Naar den equator, met een voorspel: van pastoor soldaat
Part 6
Herman was ook weldra druk bezig met zich te verkleeden. Nu eens was hem een pantalon toegeworpen, die voor een reus gemaakt scheen, en waarin hij, die toch waarachtig niet tot de tengeren behoorde, in zwom, toen hij ze aangetrokken had. Een oogenblik later moest hij hulp hebben om uit eene andere pantalon te geraken, zoo smal was zij, waarin hij op hoog bevel van den officier gekropen was. Zoo ging het met zijn mouwvest, met zijn kwartiermuts, in één woord met alles. Het eerste paar schoenen, dat hem aangereikt werd, was in omvang aan eene kanonneerboot gelijk. In het daarop volgende zaten zijne voeten zoo gekneld, dat hij niet staan kon. Maar eindelijk toch was hij klaar. Toen hij over die nieuwe plunje den afschuwelijk leelijken grauwen kapotjas aangetrokken had, die de verdedigers van Neêrlands koloniën op tuchthuisboeven doet gelijken, mompelde hij met een glimlach, maar toch met een zucht:
„Ik wou me nu wel eens in den spiegel kijken, ik moet er mooi uitzien!”
„Dat doe je ook,” klonk eene stem, het uitgierende van het lachen, achter hem.
Herman keerde zich om, en slaakte een kreet van verrassing. Daar was wel reden toe.
„Jij hier Frank?” riep hij uit.
„Ja, ik hier!” antwoordde onze bekende van den Sint Pietersberg.
„Jij, jij Frank Brinkman!!! Je komt als uit de lucht gevallen!”
„Ja! ik Frank Brinkman! Uit den hemel kom ik niet direct,” antwoordde hij lachende. „Maar laat mij je eens bekijken..... Het is om het uit te schreeuwen! Die mooie politiemuts, in den vorm van eene afgeknotte kachelpijp op dien krullenkop, die klep vierkant en breed als een luifel boven je oogen, die stijve nek gewrongen in dien komieken stropdas, die mooie kapotjas, die je zoo gracieus om de lendenen fladdert, die pantalon sierlijk een handbreed over je voet omgeslagen, en dan die geelleeren schoenen, in vorm en in omvang zoo weinig verschillende van een tjalk, kijk, dat vormt een geheel, waaruit je zoo echt lummelachtig te voorschijn treedt... O! dat Lydia je zoo eens kon zien! Kerel, je moet je laten photografeeren!”
Ja, het was Frank Brinkman, de jongeling dien de lezers op Slavante ontmoetten, die Herman thans zoo luidruchtig en vroolijk te gemoet trad. Zijne geschiedenis was gauw verteld. Zijn vader, een zeer gezien man in de nijverheidswereld te Leiden, was plotseling overleden. Steeds had die man een zeer ruim bestaan in zijne zaken gevonden, maar had geen vermogen vergaard. Toen de inventaris na dat overlijden opgemaakt was, bleef voor de kinderen, die reeds vroeger moederloos waren geworden, niet veel over.
Frank, die steeds van een avontuurlijken geest bezield was geweest, maakte niet veel misbaar. Hij deelde zijn voogd mede, dat hij naar Harderwijk wenschte te gaan, om in Nederlandsch-Indië de militaire loopbaan te betreden. Die had gemakshalve niets tegen dat plan van zijn pupil, die hem tot last dreigde te worden. Frank was nu reeds twee maanden bij het Koloniaal werfdepôt, en deed dienst als militair schrijver op het bureau van den kolonel kommandant.
„Ik reken aanstaande maand tot korporaal bevorderd te worden,” zei hij. „Drie maanden later hoop ik fourier of sergeant te zijn, en dan snij ik de laan uit. Het is hier een liederlijk gemeen nest.”
„Kom, voortmaken!” maande de onder-adjudant aan. „Sergeant, laat de manschappen zich haasten met passen en daarna aantreden!....”
„Wil ik je een goeden raad geven?” zei Frank gehaast. „Geef dan je burgerkleeren aan den onder-adjudant.”
„Hij heeft er al genoeg naar gehunkerd,” antwoordde Herman. „Maar... men heeft er mij reeds vijfendertig gulden voor geboden.”
„Dat’s veel; maar getroost je dat verlies; dat zijn vijf en dertig gulden, die geen windeieren leggen zullen. Hebt ge nog niet een pak in uw koffer?.. Geef dat dan aan den dubbelen.”
„Aan den dubbelen!... Wie is dat?”
„Dat is de sergeant-majoor der kompagnie. Geloof me, doe dat. Je zult het je niet beklagen.”
Herman luisterde naar dien raad. Nog voor dat de troep rekruten het kleedingmagazijn verlaten had, was de plunje, die hij aan gehad had, in eigendom van den onder-adjudant overgegaan. Toen hij straks inspectie in zijn koffer hield, werd de moeder der kompagnie even mild bedacht. Zooals Frank voorspeld had, bleven de gevolgen niet uit. Vooreerst werd onze rekruut bij de excersitiën steeds gedrild door een instructeur, die aan de behoorlijke kennis eene zekere mate van beschaving en zachtaardigheid paarde, waardoor hem het ruwe van de eerste oefeningen, welke door de liederlijke en god-tergende taal van hen, die in die dagen met het onderwijs belast waren, voor de fatsoenlijke jongelieden zoo moeielijk gemaakt werden, veel bespaard werd. De sergeant-majoor zorgde er voor, dat zijn beschermeling, nadat hij afgeëxerceerd was, van corveeën verschoond bleef en, was dat niet altijd mogelijk, dan stond hij steeds genadig toe, dat Herman een plaatsvervanger daarvoor aanwees. Dat kostte dezen natuurlijk geld, maar hoe ijverig hij zijn nieuwen stand ook aanvaardde, er waren soms werkzaamheden te verrichten, die hij toch gaarne op een ander overdroeg.
Dienzelfden dag dat Herman gekleed was, werden hem de krijgsartikelen voorgelezen. Maar de fourier, die die voorlezing bewerkstelligde deed dat zoo rad en met zoo’n eentonige stem, dat met den besten wil van de wereld van het gehoorde niets te maken was. Gelukkig! want die aaneenschakeling van bedreigingen met strop, kogel, kruiwagen, wegjaging als eerloozen schelm, enz. enz. zou den eenvoudigen burgerjongen slechts slapelooze nachten berokkend hebben. Na dat voorlezen der krijgsartikelen werd overgegaan tot het teekenen van de engagements-acte, welke handeling gepaard ging met het uitbetalen der handgelden aan hen, die zich op die voorwaarden verbonden hadden. Frank had zijn vriend gewaarschuwd die engagements-acte nauwkeurig te lezen, alvorens zijne naamteekening er onder te zetten. De moeite was evenwel overbodig, want het stuk was volmaakt in orde. Anders was het met dat van een ander rekruut, die, het voorbeeld van Herman volgende, de engagements-acte vroeg in te zien:
„Vergeef mij, heer kapitein,” sprak deze, „ik had het beding gemaakt, dat ik mij niet voor de Overzeesche bezittingen, maar wel voor de Oost-Indische bezittingen wensch te verbinden.”
„Dat is gauw genoeg geredresseerd!” stamelde de sergeant-majoor met zekere zenuwachtigheid in antwoord op den vragenden blik van den kapitein kompagnieskommandant, die deze dienstregeling bijwoonde.
„Dat had in orde moeten zijn, sergeant-majoor!” was het ernstig antwoord van dien officier.
„Maar dan is er nog iets,” vervolgde de rekruut met een flauwen glimlach op het bleeke gelaat. „Ik wensch geen handgeld te ontvangen. Wel is de som hier in de acte niet ingevuld, maar daar de noodige doorhaling der daarop betrekking hebbende woorden niet geschied is, zou dat verzuim mij later in mijne loopbaan kunnen benadeelen.”
Toornig stoof de kapitein op, greep de engagements-acte, overtuigde zich dat de gemaakte bemerking juist was, deed haar redresseeren en den sergeant-majoor voor die nieuw aangenomen manschappen, die daar vereenigd stonden, niet willende terechtwijzen, sprak hij:
„Wij zullen straks dat varken wel wasschen!”
Middelerwijl greep de betrokken rekruut Hermans hand en kneep die gevoelig:
„Ik dank u,” sprak hij fluisterend, „gij hebt mij, hoewel onbewust, den grootsten dienst der wereld bewezen. Zonder uwe voorzorg zou ik mijne verbintenis geteekend hebben zonder haar in te zien. En dan was mijne geheele toekomst verloren geweest.”
Later vernam Herman van Frank dat het aannemen van handgeld in die dagen een beletsel daarstelde om den officiersrang te behalen.
„Menige reclame wordt deswege uit Indië ontvangen,” vulde hij aan. „Maar steeds moet dan volhard worden bij het door den belanghebbende zelf geteekende, terwijl bovendien de handgeldstaten èn van de kompagnie èn van den kwartiermeester kloppen. Zoo is menige toekomst ergerlijk verwoest geworden.” [15]
„Dat is toch vreeselijk ongelukkig. En... wat zal nu met dien sergeant-majoor gebeuren? Men heeft nu een geval.... Me dunkt, dat die man niet in zijn graad gehandhaafd kan blijven!”
„Herman, je bent nog onnoozel, men kan wel zien dat je nog niet lang hier bent. Die sergeant-majoor krijgt eenvoudig een uitbrander, en daarmee is het uit. Hij zal een volgende maal niet eerlijker maar voorzichtiger handelen. O ja, nog eene recommandatie! Tracht vooral goede maatjes te zijn met de vrouw van dien sergeant-majoor.”
„Met zijne vrouw?...” vroeg Herman, ten uiterste verbaasd zijn vriend aankijkende.
„Ja, zeker. Als je niet bent als een dergenen, waarvan de psalmist zegt: „Zij hebben oogen en zien niet,” dan zul je mij later wel begrijpen. Daarbij het is geen zwaar corvée dat ik voorstel. De sergeant-majoorse is eene verduiveld mooie vrouw. Ik zal u nog een adres opgeven. Als ge u daar weet in te dringen, dan zijt ge al heel gauw korporaal en onderofficier.”
„Ook eene vrouwengeschiedenis?”
„Welzeker, eene vrouwengeschiedenis geboord met een zilveren randje.”
Herman maakte een gebaar van walging.
„Daar ginds te Rolduc hebben ze je en mij te Katwijk ingepompt, dat het doel de middelen heiligt. Toon nu dat het uitgestrooide zaad niet op de steenrots viel.”
„Ja, maar, met die wereld heb ik geheel gebroken, dus ook met hare leerstellingen.”
„Daar wensch ik je geluk meê. Het zal evenwel noodig zijn je te schikken naar de wereld, waarin ge u thans verplaatst bevindt.”
En dat was eene vreemde wereld, dat zou Herman genoeg ondervinden.
In die dagen wielde het schuim van geheel Europa te Harderwijk samen. Door de Nederlandsche wervers opgespoord en opgedoken uit de somberste holen der maatschappij, was en werd een troep mannen bij elkander gebracht, die niet alleen de grootste verscheidenheid in nationaliteit maar ook in maatschappelijken en moreelen stand vertoonden. Waren er, die bij het onderteekenen hunner engagements-acte slechts gebrekkig konden schrijven, omdat de hand vereelt was door het behandelen van voorhamer, zaag, ploeg, schop, pikhouweel, koevoet of ook door het hanteeren van het breekijzer; waren er zelfs, uit de onderste lagen der maatschappij afkomstig, die niet eens geleerd hadden hunne naamteekening te zetten, en zich met het krabbelen van een gebrekkig kruisje behelpen moesten, daartegenover stonden er ook, die met een soort van zwier hunnen naam griffelden; zelfs waren er, die dien naam door het praedicaat van Baron of van Graaf lieten voorafgaan.
Onder de Harderwijksche legenden, die in de wachtlokalen van het garnizoen, gedurende de lange winteravonden rondom de gloeiend gestookte kachel verteld werden, werd die van den Spaanschen graaf Don Ramoraz, die generaal geweest was onder Espartero, nimmer vergeten. Fluisterend werd dan verteld, dat die Hidalgo in een vreeselijke jaloersche bui zijne vrouw vermoord had, waarna hij, vergezeld van zijn adjudant Don Xilanos, een flink jong mensch, zijn vaderland ontvlucht was, en beiden, door den nood gedrongen, dienst voor de Nederlandsche Bezittingen genomen hadden. Werd dat verhaal opgedischt, dan ontbrak nimmer een ooggetuige, die den Spaanschen Grande met zijne grauwe haren en in zijn grauwen kapotjas gewikkeld, den bezem had zien hanteeren en de afzichtelijkste corveeën uitvoeren; terwijl er dan steeds met eene aandoenlijke schildering vervolgd werd, hoe Don Xilanos zijnen gewezen bevelhebber smeekte, hem toch die walgelijke werkzaamheden te laten verrichten.
„Dat past uwe Excellentie niet,” fluisterde de gewezen luitenant dan.
Of dat in het Spaansch of in het Nederlandsch gefluisterd was, werd er niet bij verteld. De toehoorders vroegen daar ook niet naar. Maar wel klonk steeds de vraag:
„En is die Spaansche graaf met zijn adjudant thans in de Oost of in de West?”
„In geen van beiden! Luister: Op een morgen stond die Excellentie met zijn adjudant in de keuken, en waren beiden bezig met de overige manschappen aan het aardappelen jassen. Ge kunt me gelooven of niet, sprak dan de verhaler met overtuiging, maar „de grijze krijgsman” zong juist hartelijk mede:
Sla, kroten en andijvie!
toen plotseling de luint-adjudant verscheen, die eerbiedig de positie aannam, de hand aan de klep van zijn schako bracht, en met luider stem tot de twee aardappelenjassers sprak: Uwe Excellentie wordt beleefd verzocht bij den kornel te komen.—„Mijn adjudant ook?” vroeg de Grande. „Uw adjudant ook,” antwoordde de luint. Beiden gingen toen heen. Wij hebben ze nimmer teruggezien. Maar Eefje Goster, je weet wel, dat lieve kindermeisje bij den kornel, heeft mij verteld, dat die beide kolonialen in de mooie kamer van de kornels woning curaçao-bitter gedronken, en zich daarna in een mooi verguld pak gestoken hadden, waarna zij in een fraai rijtuig met vier paarden bespannen, weggereden waren. De kornel was bij het instijgen den Grande behulpzaam geweest, en had hem hartelijk de hand gedrukt.”
„Ja, je kunt hier te Harderwijk van alles te zien krijgen!” was de algemeene instemming.
Zoo veel was zeker, dat al wemelde het in den tijd, toen Herman te Harderwijk was, niet van Excellenties bij het Koloniaal Werfdepôt, zoo zou er toch wel een half dozijn Freiherren, Graven en Baronnen te zamen hebben kunnen gebracht worden, en waren namen als: Von Schwerin, Von Heinitz, Von Helmoldt enz. niet zeldzaam. Of die namen hun, die ze droegen, toekwamen? Te Harderwijk bestond daaromtrent niet de geringste zekerheid. Het was daar het verstandigste, den naam, dien men opving, slechts als herkenningsmiddel van het individu, die hem droeg, aan te nemen. En zelfs daarbij was nog omzichtigheid noodig; want, hoe dikwerf weerklonk niet de een of andere naam bij gelegenheid van de dienstappèls, en werd herhaald en nog eens herhaald, zonder met het gewone „present” beantwoord te worden.
„Waar zit die lummel nu weer?” vroeg dan de sergeant-majoor wrevelig en overzag de gelederen.
„Zeg!” riep hij dan eensklaps, „kun jij je mond niet opendoen, als je naam afgeroepen wordt?”
„Ah! ja so, ich nenne mich jetzt....”
In het gewone leven ook was het niet zeker, dat antwoord bekomen werd, wanneer men iemand bij den naam riep, waaronder hij in de militaire wereld bekend stond. Gedachteloos herinnerde de geroepene zich dan niet oogenblikkelijk, dat hij van naam verwisselde.
Dat misdadigers, ergerlijke misdadigers onder dien hoop schuilden, die een heenkomen achter het militaire kleed zochten en blij geweest waren, dat zij een werver ontmoetten, die hun valsche papieren bezorgde, en zoo de verdwijning van het tooneel in de hand werkte, wie zal dat bij kalm en onpartijdig nadenken ontkennen? Herman hoorde daar mompelen van Ehrensachen, van onbetamelijk schuldenmaken, van verwikkelingen in staatsaangelegenheden, van ongelukkige duels, maar ook van diefstal, van doodslag, van broedermoord, van verdierlijking, van ontucht, van.... ja! van wat niet al? En al heerschte er ook al veel overdrijving in die verhalen, die fluisterend gedaan werden, zoo zag hij zich toch omringd van troniën, welke aan die verhalen wel klem bijzetten. Hij zag daar te Harderwijk tooneelen van de walgelijkste brooddronkenheid, van de liederlijkste uitspattingen, tooneelen, die hem wel eens berouw deden gevoelen over den stap, dien hij gedaan had. Gelukkig stond Frank hem ter zijde.
„Ja, aangenaam is het niet,” zei deze, „tusschen dat schuim te moeten leven. Er zal ook eene zekere mate van zelfstandigheid toe behooren, om bij de aanraking daarvan niet bezoedeld te worden. Maar kijk goed rondom u. Wees niet stelselmatig in het onthouden van uwe genegenheid of van uwe vriendschap, evenmin als gij te vlug moet zijn met haar te plaatsen. Hier onder die kolonialen, vooral onder de Nederlanders, omtrent wier antecedenten men trouwens oneindig meer kieskeurig is dan bij de vreemdelingen, zult gij jongelieden aantreffen, wier gezelschap niet te versmaden is.”
En de jeugdige practicus had gelijk. Zeker waren daar jongelieden, die hun gezelschap wel waard waren; die door het avontuurlijke aangetrokken, dienst bij het Nederlandsch-Indische leger genomen hadden, en ook alle pogingen aanwendden om zich bij dat leger eene eervolle loopbaan te scheppen.
Door die raadgevingen van Frank gesteund, was het begin niet al te lastig voor Herman. Hij was al heel spoedig afgeëxerceerd. Zijn natuurlijke aanleg had hem daarbij veel geholpen, maar ook een zekere mate van onbekrompen vrijgevigheid, die hem op Franks aanraden aanspoorde, de verschillende onderofficieren-instructeurs, met wie hij te doen kreeg, nu eens een dubbeltje, dan weer een kwartje, soms ook meer in de hand te stoppen, had er toe bijgedragen om hem als een soort feniks te doen beschouwen. Hij woonde al spoedig de zoogenaamde theorie bij, die niet anders was, dan een opdreunen van de van buiten geleerde militaire reglementen. Hij werd dientengevolge al spoedig vice-korporaal, en hoewel het doorsnuffelen van de geheimen der soldatenschool eene uiterst dorre bezigheid te noemen was, overwon hij toch den tegenzin, die hem bij het van buiten leeren overviel van dat zinledige: „de hielen op dezelfde lijn en zoo dicht aan elkander gesloten als de gestalte van den man zal gedoogen...”
„Bah!... bah!...” geeuwde hij evenwel dikwerf daarbij, terwijl hij zich de ledematen uitrekte en de soldatenschool, het reglementaire boekje, hetwelk er niet voor kon, dat het zoo saai en stoppelig geredigeerd werd, ver van zich wierp.
„Bah!... hoe is het mogelijk, zooveel nonsens aan elkander te rijgen?”
„En toch, je zit in het schuitje, Herman,” moedigde Frank hem lachende aan. „Je moet theorie pruimen, daar is niets aan te doen!”
Het korporaal worden ging van een leien dakje. Vier maanden na zijne indiensttreding prijkte Herman met de kemelsgaren galons op de mouwen, en was niet weinig trotsch daarop. In de eerste dagen na die bevordering kon hij niet nalaten bij het wandelen zoo van tijd tot tijd een blik van vergenoegen op zijne armen te werpen.
De bevordering tot sergeant had iets meer voeten in de aarde, maar kwam ook naar wensch te recht. Op aanraden van Frank had Herman eene kamer bij de weduwe Ebtuin in de Brugstraat te Harderwijk gehuurd, die behalve eene dochter en eene kleindochter, ook nog een grooten galanterie-winkel bezat. Zij had de ruimte boven dien winkel in kamertjes verdeeld, en stelde die ter beschikking van de koloniale helden in spe, die zulks betalen konden en een plekje wenschten te hebben, waar zij zich van het kazernepubliek konden afzonderen. Die drie dames hadden in de militaire wereld te Harderwijk zeer veel invloed. Frank wist dat zeer goed, en Herman zou dat weldra ondervinden.
Op een namiddag, toen de beide jongelingen te huis kwamen, merkte de oude weduwe het betrokken gezicht op, hetwelk Herman zette.
„Wat scheelt er aan, mijn jongen?” vroeg zij op deelnemenden toon.
Herman antwoordde niet. Nurks en wrevelig trok hij de schouders op.
„Och, hij heeft het land,” sprak Frank, die reeds sedert eenigen tijd met de gouden galons op de mouwen prijkte. „Heden zijn een twintigtal onderofficieren aangesteld, en.... hij is er niet bij.”
„Is het anders niet? Daar kan hij wel toe komen, niet waar Kaatje?” zei de weduwe glimlachend tot hare kleindochter.
„Zeker moe,” antwoordde het snibbig ding, niet minder snedig lachende, evenwel met een blosje op de wangen.
„Maar, intusschen ben ik het niet,” antwoordde Herman norsch, en wilde den trap opstijgen om naar zijne kamer te gaan.
„Zou je zoo gaarne sergeant zijn, mijn jongen?” vroeg de oude mevrouw Ebtuin.
„Welzeker! Zou ik niet?” was het antwoord, dat hij gaf.
„Kom dan eens meê,” sprak de weduwe.
Zij geleidde den jongman in het winkellokaal, dat voor een kleinsteedschen galanterie-winkel goed voorzien was.
„Kijk eens,” zei ze, „is dat geen fraaie pendule? Een fraaier stuk hebt ge nimmer gezien.”
„Ja zeker, dat is een mooi stuk,” antwoordde Herman, nu met een kennersoog een blik op de bronzen pendule werpende, die hem aangewezen werd.
„Zij kost tachtig gulden,” hernam de weduwe met een zekere intonatie.
„Dat’s veel geld; maar voor hem die zoo’n stuk wenscht, toch niet te veel.”
„Ik zal ze maar op uwe rekening schrijven, nietwaar?” vroeg zij met sluwen glimlach.
„Op mijne rekening?... Wat zou ik met dat ding doen? Ik hoop over een paar maanden aan boord van het schip te zitten.”
„Hij is niet erg bevattelijk,” sprak de weduwe tot Kaatje, die met Frank in de deur van den winkel stond te praten.
Kaatje kreeg een blos, die haar niet onaardig stond. Frank lachte dat hij schudde.
„Ik begrijp niet, wat mijne bevattelijkheid hier te maken heeft!” sprak Herman ietwat gebelgd.
„Ge wilt spoedig sergeant worden?” vroeg de weduwe op ieder woord drukkende.
„Zoo’n vraag!”
„Wel, laat mij dan die pendule op je rekening schrijven,” zeide mevrouw Ebstein met een grijnslach.
„Maar ik begrijp niet....”
„Dat’s ook niet noodig. Ik schrijf de pendule op en gij zijt, voor dat we vier en twintig uren verder zijn, sergeant. Is dat niet voldoende, zeg?”
„Ja, in dat geval, maar ik begrijp niet.... Wat die pendule....”
„Behoeft ook niet. Als ge het resultaat maar begrijpt. Opschrijven, dus?...”
Herman knikte toestemmend.
Toen den volgenden morgen de sergeant-majoor der 3de kompagnie na terugkeer van het rapport, de orders op zijn bureau mededeelde, las hij de navolgende bataillons-orde voor:
„No. 79. Ten vervolge op de bataillons-orde van gisteren No. 75, wordt alsnog aangesteld tot sergeant à la suite bij het Koloniaal Werfdepôt: de korporaal Herman Willem Hubert Riethoven; met bepaling, dat die bevordering zal rekenen in te gaan op den dag van gisteren.”
„Sergeant Riethoven, ik feliciteer je wel met die bevordering,” sprak de sergeant-majoor na die voorlezing.
Alle aanwezige onderofficieren, korporaals en vice-korporaals verdrongen zich om den gelukkigen, en drukten hem de hand. Zelfs de lieve sergeant-majoors-vrouw trad in dat oogenblik uit hare kamer te voorschijn, alwaar zij bezig was met groenten schoon te maken, veegde hare handen aan haren boezelaar af, greep Herman bij het hoofd en riep:
„Mag ik je ook gelukwenschen, aardigen krullebol!”
Zij kuste hem op beide wangen, en drukte hem met zoo’n innigheid en zoo’n onstuimigheid aan hare borst, dat zij beiden tegen den schrijflessenaar van den sergeant-majoor optornden, zoodat de registers daarop kantelden.
„He! mijn administratie-boek!” riep de sergeant-majoor, niet zeer gesticht over de wijze van feliciteeren van zijne vrouw.
„En dat je nu weg moet!” kreet de vrouw meewarig.
De dubbele keek nog somberder. Het overige kader voorzag eene huishoudelijke onweersbui en droop af. Maar, toen Herman, na zich uit de armen der schoone losgewrongen te hebben, op de schrijftafel toetrad, daar een bon voor een twaalftal flesschen St. Estèphe krabbelde, dien den sergeant-majoor aanbood, met verzoek een glas op zijne gezondheid te drinken, helderde het barsche gelaat op, en sprak die kompagnie’s moeder met bewogen stem, terwijl hij den nieuwbakken sergeant de hand reikte:
„Je bent een nobele kerel! Met jou is wel land te bezeilen!”
Herman bloosde als eene jonge meid bij dat apokryphe kompliment, hetgeen een tweeden en nog onstuimiger aanval van den kant der sergeant-majoors-vrouw uitlokte.
Toen Herman zijne bevordering later met Frank besprak, gaf hij zijne verwondering te kennen over die uitkomst.
„Hebt ge Kaatje Ebstein niet zien blozen?” vroeg Brinkman.
„Ja, maar.... dat meisje kan toch met blozen geen sergeanten aanstellen?”
„Ze kan meer dan dat? Maar.... als ge het geheim van die geschiedenis niet begrepen hebt, dan zult ge het wel nimmer vernemen, want ik vertel het niet. Daar kunt ge evenwel zeker van zijn, dat wanneer gij het zeegat uit zult zijn, die pendule hare plaats in den winkel weer hernomen zal hebben.”