Chapter 12
"Dalen, en wel om deze reden. Wij zijn in eene uitgestrekte ruimte aangekomen, waarop een groot aantal galerijen uitloopen. Die welke gij gevolgd hebt, moet er u stellig heenbrengen, want het schijnt, dat al die spieten en scheuren van den bol als stralen uitgaan van het onmetelijke hol, waarin wij ons bevinden. Sta dus op en ga weder op weg; loop, kruip, als het zijn moet, glijd van de steile hellingen af en gij zult onze armen gereed vinden om u aan het einde van den weg op te vangen. Op weg, mijn kind! op weg!"
-- -- --
Die woorden bemoedigden mij weder.
"Vaarwel, oom!" riep ik, "ik vertrek. Onze stemmen kunnen de gemeenschap niet langer onderhouden, zoodra ik deze plaats heb verlaten. Vaarwel dan!"
-- -- --
"Tot weerziens, Axel! tot weerziens!"
-- -- --
Dit waren de laatste woorden, die ik hoorde. Dit vreemde gesprek, gevoerd door de dichte massa der aarde heen, terwijl de sprekers meer dan een uur gaans van elkander verwijderd waren, eindigde met die vertroostende woorden. Ik zond een dankgebed tot God op, want Hij had mij door de duisternis heen naar het eenige punt misschien gevoerd, waar de stem mijner makkers mij kon bereiken.
Dit zeer verbazende uitwerksel van het geluid kon gemakkelijk verklaard worden door natuurkundige wetten; het was een gevolg van de gedaante van den gang en het geleidend vermogen der rots; er zijn meer voorbeelden van die voortplanting van geluiden, die voor tusschengelegen punten onmerkbaar zijn. Ik herinnerde mij, dat dit verschijnsel op vele plaatsen wordt waargenomen, o.a. op de binnenste galerij van den koepel der St. Paulskerk te Londen en vooral onder de merkwaardige holen op Sicilië in de onderaardsche steengroefkerkers bij Syracuse gelegen, waarvan de zonderlingste van dien aard bekend is onder den naam van het oor van Dionysius.
Dit alles herinnerde ik mij en ik zag duidelijk in, dat daar de stem van mijn oom tot mij kwam, geen hinderpaal tusschen ons bestond. Den weg van het geluid volgende moest ik er stellig ook komen, zoo de krachten mij onderweg niet begaven.
Ik stond dus op. Ik kroop meer dan ik liep. De helling was nog al steil; ik liet mij afglijden.
Weldra nam de snelheid mijner nederdaling op eene vrees inboezemende wijze toe en dreigde op een val te gaan gelijken. Ik had de kracht niet meer om mij op te houden.
Eensklaps voelde ik geen grond meer. Ik rolde, telkens opspringende, langs de oneffenheden van eene loodrechte galerij, een waren put; mijn hoofd sloeg tegen een scherp rotspunt en ik geraakte buiten kennis.
HOOFDSTUK XXIX
Ontwaken van Axel.--Was hij krankzinnig?--De grot verlaten.
Toen ik weder bijkwam, lag ik in een half donker op dikke dekens. Mijn oom waakte en zocht op mijn gelaat naar eenig teeken van leven. Bij mijn eersten zucht greep hij mijne hand, bij mijn eersten oogopslag slaakte hij een vreugdekreet.
"Hij leeft! hij leeft!" riep hij.
"Ja!" antwoordde ik met eene zwakke stem.
"Mijn kind!" zeide mijn oom mij aan zijn hart drukkende, "nu zijt gij gered!"
Ik was levendig getroffen door den toon, waarop die woorden werden gesproken en nog meer door de zorgen, die er mede gepaard gingen. Maar zulke beproevingen werden ook vereischt om den professor zulk eene ontboezeming af te persen.
Op dit oogenblik kwam Hans. Hij zag mijne hand rusten in die van mijn oom; ik durf verklaren dat zijne oogen een levendig genoegen uitdrukten.
"God dag!" zeide hij,
"Goeden dag, Hans! goeden dag!" mompelde ik. "Zeg mij nu eens, oom! waar wij thans zijn?"
"Morgen, Axel! morgen, nu zijt gij nog te zwak; ik heb uw hoofd met compressen omwoeld, die gij niet moet verschuiven; slaap dus, mijn jongen! en morgen zult gij alles weten!"
"Maar," hernam ik, "zeg mij ten minste hoe laat en welke dag het is."
"'s Avonds elf uur; het is nu Zondag, de 9de Augustus, en ik verbied u mij iets meer te vragen voor den 10den dezer maand."
Ik was inderdaad zeer zwak, mijne oogen vielen onwillekeurig toe. Ik had een nacht rust noodig; ik viel dus in slaap met de gedachte, dat mijne eenzaamheid vier lange dagen had geduurd.
Toen ik den volgenden morgen ontwaakte, keek ik eens rond. Mijne legerstede, uit al de reisdekens bestaande, was opgeslagen in eene heerlijke grot, versierd met prachtigen dropsteen, en welker bodem met fijn zand was bedekt. Er heerschte een half donker. Geene toorts, geene lamp brandde er, en toch drong van buiten een onverklaarbaar schijnsel door eene nauwe opening in de grot. Ook hoorde ik een vreemd, onbepaald gemurmel, gelijk aan het geluid der golven, die op een vlakken oever breken en soms het fluiten van den wind.
Ik vroeg mij zelven of ik wel wakker was, of ik nog droomde, of mijne hersenen, door den val geschud, geene zuiver ingebeelde geluiden vernamen. Echter konden mijne oogen en ooren zich niet zoo erg vergissen.
"Het is een straal van het daglicht," dacht ik, "die door deze rotsspleet dringt! Het is toch het geraas van golven! Het is toch het fluiten van den wind! Bedrieg ik mij, of zijn wij op de oppervlakte der aarde teruggekomen? Heeft mijn oom dan van zijn tocht afgezien, of zou hij hem gelukkig volbracht hebben!"
Ik legde mij deze onoplosbare vragen voor, toen de professor binnenkwam.
"Goeden dag, Axel!" sprak hij opgeruimd. "Ik durf wedden, dat gij welvarende zijt!"
"Zeker!" antwoordde ik op de dekens overeind gaande zitten.
"Dat kan niet anders, want ge hebt rustig geslapen. Hans en ik hebben beurtelings bij u gewaakt en wij hebben uwe genezing snelle vorderingen zien maken."
"Ik gevoel mij inderdaad weder opgevroolijkt, en om het te bewijzen zal ik eer doen aan het ontbijt, dat gij mij wel zult willen voortzetten!"
"Gij zult eten, mijn jongen! de koorts heeft u verlaten. Hans heeft uwe wonden ingesmeerd met ik weet niet welke zalf, waarvan de IJslanders het geheim bezitten en zij zijn uitmuntend geheeld. Een ferme vent, onze jager!"
Zoo sprekende bereidde mijn oom eenige spijzen, die ik gretig verslond in weerwil van zijne waarschuwingen. Intusschen overstelpte ik hem met vragen, die hij zich haastte te beantwoorden.
Ik vernam nu, dat mijn gelukkig afgeloopen val mij juist aan het uiteinde eener bijna loodrechte galerij had gebracht; daar een vloed van steenen, waarvan de kleinste voldoende zou geweest zijn om mij te verpletteren, met mij mede was gekomen, moest men daaruit afleiden, dat een gedeelte der vaste massa met mij was afgegleden. Dit verschrikkelijk voertuig bracht mij dus in de armen mijns ooms, waar ik bloedend en bewusteloos nederviel.
"Waarlijk," zeide hij mij, "het is te verwonderen dat gij niet duizendmaal den dood hebt gevonden. Maar, laten wij elkander in Gods naam niet meer verlaten; want wij zouden gevaar loopen elkaar niet meer terug te zien!"
"Laten wij elkander niet meer verlaten!" De reis was dan nog niet ten einde? Ik zette van verbazing groote oogen op, hetgeen onmiddellijk tot deze vraag aanleiding gaf:
"Wat scheelt u toch, Axel?"
"Ik moet u iets vragen. Gij zegt, dat ik gezond en wel ben?"
"Zonder twijfel."
"Dat mijn lichaam ongedeerd is?"
"Zeker."
"En mijn hoofd?"
"Uw hoofd staat op eenige kneuzingen na, ongeschonden op zijne plaats op uwe schouders."
"Welnu! ik vrees, dat mijne hersenen in de war zijn."
"In de war?"
"Ja. Zijn wij niet op de oppervlakte van den aardbol terug?"
"Zeker niet!"
"Dan moet ik gek zijn; want ik bemerk het daglicht, ik hoor het geraas van den wind, die blaast en van de zee, die op het strand breekt!"
"Zoo! is het anders niet?"
"Zult gij het mij ophelderen?"
"Ik zal u niets ophelderen, want het is onverklaarbaar; maar gij zult zien en begrijpen, dat de geologische wetenschap haar laatste woord nog niet heeft gesproken!"
"Laten wij dan heen gaan!" riep ik driftig opstaande.
"Neen, Axel! neen! de open lucht zou u kwaad kunnen doen."
"De open lucht?"
"Ja! het waait vrij hard. Ik wil niet, dat gij u zoo blootstelt."
"Maar ik verzeker u, dat ik heel wel ben."
"Een beetje geduld, mijn jongen! Als gij weder instort, zou ons dat in groote ongelegenheid brengen, en wij moeten geen tijd verliezen, want de overtocht kan lang duren."
"De overtocht?"
"Ja! rust vandaag nog wat uit, dan zullen wij ons morgen inschepen."
"Ons inschepen!"
Dat laatste woord deed mij van vreugde opspringen.
Hoe! ons inschepen! Hadden wij dan een stroom, een meer, eene zee ter onzer beschikking? Lag er een schip voor anker in de eene of andere inwendige haven?
Mijne nieuwsgierigheid werd ten hoogste geprikkeld. Te vergeefs poogde mijn oom mij tegen te houden. Toen hij zag, dat het ongeduld mij meer kwaad zou doen dan de bevrediging mijner wenschen, gaf hij toe.
Ik kleedde mij spoedig aan; uit overdrevene voorzichtigheid draaide ik mij in eene der dekens, en verliet de grot.
HOOFDSTUK XXX
De zee.--Onderaardsch licht.--Onmetelijk hol.--Versterkende zeewind.--Woud van paddestoelen.--Fossiele beenderen.--Vrees voor voorwereldlijke monsters.--Gerustheid van den professor.
Eerst zag ik niets; mijne aan het licht ontwende oogen sloten zich terstond. Toen ik ze weder kon openen, stond ik meer ontsteld dan verbaasd.
"De zee!" riep ik.
"Ja!" antwoorde mijn oom, "de Lidenbrock-zee; en ik vlei mij, dat geen zeevaarder mij de eer zal betwisten van haar ontdekt te hebben, noch het recht om haar naar mij te noemen!"
Eene verbazende watervlakte, het begin van een meer of een oceaan strekte zich verder uit dan het gezicht reikte. De zeer bochtige oever vertoonde bij de laatste golvingen van het water een fijn, goudgeel zand, bezaaid met die kleine schelpen, waarin de eerste wezens der schepping leefden. De golven braken er op met dat heldere geraas, dat eigen is aan de van rondom ingesloten, groote binnenzeeën, het lichte schuim vloog op door den ademtocht van een matigen wind en eenig zeestof kwam in mijn gezicht. Op dit zacht glooiende strand, omtrent honderd vadem van den golfrand, eindigden de voorbergen van verbazende rotsen, die, al breeder en breeder wordende, tot eene onmetelijke hoogte oprezen. Sommige verscheurden den oever met haar scherpen kam en vormden kapen en voorgebergten, waaraan de tand der branding had geknaagd. Verder volgde het oog hunne massa's, die zuiver uitkwamen op den benevelden achtergrond aan den gezichteinder.
Het was een ware oceaan met de grillige omtrekken der aardsche oevers, maar verlaten en van een verschrikkelijk woest voorkomen.
Dat mijne blikken ver over deze zee konden rondgaan kwam daardoor, dat een "bijzonder" licht haar overal bescheen. Het was niet het zonlicht met zijne schitterende straalbundels en de prachtige verspreiding zijner stralen, noch het bleeke en weifelende licht van de koningin der nachten, dat slechts eene weerkaatsing zonder warmte is. Neen. De sterkte van dit licht, zijne sidderende verspreiding, zijne heldere en zuivere witheid, zijn geringe warmtegraad, zijn glans, welke dien van de maan verre overtrof, wezen duidelijk op een zuiver electrischen oorsprong. Het was, gelijk het noorderlicht, een aanhoudend, zoo te zeggen, kosmisch natuurverschijnsel, dat deze grot vulde, die een oceaan kon bevatten.
Het gewelf boven mij, de hemel, als men wil, scheen te bestaan uit groote wolken, beweeglijke en veranderlijke dampen, die ten gevolge der verdichting van tijd tot tijd in plasregens moesten overgaan. Ik zou gedacht hebben, dat er onder zulk eene zware dampkringsdrukking geene verdamping van het water plaats kon hebben, en toch dreven er door eene natuurlijke, mij onbekende oorzaak, groote wolken in de lucht. Maar nu "was het mooi weer." De electrische plekken brachten verbazende spelingen van het licht op de hoog drijvende wolken teweeg; donkere schaduwen teekenden zich af op hare onderste bochten, en dikwijls schoot tusschen twee lagen door een straal met eene aanmerkelijke kracht op ons neder. Maar toch was het de zon niet, want het ontbrak dit licht aan warmte. Het maakte een treurigen en hoogst zwaarmoedigen indruk. In plaats van een schitterend uitspansel met sterren, schemerde door die wolken een gewelf van graniet, die met zijne volle zwaarte op mij drukte, en die ruimte, hoe verbazend groot ook, zou niet toereikende geweest zijn voor den omloop der allerkleinste planeet.
Ik herinnerde mij nu de theorie van een engelsch kapitein, die de aarde gelijk stelde met een grooten hollen bol, in welks binnenste de lucht ten gevolge van de drukking lichtgevend was, terwijl twee sterren, Pluto en Proserpina, er hare geheimzinnige banen bewandelen. Zou hij de waarheid gesproken hebben?
Wij waren inderdaad gevangen in eene verbazende holte. Over hare breedte kon men niet oordeelen, daar haar oever zich, zoo ver het gezicht reikte, uitstrekte, evenmin als over hare lengte, want de blik werd weldra gestuit door een eenigszins onbepaalden gezichteinder. Wat hare hoogte betreft, deze moest verscheiden uren gaans bedragen. Waar steunde dat gewelf op zijne granieten beeren? Het oog kon het niet waarnemen; maar er dreef menige wolk in den dampkring, wier hoogte op twee duizend vadem kon geschat worden, eene hoogte, welke die der aardsche dampen verre overtrof en zonder twijfel aan de aanzienlijke dichtheid der lucht moest worden toegeschreven.
Het woord "hol" drukt stellig mijne gedachte niet voldoende uit om deze onmetelijke ruimte te schilderen. Maar de woorden der menschelijke taal schieten te kort voor wie zich in de afgronden van den aardbol waagt.
Ik wist ook niet uit welk geologisch feit ik het bestaan van zulk eene holte moest verklaren. Had de afkoeling van den aardbol haar kunnen doen ontstaan? Ik kende wel uit de verhalen der reizigers sommige beroemde grotten, maar geene enkele had zulke afmetingen.
Al had de grot van Guachara en Columbia, door Von Humboldt bezocht, het geheim harer diepte niet verraden aan den geleerde, die haar over eene ruimte van twee duizend vijf honderd voet onderzocht, zoo strekte zij zich toch waarschijnlijk niet veel verder uit. Het onmetelijke Mammouth-hol in Kentucky vertoonde wel reusachtige afmetingen, daar zijn gewelf zich vijf honderd voet boven een onpeilbaar meer verhief en reizigers er tien uur gaans in doordrongen zonder het einde te bereiken. Maar wat beteekenden die holen in vergelijking van dat, hetwelk ik nu bewonderde, met zijn hemel van dampen, zijne electrische uitstralingen en de uitgestrekte zee binnen in hetzelve? Mijne verbeelding gevoelde hare onmacht tegenover die onmetelijkheid.
Zwijgende beschouwde ik al die wonderen. Het ontbrak mij aan woorden om mijne gewaarwordingen uit te drukken. Ik meende op de eene of andere verre planeet, Uranus of Neptunus, getuige te zijn van verschijnselen, waarvan mijne "aardsche" natuur geen begrip had. Voor nieuwe gewaarwordingen waren nieuwe woorden noodig en mijne verbeeldingskracht deed ze mij niet aan de hand. Ik beschouwde, dacht, bewonderde met eene verbazing vermengd met eenigen schrik.
Het onverwachte van dit schouwspel had den blos der gezondheid op mijn gelaat teruggebracht; ik was op weg om mij met de verwondering te behandelen en mijne genezing te bewerken door middel van deze nieuwe geneeskundige praktijk; bovendien verfrischte mij de kracht eener zeer verdichte lucht, die meer zuurstof aan mijne longen toevoerde.
Men kan licht begrijpen dat het, na eene zeven en veertig daagsche opsluiting in eene nauwe galerij, een onwaardeerbaar genot was dezen zeewind met vochtige, zoutachtige uitwasemingen beladen, in te ademen.
Ook behoefde ik er geen berouw over te hebben, dat ik mijne duistere grot had verlaten. Mijn oom, die reeds aan deze wonderen gewoon was, verwonderde zich niet meer.
"Hebt gij kracht genoeg om een weinig rond te wandelen?" vroeg hij mij.
"Ja zeker!" antwoordde ik, "niets zal mij aangenamer zijn."
"Welnu! neem mijn arm, Axel! en laten wij de bochten van den oever volgen."
Ik nam dit aanbod gretig aan, en wij begonnen onze wandeling langs de kust van dezen nieuwen oceaan.
Ter linkerzijde vormden steile en ongelijke, op elkander gestapelde rotsen eene reusachtige opeenhooping, die eene verbazende uitwerking maakte. Van hare zijden stortten zich watervallen af, die zich tot heldere en geraasmakende waterbekkens vereenigden; eenige lichte dampen wezen, van rots tot rots zwevende, de plaats der warme bronnen aan, en beekjes stroomden zachtjens naar den algemeenen vergaderbak, terwijl zij in de hellingen gelegenheid zochten om lieflijker te murmelen.
Onder die beken herkende ik onze getrouwe reisgezellin, de Hans-beek, die zich rustig in zee stortte, alsof zij nooit iets ander gedaan had sedert de schepping der wereld.
"Haar zullen wij voortaan missen!" zeide ik zuchtende.
"Ba!" antwoordde de professor, "haar of eene andere, wat maakt dat uit?"
Ik vond dat antwoord min of meer ondankbaar.
Maar op dit oogenblik trok een onverwacht schouwspel mijne aandacht. Vijf honderd schreden verder, bij het omslaan van een hoog voorgebergte, vertoonde zich een hoog, lommerrijk en dicht woud aan onze oogen. Het bestond uit tamelijk groote boomen, die op regelmatige zonneschermen geleken, met zuivere en meetkunstige omtrekken; de luchtstroomen schenen geen vat te hebben, op hun gebladerte en ondanks den wind bleven zij onbeweeglijk, als waren het versteende cederboomen.
Ik versnelde mijne schreden. Ik kon geen naam geven aan deze zonderlinge houtsoort. Maakten zij geen deel uit van de tot nu toe bekende twee honderd duizend soorten van planten en moest men, haar eene bijzondere plaats aanwijzen in de plantenwereld der aan hat water groeiende gewassen? Neen. Toen wij onder haar lommer kwamen, bleef er van mijne verbazing slechts bewondering over.
Inderdaad bevond ik mij tegenover aardsche voortbrengselen, maar op eene reusachtige leest geschoeid. Mijn oom noemde ze oogenblikkelijk bij hun naam.
"Het is een woud van paddestoelen," zeide hij.
En hij bedroog zich niet. Men oordeele over de ontwikkeling dezer planten, die zich zoo gaarne op warme en vochtige plaatsen ophouden. Ik wist, dat de "lycoperdon giganteum," volgens Bulliard, een omtrek van acht tot negen voet bereikt; maar dit waren witte, dertig à veertig voet hooge paddestoelen met een hoed van dezelfde middellijn. Zij stonden er bij duizenden; het licht kon niet door hun dicht lommer heendringen en een volslagen duisternis, heerschte onder deze koepels, die even dicht naast elkander stonden als de ronde daken eener afrikaansche stad.
Toch wilde ik nog dieper doordringen. Eene doodelijke koude viel neder van die vleezige gewelven. Een half uur doolden wij rond in die vochtige duisternis en met een ongeveinsd gevoel van welbehagen begroette ik weder de oevers der zee.
Maar de plantengroei dezer onderaardsche streek bepaalde zich niet louter tot die paddestoelen. Verder verhieven zich groepsgewijze een groot aantal andere boomen met ontkleurde bladeren. Zij waren gemakkelijk te herkennen; het waren de nederige struiken der aarde met wonderbare afmetingen, honderd voet hooge wolfsklauwen, reusachtige zegelboomen, boomvormige varens, zoo groot als de dennen der hooge breedten, lepidodendrons met cylindervormige verdeelde stammen, in lange bladen uitloopende en bezet met harde stekels als monsterachtige cactussen.
"Verbazend," riep mijn oom. "Ziedaar de geheele plantenwereld uit het tweede tijdperk der aarde, het overgangstijdperk. Ziedaar die nederige planten uit onze tuinen, die boomen werden in de eerste eeuwen van den aardbol! Beschouw ze, Axel! bewonder ze! Nooit is een plantenkenner op zulk een feest geweest!"
"Gij hebt gelijk, oom! De voorzienigheid schijnt in deze onmetelijke broeikas die voorwereldlijke planten te hebben willen bewaren, die de scherpzinnigheid der geleerden zoo gelukkig weder heeft samengesteld."
"Gij zegt terecht, dat het eene broeikas is, mijn jongen! maar gij zoudt u nog juister uitdrukken, als gij er bijvoegdet, dat het misschien eene diergaarde is."
"Eene diergaarde!"
"Ja, zonder twijfel. Bezie het stof maar, dat wij vertreden; die op den grond verspreide beenderen."
"Beenderen!" riep ik. "Ja! beenderen van voorwereldlijke dieren!"
Ik viel aan op die eeuwenoude overblijfselen, bestaande uit eene onvergankelijke delfstoffelijke zelfstandigheid [12]. Ik gaf zonder aarzelen een naam aan die reusachtige beenderen, die op uitgedroogde boomstammen geleken.
"Dat is de onderkaak van den Mastodont," zeide ik; "dat zijn de maaltanden van het Dinotherium, ziedaar een dijbeen, dat alleen aan het grootste dezer dieren, het Megatherium, kan toebehoord hebben. Ja, wel is het eene diergaarde, want die beenderen zijn hier zeker niet gebracht door een zondvloed; de dieren, waaraan zij behooren, hebben geleefd aan de oevers dezer onderaardsche zee, in de schaduw dezer boomachtige planten. Zie, daar bespeur ik geheele geraamten. En toch...."
"En toch?" zeide mijn oom.
"Begrijp ik de aanwezigheid van zulke viervoetige dieren niet in dit hol van graniet."
"Waarom niet?"
"Omdat het dierlijke leven op aarde eerst bestaan heeft in de secundaire tijdperken, toen de aangespoelde grond gevormd is door het alluvium en de witgloeiende rotssteenen van het eerste tijdperk heeft vervangen."
"Hoe! op zulk eene diepte onder de oppervlakte der aarde?"
"Zonder twijfel, en deze daadzaak kan geologisch verklaard worden. In een zeker tijdperk bestond de aarde uit eene veerkrachtige schors, aan afwisselende op- en nedergaande bewegingen onderworpen, tengevolge van de wetten der aantrekkingskracht. Het is waarschijnlijk, dat er verzakkingen in den bodem zijn gekomen, en dat een gedeelte der aangespoelde gronden weggezonken is in de plotseling geopende afgronden."
"Dat moet zoo zijn. Maar als er voorwereldlijke dieren geleefd hebben in deze onderaardsche streken, wie verzekert ons dan, dat er nog niet het eene of andere van die monsters rondzwerft in deze sombere wouden of achter die steile rotsen?"
Bij deze gedachte onderzocht ik, niet zonder angst, de verschillende punten van den gezichteinder; maar geen levend wezen vertoonde zich op die eenzame oevers.
Ik was een weinig vermoeid; ik ging zitten op het uiteinde van een voorgebergte, aan welks voet de golven met veel geraas braken. Van daar omvatte mijn blik de geheele baai, die door een inham van de kust werd gevormd. Achterin werd eene kleine haven door pyramidale rotsen ingesloten. Haar kalm water was tegen den wind beschut. Een brik en twee of drie schoeners hadden er gemakkelijk in kunnen omkeeren. Ik rekende er bijna op het eene of andere vaartuig met volle zeilen te zien uitloopen en met den zuidenwind het ruime sop kiezen.
Maar die begoocheling verdween weldra. Stellig waren wij de eenige levende schepselen in deze onderaardsche wereld. Als de wind soms ging liggen, daalde eene stilte, nog veel dieper dan die der woestijn, op de dorre rotsen, en drukte op de oppervlakte van den oceaan. Dan trachtte ik door de verre nevelen heen te boren en die gordijn te verscheuren, die voor den geheimzinnigen achtergrond van den gezichteinder hing. Wat al vragen verdrongen zich op mijne lippen! Waar eindigde die zee? Waar voerde zij heen? Zouden wij immer hare tegenoverliggende oevers bereiken?
Mijn oom twijfelde er volstrekt niet aan. Ik wenschte en vreesde het te gelijk.
Na een uur doorgebracht te hebben met de beschouwing van dit wonderlijke tooneel, gingen wij weder langs het strand naar de grot, en met het hoofd vol van de zonderlingste denkbeelden viel ik in een gerusten slaap.
HOOFDSTUK XXXI
Door een zeebad versterkt!--Vloed, ebbe en magnetische helling.--Scheepstimmerhout.--Het vlot.
Toen ik den volgenden morgen ontwaakte was ik geheel genezen. Ik meende, dat een bad zeer heilzaam voor mij zou zijn, en dompelde mij daarom eenige minuten lang in het water dezer Middellandsche zee. Dien naam verdiende zij zeker meer dan eenige andere.
Ik kwam met goeden eetlust aan het ontbijt. Hans verstond zeer goed de kunst om onze kleine spijskaart gereed te maken; hij had water en vuur ter zijner beschikking, zoodat hij eenige afwisseling kon brengen in onzen gewonen kost. Bij het nagerecht schonk hij ons eenige kopjes koffie in, en nooit proefde ik met meer smaak dien heerlijken drank.