Nantas

Chapter 11

Chapter 113,945 wordsPublic domain

Wat hem thans van zorg vervulde, was de vraag hoe men wederkeeren zou. Toen de jonge man hen uitgelegd had dat het er slechts op aankwam zich niet door den vloed op de rotsen te laten overvallen, werd hij opnieuw angstig.

"Gij zult mij waarschuwen niet waar?"

"Wees niet bang, ik sta voor u in".

Zij begonnen nu alle drie te visschen. Met hunne smalle netten doorzochten zij de golven. Estella ging daarbij met vrouwelijke hartstocht te werk, en zij was het, die de eerste garnalen, die groote roode garnalen ving, die hevig in de diepte van het net rondsprongen. Onder luid geschreeuw riep zij Hector toe haar te komen helpen, want die levende dieren joegen haar schrik aan, maar toen zij eenmaal gezien had, dat zij zich niet meer verroerden, zoodra men hen bij den kop aanvatten, was zij moediger, en durfde zij hen heel goed zelf in het mandje laten vallen, dat zij over den schouder droeg. Nu en dan haalde zij een heel pak zeewier op, en moest zij daarin rondtasten, wanneer een licht gedruisch, als een zacht klapgewiek haar verwittigde, dat er garnalen onder lagen. Omzichtig haalde zij de halmen uit, en wierp ze bij kleine bosjes weg maar half op haar gemak, tegenover die ineengekronkelde raadselachtige bladeren, die even kleverig en slap waren als doode visch. Van tijd tot tijd wierp zij een blik in haar mand, verlangend als zij was dat deze vol zou geraken.

"Het is vreemd", herhaalde mijnheer Chabre, "ik vang er geen enkele".

Aangezien hij zich niet tusschen de rotsspleten durfde wagen en buitendien zeer belemmerd werd in zijne bewegingen door zijn hooge laarzen, die vol water waren geraakt, duwde hij zijn net over het zand en ving hij niets dan krabben, vijf, acht, tien krabben tegelijk. Hij was er doodsbang voor en vocht met hen, om ze uit zijn net te verjagen. Bij oogenblikken keerde hij zich om en overtuigde zich vol bezorgdheid of de zee nog wel altijd afnam.

"Zijt gij zeker dat zij zich terugtrekt?" vroeg hij aan Hector.

Deze vergenoegde zich met een hoofdnikje. Wat hem betreft, hij vischte dapper voort, als iemand die de juiste plekken kent. Zoo vaak hij zijn net ophaalde, had hij dan ook handenvol garnalen. Als hij dit aan Estella's zijde deed, wierp hij zijn vangst in het korfje van de jonge vrouw. En zij lachte dan, gaf een knipoogje in de richting van haar man en bracht haar vinger aan de lippen. Zij zag er allerliefst uit, gekromd over den langen houten stok, of wel het blonde hoofd neerbuigende over het net, geheel opgewonden van nieuwsgierigheid om, te weten wat zij gevangen had. Een zachte bries deed het water verstuiven, dat van het touwwerk afdroop en als een regen wegviel, haar in een waas van dauw hullende, terwijl hare kleeding, die nu eens opfladderde, dan weder om haar heen plakte, de bevalligheid harer fijne vormen deed uitkomen.

Zij hadden aldus sedert bijna twee uren voortgevischt, toen zij ophield om een oogenblik uit te rusten, zij was buiten adem, hare lichtkleurige korte haartjes waren van zweet doortrokken. Om haar heen bleef het eene onmetelijke woestijn, vervuld van altijd voortruischende vrede, alleen scheen de zee van eene siddering bevangen, was het als werd hare murmelende stem luider. De hemel, die in vuurgloed van den laten namiddag gedompeld was, had eene lichtblauwe, bijna grijze kleur verkregen, en in weerwil van die bleeke tinten van dien smelkom, voelde men niets van hitte, steeg er koelte uit het water op, die het schelle van de zon als wegveegde en verzachtte. Wat Estella vermaakte, was, dat zij op al de rotsen eene menigte punten zag, welke zich zwart en heel duidelijk afteekenden. Het waren garnalen-visschers evenals zij, wier gestalte ongelooflijk klein scheen, niet grooter dan een mier, bespottelijkheid van onbeduidendheid in deze onmetelijkheid, wat niet wegnam, dat men elk hunner kon opmerken, de kromming van hun rug, als zij hunne netten voortduwden, of hunne uitgestrekte en bewegelijke armen, die op de hoekige pooten van een vlieg geleken, wanneer zij hun vangst uitzochten, en tegen het zeewier en de krabben vochten.

"Ik verzeker u dat zij op komt zetten!" riep mijnheer Chabre vol zielangst uit. "Kijk slechts! Die rots daarginds lag straks nog bloot".

"Zeer zeker komt zij opzetten", eindigde Hector met ongeduld ten antwoord te geven. "Het is juist als zij stijgt dat men de meeste garnalen vangt".

Maar mijnheer Chabre had het hoofd verloren. De laatste maal dat hij het net optrok, had hij een zonderlinge visch naar omhoog gehaald, een soort zeeduivel, die hem angst aanjoeg met den monsterachtigen kop, en hij had er genoeg van gekregen.

"Laat ons heengaan! laat ons heengaan! herhaalde hij. "Het is altijd dom zich bloot te stellen".

"Maar men zegt u immers dat men beter visschen kan, als de zee komt opzetten!" antwoordde zijne vrouw.

"En zij zet geducht op!" voegde Hector er halfluidend bij, terwijl zijne oogen ondeugend begonnen te flikkeren.

De golven strekten zich inderdaad verder uit en bespoelden onder luide gedruisch de rotsen. Nu en dan nam het water onverwachts een gansche landtong in. Het was de zegevierende zee, die zich weder voet voor voet meester maakte van het grondgebied waar zij sedert eeuwen met haar schuim overheen zweepte. Estella had een plas ontdekt, beplant met lange grashalmen, even buigzaam als haren, en zij ving er reusachtige garnalen; zij baande zich een spoor door het wier heen, eene open ruimte achter zich latende zooals een maaier dat zou hebben gedaan. Zij spartelde tegen, weigerde zich van daar weg te laten rukken.

"Zooveel te erger voor u!" riep mijnheer Chabre uit, met eene stem vol tranen. "Het is dollemanswerk; wij zullen er nog allen bij omkomen".

En hij verwijderde zich eerst, vol wanhoop de diepte der gaten peilende, met behulp van den stok van zijn net. Toen hij zich op twee of driehonderd pas afstands van hen bevond, haalde Hector Estella eindelijk over hem te volgen.

"Wij zullen het water tot aan de schouders krijgen", zeide hij glimlachend. "Een waar bad voor mijnheer Chabre...... Zie eens hoe diep hij reeds wegzinkt".

Sedert het oogenblik waarop zij zich op weg begeven hadden, droeg de jonge man de half verlegen, half bekommerde uitdrukking van een minnaar, die zich voorgenomen heeft eene liefdesverklaring af te leggen en er den moed niet toe vindt. Bij het werpen der garnalen in Estella's korfje, had hij wel beproefd hare vingers te ontmoeten. Maar hij was blijkbaar verwoed over zijn gemis aan stoutmoedigheid, en indien mijnheer Chabre verdronken ware, zou hij dat alleraardigst hebben gevonden, want voor het allereerst zat mijnheer Chabre hem in den weg.

"Weet gij wat?" zeide hij eensklaps. "Gij moest op mijn rug klimmen, dan zou ik u dragen. Gij zult anders doornat worden.... Welnu klauter er toch op!"

En hij bukte zich voorover. Zij weigerde, verward en blozend. Maar hij werd ruw tegen haar, en riep haar toe dat hij verantwoordelijk voor hare gezondheid was. Zij gehoorzaamde dus, daarbij de beide handen op de schouders van den jongenman leggend. Stevig als een rots, hief hij zich weder omhoog, als droeg hij slechts een vogel om den hals. Hij verzocht haar zich goed vast te houden en schreed met groote passen door het water heen.

"Het is immers rechtsaf, niet waar mijnheer Hector?" riep mijnheer Chabre, wien de golven reeds in den rug drongen, op klagenden toon uit.

"Ja, rechtsaf, altijd door rechtsaf".

En terwijl de echtgenoot voor hen uit bleef loopen bibberend van angst en de zee tot onder zijne schouders voelende stijgen, waagde Hector het een der kleine handen te kussen, die zich om zijn hals strengelden. Estella wilde ze terugtrekken, maar hij zeide haar zich niet te verroeren, want dat hij anders voor niets meer instond. En andermaal begon hij hare handen te kussen. Zij waren koel en zout, hij drukte haar de bittere weelde van den oceaan in.

"Ik bid u, laat mij met rust", herhaalde Estella, den schijn aannemende alsof zij boos was. "Gij maakt waarlijk misbruik van den toestand. Ik spring in het water als gij opnieuw begint".

Hij begon opnieuw en zij nam volstrekt geen sprong, hij omklemde nog altijd hare enkels en verslond nog steeds, zonder een woord te zeggen, hare handen, het oog gevestigd houdende op hetgeen men nog zien kon van den rug van mijnheer Chabre, het eindje van een tragischen rug, die bij elke schrede, dreigde te verdwijnen.

"Rechtsaf, zegt gij?" smeekte de echtgenoot.

"Linksaf, zoo gij verkiest!"

Mijnheer Chabre sloeg linksaf en slaakte een kreet. Hij was tot aan den hals onder water gekomen, zijn dasstrik verdronk, en Hector, die zich thans geheel op zijn gemak gevoelde, legde zijne bekentenis af.

"Ik heb u lief, mevrouw......"

"Zwijg mijnheer, ik beveel het u".

"Ik heb u lief ik aanbid u en...... tot hiertoe heeft de eerbied mij het stilzwijgen opgelegd".

Hij zag haar niet aan, maar ging voort met groote passen door het water te stappen, terwijl de zee hen tot aan de borst steeg.

De gansche toestand kwam haar zoo grappig voor, dat zij niet kon laten luidkeels te lachen.

"Komaan, zwijg liever", hernam zij op heel natuurlijke toon, hem tevens een tikje op den schouder gevende. "Wees verstandig en val vooral niet om!"

Dat tikje vervulde Hector van verrukking: het verdrag was bezegeld, en ziende dat de echtgenoot nog altijd aan zijn wanhoop overgeleverd bleef, riep de jonge man hem vroolijk toe:

"Rechtuit nu!"

Toen zij op het strand aangekomen waren, wilde mijnheer Chabre eene opheldering geven.

"Op mijn woord van eer, ik ben bijna omgekomen!" stotterde hij. "Het is de schuld van mijn laarzen...."

Maar Estella opende haar koft en toonde hem hoe deze vol garnalen was.

"Hoe? Hebt gij dat alles gevangen?" riep hij vol verbazing uit. "Gij kunt prachtig visschen!"

"O!" sprak zij glimlachend, Hector daarbij een blik toewerpend. "Mijnheer heeft geweezen hoe te doen".

V.

De Chabre's zouden nog slechts twee dagen te Piriac doorbrengen. Hector scheen geheel verslagen, woedend en toch ootmoedig. Wat mijnheer Chabre betreft hij ging elken ochtend zijne gezondheid na en toonde zich radeloos.

"Gij kunt de kust toch niet verlaten zonder de rotsen van Castelli te hebben gezien", sprak Hector op zekeren avond. "Wij moeten voor morgen een wandeling op touw zetten".

En hij lichtte zijn voorstel toe. De rotsen bevonden zich slechts op een kilometer afstands. Zij liepen over een uitgestrektheid van een halve mijl langs de zee, er waren veel grotten en half omgeworpen door de golven. Volgens hem, kon men geen woester schouwspel genieten.

"Welnu, dan zullen wij morgen gaan", eindigde Estella. "Is de weg daarheen lastig?"

"Neen, er zijn twee of drie doortochten, waar men natte voeten krijgt, dat is alles".

Mijnheer Chabre wilde echter niet eens meer zijne voeten nat maken. Sedert zijn bad, had hij de garnalenvangst opgegeven, droeg hij de zee een kwaad hart toe. Hij verzette zich dan ook zoo heftig mogelijk tegen het plan van dien wandeltocht. Het was bespottelijk zich aldus bloot te gaan stellen; wat hem betrof, hij zou nooit te midden van die rotsen afdalen, want hij gevoelde geen lust de beenen te breken, door rond te springen als een gems; als het dan volstrekt noodzakelijk was, zou hij hen van de hooge kust af vergezellen, maar daarmede betoonde hij zich nog heel inschikkelijk. In de hoop hem tevreden te stellen, kwam Hector op een plotselingen inval.

"Luister", zeide hij, "Gij komt langs het wachthuis van Caselli. Welnu! gij kunt daar binnen gaan en schelpvisch koopen bij de lieden van den seinpost.... Zij hebben er altijd prachtige, die zij bijna voor niets afstaan."

"Dat is nog eens een denkbeeld", hernam de voormalige graankooper, die weder goed geluimd werd. "Ik zal een mandje meenemen, om er mij nog eens mede vol te proppen".

En zich met eene geestige bedoeling tot zijne vrouw keerende, voegde hij erbij: "Nu ditmaal zal het misschien helpen!"

Den volgenden dag moest men op laag water wachten, om zich op weg te begeven. Maar aangezien Estella niet gereed was, geraakte men in den late en ging men eerst om vijf uur van huis. Hector beweerde echter dat men niet door den vloed overvallen zou worden. De jonge vrouw droeg slechts linnen laarzen over de bloote voeten. Zij zag er heel aardig uit in een grijs linnen japon, die heel kort was, en door haar werd opgenomen, zoodat men haar fijne enkels gewaar werd. Wat mijnheer Chabre aangaat, hij was keurig gekleed in een witten broek en een jasje van alpaga. Zijn parasol vergezelde hem weer en hij hield een korfje vast, de gewichtige uitdrukking op het gelaat van een Parijsche burger, die zelf zijne inkoopen op de markt gaat doen.

De weg, dien men af te legen had om de eerste rotsen te bereiken, was niet gemakkelijk. Men liep over een met drijfzand overdekt strand, waar de voeten in wegzonken. De voormalige graankoopman hijgde als een trekos.

"Nu! ik laat u aan uw lot over en ga naar boven", zeide hij ten laatste.

"Heel goed, sla dat pad daarginds in", gaf Hector ten antwoord. "Verderop, zou de weg voor u versperd zijn.... Wilt gij niet dat ik u helpen zal?"

En ze zagen hem de hoogte beklimmen. Toen hij daar aangekomen was, zette hij zijn parasol op, zwaaide met zijn hand en riep uit:

"Ik ben er, het is hier beter! Maar geen onvoorzichtigheden, hoort gij? Ik blijf u trouwens gadeslaan".

Hector en Estella drongen te midden der rotsen binnen. De jongeman, die hooge laarzen droeg, sprong van steen tot steen, met heel de krachtige bevalligheid en behendigheid van een bergjager. Vol dapperheid koos Estella dezelfde steenen uit, en antwoordde, zoo vaak hij zich omwendde, teneinde te vragen:

"Wilt gij dat ik u de hand reik?"

"Neen, zeker niet. Gelooft gij mij dan een grootmoedertje?"

"Het is alsof men zich thuis bevindt", herhaalde Estella vroolijk. "Men zou uwe rotsen in een salon kunnen plaatsen!"

"Wacht maar, wacht maar!" sprak Hector, "Gij zult eens zien".

Zij bereikten aldus een smallen doortocht een soort spleet, die tusschen twee reusachtige rotsblokken gaapte. In een holte zag men daar een poel, een waterkom, die den weg versperde.

"Nooit kom ik daar doorheen!" riep de jonge vrouw uit.

Hij bood aan haar daar overheen te dragen; maar zij weigerde en schudde langzaam het hoofd; zij wilde niet meer gedragen worden. Hij ging daarop overal naar groote steenen zoeken en poogde een brug te bouwen. De steenen gleden echter uit en zonken in de diepte van 't water.

"Geef mij de hand, ik zal springen", eindigde zij te zeggen, ongeduldig wordende.

En zij nam een tekorten sprong, zoodat een harer voeten in de plas terecht kwam. Dat wekte lachlust op en nauwelijks waren zij uit den smallen doortocht gekomen, of zij slaakten een kreet van bewondering.

"Zoo! zijt gij daar!" riep mijnheer Chabre van de hoogte af. "Ik maakte mij al ongerust, ik was u kwijt geraakt...... Maar waarlijk, die afgronden zijn schrikwekkend!"

Hij hield zich, voorzichtigheidshalve, op zes pas afstands van den zoom. Zijn parasol beschutte hem en zijn mand hing aan zijn arm. Hij voegt er bij:

"Gij moet oppassen: de zee klimt al sterk".

"Wij hebben den tijd, wees maar niet bang", gaf Hector ten antwoord.

Estella, die zich neder had gezet, vond geen woorden tegenover den eindeloozen horizon. Vlak voor haar verhieven zich drie door de golven afgeronde granieten zuilen, als de reusachtige kolommen van een verwoesten tempel. En daarachter spreidde de volle zee zich uit, bestraald door het gulden licht van het zesde middaguur. Haar tint was koningsblauw, bezaaid met sterretjes. Heel in de verte, tusschen twee pilaren in, wierp een klein zeil een schitterend witte vlek daarop, als de vleugel van een zeemeeuw die over het water heenstrijkt. Reeds zag men uit den bleeken hemel de mist neerdalen van het naderende schemeruur. Nooit nog had Estella zich doordrongen gevoeld van zulk een groote, teedere weelde.

"Kom mede", voegde Hector haar zachtkens toe, terwijl zijne hand haar aanraakte.

Zij sidderde, en stond op, vervuld van een kwijnend gevoel van overgave.

"Dat is het wachthuis, nietwaar, dat gebouwtje met dien mast?" riep mijnheer Chabre. "Ik ga schelpvisch koopen, en zal u wel inhalen".

Ten einde, de ontzenuwde loomheid af te schudden, waardoor zij overmeesterd werd, begon Estella nu hard te loopen als kind. Zij sprong over de plassen heen, zij drong voort naar de zee, aangegrepen door den lust den top te beklimmen van eene opeenstapeling van rotsen, welke bij hoog water een eiland vormen moest. En toen zij na met moeite omhoog te zijn geklauterd, te midden van de spleten, de punt daarvan bereikte, en op den hoogsten steen post vatte, was zij blij de gansche tragische vernieling der kust te kunnen overzien. Haar smal profil teekende zich tegen de reine lucht af, hare rokken fladderen als een vlag in den wind.

Bij het neerdalen, boog zij zich heen over al de gaten, die zij op haar weg ontmoette. Tot in de minste holten zag men kleine, rustige, sluimerende meren van volkomen doorschijnend water, welks heldere spiegel aan den hemel weerkaatste. In de diepte vormden smaragdgroene halmen een romantisch woud. Alleen groote, zwarte krabben, sprongen daar als kikvorschen in het rond, en verdwenen weer, zonder het water troebel te maken. De jonge vrouw was in gepeins verzonken, alsof haar blik was binnengedrongen in geheimzinnige landen, groote onbekende en gelukkige streken. Toen zij aan den voet der kusthoogten wedergekeerd waren, bespeurde zij dat haar metgezel zijn zakdoek met krabben had gevuld.

"Dat is voor mijnheer Chabre", zeide hij. "Ik zal het hem gaan brengen".

Mijnheer Chabre kwam juist wanhopig aanloopen.

"Zij hebben zelfs geen mossel in het wachthuis", riep hij. "Ik had wel gelijk, toen ik niet hierheen wilde komen!"

Maar zoodra de jonge man hem van verre de krabben had getoond, kwam hij tot bedaren. Hij stond verstomd van de vlugheid waarmede hij naar boven klauterde, langs een aan hem alleen bekenden weg, tegen een rots aan, die even glad scheen als een muur. Het was nog roekeloozer daar weer af te dalen.

"Het scheen niets te beduiden", zeide Hector. "Het is zoo goed als een trap; men moet alleen maar de trede vinden".

Mijnheer Chabre wilde dat men op zijne schreden terug zou keeren, de zee werd onrustbarend. En hij smeekte zijn vrouw althans naar boven te komen, en een gemakkelijk paadje te zoeken. De jonge man begon te lachen en antwoordde dat er geen weg voor dames te vinden was, dat men nu wel tot het eind toe door moest gaan. Zij hadden buitendien de rotsen nog niet gezien.

Mijnheer Chabre was dus wel verplicht over de kusthoogten voort te blijven wandelen. De zon ging onder, zoodat hij zijne parasol sloot en er zich van bediende als van een stok. In de andere hand hield hij zijn korf met krabben.

"Gevoelt gij u vermoeid?" vroeg Hector zachtjes.

"Ja, een weinig", gaf Estella ten antwoord.

Zij nam zijn arm. Zij was niet afgemat, maar gevoelde zich al meer en meer overmeesterd door eene heerlijke overgave. De ontroering welke haar aangegrepen had, toen zij den jongen man op de helling der rotsen had gezien, deed haar nog innerlijk voortbeven. Zij schreden langzaam over een eindweegs strand heen. Onder hun voeten kraakte de met overblijfselen van schelpen bestrooide bodem, als de paden van een tuin, en zij sprak niet meer. Hij wees haar twee breede spleten aan, het _Hol van den Waanzinnigen Monnik_ en _de Grot van de Kat_. Zij trad daar binnen sloeg de oogen op en neer en werd door eene kleine rilling bewogen. Toen zij hun tocht vervolgden over mooi, fijn zand, blikten zij elkander aan, nog steeds zwijgend en glimlachend. De zee steeg verder, met korte, ruischende golven, maar zij hoorden haar niet. Mijnheer Chabre begon boven hun hoofd te schreeuwen en zij hoorden hem evenmin.

"Maar het is gekkemanswerk!" herhaalde de voormalige graanhandelaar, onder het zwaaien van zijn parasol en zijn mand met krabben. "Estella!...... mijnheer Hector!...... luistert dan toch! gij zult omsingeld worden. Uwe voeten steken reeds in het water!"

Maar zij gevoelden de frischheid der kleine golven niet eens.

"Nu? wat is er? eindigde de jonge vrouw.

"O, zijt gij het, mijnheer Chabre!" zeide de jonge man. "Het is niets, maak u niet ongerust.... Wij hebben nog slechts _de Grot van Mevrouw_ te bezoeken."

Mijnheer Chabre maakte een wanhopig gebaar en voegde erbij:

"Het is waanzinnig! Gij zult verdrinken".

Zij luisterden al niet meer. Om aan den toenemenden vloed te ontkomen, liepen zij langs de rotsen voort en bereikten ten laatste de _Grot van Mevrouw._ Het was een holte gegraven in een blok graniet, dat eene overhellende berg vormde. Het zeer hooge gewelf was afgerond als dat van eene breede kerk. Tijdens stormen had het geschuifel van het water de wanden gepolijst en glansrijk gemaakt als agaatsteen. In den somberen rotskloof trokken rooskleurige en blauwe aderen prachtige en barbaarsche arasbesken, als hadden wilde kunstenaars deze balzaal voor de koninginne der zee versierd. De kiezelsteenen op den grond, die nog nat waren behielden een doorschijnend iets, dat hen deed gelijken op een schat van edelgesteenten. In de diepte was een bank van zand, heel zacht en droog, zoo lichtgeel dat zij bijna wit scheen. Estella had op het zand plaats genomen. Zij bekeek de grot.

"Men zou hier kunnen leven", prevelde zij.

Maar Hector, die sedert eenige oogenblikken de zee scheen gade te slaan, hield zich plotseling of hij zeer verslagen was.

"Och, lieve hemel! wij zitten gevangen! De golven sluiten ons den weg af...... Wij hebben nog twee uur hier te wachten".

Hij trad naar buiten en het hoofd opheffende, zocht hij mijnheer Chabre. Mijnheer Chabre bevond zich op de hoogte juist boven de grot, en riep zegevierend uit, zoodra de jonge man aangekondigd had dat zij opgesloten zaten:

"Wat heb ik u gezegd? Maar gij wilt ook nooit naar mij luisteren!...... Bestaat er eenig gevaar?"

"Hoegenaamd geen", antwoordde Hector. "De zee dringt niet verder dan vijf of zes meter de grot binnen. Maak u maar niet bang, want wij kunnen er in de eerste twee uren niet uitkomen".

Mijnheer Chabre werd boos. Zou men dan niet kunnen eten? Hij was hongerig, hij! En het was al een heel vervelende grap!

Al brommende, ging hij op het korte gras zitten, en plaatste zijn parasol aan zijn linker- en zijn mandje aan zijn rechterhand.

"Ik zal wachten, er valt niets anders aan te doen!" riep hij. "Keer tot mijne vrouw terug, en zorg dat zij geen kou vat".

In de grot ging Hector naast Estella zitten. Na een tijdlang gezwegen te hebben durfde hij het wagen hare hand te grijpen en zij trok deze niet terug. Zij staarde voor zich uit. De schemering viel in, een stof van schaduw deed langzaam aan de wegstervende zon verbleeken. Aan den horizon nam de hemel een teerkleur aan, zacht violet getint, en de zee strekte zich, van lieverlede donker wordende, uit, zonder een enkel zeil. Meer en meer drong het water de grot binnen, met zacht gedruisch de doorschijnende kiezelsteentjes voorrollende. Het bracht heel de weelde der zee mede, een streelende stem, een doordringende geur, beladen met verlangens.

"Estella, ik heb u lief", herhaalde Hector, en hij bedekte hare handen met kussen.

Zij antwoordde niet, zij was als verstikt, zij gevoelde zich als opgeheven door die aanwassende zee. Thans half uitgestrekt op het fijne zand, geleek zij eene dochter der wateren, die overvallen en reeds weerloos zou zijn. En eensklaps drong de stem van mijnheer Chabre vroolijk en luchtig tot hen door.

"Hebt gij geen honger? Ik kom er van om!... Gelukkig heb ik mijn mes bij mij. Ik neem reeds een voorproefje, weet gij, ik eet de krabben op".

"Ik heb u lief Estella", herhaalde Hector, die haar in zijne armen gestrengeld hield.