. Zijt gij niet boos op mij om mijne luiheid?"
En Babet sloot, kwijnend en verteederd, de oogen. Ik bleef over haar heengebogen staan, terwijl de warme ademtocht van hare lippen naar mijn gelaat opsteeg. Langzaam aan viel zij in slaap, zonder dat haar glimlach daarom verdween. Daarop wikkelde ik met de grootste behoedzaamheid mijne hand uit de hare los, wel vijf minuten noodig hebbend om die moeielijke taak te volbrengen. Ik drukte nog een kus op haar voorhoofd, zonder dat zij het voelen kon, en ging tegen wil en dank weg, met een hart vervuld van liefde.
Beneden op de binnenplaats, vond ik oom Lazare, die met bezorgdheid naar het venster van Babet's kamer opkeek. Zoodra hij mij aan zag komen, vroeg hij:
"Welnu! Zou het voor heden zijn?"
Sedert een maand richtte hij elken morgen geregeld dezelfde vraag tot mij.
"Het schijnt van neen", gaf ik ten antwoord: "Gaat gij mede naar den wijnoogst kijken?"
Hij ging zijn wandelstok halen, en wij liepen den eikenlaan door. Toen wij aan het eind daarvan gekomen waren, op dat terras dat de Durance overzag, bleven wij stilstaan en blikten op het dal.
Kleine witte wolkjes trilden aan de bleeke lucht. De zon had blonde stralen, die als het ware goudstof over het landschap strooiden; het landschap dat zijn gele vlakte in al hare rijpheid uitspreidde, en niet langer de krachtige tinten en schaduwen van den zomer bezat. De bladeren kleurden allerwegen den zwarten grond tot goud. De rivier stroomde langzamer voort, vermoeid als zij was, nu zij zoolang weder de velden bevrucht had. En het dal bleef rustig en krachtig. Het droeg reeds de eerste winterrimpels, maar zijne ingewanden behielden de warmte zijner laatste voortbrengselen. Het behield zijne breede omtrekken, beroofd van de weelderige grashalmen der lente, door zijne tweede jeugd slechts met nog trotscher schoonheid, evenals de vrouw die het leven heeft geschonken aan bezielde wezens.
Oom Lazare was sprakeloos gebleven, maar zich tot mij keerende, zeide hij plotseling:
"Herinnert gij u, Jean, hoe ik u, meer dan twintig jaar geleden, op een vroegen Mei-morgen hierheen bracht? Dien dag toonde ik u het dal aan, dat ten prooi was van een koortsachtige bedrijvigheid en de vruchten voor den herfst toebereidde. Zie thans, het dal heeft nogmaals zijn arbeid voleindigd."
"Ja gij zijt den herfst genaderd, gij hebt gearbeid en nu oogst gij in. De mensch, mijn kind, is geschapen naar het evenbeeld der aarde. En even als onze aller moeder, zijn wij onsterfelijk; de groene blaadjes staan ieder jaar uit de dorre bladeren op; ik herleef in u, en gij zult wederom in uwe kinderen herleven. Ik zeg u dit, opdat de ouderdom u geen schrik zal inboezemen, opdat gij in vrede zoudt weten te sterven, zooals dat groen sterft, dat de volgende lente weder uit zijne eigen kiemen zal oprijzen".
Ik luisterde naar mijn oom, en dacht daarbij aan Babet, die in het groote bed, tusschen het wit linnen, sluimerde. Het dierbare wezen zou een kind ter wereld brengen en daarin gelijken op dien krachtigen bodem, die ons onzen rijkdom geschonken had. Zij had ook den herfst bereikt: zij bezat den vreedzamen glimlach, den kalmen vollen wasdom van het dal. Ik meende haar in den blonden zonneschijn te zien, afgemat en gelukkig, er eene edelmoedige weelde in scheppende moeder te zijn. En ik wist niet meer te zeggen of mijn oom, mij sprak van mijn dierbaar dal of wel van mijne lieve vrouw.