Chapter 10
Zij ging op den rug liggen om uit te rusten. Zij bewoog zich niet meer, hare handen waren op de borst gekruist, haar hoofd achterovergeworpen, zij gaf zich aan het water over. En haar blanke armen en beenen dreven boven.
"Gij zijt dus te Guérande geboren, mijnheer?" vroeg zij.
Ten einde gemakkelijk te kunnen praten, ging Hector eveneens op den rug liggen.
"Ja, mevrouw," gaf hij ten antwoord. "Ik ben nog slechts eenmaal naar Nantes geweest".
Hij deelde haar de bijzonderheden omtrent zijne opvoeding mede. Hij was opgegroeid aan de zijde zijner moeder, die erg vroom was, en de overlevering van den ouden adel ongeschonden had bewaard. Zijn leermeester, een priester, had hem ongeveer alles medegedeeld wat men op kostscholen leert, maar er veel godsdienst en wapenkunde bijgevoegd. Hij reed paard, kon schermen en hield zich veel met alle mogelijke lichaamsoefeningen bezig. Daarenboven, scheen hij even onschuldig als een maagd te zijn, want wekelijks ging hij ter communie. Hij las nooit romans en zou, zoodra hij meerderjarig werd, een leelijk nichtje trouwen.
"Hoe! Zijt gij nauwelijks twintig jaar oud!" riep Estella, en wierp dien reusachtigen knaap een verbaasden blik toe.
En zij werd moederlijk jegens hem gestemd. Zij stelde belang in dien bloem van het krachtige ras van Bretagne. Maar terwijl beiden zoo op den rug bleven liggen, met de oogen gewend naar den doorschijnenden hemel, zonder meer eenigszins acht op de aarde te slaan, waren zij zoo dicht tegen elkander aangedrongen dat hij haar even aanraakte.
"O, ik vraag u om verschooning!" zeide hij.
Zij dook weg en kwam vier meter ver weder boven. Zij begon weer te zwemmen en lachte hartelijk.
"Dat was een aanvaring", zeide zij.
Hijzelf was vuurrood geworden. Hij naderde haar en zag haar afhangende hoed. Men zag slechts haar gelaat, haar met putjes versierde kin raakte het water aan. Eenige droppels neervallende uit de blonde vlokken, welke aan het mutsje ontsnapt waren, wierpen paarlen op het dons harer wangen. En niets kon bekoorlijker zijn dan haar glimlach, door dat mooie vrouwenhoofd, dat met zacht geruisch voortgleed, slechts een zilveren spoor achterlatende.
Hector bloosde nog meer, toen hij bemerkte dat Estella zeer goed inzag dat hij haar gadesloeg en zich vermaakte met het zonderlinge figuur dat hij moest slaan.
"Mijnheer uw echtgenoot schijnt ongeduldig te worden", zeide hij om het gesprek weder aan te knoopen.
"O! neen", gaf zij rustig ten antwoord, "hij is gewoon mij op te wachten als ik baad".
Om de waarheid te zeggen, was mijnheer Chabre verre van bedaard. Hij deed vier passen vooruit, keerde dan op zijn schreden terug, om opnieuw zijne wandeling te hervatten, zijn parasol steeds sneller rond latende draaien, in de hoop dat hij daardoor wat lucht verkrijgen zou. Het onderhoud zijner vrouw met den onbekenden zwemmer begon hem verbazing in te boezemen.
Estella kwam op den inval dat hij Hector misschien niet had herkend.
"Ik zal hem toeroepen dat gij het zijt", sprak zij.
En zoodra zij van den zeebreker af verstaan kon worden verhief zij de stem.
"Weet gij beste, het is die mijnheer van Guérande, die zoo vriendelijk voor ons is geweest".
"O! zeer goed, zeer goed", riep mijnheer Chabre op zijn beurt. Hij nam zijn hoed af en groette.
"Is de zee naar uw zin, mijnheer!" vroeg hij beleefd.
"Uitstekend, mijnheer", antwoordde Hector.
En het bad wordt voortgezet onder de oogen van den echtgenoot, die zich niet meer durfde beklagen. Aan het uiteinde van den zeebreker was het water heerlijk doorschijnend en kon men duidelijk tot op den bodem zien. Estella voelde zich verrukt door die heldere diepte. Zij zwom zachtjes voort, om de oppervlakte niet al te zeer te rimpelen, en voorover gebogen, met den neus bijna in de golfjes, keek zij naar het zand en de steentjes onder haar in den geheimzinnigen nevelachtigen afgrond. Vooral de halmen joegen haar eene huivering aan, wanneer zij voor hen heenkwam. Het waren groenachtige planten, die schenen te leven en langwerpige bladeren bewogen, geheel gelijk aan een zwerm kreeftenpooten, enkele kort, ineengedrongen, vastgeklemd tusschen twee steenen: anderen weer rijzig, hoog opgeschoten en lenig als slangen. Zij slaakte telkens een zachten kreet om haar ontdekkingen aan te geven.
"O! welk een groote steen! men zou zeggen dat hij zich verroert...... En kijk eens, dien boom, een waren boom met takken!... O! en daar hebt gij een visch! Hij zwemt pijlsnel door".
Maar eensklaps riep zij uit:
"Wat is dat toch? Een bruidbouquet! Hoe! bruidsbouquetten? Zie slechts, of men niet zou zeggen dat het witte bloemen zijn. Het is heel, heel mooi".
Hector dook aanstonds weg, en kwam weder boven met een handjevol witachtige halmen, die zoodra zij uit het water kwamen weer gingen hangen en verwelken.
"Ik dank u zeer", sprak Estella. "Gij hadt u die moeite niet moeten getroosten. Luister eens beste, bewaar dat voor mij". En zij wierp de geplukte grashalmen voor de voeten van mijnheer Chabre. Nog een oogenblik lang, bleven de jonge vrouw en haar tochtgenoot doorzwemmen. Zij lieten eerst het schuim om zich heen spatten en namen snelle, kort afgebroken slagen. Dan weder schenen hun bewegingen plotseling in te sluimeren, gleden zij langzaam voort, alleen kringen om zich heen beschrijvende, die even trilden en dan wegstierven. Er lag een soort geheime, weelderige vertrouwelijkheid in, aldus omwikkeld te worden door dezelfde golf. Naar gelang dat het water zich over Estella's heenvluchtend lichaam, sloot, poogde Hector het spoor door haar achtergelaten binnen te glijden, de plaats en de warmte harer ledematen te hervinden. De zee om hen heen was nog stiller geworden en zoo lichtblauw, dat zij daarbij een bleekrooden tint verkreeg.
"Gij zult kou vatten, lieve", mompelde mijnheer Chabre, wien de groote zweetdruppels van het gelaat vielen.
"Ik zal het water uitkomen, beste", gaf zij ten antwoord.
Zij deed dit inderdaad, en liep haastig met behulp van een ketting langs de hellende steenen van den zeebreker op. Hector had zich voorgenomen haar daarbij gade te siaan. Maar toen hij het gedruisch der van haar afstervende regendroppelen vernam, en het hoofd ophief, bevond zij zich reeds boven, in hare ochtendjapon gewikkeld. Hij droeg zulk een verbaasde uitdrukking van teleurstelling, dat zij glimlachte en even rilde; zij rilde alleen, omdat zij wel wist hoe betooverend zij was, zooals zij daar huiverend, lang als zij was en terwijl hare sierlijk gedrapeerde gestalte tegen den hemel uitkwam.
De jonge man was wel verplicht afscheid te nemen.
"Tot het genoegen u weer te zien, mijnheer", zeide de echtgenoot.
III.
De Chabre's hadden te Piriac de eerste verdieping gehuurd eener groote woning, wier vensters op zee uitzagen. Aangezien men op het dorp slechts armoedige herbergen vond, hadden zij eene vrouw der streek moeten huren, die voor hen kookte. Zij maakte al een heel zonderling kostje voor hen gereed: gebraden vleesch dat bijzonder veel op steenkool geleek en sauzen, zoo onheilspellend van kleur, dat Estella vrij wat liever brood at. Maar, zooals mijnheer Chabre zeide, men was daar niet gekomen om zich eens te goed te doen. Hijzelf raakte trouwens ternauwernood vleesch of saus aan. Van ochtend tot avond propte hij zich vol met schelpvisch, met heel de gewetenstrouw van iemand die een geneesmiddel inneemt. Het ergste was, dat hij die hem onbekende dieren, met hunne grillige vormen, verfoeide, gewoon als hij altijd was aan een burgerlijken pot, en flauwe smakelooze schotels. Hij hield kinderachtig veel van zoeten wijn. De schelpvisch deed zijn verhemelte branden. Zij waren zoo zout, zoo gepeperd, zij hadden zulk een gekruiden, sterken smaak, dat hij niet na kon laten gezichten te trekken als hij ze at; maar zoo noodig zou hij zelfs schelpen hebben verzwolgen, zoo groot was zijn verlangen vader te worden.
"Lieve gij eet er niet van!" riep hij Estella dikwijls toe.
Hij eischte van haar dat zij er evenveel van zou eten als hijzelf. Hij beweerde dat dit noodzakelijk was om een goeden uitslag te verkrijgen. En dan begonnen zij het oneens te worden. Estella verklaarde dat Guirand niet van haar gesproken had, maar hij antwoordde steeds dat het niet meer dan logisch was dat zij zich beiden aan het voorschrift zouden onderwerpen. Een onweerstaanbare glimlach plooide zachtjes het kuiltje in haar kin. Zij zeide echter niets, daar zij er niet van hield iemand te kwetsen. Nadat zij een oesterbank ontdekt had, was zij er zelfs toe overgegaan om bij elk maal een twaalftal te eten. Het was niet omdat zij persoonlijk behoefte aan oesters had, maar zij hield er dol veel van.
Te Piriac leidde men een eentonig leven en Estella, die aan het gewoel van Parijs gewoon was, zou zich doodelijk verveeld hebben, indien Hector geëindigd was met hen dagelijks te bezoeken. Ingevolge van eene wandeling, die zij samen langs de kust maakten, was hij zeer bevriend met mijnheer Chabre geraakt. In een oogenblik van ontboezeming, vertrouwde mijnheer Chabre den jongen man het doel hunner reis toe, ofschoon hij zorg droeg, de meest kiesche woorden uit te zoeken, ten einde de reinheid van dien schuldelooze niet te kwetsen. Nadat hij hem op wetenschappelijke wijze uitgelegd had waarom hij zooveel schelpvisch at, zag Hector, die vergat te blozen, hem verstomd van hoofd tot voeten aan, zonder er aan te denken zijne verbazing te verhelen voor het feit, dat een onzer behoefte kon hebben aan een dergelijk dieet. Den volgenden dag kwam hij echter aanzetten met een mandje vol zeekrabbetjes, die de voormalige graanhandelaar met eene uitdrukking van dankbaarheid aangenomen had. En zeer behendig in het visschen zijnde, en al de rotsen der kust kennende, kwam hij, sedert dien, nooit meer aan zonder schelpvisch mede te brengen. Hij liet hem prachtige mosselen eten, die hij bij laag water oprapen ging; oesters, die hij met de punt van een mes van de rotsen losmaakte; allerhande beesten, waaraan hij uitheemsche namen gaf, en die hijzelf nooit geproefd had. Mijnheer Chabre, die opgetogen was, dat hij geen penning meer behoefde uit te geven, putte zich uit in dankbaarheid.
Hector vond thans altijd een voorwendsel om zich bij hen aan te melden. Zoovaak hij met zijn mandje aankwam en Estella ontmoette, voegde hij haar denzelfden volzin toe:
"Ik breng schelpvisch voor mijnheer Chabre."
En beiden begonnen te glimlachen, met half dichtgeknepen, glinsterende oogen. De schelpvisch van den heer Chabre vermaakte hen. Van dit oogenblik af, vond Estella Piriac allerliefst. Dagelijks na afloop van haar bad, maakte zij eene wandeling met Hector. Haar echtgenoot volgde hen op een afstand, want zijne beenen wogen zwaar als lood, en zij liepen niet zelden te vlug voor hem. Hector hield haar staande voor de prachtige vijgeboomen, met de breede harige leeren bladeren, die in de tuinen groeiden en hunne takken over de lage schuttingen uitstrekten. Zij drongen de nauwste steegjes binnen, en bogen zich over den rand der putten heen, in de diepte waarvan zij hun eigen lachend beeld weerkaatst zagen door het heldere water, dat even wit als spiegelglas was; terwijl achter hen aan, mijnheer Chabre zijn schelpvisch voortdroeg, beschut door het groene percaline van zijn parasol, zijn onveranderlijke tochtgenoot.
Den eersten Zondag meende Estella naar de Mis te moeten gaan. In Parijs begaf zij zich nooit naar de kerk. Maar buiten leverde de mis een afwisseling op, en een gelegenheid om toilet te maken en menschen te zien. Zij trof er trouwens Hector aan, die bezig was in een reusachtig gebedenboek met versleten band te lezen. Hij hield niet op, haar over zijn boek heen aan te staren. Zijn lippen waren ernstig geplooid, maar zijne oogen schitterden zoo, dat men er een glimlach in raadde. Bij het uitgaan der kerk bood hij haar den arm aan, om het kleine kerkhof over te steken, dat het gebouw omringt. Dien middag, na de vesper, had men een ander schouwspel, een processie naar een Christus, dien men aan het eind van het dorp had aangebracht. Voorop liep een boer, met een violetkleurig, goud doorstikt zijden banier, aan een roode stok. Dan volgden twee lange reeksen van vrouwen op behoorlijken afstand van elkander. De priesters gingen in het midden, een pastoor, een kapelaan en de gouverneur van een naburig slot, alle drie uit volle borst zingende. Ten slotte, achter een witte banier, die gedragen werd door een stevig meisje met verbrande armen, trippelde de stoet der geloovigen langzaam voort, als een ongeregelde kudde, onder een luid geklots van klompen.
Toen de processie langs het havenhoofd heenkwam, teekenden de banieren en de witte mutsen der vrouwen zich in de verte af tegen het schelle blauw der zee, en nam die langzame optocht in den zonneschijn iets zeer reins aan.
Estella voelde zich bijzonder door het kerkhof verteederd. Gewoonlijk hield zij niet van weemoedige zaken. Den dag van haar aankomst had het haar een rilling aangejaagd al die graven te zien, die zich onder haar venster uitstrekten. De kerk stond op het havenhoofd, omgeven van de kruisen, wier armen zich naar de onmetelijkheid van het water en den hemel uitbreidden; en gedurende de stormachtige nachten woedde de zeewind in dat woud van zwarte planken. Maar zij was spoedig gewoon geraakt aan dien rouw, zooveel vroolijke rust ging er van dien kleinen doodenakker uit. De afgestorvenen schenen er te glimlachen, te midden der levenden, die hen zoo dicht omringden.
Op zekeren avond, dat Estella aan Hector's arm huiswaarts keerde, voelde zij den lust in zich oprijzen deze verlaten plaats te betreden. Mijnheer Chabre vond dien inval al te dichterlijk en verzette er zich tegen door zelf den dijk over te gaan. Zij was verplicht den arm van den jongeling los te laten, zoo smal was het laantje. Men hoorde haar gewaad te midden van de hooge grashalmen ruischen. De geur der bremstruiken was zoo sterk, dat de verliefde poesjes niet op de vlucht togen, maar half bedwelmd onder het groen bleven schuilen. Op het oogenblik dat zij in de schaduw der kerk kwamen, voelde zij dat Hector de hand om haar middel sloeg. Zij ontstelde en slaakte een kreet.
"Het is dwaas!" zeide zij, zoodra zij weder uit de schaduw traden, "Ik meende dat een schim mij mede trok".
Hector begon te lachen en meende eene opheldering te moeten geven.
"O! het was zeker een tak, de eene of andere bremstruik, die uwe japon zal hebben aangeraakt!"
Zij bleven stilstaan, wierpen een blik op de kruisen om hen heen, verteederd door die diepe rust van den dood; en zonder meer een woord te zeggen, verwijderden zij zich, zeer ontroerd.
"Gij zijt bang geweest, ik heb u hooren schreeuwen", zeide mijnheer Chabre. "Dat is uw verdiende loon!"
Als het water hoog stond, ging men bij wijze van verstrooiïng de sardineschuiten zien binnenloopen. Zoodra een schip koers naar de haven zette, verwittigde Hector het echtpaar daarvan. Maar reeds na het zesde vaartuig, had mijnheer Chabre verklaard dat het altijd dezelfde vertooning was. Estella scheen daarentegen het schouwspel niet moede te worden, en vond er steeds grooter behagen in zich naar den zeebreker te begeven. Men moest dikwijls hard loopen. Zij sprong over de groote, losgewoelde steenen, en liet hare rokken, die zij met de eene hand vast hield om niet te vallen rondfladderen. Als zij aankwam, was zij half verstikt, bracht zij de handen aan hare borst, en wierp zij het bovenlijf achterover, om weer op adem te komen. En Hector vond haar betooverend aldus, met de verwarde lokken, de vermetele uitdrukking en hare jongensachtige manieren. Maar reeds lag de schuit stil, en brachten de visschers de korven sardines naar boven; de visschen verkregen in den zonneschijn een zilverglans, er waren er bij die blauw schenen, anderen weer getint als safieren of als lichtkleurige robijnen. De jonge man gaf dan steeds dezelfde uitlegging: elke mand bevatte duizend sardines; de duizend sardines vertegenwoordigden eene waarde, die elken morgen bepaald werd, al naar gelang dat de vangst mee of tegen was geloopen, en de visschers verdeelden onder elkander de koopsom, nadat zij er eerst een derde van hadden afgestaan aan den eigenaar van den schuit. Daarna volgde het pekelen, dat onmiddellijk plaats had, in tonnen met gaten, opdat het water van den pekel weg zou kunnen loopen. Maar van lieverlede toch, begonnen Estella en haar metgezel de sardines te verwaarloozen. Zij gingen ze nog zien, maar gunden er geen blik meer aan. Zij liepen er in allerijl heen, en keerden heel langzaam en als afgemat weder, terwijl zij zwijgend op de zee tuurden.
"Waren de sardines mooi?" vroeg mijnheer Chabre telkens, als zij terugkwamen.
"Ja, heel mooi", gaven zij ten antwoord.
Des Zondags had men te Piriac het schouwspel van een bal in de open lucht. De knapen en meisjes der streek, draaiden uren lang, met ineengestrengelde handen, in het rond, onder het herhalen van hetzelfde lied op éénen denzelfden doffen, maar zeer gelijkmatigen toon. Die ruwe stemmen, die zich te midden van de schemering verhieven, namen op den langen duur eene wilde bekoorlijkheid aan. Estella, die op het strand was gezeten en Hector aan hare voeten had, luisterde toe, weldra geheel verdiept in droomen. De zee klom zachtjes voort, met een luid liefkoozend gedruisch. Als de golven op het strand aanspoelden, was het als plotseling, en stierf met het terugtrekkende water de kreet weg in een klagend gemurmel van bedwongen liefde. De jonge vrouw verlangde er naar aldus bemind te worden, door een reus, die zij in een kleinen knaap zou herschapen.
"Gij moet u zeker vervelen te Piriac, liefste?" vroeg mijnheer Chabre nu en dan aan zijn vrouw.
En zij haastte zich te antwoorden:
"Neen, waarlijk niet, dat verzeker ik u".
Na verloop van veertien dagen, wilde mijnheer Chabre, die zich doodelijk verveelde, naar Parijs terugkeeren. Hij beweerde dat de schelpvisch reeds moest hebben gewerkt. Maar zij kwam daartegen op.
"O! beste, gij hebt er nog niet genoeg van gegeten. Ik weet immers wel dat gij er nog meer behoeft".
IV.
Op zekeren avond zeide Hector tot het gezin:
"Wij zullen morgen een hoogen vloed hebben.... Wij zouden dan op de garnalenvangst kunnen gaan".
Dit voorstel scheen Estella bijzonder toe te lachen. Ja, ja, men moest garnalen gaan visschen! Sedert lang had zij van dit uitstapje gedroomd. Mijnheer Chabre kwam er tegen in verzet. Vooreerst, ving men nooit iets, en in de tweede plaats was het veel eenvoudiger voor tien stuiver de vangst eener vrouw der streek te gaan koopen, zonder tot aan het middel toe nat te worden en zijne voeten stuk te loopen. Maar hij moest toegeven aan de opgewondenheid zijner vrouw en men begon de grootste toebereidselen te maken.
Hector had zich belast met het verschaffen der netten. In weerwil van zijn angst voor koud water, had mijnheer Chabre verklaard dat hij de anderen vergezellen zou, en van het oogenblik af, dat hij er in toestemde op de vischvangst uit te gaan, was hij ook voornemens in alle ernst te visschen. Dien morgen liet hij een paar laarzen met traan insmeren; daarna stak hij zich van hoofd tot voeten in een pak van lichtkleurig linnen; maar zijn vrouw kon niet van hem verkrijgen dat hij geen zorg besteden zou aan zijn dasstrik, en de punten daarvan spreidden zich even deftig uit, alsof hij zich naar eene huwelijksplechtigheid moest begeven. Die strik was zijn protest van fatsoenlijk man tegen de wanorde van den oceaan. Wat Estella, betreft, zij trok eenvoudig haar badcostuum aan, waarover zij een Persey aandeed. Ook Hector was in badkleeding.
Omstreeks twee uur begaf het drietal zich op weg. Elk hunner droeg een net op den schouder. Men moest een halve mijl over het zand en de duinplanten afleggen, alvorens een rots te bereiken, waar Hector beweerde dat men ware garnalen-banken vond. Hij leidde rustig het echtpaar voort, door waterplassen heenstappende en recht voor zich uitgaande, zonder zich er over te bekommeren, of de weg goed was of slecht.
"Is het dan zoo heel ver, mijnheer Hector? Zie toch eens waarom zouden wij daarginds niet visschen? Ik verzeker u dat ik garnalen zie. Er zijn er bovendien overal in zee te vinden, niet waar? En ik durf wedden dat men slechts zijn net behoeft uit te slaan".
"Doe dat maar, Mijnheer Chabre", antwoorde Hector.
En om weer bij adem te komen, sloeg mijnheer Chabre zijn net uit in een plas niet grooter dan eene hand. Het gat was zoo ledig en helder, dat hij niets ving, zelfs geen zeewier. Dan hervatte hij den tocht met eene waardige uitdrukking en op elkander geknepen lippen. Maar, aangezien hij zijn tijd verspilde door te willen bewijzen dat er overal garnalen te vinden waren, eindige hij met een heel eind achter te blijven.
De zee nam nog steeds af, en trok zich terug tot op meer dan een kilometer van de kust. Estella, die in haar volle lengte opgericht stond, liet de oogen over die kalme onmetelijkheid der zee dwalen.
"Hoe verheven!" mompelde zij.
Hector wees haar met den vinger enkele rotsen aan, groen geworden gevaarten, welke door de stortzeeën uitgesleten waren.
"Deze hier", zeide hij, "komt slechts tweemaal per maand bloot. Men gaat er mosselen zoeken....... Ziet gij daarginds die bruine vlek? Men noemt haar de 'Vaches-Rousses'. Het is de beste plek voor kreeften. Men krijgt die rotsen slechts met de twee groote getijden van het jaar te zien! Maar wij moeten voortmaken. Wij begeven ons naar de rotsen, waarvan de punten zich beginnen te vertoonen".
Toen Estella de zee inging, was zij buiten zichzelve van vreugde. Zij trok de voeten heel hoog op en zette ze met kracht weer neder, luidkeels lachend over het opspatten van het schuim. Toen zij, vervolgens, water tot aan de knieën voelde, was zij gedwongen tegen de golven te worstelen; en zij vond er vermaak in heel snel voort te loopen, dien weêrstand en dat ruwe aanhoudende geschuivel te voelen, dat haar tegen de beenen drong.
"Wees niet bang", zeide Hector, "gij zult het water tot aan het middel krijgen, maar de grond wordt daarna weder hooger...... Wij zijn er haast......"
Van lieverlede begonnen zij inderdaad weder te stijgen. Zij hadden een kleinen zee-arm doorkruist, en bevonden zich thans op een breede rotsvlakte, welke de zee open gelaten had. Toen de jonge vrouw zich omwendde, slaakte zij een lichten kreet, zoo ver was zij van den oever. Heel in de verte, vlak aan de kust, vertoonde Piriac de enkele vlekken zijner witte huizen en den vierkanten toren zijner kerk, versierd met groene luiken.
Nooit had zij eene dergelijke uitgestrektheid aanschouwd als deze, die in den helderen zonneschijn gestreept was door het goud van het zand, het donkergroen der zeevarend en de vochtige schitterende tinten der rotsen. Het scheen het uiteinde der aarde, het veld van verwoesting waar het niet begon.
Estella en Hector maakten zich gereed voor het eerst hunne netten uit te werpen, toen zich een weeklagende stem deed vernemen. Mijnheer Chabre die midden in den kleinen zee-arm stond vroeg naar den weg.
"Waar moet ik heenloopen!" riep hij. "Is het rechtdoor, zeg?"
Het water steeg hem, tot den gordel; hij durfde geen voet meer verzetten, vol ontzetting bij de gedachte dat hij in een gat kon vallen en verdwijnen.
"Linksaf!" riep Hector hem toe.
Hij gehoorzaamde aanstonds; maar ziende dat hij steeds dieper kwam, bleef hij andermaal verschrikt stilstaan, niet eens meer den moed behoudende op zijne schreden terug te keeren. Hij jammerde slechts.
"Kom mij de hand vatten. Ik verzeker u dat er gaten zijn. Ik voel ze.
"Rechtsaf, mijnheer Chabre, rechtsaf!" riep Hector.
En de arme man vertoonde zulk een gek figuur, daar midden in het water, met zijn net op den schouder, en zijn dasstrik, die nog altijd even keurig zat, dat Estella en Hector onmogelijk een glimlach konden bedwingen. Hij eindigde met zich uit den nood te redden. Maar hij was bij zijne aankomst zeer ontroerd, en zeide op woedende toon:
"Ik kan niet zwemmen, ik!"