Naar den equator, met een voorspel: van pastoor soldaat

Part 20

Chapter 203,819 wordsPublic domain

„Het is mogelijk,” antwoordde de officier, „dat iedere gisting onder het detachement verdwenen is; maar het kan ook wel niet zoo zijn. Straks zal het fregat door allerhande vaartuigjes omringd zijn om vruchten en andere versnaperingen, alsook kramerijen te verkoopen. Ik wensch zelf het toezicht te houden om desertie te voorkomen. De gelegenheid daartoe is te aanlokkelijk.”

De overige kajuitspassagiers maakten gebruik van het aanbod van kapitein Butteling. Zelfs de dames Groenewald stapten in, en namen plaats onder de zonnetent der sloep om eenige uren aan den wal door te brengen. Mevrouw Groenewald had haren echtgenoot nog afgezonden om aan kapitein Van Dam verlof voor de sergeanten Brinkman en Riethoven te vragen om mede naar den wal te gaan.

„Dat moet ik u tot mijn leedwezen weigeren,” sprak de officier. „Zoo’n gunstbetoon zou te veel naijver, misschien wel nijd opwekken. Ik heb bovendien die jongelieden, van wier toewijding ik mij overtuigd houd, hoogst noodig bij het toezicht dat, zoolang wij hier in die baai zijn, gehouden moet worden. Het spijt mij, maar ik kan onmogelijk anders handelen.”

De boot stak af, en de beide jongelieden zagen haar niet zonder teleurstelling verwijderen. Vooral Frank had zoo gaarne dat tochtje medegemaakt. Maar hij had zelfs niet lang tijd om die boot met haren lieven last na te turen. In weinige oogenblikken was de Fernandina Maria Emma door eene ware vloot van vaartuigen omringd, welker opvarenden allen om het hardst kakelden, schreeuwden en verzochten om aan boord te mogen komen, ten einde hunne waren aan den man te brengen. Zoowel de stuurlieden als de officieren en onderofficieren hadden de handen vol om de orde te bewaren, en om te verhoeden, zoowel dat verboden waren, zooals dronkenmakende palmwijn, [61] aan boord gebracht werden, als dat manschappen, zich door middel der vaartuigen heimelijk zouden kunnen verwijderen. Alles liep evenwel in de beste orde af; maar de opzichthebbenden waren blij, toen de avond gevallen was en die venters verdwenen waren.

Het was ongeveer tien uur des avonds, toen kapitein Butteling met zijne passagiers aan boord terug was. Hij was, wat het voornaamste gedeelte zijner zending naar den wal betrof, geslaagd, namelijk: om eene goede portie ijs machtig te worden. In de sloep had hij reeds een paar kisten medegebracht, kristalheldere blokken, zorgvuldig in houtzaagsel bewaard; zoodat de beide geneesheeren al dadelijk hunne patiënten konden verzorgen. Den volgenden morgen zoude meer aangebracht worden.

Maar de waardige kapitein had nog voor andere zaken gezorgd. Sedert de Fernandina Maria Emma het Nieuwediep verlaten had, hadden èn de equipage, èn het detachement troepen, èn de passagiers zich moeten vergenoegen met den zoogenaamden scheepskost, en waren erwtensoep, bruine boonen, grauwe erwten, met gezouten vleesch en gerookt spek schering en inslag van het dagelijksch menu. Wel is waar, werd door den kok daarin zooveel mogelijk voor de kajuitspassagiers afwisseling gebracht door groenten- en vleesch-blikken te verstrekken; ook werden wekelijks of een varken of eenige kippen of ganzen geslacht; maar dat kon weinig verlokken: de verduurzaamde levensmiddelen waren zoo zacht, alsof zij reeds eenmaal de bewerking der masticatie ondergaan hadden; en als men het arme gevogelte met zijne vuile overeindstaande veeren in de kippenhokken aan het dek maar bekeek, dan behoorde er moed toe om later, bij de herinnering aan dat gezicht, een kippenboutje, dat eigenlijk niets anders was dan wat vel over een beentje getrokken, naar den mond te brengen, zoo berooid en teringachtig zagen de arme dieren er uit. Alleen het varkensvleesch had nog steeds genade bij de lekkerbekken gevonden; maar.... de voorraad, door de reeders tot uitrusting van het schip verstrekt, was zoo zuinig geweest, dat toen het fregat de baai van Rio Janeiro instevende er zich nog maar één varken aan boord bevond. Dat was buitengewoon groot en vet geworden, en was bestemd om op een feestdag, zooals Sint Nikolaas- of Nieuwjaarsdag een lekkeren beet te verschaffen. Een algemeen gejuich ging dan ook op, toen kapitein Butteling mededeelde, dat hij er in geslaagd was een viertal flinke ossen, waarvan een den volgenden morgen nog aan wal zou geslacht worden, een zestal varkens, eene menigte gezonde kippen en eenden machtig te worden; terwijl hij tevens eene groote hoeveelheid aardappelen en groenten had aangekocht, zoodat vooreerst in het menu eenige afwisseling kon gebracht worden.

De dames en de passagiers, die aan wal geweest waren, gevoelden zich geducht vermoeid; geen wonder dus dat die zich zoo spoedig mogelijk ter ruste begaven. Kapitein Van Dam liep pruttelend het achterdek op en neer, omdat hij zijn gewoon quadrille-partijtje miste.

Den volgenden morgen stond kapitein Butteling al vroeg te trappelen van ongeduld. Hij stond met zijn kijker naar de Praia de Vallongo, de aanlegplaats der sloepen van de koopvaardijschepen, die op de reede lagen, te turen, of de booten, die het ijs, het slachtvee en verdere levensmiddelen aan boord moesten brengen, nog niet opdaagden. Hij had zoo aanbevolen, dat die vaartuigen reeds bij zonsopgang langs zij van het fregat moesten liggen. En kijk, daar steeg de dagvorstin reeds boven den oostelijken bergnok en nog was van de booten niets te zien.

Het werd zeven uur, het werd acht; toen eerst zag men eene kleine vlet naar boord stevenen. Toen die iets later het fregat op zij gekomen was, werd den kapitein medegedeeld, dat eene vertraging in de toezending èn van het slachtvee èn van de groenten, die uit de binnenlanden moesten aangevoerd worden, niet toeliet, dat het bestelde dien dag aan boord zoude gebracht kunnen worden; maar dat het stellig den volgenden ochtend zoo vroeg mogelijk bezorgd zoude zijn. Of kapitein Butteling zich ook al boos maakte, of hij ook al met den voet stampte; het hielp hem niets. Er bleef niets anders over dan geduld te oefenen.

De passagiers evenwel juichten. Al ras omringden zij den scheepsgezagvoerder en verzochten hem de sloepen andermaal ter hunner beschikking te willen stellen, om den dag aan wal te kunnen doorbrengen. Ditmaal zou luitenant Leidermooi kapitein Van Dam aan boord gezelschap houden, ten einde hem te helpen orde en tucht onder het detachement te bewaren. Wel deden de meeste passagiers veel moeite om den detachements-kommandant over te halen, hen ditmaal bij hun uitstapje te volgen; wel bood kapitein Butteling aan, hem in allen deele bij het toezicht te vervangen en het dek geen oogenblik te verlaten; de waardige krijgsman weigerde gladweg.

„De duivel zit altijd om een hoekje te gluren,” antwoordde hij met een glimlach, „om iemand een kool te stoven, als hij er het minst op verdacht is. Er moesten eens wanordelijkheden tengevolge van dronkenschap voorkomen, of er moesten een paar van mijne snuiters drossen! Niet alleen dat ik mij zwaar bij het Militair Departement te Batavia te verantwoorden zoude hebben, wegens het finantieele nadeel, dat het lieve vaderland zoude lijden; maar ik zou het mijzelven niet vergeven.”

„Toe kapitein!” smeekten de jonge dames.

„Lieve dames, ik ben stijfhoofdig als een oud muildier. Laat af, wat ik u bidden mag. Eens en vooral, ik blijf aan boord!” kregen zij ten antwoord.

Bij zoo’n plichtsopvatting hielp geen verder aandringen. De sloepen staken af en legden na een korten overtocht aan de Praia de Vallongo aan. De opvarenden waren spoedig aan wal gestapt, en verdwenen weldra te midden der bonte menigte, die op die kade wemelde, voor de naoogenden aan boord.

Het was ruim elf uur des avonds, toen de pierewaaiers weer aan boord terug waren.

Den volgenden morgen waren een viertal vaartuigen al heel vroeg met het verlangde op zijde, en werd de overlading bewerkstelligd, waarbij met de slachtossen al heel weinig omslag gemaakt werd. Er werd hun eenvoudig een strik om de horens geslagen, waarin een haak greep, die aan eene lijn vastgemaakt was, welke door een blok aan het einde van de groote ra geschoren was. Of de arme dieren ook al spartelden en tegenstribbelden, weldra hingen zij aan hunne horens in de lucht te zweven en waren nog niet van hunne ontsteltenis bekomen, toen de lijn gevierd werd en zij op het dek neerkwamen. Met de varkens ging het gemakkelijker, die zaten in manden opgesloten en werden zoo naar boven geheschen.

Het was ongeveer half acht toen de overlading geëindigd was. Eene kleine sleepboot, de „Esperanza”, kwam toen op zijde, nam de sleeptrossen over, terwijl de equipage van het fregat, geholpen door een aantal soldaten, in het gangspil liep om het anker te winden. Eindelijk liet dat uit den zanderigen bodem los, en begonnen de raderen van de „Esperanza” zich in beweging te stellen. De Fernandina Maria Emma aldus gesleept, stevende terwijl hare zeilen losgeworpen werden, de baai door, op den ingang toe, wisselde met het fort Santa Cruz den gebruikelijken groet en was weldra in volle zee. De zeilen werden vierkant gebrast, de sleeptrossen losgegooid, waarna het fregat koers naar het zuidoosten zette.

Maar het fregat trof het wel. In den regel staat in deze streken de passaatwind, wanneer de zon zich in hare baan bezuiden den Evenaar bevindt, tot bij den Steenbokskeerkring en soms zuidelijker daarvan door. Daarna hebben de zeevarenden gewoonlijk een gordel te doorworstelen, waarin meestal stilten of veranderlijke winden heerschen. Bij het uitkomen van de baai van Rio Janeiro trof de Fernandina Maria Emma een noorden wind aan, die vrij sterk doorstond en het schip negen mijlen in de wacht deed afleggen.

„Als dat zoo treft,” zei kapitein Butteling met een glimlach van tevredenheid, „dan zullen wij die vier dagen verlies, die wij buiten den koers geweest zijn, spoedig ingehaald hebben, en betreur ik die vertraging niet.”

Neen, die vertraging was niet te betreuren. Vooreerst toch was er dadelijk bij de gekwetsten, door de aanwending van ijs op hunne wonden, eene zoodanige gunstige verandering waar te nemen, dat dokter Hannius verzekerde, hij den volgenden morgen er toe zou kunnen overgaan om de kogels uit te halen, waarna spoedig genezing zou volgen. Dan waren de approviandeering van versch vleesch en de bergen aardappelen, koolen, jams, peenen, knolrapen, uien, kalebassen, enz. enz., die te Rio Janeiro ingekocht waren, met het oog op den gezondheidstoestand der opvarenden, niet genoeg te waardeeren. Wat al dadelijk een glans van vergenoegen op ieders gelaat te voorschijn deed komen, was de heerlijke lucht, die zich over het dek verspreidde, van de beefsteak, die zich de kok in zijne kombuis beijverde klaar te maken voor den lunch van de passagiers achteruit; terwijl de manschappen van het detachement, in weerwil dat het zondag was, onder het zingen van een vroolijk lied bezig waren de aardappelen te jassen, die straks, met de noodige knolrapen er bij gekookt, een heerlijke ratjetoe zouden opleveren; maar voorafgegaan zouden worden door een ration lekkere soep, waartoe ruim het vierde gedeelte van een geheelen os gebruikt werd.

XI.

WEER NAAR ZEE.

Het was zondag—het werd hierboven reeds gezegd—dien dag, waarop de Fernandina Maria Emma de baai van Rio Janeiro verliet om haar reis te vervolgen. De passagiers zaten op het dek gezellig bij elkander, het langzaam verdwijnende land van Zuid-Amerika te bewonderen. Op verzoek van den heer Groenewald, had kapitein Van Dam de sergeanten Riethoven en Brinkman een wenk gegeven, die weldra ook plaats genomen hadden op het achterdek en wel bij de familie Groenewald, welker gasten zij waren.

„Hebben de dames zich goed geamuseerd?” vroeg kapitein Van Dam aan de jonge meisjes.

„O! uitnemend, kapitein!” antwoordde Emma.

„Papa heeft een rijtuig genomen bij het aan wal stappen,” verhaalde Adelien, „waarmede wij een prachtigen toer èn door de plaats èn door de omstreken van Rio Janeiro gemaakt hebben. Wij hebben daarbij wezenlijk genoten.”

Het meisje wierp bij die laatste woorden een vluchtigen, ja bijna onmerkbaren blik op Frank, die dezen beduidde, dat het genot van het lieve kind nog grooter ware geweest, wanneer hij aan dat uitstapje had mogen deelnemen.

„Het is een fraai land,” bevestigde dokter Hannius.

„Maar zou juffrouw Groenewald de minder gelukkigen, die van de partij niet konden zijn, niet willen mededeelen, wat zij bij dien toer gezien heeft?” vroeg Frank aan Adelien.

Het meisje bloosde. Zij was nog te jong om gewoon te zijn in een zoo talrijk gezelschap het woord alleen te voeren.

„Gij zult aan mijne mededeeling weinig hebben,” antwoordde zij schuchter, maar toch met bevallige stembuiging. „De indrukken van een meisje zijn zoo wuft, dat zij de heeren niet zullen kunnen boeien.”

„De oogen der vrouw zien scherper dan de man,” betuigde dokter Hannius. „Zij omvatten beter de algemeene omtrekken der tafereelen, die haar onder de oogen komen; terwijl de mannen meer hunne aandacht op bijzonderheden vestigen en zich dan veelal in studiën verdiepen, of.... daarvan den schijn aannemen.”

„Mooi gezegd,” sprak kapitein Van Dam. „Ik wed dat ons Behrtje niet veel van de algemeene indrukken heeft opgevangen. Ik heb hem althans met een bos groenten aan boord zien terugkomen, dat het denkbeeld bij mij moest opkomen, hij met de voeding der slachtossen belast was.”

„Geen spotternij met de wetenschap, kapitein,” antwoordde de apotheker met een glimlach. „Het moge waar zijn, dat ik bij mijne uitstapjes van gisteren en voorgisteren minder op de algemeene omtrekken van het landschap, dat mij omgaf, gelet heb, dat mij de bevalligheid en de verhevenheid van zoo’n bergterrein ontgaan zijn, dat ik geen blik had voor de werken der menschen, voor de kunst, die de natuur zoude verfraaid en verbeterd hebben, zoo als ik dat gisteren door sommigen in hunne opgetogenheid hoorde uitdrukken, voor die menigvuldige villa’s, die de hoogten der bergtoppen kroonden, of op hare hellingen verrezen; maar....”

„Maar?” vroeg Emma Groenewald niet zonder ietwat spotternij in hare stem.

„Maar, ik ben plantenkundige en de hartstocht voor de gaven van Flora treedt bij mij op den voorgrond. Toen ik buiten de stad kwam, en mij daar te midden van die prachtige intertropische natuur bevond, waarvan ik wel veel gelezen had, maar die het mij nu voor de eerste maal gegeven was van nabij te beschouwen, toen—ik wil het gaarne bekennen—had ik slechts oog voor hetgeen die plantenwereld te bewonderen gaf.”

„Zeker is het,” vulde Adelien met een soort van geestdrift aan, „dat, hetzij men in den Botanischen Tuin rondwandelde, hetzij men meer binnenslands of langs de oevers der baai ronddoolde, men wanen kon, zich in een eindeloos groot park te bevinden, waar iedere schrede een nieuw wonder te aanschouwen gaf.”

„Ik heb nimmer tropische planten gezien dan in serres,” ging Behren voort, „arme kwijnende dochters der zon, die het aan licht en lucht ontbrak, en die in dien kunstmatigen atmospheer van steenkolenwalm een jammerlijk bestaan voortsleepten. Ik kan mij dus geen oordeel aanmatigen, over wat de keerkrings-natuur te aanschouwen geeft; maar ik vermeen, altijd naar wat mijne boeken mij geleerd hebben, dat nergens ter wereld de Flora zoo ontwikkeld is, als daar in de omstreken van Rio Janeiro!”

„Ho! ho!” riep kapitein Van Dam. „Stop! De apotheker gaat er van door!”

„Dat er nergens zoo hooge en slanke palmen, dat er nergens zoo schilderachtige banaanboomen, dat er nergens zulke dichte bamboebosschen aangetroffen worden!”

Ja, de apotheker was er van door.

„Stop!” riep de heer Groenewald op zijne beurt. „Spreek niet te overijld. Alvorens zoo’n oordeel te vellen, moet gij wachten, tot dat gij ’s lands Plantentuin te Buitenzorg gezien zult hebben. Die is oneindig fraaier dan de Botanische Tuin te Rio Janeiro.”

„Ja, maar de Flora buiten dien tuin?”

„Laat op Java ook niets te wenschen over, en staat in niets achter, bij hetgeen gij gisteren gezien hebt.”

„Ik heb bloemen en struiken gezien, die....”

„O! ja, de groenten, die Behrtje voor de slachtossen heeft meêgebracht,” spotte kapitein Van Dam.

De apotheker vloog op, klom op de verschansing, dook onder het zeil, dat de sloep, die daar in de davids buiten boord hing, voor de werking der zonnestralen moest beschermen, en haalde daaronder een bos planten uit, die met fraaie karmozijnroode bloemen prijkten.

„Pas op, juffrouw Groenewald,” zei hij tot Emma, die een takje wilde kapen; maar zich gevoelig aan de doornen prikte en haastig haren duim in den mond stak.

„Pas op, er zijn doornen aan!”

„Dat waarschuwt ge wel wat laat, mijnheer Behren,” pruilde het jonge meisje.

„Maar, wat fraaie bloemen!” kreet Adelien, die evenwel voorzichtig hare handjes te huis hield.

„Niet waar?” ging de apotheker voort. „Niet waar, wat fraaie bloemen? Kijk eens, kapitein Van Dam. Dat is de Caesalpinia pulcherrima of de prachtige Pauwenkuif, zooals wij Nederlanders die heeten. Het is niet voor niets, dat de Franschen haar: poincillade of Fleur du Paradis noemen. Ziet dien karmozijnrooden bloesem eens met zijnen gladden kelk en stompe slippen, waarvan de voorste fraai gewelfd zijn, ziet die bevallig geplooide bloembladeren eens! En die lange helmdraden en stijl! Is dat niet mooi? Kijk, die peul is veelhokkig en de zaden zijn omgekeerd eivormig, geknepen en....”

De botanicus was aan het doceeren. Het werd tijd dat men hem zijn stokpaardje ontnam.

„Ho! stop!” riep kapitein Van Dam, die een blik op de vertoonde bloemen geworpen had. „Jij met je geknepen, eivormige, omgekeerde zaden, met je Caesa...caeso... Hoe heet je dat ding ook?”

„Caesalpinia pulcherrima, kapitein. Dat is eene zeldzame plant.”

„Het mocht wat! Die Caesalpinia polkamama...”

„Pulcherrima, kapitein.”

„Nu, pulcherrima dan... is eenvoudig de Patra kombala der Javanen, de Boenga Merak der Maleiers. Die bloemen vindt men in Indië in schier alle tuinen en groeien in sommige streken in het wild langs den weg. De Javaantjes houden veel van die plant.”

„Waarom?”

„Waarom? Weet jij apotheker dat niet?.. Niet? Nou dokters,” ging kapitein Van Dam voort en wendde zich tot de heeren Hannius en Van Pinksteren, „vertel jullie Behrtje eens, waartoe de Javanen een aftreksel van de bladeren van de Patra kombala bezigen.”

De beide Esculapen keken elkander aan.

„Wij weten het niet,” betuigden beiden.

„Weet jullie dat ook niet?... Wel dat weet in Indië iedere baboe en iedere nènèh! Wat leer jullie toch op die hoogescholen met al dien geleerden poespas, die daar verkocht wordt, als gij dat niet leert?”

„Dat is moeielijk te omschrijven, waarde kapitein,” antwoordde dokter Van Pinksteren lachende. „Maar zeg ons nu, wat de baboe’s en nènèh’s wel en wij niet weten. Waartoe dient dat aftreksel van folia Caesalpiniae pulcherrimae?”

„Wel, om schoon schip te maken.”

„Schoon schip?” vroeg Denniston. „Dus, zoo iets als een bezem of zwabber?”

„Juist, een zwabber, maar inwendig. Dat aftreksel heeft dezelfde werking als het Glaubers wonderzout of als de djarak-olie.” [62]

Allen lachten, en Behrtje en Hannius niet het minste, hoewel ze de laatstgenoemde olie niet kenden, en dat maar onaangeroerd lieten.

„Ik ben van plan,” zeide laatstgenoemde, „dadelijk eene proef te nemen. Er zijn een paar patiënten, die den invloed van den scheepskost geducht ondervinden. Hebt ge veel folia Caesalpiniae pulcherrimae medegebracht?”

„O! meer dan genoeg voor eene proef!”

„Dan gaan wij dadelijk aan het koken.”

„Wacht dan toch eerst, dat de kok met zijne beefsteak klaar is,” zei kapitein Butteling. „Gij mocht u eens vergissen... Daarbij, het wordt tijd, om te gaan lunchen. Ik heb reeds een wenk bekomen, dat het middaguur nabij is.”

Stuurman Abels had inderdaad den scheepsgezagvoerder een teeken gegeven, dat het kwart voor twaalf was.

„Is dat zonschieten heden wel noodig?” vroeg Leidermooi. „Wij hebben den wal nog in het gezicht.”

„Waar dan toch?” vroeg stuurman Abels. „Waar dan toch die wal?”

Allen keken uit. Er was niets meer te zien. Enkelen meenden nog achteruit, in het noorden, dicht bij de kim eene blauwe strook te zien; maar de stuurman was van meening, dat dit eene wolkenbank was, die opdoemde.

„Uit dien hoek krijgen wij van nacht of morgen poetssteen,” zeide hij.

Toen het middag-bestek opgemaakt was, stond het fregat op 24° 19′ zuiderbreedte en op 41° 48′ westerlengte.

Bij het naar beneden gaan om de lunch te gebruiken, merkte Frank Brinkman juffrouw Adelien op, dat zij hare mededeelingen omtrent Rio Janeiro niet voltooid had.

„Is het mijne schuld?” vroeg het meisje met een bekoorlijken glimlach, „dat de heeren het zoo druk gehad hebben over de Patra kombala? Als de geleerden aan den gang zijn, dan is er geen speld tusschen te brengen. Maar.... wij kunnen heden avond het gesprek voortzetten. Al de heeren zijn aan den wal geweest. Die kunnen mijne mededeelingen wel missen. Kapitein Van Dam alleen bleef aan boord; maar die—daarvan ben ik overtuigd—houdt meer van spadille en manille, dan van een verhaal door eene jeugdige onervarene reizigster geleverd. Heb dus geduld, totdat de partijtjesmakers heden avond achter hunne speeltafeltjes zullen plaats genomen hebben. Is dat uitstel niet goed?”

Een innige handdruk, onbemerkt bij het neerdalen van den trap naar de kajuit gewisseld, was het eenige antwoord, dat de jongman geven kon, en was misschien ook wel het meest gewenschte.

Dat de lunch onze onderofficieren, die niet mede aan den wal geweest waren en bij gevolg geen afwisseling van den scheepskost erlangd hadden, door het aanzitten aan eene Braziliaansche table-d’hôte, zooals de andere passagiers was te beurt gevallen, uitmuntend smaakte, behoeft ter nauwernood gezegd te worden. Zij betuigden, dat zij in hun leven geen lekkerder beefsteak hadden gegeten, hoewel de kok toch verklaard had, dat hij het vleesch als stokvisch had moeten beuken om het eenigermate zijne lederachtigheid te doen verliezen, daar anders de beefsteak veel van gebakken oude schoenzolen zoude gehad hebben.

„Die Braziliaansche zwartkoppen hebben den kapitein in het ootje genomen,” zeide de zee-Vatel met overtuiging. „Die os is voorzeker een tijdgenoot van Methusalem geweest, en heeft met dien oudvader waarschijnlijk school gegaan.”

Ook het diner was eene ware smulpartij voor onze onderofficieren. Toen de hofmeester de soepterrine op tafel zette, fluisterde Herman Riethoven Emma zijn buurmeisje in het oor:

„De traditioneele schildpadsoep!”

„Als dat waar is,” viel Behren in, die deze woorden opgevangen had, „dan zet ik den hofmeester de geheele terrine het onderste boven op het hoofd bij wijze van slaapmuts!”

De gewraakte schildpadsoep, die gewoonlijk op de zondagstafel verscheen, was eene dunne pap van bruine boonen, die uitermate gepeperd was, en waarin eenige uitgekookte stukjes gerookt spek dreven, die dienst voor schildpadvleesch moesten doen.

De apotheker werd evenwel gerustgesteld. Het was eene uitstekende potage à la jardinière, verklaarde de hofmeester met eene gejaagdheid, alsof hij de slaapmuts, waarmede hem gedreigd was, reeds op zijn hoofd gevoelde.

„En als de hofmeester ons nu eens dezer dagen echte schildpadsoep voorzet?” vroeg kapitein Butteling.

„Echte schildpadsoep!.... Maar, om hazenpeper te maken,” zei Behren, „is in de eerste plaats een haas noodig, niet waar?”

„En om schildpadsoep te maken, eene schildpad, is het niet zoo? Waarschijnlijk sliep ons Behrtje nog, toen de sloepen met levensmiddelen aan boord kwamen; anders had hij moeten zien, dat eene monsterachtige schildpad overgescheept is, die nu in het kabelgat ligt haar lot af te wachten.”

„Zoodat wij dan eens eene lekkere schildpadsoep zullen krijgen. In afwachting zullen wij deze potage met dankbaarheid genieten.”

„Maar....” vroeg de apotheker, terwijl hij zich beijverde zijne soep naar binnen te werken. „Maar.... kapitein Butteling. Is uwe schildpad eene ware, geene nagemaakte?”

Allen lachten.

„Neen,” zei dokter Hannius. „Ik heb ze gezien, het is eene echte zeeschildpad, eene Chelone viridis, die ongeveer 80 Ned. pond zal wegen.”

„Hoerah! dan voor de Chelone viridis!” riep Behrtje in geestdrift. „Behalve het bruineboonenbrouwsel heb ik nimmer schildpadsoep gegeten!”